Het is 'seksweek' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


Titel: Van de koele meren des doods

Geschreven door: Eeden, Frederik van
Jaar: 1900
Taal: Nederlands
Vorm: Roman
Periode: 1880-1918
Thema: Psychosen, Vrouwenleven
Bron: Memoreeks: Sande, Jef van de; Frederik van Eeden, Van de koele meren des doods, 1991
Uitgever: Walvaboek

I. Biografische schets
Het literaire werk van Frederik van Eeden bevat veel autobiografische elementen. Daarom wordt in deze levensschets gewezen op feiten uit zijn leven die verwerkt zijn in zijn roman Van de koele meren des doods (voortaan afgekort als VKM ), die het onderwerp vormt van dit boekje.

Frederik Willem van Eeden werd op 3 april 1860 geboren aan de Kleine Houtweg 149 in Haarlem. Zijn ouders, Frederik Willem (geb. 1829) en Neeltje van Warmelo (geb. 1833) waren toen vier jaar getrouwd en hadden al een zoon, Johan (geb. 1875). Frederik Willem sr. had de bloembollenkwekerij van zijn vader overgenomen, maar besteedde zijn tijd liever aan kunst- en wetenschapsbeoefening. Hij was gelegenheidsdichter, deed aan filosofie (hij had een grote bewondering voor Schopenhauer en Nietzsche) en was een enthousiast botanicus. Van hem moet de kleine Frederik, de latere schrijver van De kleine Johannes, zijn grote liefde voor en zijn kennis van de natuur - speciaal die van het Hollandse duinlandschap - hebben meegekregen. Door zijn lectuur was vader Van Eeden sterk onder invloed gekomen van de materialistische filosofie en had hij een onbegrensd vertrouwen gekregen in de natuurwetenschappen. Hierdoor was hij vervreemd van het christelijk geloof. Dit was een bron van conflicten in het gezin, want moeder, een domineesdochter, was en bleef conventioneel-christelijk. Zij verweet haar man ook, dat hij zijn bedrijf verwaarloosde voor zijn geleerde liefhebberijen. Zo werd Frederik van Eeden al in zijn jeugd geconfronteerd met het typisch laat-negentiende-eeuwse conflict tussen geloof en wetenschap. In de loop van zijn leven zou hij steeds meer zijn moeders kant en dus die van het geloof kiezen. In VKM komt deze keuze tot uiting.

In september 1872 werd hij leerling van de gemeentelijke h.b.s. aan de Jacobijnenstraat. In deze jaren ontwikkelde hij een sterke neiging tot zelfbeschouwing: vanaf 1875 begon hij met het bijhouden van een dagboek, wat hij de rest van zijn leven zou volhouden. Eind 1875 beschreef hij daarin het sterven van zijn schoolvriend Andries Beuninck, dat hij van nabij had meegemaakt. Het geobsedeerd zijn door de gedachte aan de dood, dat in VKM zo'n grote rol speelt, vindt misschien in deze ervaring zijn oorsprong. In oktober 1876 werd Frederik verliefd op de drie jaar oudere Henriëtte Ortt, een meisje uit een voornaam, orthodox-gelovig milieu. Door Henriëttes aarzelende houding en door verschillen in geloofsopvatting werd het een moeizame relatie, die in april 1879 door Henriëtte beëindigd werd. Nog in hetzelfde jaar maakte Frederik kennis met de ook al drie jaar oudere Martha van Vloten, dochter van de bekende publicist, de vrijdenker Johannes van Vloten. Maar de breuk met Henriëtte bleef hem dwars zitten. Hij bleef het contact met haar onderhouden en kort na haar huwelijk in 1881 voorspelde hij haar in een brief: 'Je moet niet verbaasd zijn als je je karakter in een of andere geschiedenis ziet opduiken. Vroeg of laat gebeurt dat.' Hij zou woord houden: in de verhouding tussen Hedwig en Johan uit VKM heeft Van Eeden iets van zijn relatie met Henriëtte weergegeven. Intussen was hij sinds september 1878 ingeschreven als student medicijnen in Amsterdam. De eenzijdig natuurwetenschappelijke gerichtheid van de toenmalige medische studie en het cynische gedrag van medestudenten in de snijkamer stootten hem af. Hij zocht en vond daarvoor compensatie in literaire actitiveiten binnen het kader van het studentenleven. In 1880 werd hij redacteur van de Almanak van het Amsterdamse Studentencorps en twee jaar later bracht hij het zelfs tot rector van dat corps. Ook trad hij in 1881 toe tot de pas opgerichte literaire vereniging Flanor, waar hij zijn latere mederedacteuren van De Nieuwe Gids Frank van der Goes, Willem Kloos en Willem Paap ontmoette. Ook met de schilders Jacobus van Looy en Jan Veth kreeg hij contact.
Op 17 oktober 1885 deed hij artsexamen. In de voorbereidingsperiode had hij daarnaast het eerste deel van De kleine Johannes geschreven, waarin zijn afkeer van de positivistisch-wetenschappelijke levensopvatting naar voren komt. De kleine Johannes verscheen in de drie eerste afleveringen van De Nieuwe Gids. De eerste aflevering van dit belangrijke literaire tijdschrift kwam uit op 1 oktober 1885. Van Eeden zat met Frank van der Goes, Willem Kloos, Willem Paap en Albert Verwey in de redactie. In november 1885 was hij enkele weken in Parijs om gegevens te verzamelen voor zijn proefschrift over kunstmatige voeding bij tbc-patiënten. Maar hij werd sterker geboeid door de colleges van prof. Charcot over hysterie en hypnose. In Parijs ontmoette hij ook Jeanne Fontaine, een aan morfine verslaafde prostituée, die hij vergeefs trachtte te helpen. Deze Jeanne heeft model gestaan voor een fase uit het leven van Hedwig Marga de Fontayne uit VKM. Op 15 april 1886 trouwde hij met Martha van Vloten en vestigde zich als arts in Bussum. In de loop van hun huwelijk dat ongeveer 15 jaar zou stand houden, heeft Martha geleden onder het wispelturige gedrag van haar man. Op 8 juli 1886 vond zijn promotie plaats. Het onderwerp van zijn proefschrift had niet echt zijn belangstelling. Die ging meer en meer uit naar de psychotherapie. Op 15 augustus 1887 opende hij met dr. A.W. van Renterghem een kliniek voor behandeling van lichamelijke klachten door middel van hypnotische suggestie. Ondanks het succes van deze onderneming trok Van Eeden zich in 1893 terug en vestigde zich als psychiater in Bussum. Intussen was op 12 mei 1887 zijn zoon Hans geboren, in 1889 gevolgd door Paul. In dat jaar ontmoette hij Betsy van Hoogstraten, een tien jaar oudere getrouwde vrouw, moeder van vier kinderen, met wie hij een langdurige platonische liefdesrelatie aanging. Trekken van de overgevoelige Betsy zijn terug te vinden in het karakter van Hedwig, hoofdpersoon in VKM. Het plan voor het schrijven van deze roman dateerde van 15 maart 1892, twee weken nadat Betsy's man overleden was. In eerste opzet was het boek bedoeld als de beschrijving van Betsy's jeugd, haar huwelijk en haar relatie met Van Eeden. Hoofdthema zou zijn: het doodsverlangen van de vrouwelijke hoofdfiguur. In deze aanvankelijke opzet zou de titel dan ook luiden: Elisabeth, het Boek van den Dood. In een later stadium werd de hoofdfiguur gecomponeerd uit verscheidene vrouwen die in Van Eedens leven een rol hadden gespeeld.
In 1893 kwam Van Eeden in conflict met zijn mederedacteuren van de Nieuwe Gids, als gevolg waarvan hij zich uit de redactie terugtrok. Belangrijkste oorzaak van het conflict was Van Eedens groeiende belangstelling voor sociale vraagstukken en maatschappelijke hervormingen, die niet strookte met de individualistische kunstopvatting van met name Willem Kloos (zie hoofdstuk V). Van Eedens sociale betrokkenheid leidde in 1898 tot de stichting van de produktiecoöperatie Walden (een soort tuinbouwcommune) op het landgoed Cruysbergen tussen Bussum en 's-Graveland. Door ondeskundig financieel beleid liep deze idealistische onderneming na een aantal jaren op een mislukking uit. Een tweede sociaal experiment, de oprichting van de coöperatie De Eendracht ten behoeve van ontslagen stakers bij de spoorwegstaking van 1904, werd ook een financieel fiasco. In de jaren 1908-1909 maakte Van Eeden een drietal tournees door de Verenigde Staten om zijn denkbeelden over sociale hervorming uiteen te zetten. Dit leidde tot de stichting van de Van Eeden Colony in North Carolina, die tot 1949 heeft bestaan.
Behalve als sociaal hervormer trad Van Eeden ook op als vredesapostel. In 1911 nam hij met een aantal geestverwanten van internationale faam - o.a. Martin Buber en Landauer - het initiatief tot het bijeenroepen van een wereldrijksdag (voorloper van de latere Volkenbond). Maar het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 verijdelde alle plannen. In januari 1917 werd Van Eeden in audiëntie ontvangen door de premier van het Britse oorlogskabinet, aan wie hij vergeefs het aanbod deed de vredesbemiddeling te leiden.
Teleurgesteld door het mislukken van zijn pogingen tot wereldverbetering en in zijn persoonlijke leven zwaar getroffen door het sterven van zijn zoon Paul in 1913, begon Van Eeden zich meer en meer te verdiepen in spiritisme en occultisme. Dit gebied had al vanaf ongeveer 1890, naast zijn sociale activiteiten, zijn belangstelling gehad. Nog weer later, in de jaren twintig, begon hij interesse te tonen voor het rooms-katholieke geloof. Op 18 februari 1922 werd hij in de Sint Paulusabdij in Oosterhout gedoopt. Zijn vitaliteit en zijn geestelijke gezondheid gingen sterk achteruit. Bij zijn zeventigste verjaardag, op 3 april 1930, werd hij door vrienden en geestverwanten uit binnen- en buitenland gehuldigd. Bij die gelegenheid verscheen een indrukwekkend Liber Amicorum met bijdragen van vooraanstaande kunstenaars en geleerden, o.a. van de grondlegger van de psychoanalytische methode, Sigmund Freud. Twee jaar later, op 16 juni 1932, overleed hij op Walden. Hij werd begraven op het R.K. kerkhof in Bussum.
Door zijn vele activiteiten buiten het terrein van de literatuur is Frederik van Eeden ongetwijfeld de meest veelzijdige figuur geweest van de schrijvers en dichters rond het tijdschrift De Nieuwe Gids. Door zijn kunstopvatting, die voortvloeide uit zijn buiten-literaire interesses, kan hij eigenlijk ook niet gerekend worden tot de Tachtigers in engere zin. Maar ook als literator was hij de meest veelzijdige van zijn generatie. Hij schreef lyrische en epische poëzie, romans, toneelstukken, wetenschappelijke studies, essays over literatuur en schilderkunst en brochures over politieke en sociale onderwerpen. Daarnaast hield hij zijn leven lang een dagboek bij, noteerde zijn dromen en schreef talloze brieven. Daardoor zijn we in staat ons een tamelijk nauwkeurig beeld te vormen van zijn veelbewogen leven en dit in verband te brengen met zijn literaire werk.
Het uitgebreide documentatiemateriaal over Van Eedens leven, bijeengebracht door zijn zoon Hans, bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.

Samenvatting

II. Samenvatting 'Van de koele meren des doods'
1. Hedwig Marga de Fontayne, kind van welgestelde ouders, is erg gevoelig voor indrukken en stemmingswisselingen. Op stille winterdagen overvalt haar soms een gevoel van onlust over de saaiheid van haar omgeving. Bij haar rustige, harmonische moeder voelt ze zich wel veilig en gelukkig. Ze houdt ook wel van haar vader.

II. 's Winters woont het gezin in de stad, 's zomers op het buitenhuis Merwestee. Hedwig is graag alleen in de natuur. Ze heeft dan een vaag verlangen naar iets onbereikbaars. Op zo'n eenzaam moment - ze is dan bijna 12 - heeft ze voor het eerst een seksueel lustgevoel, als ze zich tegen een boomstam aandrukt. Het is een heel innig 'hartsgevoel', bijna een 'gebedsmoment'. Later maakt het haar treurig. Ze spreekt er niet over met moeder. In de winter is er een kinderbal. Muziek en dans brengen haar in een geluksroes. Daarna lijkt alles weer saai. Ze voelt zich moe.

III. De jongens vinden haar wel aardig; dat streelt haar toch wel. Ze is nu bijna 13 en heeft herhaaldelijk geluksdromen over het aanbreken van de lente na een lange winter. Ook over een jongen die haar naar een tuin brengt waar hij haar dood zal maken. Dat ondergaat ze als een verrukking. In de lente op Merwestee is er weer het geluk alleen te zijn in de natuur. Maar in de zomer wordt ze ernstig ziek: typhus. Ook haar moeder wordt ziek en sterft. Als Hedwig beter is, vertelt haar vader haar, dat moeder 'bij God' is.

IV. Ze wordt nu geobsedeerd door alles wat met dood en sterven te maken heeft. Vaak gaat ze naar moeders graf om met haar en God te spreken. Maar ze kan niet vatten, dat moeder tegelijk onder de grond en bij God is. Haar oudste zus vindt dit ziekelijk. Hedwig voelt zich eenzaam en onbegrepen. Haar vader laat de opvoeding over aan een huishoudster die Hedwig wulps en behaagziek noemt en haar het gevoel geeft slecht te zijn. Er komt een dominee om met haar te praten. Maar door zijn plichtmatig gepreek lijkt alles wat met God te maken heeft Hedwig banaal. Ze bidt niet meer en spreekt niet meer met haar moeder. Als een vriendinnetje zinspeelt op het vreemde, innige gevoel, lijkt ook dat maar banaal.

V. De volgende zomer logeert Hedwig bij voorname verwanten op het landgoed Zonheuvel. Ze past zich snel aan; dat geeft haar weer wat zelfvertrouwen. Ze kan nu ook weer bidden. Weer thuis wordt ze gedeprimeerd door de geestelijke aftakeling van haar vader. Ze zoekt afleiding in veel uitgaan en flirten. 's Nachts bevredigt ze zichzelf, voelt zich dan slecht en vraagt God of ze mag doodgaan. De huishoudster bespiedt en betrapt haar en gooit haar voor de voeten, dat ze nu nooit kinderen zal kunnen krijgen. Na een volgend conflict probeert Hedwig zich op haar kamer te verhangen.

VI. In de familie wordt de zelfmoordpoging doodgezwegen. Hedwig voelt zich weer wat beter. Na drie jaar is ze op Merwestee terug. Bij een bezoek aan moeders graf ontmoet ze Johan, een weesjongen uit haar stad. Johan wordt dodelijk verliefd op haar; voor Hedwig is het alleen maar een vlucht uit de naargeestigheid van haar bestaan.

VII. In augustus logeert Hedwig weer op Zonheuvel. Ze vergeet Johan. Haar neef Henri wordt verliefd op haar en zegt met haar te willen trouwen, zodra hij meerderjarig is. Hij geeft haar een ring. Hedwig realiseert zich, dat ze niet echt van hem houdt. Ze gaat terug naar Merwestee en stuurt de ring terug. Hedwigs vader drinkt steeds meer. Johan is teruggekeerd naar de stad. Hedwig bezoekt plaatsen waar ze met hem geweest is. Het is een mooie, stille herfst, die haar doet terugdenken aan het voorbije geluk van haar kindertijd.

VIII. In de winter gaat ze steeds meer naar feestjes en bals, maar voelt zich slecht en ongelukkig. Ze zoekt steun bij Leo, haar vriendin, een gezond en ongecompliceerd meisje, tegen wie Hedwig hoog opkijkt. Ze ontdekt, dat muziek haar iets te zeggen heeft. Op een concert hoort ze Schuberts lied 'Der Tod und das Mädchen'. Ze is hierdoor zo gegrepen, dat ze snikkend de zaal moet verlaten.

IX. Op een voorjaarsavond ontmoet Hedwig Johan. Hij is huisschilder geworden en ziet er slecht uit. Nu Hedwig hem zó terugziet, krijgt ze een schuldgevoel en wil iets goedmaken. Ze gaat zijn doodzieke zuster opzoeken. De stervende fascineert haar zo, dat ze wekenlang helemaal opgaat in de stervensbegeleiding. Maar daarna krijgt alles voor haar weer zijn oude aspect van saaiheid. Ze ziet de somberheid van de armoebuurt waar de stervende woonde. Speciaal een duffe, donkere knopenwinkel vervult haar met walging.

X. Johan verklaart haar zijn liefde. Hedwig beseft nu wat ze bij hem heeft aangericht. Ze durft hem niet duidelijk af te wijzen. Ze belooft hem te schrijven vanuit Merwestee. Daar voelt ze zich eenzaam met haar probleem. Aan haar vader, die nu helemaal aan de drank is, heeft ze niets. Leo komt haar opzoeken. Ze vertelt haar alles. Leo raadt haar aan niet te schrijven. Hedwig schrijft toch een afwijzende brief, maar niet duidelijk genoeg.

XI. Op een zondagochtend vindt Hedwig Johan slapend aan de rivierdijk. Hij is uit de stad komen lopen om haar te zien. Hij is uitgeput; Hedwig verzorgt hem. Over de brief spreken ze niet. 's Nachts droomt Hedwig, dat ze een knappe, onbekende man, haar beste vriend, verpleegt. Ze wordt uitgenodigd op studentenfeesten in Leiden. Bij een maskerade ontmoet ze de rechtenstudent Gerard Wijbrands, vermomd als ridder Frank van Naaldwijk. Hedwig ziet in hem de ideale ridderlijke man, Gerard in haar de ideale kuise vrouw. Hij vraagt haar ten huwelijk; Hedwig stemt toe.

XII. Gerards 'ridderlijkheid' heeft een tragische achtergrond. Een kindermeisje heeft hem als achtjarige 'het kwaad der knapen' geleerd, dat hij argeloos is blijven bedrijven, tot hij op zijn vijftiende jaar een boek las dat hem bang maakte voor de 'gevolgen'. Daarna heeft hij resoluut de seksualiteit uit zijn leven gebannen. Zo zoeken Gerard en Hedwig beiden in hun partner de pure 'geestelijke' liefde, uit angst voor de lichamelijke liefde.

XIII. Hedwig en Gerard zijn verloofd. Op een wandeling door de stad komen ze Johan tegen, die Hedwigs groet negeert. Een tijdje later krijgt ze een grof beledigende brief van hem. Ze gaat hem om uitleg vragen, maar hij negeert haar. Hedwig vraagt Gerard met Johan te praten; ook dat haalt niets uit. Later hangt er voor het raam van een boekwinkel een pasteltekening van een sphinx met een bloederig mensenlijf in haar klauwen. De sphinx heeft Hedwigs gelaatstrekken. Deze beseft nu, boe diep ze Johan gekwetst moet hebben, dat hij die zo veel van haar hield, haar zo is gaan haten.

XIV. In mei, twee maanden na haar negentiende verjaardag, trouwt Hedwig. Op huwelijksreis door Duitsland hebben Gerard en Hedwig geen gemeenschap met elkaar. Hedwig is teleurgesteld en wordt depressief. Ze raadplegen een dokter, die Gerard wijst op wat Hedwig bij hem mist. De 'beredeneerde proefneming' (p. 126) die Gerard daarop onderneemt, wordt een mislukking.

XV. Terug in Nederland, gaat Hedwig gebukt onder de eentonigheid van haar nieuwe bestaan. In een weekblad leest ze een beschouwing over Johan als toekomstig groot kunstenaar. Daardoor lijkt haar eigen leven nog troostelozer. Ze gaat naar Merwestee. Daar krijgt ze een briefje van Johan: 'Wil je onze laatste wandeling nog eens overdoen? Dan zal ik je je zin geven.' 's Nachts droomt ze dat hij in haar kamer is. De volgende dag vindt ze hem op de afgesproken plaats: hij heeft zich met een pistool van het leven beroofd. In zijn hand houdt hij een briefje: 'Nu heb je dan je zin.'

XVI. Hedwig tracht vergeefs rust te vinden in gebed. Ze komt in de verleiding zichzelf ook te doden. Ze overwint die neiging door haar kennismaking met het daglonersgezin Harmsen, waar een kind geboren is. Ze neemt de zorg voor het kind op zich en vindt daarin
voldoening.

XVII. Aan het einde van de zomer wordt Merwestee verkocht, wat Hedwig heel erg vindt. Gerard koopt daarom Harmsens hoeve voor haar. In de herfst weer in de stad, wordt Hedwig opnieuw depressief en verlangt naar de dood. Gerard denkt dat het moederschap haar zal genezen. Hij overwint zijn schroom en weerzin en heeft weer gemeenschap met haar. Maar het kunstmatige daarvan boezemt Hedwig afkeer in. Diverse doktoren worden geraadpleegd.

XVIII. De man van Leo, een huisarts, raadt haar aan een tijd van Gerard gescheiden te leven. Ze gaat naar een badplaats aan de Noordzee. Daar ontmoet ze Ritsaard, een vriend van haar broer, die een beroemd pianist is geworden. Ritsaard leeft helemaal voor zijn kunst en laat zich aan niemand wat gelegen liggen.

XIX. Hedwig en Ritsaard worden verliefd op elkaar. Voor het eerst in haar leven heeft Hedwig een geluksgevoel dat niet voorbijgaat. Het lijkt op het 'hartsgevoel' uit haar kindertijd. Ze schrijft Gerard, dat ze onder invloed van Ritsaard geneest. Gerard haalt Ritsaard, die op tournee wil gaan, over om zijn reis uit te stellen.

XX. Ritsaard keert terug naar de badplaats. Hij speelt voor Hedwig haar lievelingscomponisten; de muziek schept een band tussen hen. Ritsaard, de amoralist, komt onder de indruk van Hedwigs morele opvattingen, maar Hedwig begint ook lichamelijk naar hem te verlangen. Ritsaard ziet dit als een natuurlijke ontwikkeling in hun relatie en komt op een nacht in haar kamer. Maar Hedwig stuurt hem weg, keert terug naar huis en schrijft hem af.

XXI. Ritsaard gaat op tournee; Hedwig wordt weer ziek. Als Ritsaard terug is, neemt hij contact met haar op. Hij woont bij de kunstenaar Joob. Hedwig maakt kennis met Joob. Die noemt haar 'Hedwig de Sphinx' en geeft haar zijn mening over haar houding ten opzichte van Johan. Ritsaard komt nu geregeld bij Gerard en Hedwig aan huis. Na een concert denkt hij, dat Hedwig zich aan hem wil geven. Hij omhelst haar, maar ze loopt diep beledigd weg.

XXII. Ritsaard en Hedwig leggen het weer bij. Hedwig heeft een gesprek met Joob, die haar depressies verklaart uit het feit dat ze, als vrouw uit de bezittende klasse, niets om handen heeft. Joobs inzichten zijn voor Hedwig een openbaring. Onder zijn invloed ontstaat bij haar het verlangen en de durf om van het leven te genieten. Ze geeft zich nu aan Ritsaard.

XXIII. Ze vraagt Joob om raad, maar deze geeft haar te verstaan, dat ze zelf een keuze moet maken. Ze besluit met Ritsaard te breken en bij Gerard te blijven. Ze schrijft Ritsaard een brief en bekent Gerard dat ze Ritsaards minnares is geweest. Als Gerard dreigt Ritsaard te zullen doden, snijdt ze zich in het bad de polsen door. Gerard vindt haar. Als ze buiten gevaar is, verlaat hij het huis, met achterlating van een briefje waarin hij Ritsaard en Hedwig sommeert het huis te verlaten. Ze gaan nu naar Londen.

XXIV. Hedwig heeft wroeging over haar overspel. Ze is uiterst kwetsbaar en lijdt soms onder de egocentrische houding van Ritsaard. Wel geniet ze van de schittering van het leven in een wereldstad. Maar na een paar weken is de glans er af. Het is herfst: de adel gaat naar buiten om te jagen. Ritsaard wordt uitgenodigd om recitals te geven op een hertogelijk kasteel. Hedwig heeft vaak ruzie met hem. Ze maakt kennis met lady Clara, de dochter van de hertog.

XXV. Ze vertelt Clara alles over haar huwelijk met Gerard en haar verhouding met Ritsaard. De volgende dag krijgen ze het verzoek zo spoedig mogelijk te vertrekken. Ritsaard, bekend met de conventionele moraal van de Engelsen, had dit wel verwacht. Hij huurt een huisje aan de zuidkust. Hedwig is in verwachting. Ritsaard laat haar soms wekenlang alleen, ook in maart als Charlotte wordt geboren. Het is een zwak kindje, dat nog geen maand leeft.

XXVI. Na Charlotte's dood wordt Hedwig psychotisch. Ze wil naar Ritsaard en stopt het lijkje in een koffertje. Vanuit Londen ontvoeren dieven haar naar Calais, waar ze haar met een treinkaartje Parijs achterlaten, beroofd van haar geld en haar koffertje. In Parijs wordt ze naar een inrichting gebracht. De arts die haar behandelt, interesseert zich voor haar. Na zes weken treedt herstel in.

XXVII. Als zij uit de inrichting ontslagen wordt, biedt de arts haar aan bij hem te komen wonen. Ze wordt zijn minnares, maar wroeging hierover maakt haar neerslachtig. De arts geeft haar morfine, huurt een kamer voor haar en zorgt voor werk. Ze raakt verslaafd aan morfine en komt zo tot prostitutie. Om zich moreel staande te houden begint ze met het bijhouden van een dagboek.

XXVIII. Dit hoofdstuk bestaat grotendeels uit dagboekfragmenten, gedateerd 26 september 1880 t/m 23 februari 1881. Hedwigs lichamelijke verzwakking gaat gepaard met een verinnerlijking van haar geestelijk leven. Ze wordt ten slotte opgenomen in het Hôpital Saint-Jean, waar zuster Paula haar helpt af te kicken.

XXVIX. Na een week beginnen de onthoudingsverschijnselen te bedaren. Zuster Paula helpt haar haar neiging tot zelfvernietiging om te zetten in een leven dat gericht is op God.

XXX. Hedwig wordt ontslagen uit het hospitaal. Zuster Paula geeft haar een boekje mee met spreuken uit de bijbel en uit mystieke geschriften. Hedwig wil naar Holland terug. Ze schrijft Gerard en vraagt hem, of ze bij hem terug mag komen. Ze krijgt het verzoek terug hem niet meer te schrijven. Maar in de brief zit ook een briefje van duizend gulden.

XXXI. Ze ontloopt Ritsaard, die haar eindelijk heeft weten op te sporen, neemt afscheid van zuster Paula en vertrekt naar Holland. Daar brengt ze een bezoek aan Joob. Ze vraagt hem Ritsaard te zeggen, dat ze nooit van hem los zal komen, maar dat ze hem niet meer wil ontmoeten. Ze trekt in bij het gezin Harmsen, op haar eigen hoeve. Ze helpt mee in de huishouding en gaat zieken bezoeken.

XXXll. Zo leeft ze nog zeven jaren, met zichzelf en God verzoend. In november 1888 sterft ze, in haar drieëndertigste levensjaar, aan de gevolgen van een longontsteking. Ze wordt begraven op het kale kerkhofje waar ook de graven zijn van haar moeder en van Johan.

Interpretatie

III. Analyse

1. Opbouw, tijd en ruimte
VKM telt 32 met Romeinse cijfers genummerde hoofdstukken. Aan het einde van het laatste hoofdstuk is een 'levensbericht' toegevoegd, getiteld 'Het leven van Hedwig Marga de Fontayne'. Daarin zijn de belangrijkste data uit Hedwigs leven vermeld. Ze zou geboren zijn op 18 maart 1856 en gestorven in november 1888, in het drieëndertigste jaar van haar leven dus. Men zou hierin een verwijzing kunnen zien naar het leven van Christus, die stierf aan het kruis toen hij 33 jaar was. Die verwijzing zou dan kunnen duiden op Hedwigs vereniging met Christus in lijden en dood. Zuster Paula laat haar spreuken uit De navolging van Christus door Thomas a Kempis lezen. In dat boek wordt de weg naar vereniging met Christus door navolging van zijn leven en lijden gewezen. De positieve waardering van het lijden als een weg die voert tot 'hoger leven' is een van de ideeën die in Van Eedens roman naar voren komen. Hedwigs leven wordt vanaf haar negende jaar verteld. De vertelde tijd is dus ongeveer 23 jaar. Het verhaal is in twee ongeveer gelijke delen verdeeld, doordat er een duidelijke cesuur is na het zestiende hoofdstuk, dus na de eerste helft van de roman. Deze cesuur heeft betrekking op een beslissende wending in Hedwigs leven, maar ook op de ruimte waarin het verhaal zich afspeelt. In de hoofdstukken XIV, XV en XVI worden Hedwigs huwelijk, Johans daarmee verband houdende zelfmoord en Hedwigs daarop volgende depressie beschreven. Door haar huwelijk, dat niet gelukkig zal blijken, is haar leven op een beslissend keerpunt gekomen. Daarmee gaat een verandering van de verhaalruimte gepaard. In de eerste 16 hoofdstukken heeft het verhaal zich afwisselend in de stad en op het platteland afgespeeld. Hedwigs familie, die welgesteld is, woont immers 's winters in de stad en 's zomers op het buitengoed Merwestee. Tot aan haar huwelijk is dit ritme min of meer bepalend voor Hedwigs leven. Hoofdstuk II begint met de zin:

Maar Hedwigs leven had twee vormen, die afwisselden met de seizoenen en ook in haar voorstelling scherp gescheiden waren, als de zomer van de winter. (p. 14)

En even verder staat:

Voor Hedwig bracht dit zomerleven zulk een machtige en diepe ommekeer, telken jare, dat het haar scheen of zij twee levens leidde, ja! twee wezens was. Die vreemde dorheid, die alle gedachte aan haar stadsleven vergiftigde, ontbloeide buiten tot een uiterst zoete, maar bijna van lieflijkheid scherpe weemoed. (p. 15)

Hedwigs depressies beginnen dan ook veelal, als de familie in de herfst terugkeert naar de stad. Door de hele roman heen wordt het buitenleven voorgesteld als 'natuurlijker' en daardoor meer bevorderlijk voor het lichamelijk en geestelijk welzijn dan het leven in de stad. We herkennen hierin een motief dat herhaaldelijk voorkomt in Van Eedens leven en werk: de negatieve visie op het stadsleven en de idealisering van het buitenleven. Uit Fontijns biografie blijkt ook, dat Van Eeden zelf als student het leven in Amsterdam aanvankelijk verafschuwde.
De cesuur na hoofdstuk XVI is in dit verband veelzeggend. Vanaf hoofdstuk XVII is het ritme van afwisselend in de stad en buiten wonen in Hedwigs leven verbroken. In hoofdstuk XVII moet Merwestee verkocht worden, doordat de familie als gevolg van het alcoholisme van Hedwigs vader aan lager wal is geraakt. Van dan af is het familieverband ook verbroken. Op p. 144 staat: 'Het gezin Marga de Fontayne verstrooide zich nu gans.' Van dan af ook gaat het met Hedwigs geestelijke gezondheid snel bergafwaarts. Johans zelfmoord, de teleurstelling die het huwelijk met Gerard haar brengt en het uiteenvallen van de familie door de verkoop van Merwestee ondermijnen haar toch al wankele geestelijke evenwicht. Het dieptepunt van geestelijke en sociale ellende komt voor haar in de grote stad Parijs. Door de tussenkomst van zuster Paula wordt dit dieptepunt een keerpunt ten goede. Na haar 'bekering' vindt Hedwig weer geborgenheid op het platteland, in de eenvoudige hoeve van het gezin Harmsen, die Gerard voor haar had gekocht toen Merwestee geveild moest worden. Zo is Hedwig weliswaar op de sociaIe ladder afgedaald, maar kan juist daardoor nog enkele jaren in vrede met zichzelf leven, samen met het eenvoudige boerengezin. Zo komen in de opzet van de roman en in de daarmee samenhangende beschrijving van Hedwigs geestelijke ontwikkelingsgang bepaalde ideeën van Van Eeden tot uiting: zijn kritische houding ten opzichte van de stedelijke samenleving en zijn positieve visie op het leven in contact met de natuur.

2. Personages
Aan het begin van het eerste hoofdstuk noemt Van Eeden VKM : 'de geschiedenis van een vrouw. Hoe zij zocht de koele meren des Doods, waar verlossing is, en hoe zij die vond.' Hierdoor geeft hij duidelijk aan, dat in zijn roman de geestelijke ontwikkelingsgang van Hedwig wordt beschreven. Deze ontwikkelingsgang wordt bepaald door haar aanleg, maar ook door invloeden van buiten, met name die van het sociale milieu waartoe zij behoort en van haar relaties met anderen. Daarom volgen persoonsbeschrijvingen van Hedwig en van de personages die belangrijk zijn voor haar.

Hedwig Marga de Fontayne

Aan het begin van hoofdstuk I wordt Hedwig gekarakteriseerd als 'een Hollandse vrouw, maar met bloed in zich van uitheemse voorouders.' Door het laatste wordt gesuggereerd, dat er in haar temperament een tegenstelling is, waardoor ze niet helemaal past in haar milieu van welgestelde burgers in een Hollandse provinciestad. In dat eerste hoofdstuk wordt ook sterk de nadruk gelegd op haar grote sensitiviteit (gevoeligheid voor zintuiglijke indrukken). Daardoor staat ze enerzijds bloot aan de invloed van negatieve indrukken. Zo is ze overgevoelig voor de saaie doodsheid van het alledaagse burgerlijke bestaan. Aan de andere kant maakt diezelfde sensitiviteit haar ontvankelijk voor extatische, religieuze ervaringen, die ze zelf 'gebedsmomenten' noemt (p. 18). Ook heeft ze soms 'kortstondige tijden van inzich-gekeerdheid, waarin het was, alsof ze diep, diep in zichzelve zag, op onbegrijpelijke en beklemmende wijze' (p. 10). Vanaf haar twaalfde jaar gaan deze extatische ervaringen gepaard met seksuele lustgevoelens, die haar in verwarring brengen. Zij durft hierover ook niet met haar moeder te praten, zodat ze er alleen mee blijft zitten. Later geven de reacties van de huishoudster, die haar bespiedt als zij zichzelf bevredigt, haar het gevoel slecht en schuldig te zijn. Daardoor zal seksualiteit voor Hedwig altijd een met schuld- en zondebesef geladen begrip blijven.
Door de voortdurende stemmingswisselingen is het geestelijk evenwicht van Hedwig erg wankel. Toch ontkent Van Eeden in zijn voorwoord bij de 2e druk, dat zij een ziekelijke aanleg zou hebben. 'Wel is zij', zo zegt hij, 'door uiterst fijne en edele bewerktuiging veel meer aan schadelijke invloeden blootgesteld, dan de grove, gemiddelde mens' (p. 5-6).

Hedwigs moeder

In het karakter van Hedwigs moeder zijn twee elementen tot een harmonische eenheid versmolten: 'fijne bewerktuiging' (fijngevoeligheid) en 'kalmte en evenwicht des gemoeds' (p. 11). Beide eigenschappen worden door Van Eeden genoemd als 'eigen aan de afkomelinge van zuiver edelgehouden geslacht' (p. 11). Bij deze moeder vindt Hedwig 'het grote, veilige thuisgevoel' (p. 11). De heilzame invloed van de moeder bindt het hele gezin tot een 'liefde-warme eenheid' (p. 12). Hedwigs liefde voor haar moeder is 'als een ding dat één was met haar wezen, te groot en te eigen om beseft te worden' (p. 14). Als de moeder sterft, is het dan ook, alsof er een deel van Hedwigs eigen wezen sterft. Als vader haar vertelt, dat moeder 'bij God' is, ervaart Hedwig dat als een 'verbazende en heuglijke gebeurtenis, die glans bracht over 't ganse huis en gezin' (p. 28). Maar als ze later moeders afwezigheid aan den lijve ervaart, is ze ontroostbaar. Van dan af begint al wat met dood en sterven te maken heeft een grote aantrekkingskracht op haar uit te oefenen (p. 29).

Hedwigs vader

Op p. 13 lezen we: 'In vaders hart was goedheid, en sterk besef van plicht en recht. Doch hij had noch de diepe gevoelswijsheid zijner vrouw, noch haar wel gebalanceerde gemoed.' Hij is een wat onevenwichtige, zwaartillende persoonlijkheid , te afhankelijk van zijn vrouw, die 'de grote steun en vervulling van zijn leven' is (p. 13). Als zij hem ontvalt, is hij zelf zo hulpeloos, dat hij zijn kinderen niet tot steun kan zijn. Hij kan het gemis van de moeder voor de kinderen niet vergoeden, omdat hij zelf een moederloos kind geworden is. Integendeel: zijn geestelijke en morele aftakeling heeft op het gezin, en speciaal op Hedwig, een demoraliserende invloed.

Johan

Op p. 49 staat, dat er tussen Hedwig en Johan 'een samengaan van denken, vinden en voelen' is. Ze lijken in sommige opzichten op elkaar, zodat ze zich tot elkaar aangetrokken voelen. Ze zijn beiden eenzaam. Hedwig lijdt onder het verlies van haar moeder - ze ontmoet Johan voor het eerst op het kerkhof waar ze het graf van haar moeder bezoekt -, Johan is een wees. Beiden zijn gevoelige naturen, die liever buiten zijn dan in de stad. Zo ontstaat er vertrouwelijkheid tussen hen. Maar het standsverschil is er de oorzaak van, dat zij elk voor zich toch heel verschillende verwachtingen hebben van hun relatie. Hedwig is zich ervan bewust, 'dat zij voor Johan een voornamer wezen was, dat zij stond voor een groot inrijhek en dat hij ging naar het tuinmanshuis' (p. 48). Zij vindt hierin 'een verhoging en verfijning der vreugde' (p. 48). Voor haar is het contact met Johan een welkome afleiding in de naargeestige eentonigheid van haar bestaan. Johan ziet in haar echter inderdaad een wezen van een hogere orde: hij idealiseert haar. Zijn gevoelens voor haar gaan zijn hele wezen bepalen: 'Hij zocht lijnrecht de onverbrekelijke en eeuwige verbinding' (p. 50). Als dan blijkt, dat Hedwig nooit ernstig heeft gedacht over een huwelijk met hem, denkt hij, dat ze maar wat met hem heeft gespeeld. Zijn liefde verandert in haat. Terwijl hij haar eerst idealiseerde, gaat hij haar nu verguizen. Zijn zelfmoord heeft het karakter van een wraakneming. Hedwigs schuldgevoel en doodsverlangen worden erdoor versterkt.

Gerard

Hedwig ziet Gerard voor het eerst, als hij een rol speelt in een maskerade als ridder Frank van Naaldwijk. Gerard is ook in de werkelijkheid van zijn bestaan iemand met een masker voor. Uiterlijk is hij een mannelijke, sportieve figuur, hoffelijk en beheerst. Maar achter dat uiterlijk gaat een persoonlijkheid schuil, wiens emotionele leven door een traumatische jeugdervaring blijvend geschaad is. Een kindermeisje heeft de achtjarige Gerard 'het kwaad der knapen' geleerd, dat hij argeloos is blijven bedrijven, tot hij een boek las waarin de 'fatale' gevolgen van dit kwaad werden beschreven. Hierdoor geschokt, heeft Gerard met grote wilskracht zijn fout overwonnen. Maar het gevolg is, dat hij een 'ongezonde afkeer' van seksualiteit heeft gekregen. Alleen een zuiver platonische liefde tussen man en vrouw is in zijn ogen gerechtvaardigd. Hedwig, die wél een sterke seksuele behoefte heeft, maar deze behoefte uit schuldgevoel heeft leren onderdukken, ziet in Gerard de ideale, opofferende, hoofse ridder. Maar eenmaal getrouwd, kan zij zich niet lang gelukkig voelen in de platonische verhouding met haar man. En Gerard kan haar niet gelukkig maken door zijn ingestudeerde pogingen om aan zijn 'huwelijksplichten' te voldoen.

Ritsaard

Deze concertpianist wordt beschreven als een individualistische artist , die alles ondergeschikt maakt aan zijn kunst. In artistiek opzicht stelt hij zeer hoge eisen aan zichzelf, maar in moreel opzicht gunt hij zichzelf de grootst mogelijke vrijheid, 'in hooghartige onverschilligheid voor het oordeel van de mensen' (p. 158). Hij heeft al verschillende liefdesaffaires achter de rug. Tot nu toe heeft hij, in zijn afkeer van het 'fatsoenlijke' burgerdom, nooit iets gezien in 'vrouwen die dames heten' (p. 161). Hedwig is zo'n dame en toch wordt hij door het bijzondere van haar verschijning en haar innerlijk geboeid. Op haar beurt ziet Hedwig in Ritsaard het tegendeel van Gerard, bij wie ze zo veel mist. Toch blijft ze haar verlangen naar Ritsaard veroordelen als overspel. Vanuit zijn nonconformistische morele opvattingen kan Ritsaard dat niet aanvoelen en begrijpen. Zo leidt de wederzijdse aantrekkingskracht voor Hedwig tot een innerlijk conflict dat ze niet kan oplossen.

Joob

Evenals Ritsaard is Joob een nonconformistische artist, die het bekrompen burgerdom veracht. Maar terwijl Ritsaard een individualist is, die alleen waarde hecht aan zijn kunst en onverschillig staat tegenover ethische en sociale vraagstukken, is Joob een ethisch-denkende, sociaal bewogen kunstenaar . Hij confronteert Hedwig met wat ze, zij het onbewust, fout heeft gedaan door Johans verliefdheid eerst aan te wakkeren en hem daarna te laten vallen. Hij leert haar ook, dat je kunt groeien door je fouten onder ogen te zien en de consequenties ervan te accepteren. Hij maakt haar bewust van de tegenstellingen tussen de sociale klassen, waardoor de maatschappij wordt verscheurd. Hij laat haar inzien dat de leegheid van haar bestaan een gevolg is van het feit, dat ze tot de bezittende klasse behoort. Joob brengt bij Hedwig dus een bewustwordingsproces op gang, waardoor ze, in een later stadium, zichzelf uit haar ziekelijk-narcistische isolement zal kunnen losmaken en uitgroeien tot een meer volwassen en meer sociaal bewogen persoonlijkheid. In de tegenstelling tussen de amoralistische individualist Ritsaard en de ethisch-denkende, sociaal bewogen Joob herkennen we iets van de controverse in de redactie van De Nieuwe Gids (zie hoofdstuk V), waarbij Van Eeden tegenover Kloos c.s. het standpunt verdedigde, dat de kunstenaar een profetische taak heeft: de mensheid de weg te wijzen naar een hogere vorm van bewustzijn. In de positieve invloed die Joob heeft op Hedwigs geestelijke ontwikkeling, komt dit standpunt van Van Eeden tot uiting.

Zuster Paula

De kloosterzuster Paula is verpleegster in het Hôpital Saint-Jean, waar Hedwig met morfineverslaving wordt opgenomen. Ze wordt beschreven als een hoogstaande, sterke persoonlijkheid , wier religieuze leven op een hoog peil staat. De dokter die Hedwig behandelt, roept haar hulp in. Ze slaagt erin Hedwigs vertrouwen te winnen en haar van haar verslaving te genezen. Hierbij vindt ze een aangrijpingspunt in Hedwigs religieuze aard, waardoor ze altijd, ook in de diepste ellende, tot God is blijven bidden. Zuster Paula laat Hedwig ontdekken, dat een moeizaam leven vol lijden een louteringsproces is, waardoor de mens in geestelijk opzicht kan groeien en zo ook dichter bij God komen. Zo leert ze Hedwig haar doodsverlangen te overwinnen en om te buigen in de richting van verlossing door onthechting. Die onthechting houdt in, dat je afstand kunt doen van zinnelijk genot, omdat je de betrekkelijkheid ervan inziet. Maar onthechting betekent ook, dat je je losmaakt van de gehechtheid aan anderen, voor zover die op eigenliefde is gebaseerd. Op deze wijze wordt de liefde voor zichzelf en voor degenen die men het meest denkt lief te hebben gesublimeerd tot liefde voor de mensheid, gebaseerd op de liefde voor God.
In feite gebruikt Van Eeden zuster Paula als spreekbuis voor zijn eigen opvattingen . Want in het door zuster Paula aan Hedwig voorgehouden ideaal van een op religieuze gronden gebaseerde mensenliefde herkennen we een thema dat aan het einde van De kleine Johannes al zichtbaar wordt. Dat thema wordt in latere werken, met name in VKM, steeds duidelijker de grondgedachte of hoofdidee. Hetzelfde geldt voor de opvatting van het leven als een groei- en louteringsproces waardoor dat ideaal bereikt kan worden. Onder invloed van Zuster Paula komt Hedwig ook tot het inzicht, dat een eenvoudig leven op het platteland, waarbij zij zich dienstbaar kan maken voor anderen, voor haar beter is dan leven in de stad. Op p. 251 staat: 'Ik heb ook gedacht dat de grote stad niet voor mij deugde'. Waarop zuster Paula zegt: 'Dat schijnt mij een goede gedachte'.
We kunnen concluderen, dat Joob en zuster Paula in VKM naar voren komen als 'Ideeëndragers ' van de auteur Frederik van Eeden. Hun ideeën zijn het, die bij Hedwig een bewustwordingsproces op gang brengen waardoor haar genezing bewerkstelligd wordt en zij in geestelijk opzicht als het ware opnieuw geboren wordt.
Joob en zuster Paula zijn de geestelijke ouders die deze wedergeboorte mogelijk maken. Misschien heeft Van Eeden in hen ook zijn eigen ideaal geprojecteerd om voor anderen te fungeren als genezer.

3. Stijl
Toen Van Eeden het plan opvatte VKM te schrijven, nam hij zich voor, dat de stijl van een 'koele, hooge effenheid' moest zijn. Ook wilde hij de verteltrant 'breed en typisch' maken, zodat de hoofdmomenten eruit zouden springen, waarbij er dan een tegenstelling moest zijn tussen de banale en de verheven feiten. Aan deze voornemens heeft hij zich gehouden. VKM is overwegend geschreven in een plechtige, gedragen stijl , met veel verouderde woorden en wendingen, bv. op p. 10:

Toch was zij in genen dele een droefgeestig kind, maar spraakzaam en meestal blijde, geneigd tot bezigheid, schrander en onuitputtelijk in 't vinden van middelen tot spel en vermaak, zelden vermoeid en niet meer dan anderen stuurs of balorig.

Door deze plechtige, verheven stijl wilde Van Eeden de levensgeschiedenis van Hedwig uitheffen boven het banale. In het bijzonder als het gaat over Hedwigs seksuele ervaringen is hij erop uit geweest zijn beschrijving op een hoger plan te brengen door verheven, ouderwets-dichterlijke taal, bv. op p. 86:

Wat hier in Hedwig gebeurde had diepe en droevige betekenis. Het betekende dat in haar de schromelijke scheiding reeds ontstaan was, die is als een barst in de gave ziel, waardoor het verderf ingang vindt en voortkankeren kan. De scheiding tussen de innigheid der ziel en de innigheid des lichaams. De zoete geneuchten der lijfs-aanraking had zij leren kennen zonder zielsvertrouwelijkheid.

In zijn biografie van Van Eeden merkt Jan Fontijn (zie secundaire bibliografie) op: 'Het taalgebruik ondersteunt de lijn in het leven van de hoofdfiguur en van Van Eeden zelf: nooit ondergaan in de wereld van het banale en met vallen en opstaan streven naar het hogere' (p. 449).
Toch contrasteert de verheven stijl soms met de poging om in de dialogen tussen de personages de alledaagse spreektaal na te bootsen, zoals in de volgende dialoog tussen Hedwig en Johan:

'Je moet dit niet meer doen, Jo', zei Hedwig, 'je weet toch ommers dat het niet kan, ik heb je toch geschreven.' 'Waarom doe je zo raar met me, Hettie? Ik kan dat heus niet uithouë. Den enen dag hou je van me en den anderen weer niet.' (p. 96)

De nonconformistische Joob spreekt ook nonconformistische taal, die doet denken aan het 'realistische' jargon van de Tachtigers:

'Goed, verwonder je dan nooit meer as je je hele leven, je hele kring, je hele wereld besmoezeld vindt met een schimmelig waas van weeheid, lelijkheid, griezel of hoe je 't noemen wil. Je huizen, je meubels, je kleren, je boeken, alles muft van hetzelfde heimelijke bederf.' (p. 184)

In de dialogen tussen Hedwig en zuster Patila zijn gallicismen verwerkt, die de suggestie moeten wekken, dat deze gesprekken in het Frans gevoerd werden. Zo antwoordt Hedwig op een vraag van
zuster Paula: 'Ja, nu begrijp ik, mijn zuster.'
Dit contrast tussen verheven en 'realistische' stijl vloeit voort uit twee aan elkaar tegengestelde strevingen van Van Eeden. Enerzijds wilde hij de levensgeschiedenis van Hedwig uitheffen boven het alledaagse, aan de andere kant wilde hij wedijveren met de naturalisten in het schrijven van een uit het leven gegrepen verhaal.

4. Vertelwijze

Van Eeden heeft in VKM gebruik gemaakt van de zogenaamde auctoriële vertelwijze. Dat is een manier van vertellen, waarbij de verteller zich duidelijk als zodanig manifesteert. Zo'n auctoriële verteller neemt een external point of view in, d.w.z. hij vertelt de gebeurtenissen als iemand die buiten het verhaal staat en daardoor alles van een zekere afstand kan bekijken. De auctoriële verteller kan vanuit zijn standpunt ook commentaar geven op de gebeurtenissen, zijn mening laten blijken. Dat is in VKM meer dan eens het geval, met name in de passages waarin de verteller de psyche van Hedwig (of van andere personages) analyseert. Een voorbeeld daarvan vinden we op p. 24. waar de verteller over Hedwig zegt:

Zij zag als kind het tijdelijke en meest vergankelijke eerst en hield dat voor het waarachtigst, maar later zag zij het meer blijvende en tijdeloze, dat er even goed was geweest, beter voor wat het was, haar meest werkelijke leven. Doch zeer moeilijk werd het haar dit aldus te begrijpen, daar de mensen, door de lage en slechte levenswijze onzer dagen steeds nog als kinderen het tijdelijke en vergankelijke als het voornaamste deel huns levens achtend, haar groeiende wijsheid door ongeloof en geringachting vertraden.

In deze passage beperkt de verteller zich niet tot het beschrijven van Hedwigs gemoedstoestand, hij neemt ook een ethisch standpunt in en oordeelt of veroordeelt op grond daarvan. Hij gaat er immers van uit, dat 'het blijvende en tijdeloze' belangrijker is dan 'het tijdelijke en meest vergankelijke'. Op grond van die opvatting oordeelt hij over de samenleving van zijn tijd, die door haar 'lage en slechte levenswijze' het tijdelijke en meest vergankelijke het belangrijkste vindt. De verteller is dus geen objectieve instantie, maar vertolkt de opvattingen van Van Eeden. De lezer wordt door de auctoriëIe verteller herhaaldelijk met diens opvattingen geconfronteerd. Hij wordt daardoor geprikkeld zich af te vragen, of dat ook zijn eigen opvattingen zijn. Evenals de verteller komt hij daardoor op een afstand te staan van het verhaalgebeuren.
In de volgende paragraaf zullen we zien, dat deze met de ethische strekking samenhangende vertelwijze VKM onderscheidt van de naturalistische romans die in deze periode geschreven werden.

5. Genre en stroming

VKM is een psychologische roman . In dat genre ligt het accent niet op wat de personages overkomt en op wat zij doen, maar op de beschrijving van hun innerlijke leven: hun gedachten, gevoelens en fantasieën, de bewuste en onbewuste drijfveren van hun handelen en op de ontwikkeling die daarin aan te wijzen is. De psychologische roman ontstond aan het einde van de achttiende eeuw, maar beleefde zijn grote bloei in het laatste kwart van de negentiende eeuw. Deze bloei werd veroorzaakt door het naturalisme in de romankunst, in verbinding met de invloed van de erfelijkheidsleer en de opkomst van de psycho-analyse.
De naturalistische romanciers hadden een wetenschappelijke pretentie : zij wilden een zo natuurgetrouw mogelijk beeld geven van het innerlijke leven van de hoofdpersonen, uitgaande van nauwkeurige psychologische waarnemingen. In overeenstemming met deze wetenschappelijke pretentie treedt de verteller op als een neutrale, objectieve instantie, die de personages van buitenaf en van binnenuit beschrijft en zich daarbij van een oordeel onthoudt. De verteller blijft zoveel mogelijk 'onzichtbaar'. Maar volstrekt objectief waren de naturalisten toch niet. Zo gingen zij veelal uit van de deterministische opvatting , dat de mens een produkt is van de erfelijke eigenschappen die hij bij zijn geboorte heeft meegekregen, van het maatschappelijk milieu waartoe hij behoort en van de tijd waarin hij leeft. De hoofdpersonen van hun romans zijn dan ook vaak mensen aan wie deze deterministische theorie duidelijk kan worden gedemonstreerd: ze zijn 'erfelijk belast met nervositeit'. Enigszins labiele, overgevoelige vrouwen uit de kringen van de gegoede bourgeoisie genoten een zekere voorkeur bij de naturalisten. Emma uit Madame Bovary (1857) van Gustave Flaubert kan gelden als het prototype. Mathilde uit Een Liefde (1887) van Lodewijk van Deyssel en Eline uit Eline Vere (1889) van Louis Couperus zijn vertegenwoordigsters uit de Nederlandse literatuur. Met deze hoofdfiguren loopt het meestal slecht af; ze zijn niet bestand tegen de ongunstige factoren van erfelijkheid en milieu die hun leven bepalen. Naturalisten hadden een scherp oog voor decadentieverschijnselen, met name in de levensstijl van de bourgeoisie. Zij waren er op uit de schijnheiligheid van het burgerdom te ontmaskeren, vooral wat betreft de in die kringen gehuldigde seksuele moraal. Zij wilden immers de volle werkelijkheid van het leven laten zien en legden daarom een voor die tijd ongehoorde openhartigheid aan de dag in de beschrijving van het seksuele leven van de hoofdpersonen.

VKM heeft een aantal van bovengenoemde kenmerken. De ontleding van Hedwigs zieleleven vertoont de exactheid van wetenschappelijke observaties. Zij wordt beschreven als een kwetsbare vrouw die door haar overgevoelige zintuigen meer dan de gemiddelde mens aan schadelijke invloeden is blootgesteld. Die schadelijke invloeden duidt Van Eeden aan als 'de lage en slechte levenswijze onzer dagen' (p. 24). Daarmee bedoelt hij kennelijk het ontbreken van hogere, geestelijke levenswaarden en idealen, wat leidt tot een ongezonde levenswijze. Dit komt tot uiting in zijn beschrijving van de seksuele opvoeding en ontwikkeling van Hedwig en Gerard. Daarbij laat hij kritiek blijken op de burgerlijke seksuele moraal. Vanuit de opvatting dat seksualiteit 'onfatsoenlijk' en dus 'slecht' is, werd dit hele levensgebied als verboden terrein bestempeld, terwijl het ondergronds toch zijn invloed deed gelden. De psychiater Van Eeden ontkende de betekenis van seksualiteit niet en als romancier spreekt hij er in VKM dan ook openlijk over. Maar hij geeft daarbij duidelijk blijk van de opvatting, dat de seksuele beleving opgenomen moet zijn in een hogere, geestelijke liefde tussen twee mensen. In paragraaf 3 hebben we al gezien dat hij zijn spreken over seksualiteit op een hoger plan tracht te brengen door een verheven en daardoor toch enigszins verhullende stijl. Hierdoor wordt het ook begrijpeijk, waarom Van Eeden afwijzend stond tegenover de onverhulde beschrijvingen van seksualiteit door naturalistische romanciers, zoals Van Deyssel in Een Liefde. Voor Van Eeden bleef de seksualiteit een delicate zaak, die niet ontheiligd mocht worden door de niets ontziende waarheidsdrang van de naturalisten.

Het strookte evenmin met Van Eedens idealistische opvattingen Hedwig af te schilderen als het machteloze slachtoffer van haar aanleg en van ongunstige milieu-factoren, zoals dat in veel naturalistische romans wél het geval is. Blijkens het voorwoord bij de 2e druk van VKM wilde hij juist laten zien:

hoe het mogelijk is, deze ogenschijnlijke overmachtige en overweldigende invloeden onzer kranke maatschappij, ondanks de ongunstigste lotswisseling, door het allertederst zielsgestel te weerstaan, en ondanks diepsten val tot eindelijk heil te verwerken, mits geloofdsmoed en Godsvertrouwen bewaard worden (p. 6).

Uit dit alles blijkt wel, dat het Van Eeden in VKM om méér ging dan om een objectieve, natuurgetrouwe beschrijving. Hij gebruikte het genre van de psychologische roman om zijn ideeën en idealen uit te dragen. Zoals we in de vorige paragraaf al gezien hebben, neemt de verteller in zijn roman dan ook geen neutraal standpunt in. Daarom kunnen we VKM ook geen naturalistische roman noemen. Het is eerder zo, dat Van Eeden met deze roman een 'antwoord' heeft willen geven op het naturalisme, met name op de roman Een Liefde van Lodewijk van Deyssel, waarover hij al bij het verschijnen in 1887 met de schrijver gediscussieerd had.

6. Ideeën, titelverklaring

Uit de vorige paragraaf is gebleken, dat VKM een psychologische roman is met een duidelijk ethische strekking. Van Eeden lanceert zijn ethische opvattingen soms via de auctoriële verteller, dan weer bij monde van een verhaalpersonage (zuster Paula, Joob). De meeste ideeën zijn in vorige paragrafen en passant al aan de orde gekomen. Hier volgt een overzicht, waarin de betekenis van en het verband tussen de verschillende ideeën nader wordt besproken.

a. Van Eeden had een spiritualistisch-idealistische wereld- en mensbeschouwing . Hij was ervan overtuigd, dat de mens alleen door een geestelijke groei zijn volledige zelfontplooiing kon verwerkelijken. Voor Van Eeden hield deze geestelijke groei in: het meest wezenlijke leren herkennen in het tijdeloze, het goddelijke, en tegelijkertijd de betrekkelijkheid van het tijdelijke leren zien. Daardoor zou het verlangen naar vereniging met God sterker, het verlangen naar bevrediging van aardse verlangens vanzelf zwakker worden. In Hedwig voltrekt zich deze bewustzijnsverandering . Zuster Paula leert haar inzien, dat haar vroegere buien van droefgeestigheid voortkwamen uit het gemis van God in haar leven. Als zij dat eenmaal ingezien heeft, kan zij haar verlangen richten op God als het meest wezenlijke in haar leven en leert zij gaandeweg afstand te nemen van aardse verlangens die geen blijvende vervulling schenken.

b. Het thema van het doodsverlangen hangt hiermee samen. Hedwigs doodsverlangen, dat tot twee suïcidepogingen leidde, kwam voort uit afkeer van een oppervlakkig, middelmatig leven, dat haar diepste, nog onbewuste verlangen onbeantwoord liet. Nu zij God als eeuwige bron van dat diepste verlangen heeft leren herkennen, kan zij alle andere verlangens als betrekkelijk zien en langzaam in zich laten sterven. De afkeer van het leven die haar deed verlangen naar de dood, kwelt haar nu niet meer. Zij heeft nu iets om voor te willen blijven leven: geestelijk groeien en daardoor steeds dichter komen bij God. Deze groei naar God zal haar gaandeweg voeren naar de stille wateren, waarvan Psalm 23 uit het Oude Testament spreekt. De titel Van de koele meren des doods, die als een rode draad door de roman loopt, verwijst naar de stille wateren uit de psalm. Eerst duidt deze titel op Hedwigs verlangen rust te vinden in de dood, aan het einde van de roman verwijst hij naar haar relatie tot God , waarin zij rust kan vinden, ook al tijdens haar leven.

e. Uit het ideaal van groei door vergeestelijking vloeit ook Van Eedens opvatting over de zin van het lijden voort. In zoverre lijden de mensen kan brengen tot dieper inzicht in zichzelf en daardoor tot het bewustzijn van het onderscheid tussen wat wezenlijk en blijvend en wat bijkomstig en voorbijgaand is, heeft het lijden volgens Van Eeden een zin. Bovendien veroorzaakt ook het afsterven van de aardse verlangens pijn en lijden. Maar daar dit afsterven een noodzakelijke voorwaarde is voor geestelijke groei, heeft ook dit lijden een zin. Het is weer zuster Paula die Hedwig tot dit inzicht brengt.

d. Van Eeden heeft zijn eigen spiritualistische ideaal geprojecteerd in twee vrouwen: Hedwig en zuster Paula. Dit wijst op zijn idealisering van de vrouw als een wezen van hogere morele orde, meer gevoelig voor geestelijke en religieuze verheffing dan de man. In dit verband is ook Hedwigs voornaam veelzeggend. Deze verwijst naar zuster Hadewijch, de bekende mystieke dichteres uit de middelnederlandse literatuur. Volgens Jan Fontijn heeft Van Eedens idealisering van de vrouw als een heilige-in-spe een bedenkelijke, dubbelzinnige keerzijde. Zie hiervoor het betreffende citaat uit zijn bespreking van VKM in hoofdstuk VI.

e. Spiritualistisch is ook Van Eedens opvatting over de liefde tussen man en vrouw . Blijkens zijn uitvoerige beschrijving van het seksuele leven van Hedwig (en ook van Gerard), was hij ervan doordrongen dat seksualiteit een belangrijke realiteit is in het leven van de mens, een realiteit waaraan een schrijver niet voorbij kan gaan. Maar helemaal volgens zijn spirituele ideaal wilde hij de seksualiteit ingebed zien in een geestelijke verbondenheid tussen man en vrouw, waardoor de lichamelijke eenwording 'geheiligd' wordt.

f. Daarmee houdt ook zijn kritiek op de negentiende-eeuwse opvattingen over seksualiteit verband. In Hedwig en Gerard laat hij zien, dat een opvoeding die de seksualiteit uit valse schaamte doodzwijgt of met angst- en schuldgevoelens belaadt, leidt tot misvorming van het geweten en dus van de mens. Hierdoor wordt de seksualiteit afgesneden van de geestelijke liefde en, in de opvatting van Van Eeden, dus 'ontheiligd', tot louter kwaad bestempeld. Volgens Van Eeden moest de seksuele opvoeding erop gericht zijn de lichamelijke liefde te leren zien als een uiting van geestelijke verbondenheid.

g. De kritiek op de opvattingen over seksualiteit is een onderdeel van de meer algemene kritiek op de tijdgeest , op de 'lage en slechte levenswijze onzer dagen' (p. 24). Blijkens de context bedoelt Van Eeden hiermee: het ontbreken van hogere geestelijke en morele waarden, zowel bij de 'ongelovigen' als bij de aanhangers van het conventionele christendom (de dominee die door Hedwigs vader te hulp wordt geroepen om Hedwig te 'bekeren').

h. Bij monde van Joob uit Van Eeden ook kritiek op de levensstijl van de gegoede bourgeoisie en op de negentiende-eeuwse klassenmaatschappij . Joob brengt Hedwig tot het inzicht, dat de leegheid en dorheid van haar bestaan ten dele het gevolg is van het feit, dat zij als lid van de bezittende klasse leeft ten koste van de minderbedeelden, zonder haar leven zin te kunnen geven door dienstbaarheid aan anderen. Hedwigs geestelijke groei brengt haar er dan ook toe af te zien van de materiële en maatschappelijke privileges van haar klasse en zich verdienstelijk te maken voor het eenvoudige gezin Harmsen. In Hedwigs ontwikkeling wijst Van Eeden dus een verband aan tussen religieuze verheffing en sociale bewogenheid.

i. De voorkeur voor een eenvoudig leven op het platteland, dicht bij de natuur is voor Van Eeden de keerzijde van zijn afkeer van het stadsleven. Dit houdt ongetwijfeld verband met zijn streven naar maatschappelijke hervorming door het stichten van 'kleinschalige' gemeenschappen, waarin de gemeenschapszin nog ervaren kon worden. Dit trachtte hij te verwezenlijken door de stichting van de tuinbouwcoöperatie Walden in 1898. Zie de biografische schets.

j. Van Eedens opvatting: de kunstenaar heeft de taak een bijdrage te leveren aan de bewustwording en de ethische verheffing van de mensheid , komt indirect in VKM tot uiting, doordat hij de ethische strekking van deze roman zo onverbloemd presenteert. Maar bovendien spreekt hij die opvatting uit in zijn voorwoord bij de tweede druk. Daarin verdedigt hij zijn artistieke bedoelingen tegenover degenen, die zijn roman te wetenschappelijk gevonden hadden (zie hiervoor hoofdstuk VI). Maar tevens wijst hij op de ethische strekking die hem bij het schrijven voor ogen had gestaan. Daardoor geeft hij aan, dat de artistieke waarde van een kunstwerk in zijn opvatting mede bepaald wordt door de ethische betekenis ervan.

IV. De plaats van VKM in Van Eedens leven en literair werk

In de biografische schets (hfdst I) is al opgemerkt, dat het literaire werk van Frederik van Eeden veel autobiografische elementen bevat. Dit is het gevolg van zijn sterke neiging tot zelfbeschouwing en van zijn behoefte deze analyse van het eigen zieleleven op schrift te stellen. Hij deed dat niet alleen in zijn dagboek en zijn autobiografie Happy Humanity (1912), maar ook in literaire verbeeldingen. In dit hoofdstukje zullen we, aan de hand van enkele van zijn belangrijkste literaire werken, in het kort nagaan, welke psychische en morele ontwikkeling Van Eeden tot en met VKM doormaakte. Zo zullen we de plaats van deze roman in het kader van zijn leven en werk enigszins kunnen bepalen.
In oktober 1885, enkele weken voor zijn artsexamen en een half jaar voor zijn huwelijk, verscheen de eerste aflevering van De Nieuwe Gids met daarin het begin van De kleine Johannes, een zinnebeeldig sprookje waarin Van Eeden zijn geestelijke ontwikkeling tot dan toe heeft verbeeld. De hoofdpersoon, Johannes, komt in aanraking met een aantal sprookjesfiguren die een viertal fasen van die ontwikkelingsgang symboliseren. De elf Windekind staat voor het argeloze kind dat nog in harmonie leeft met de natuur. De kabouter Wistik en het meisje Robinetta symboliseren de puberteitsfase, waarin de drang tot weten en de zinnelijkheid ontwaken. Door Wistik komt Johannes in contact met de figuren Pluizer en Cijfer. Zij vertegenwoordigen de fase van de adolescentie, waarin het rationele het gevoelsleven gaat overheersen. Onder invloed van de kille onderzoeker Pluizer en de zelfgenoegzame rekenaar Cijfer komt Johannes in een geestelijke crisis. Deze overwint hij door zijn ontmoeting met de Dood bij het sterfbed van zijn vader. De Dood brengt hem tot het inzicht, dat hij zin kan geven aan zijn leven door zich dienstbaar te maken aan de lijdende mensheid. Dit religieus-getinte, altruïstische ideaal wordt verpersoonlijkt door de Ongenoemde, een op Christus lijkende figuur, die Johannes aan het einde van het verhaal de weg wijst naar de grote stad, 'waar de mensheid was en haar weedom'.
De ethische strekking van deze kleine Bildungsroman in sprookjesvorm is duidelijk: staande aan het begin van zijn carrière als arts en psychotherapeut, overwint Van Eeden de ongelovige, rationalistische vader-wereld (Johannes' bekering vindt plaats aan het sterfbed van zijn vader) en zoekt de zin van zijn leven in dienstbaarheid aan de lijdende mensheid.
Johannes' ontmoeting met het meisje Robinetta symboliseert het ontwaken van de zinnelijkheid in de puberteitsfase. Dit thema wordt in De kleine Johannes niet verder uitgewerkt. Toch had Van Eeden al sinds zijn puberteit, met name in zijn liefde voor Henriëtte Ortt, geworsteld met het probleem, hoe hij moest omgaan met zijn erotische verlangens. Enkele jaren na zijn huwelijk met Martha van Vloten werd dit probleem voor hem acuut door zijn platonische liefdesrelatie met Betsy van Hoogstraten. In de uit drie zangen bestaande dichtbundel Ellen. Een lied van de smart van 1890 staat het thema van de verhouding tussen zinnelijke en geestelijke liefde centraal. Betsy van Hoogstraten heeft ongetwijfeld model gestaan voor Ellen, de heldin die in deze gedichten bezongen wordt. In de bundel worden de overwinning van het zinnelijke liefdesverlangen en het lijden dat daarmee gepaard gaat geïdealiseerd als een weg die leidt tot vergeestelijking, een hogere staat van leven. Evenals De kleine Johannes heeft de bundel dus een ethische strekking en demonstreert Van Eedens voortdurende preoccupatie met het streven naar morele en geestelijke zelfvervolmaking door zelfverloochening en sublimatie van het driftleven.
Het thema van de verhouding tussen seksualiteit en geestelijke liefde heeft hij in deze jaren nog breder en duidelijker autobiografisch uitgewerkt in de roman Johannes Viator van 1892. Dit in lyrisch proza geschreven werk is opgezet als het verhaal van een symbolische reis , die zich in zeven dagen voltrekt. Die reis symboliseert de geestelijke ontwikkelingsgang van de hoofdpersoon Johannes. Het is het verhaal van Johannes' Zelfschepping. Dit proces voltrekt zich evenals de schepping van de wereld in het boek Genesis van het Oude Testament in zeven dagen. Net als in De kleine Johannes beschrijft Van Eeden hier in feite zijn eigen psychische ontwikkeling van jeugd tot volwassenheid, maar nu toegespitst op zijn beleving van seksualiteit en liefde . De hoofdpersoon Johannes doorloopt een viertal stadia die duidelijk verwijzen naar Van Eedens relaties met vrouwen die hij op zijn levensweg was tegengekomen (o.a. Henriëtte Ortt, Jeanne Fontaine en Betsy van Hoogstraten). Die stadia voeren Johannes ten slotte tot de opvatting, dat aardse lichamelijke liefde alleen aanvaardbaar is, wanneer ze haar oorsprong heeft in bovenaardse geestelijke liefde. De passage waarin dit het duidelijkst onder woorden wordt gebracht, luidt: 'Alleen liefde in de hoogste spanning, sterker dan alles in de ziel, maakt lijfsverlangen goed'. Tot deze conclusie gekomen, besluit Johannes in eenzaamheid zijn eigen levensgeschiedenis en geestelijke opgang te beschrijven in een boek dat hij de mensheid als een persoonlijk getuigenis wil aanbieden. Dat boek is dan de roman Johannes Viator, die dus een cyclisch karakter heeft. Hieruit blijkt, dat Van Eeden zijn in de roman beschreven persoonlijke ethische ontwikkelingsgang als ideaal voorhoudt aan de lezer. Daarmee demonstreert hij duidelijk zijn ethische literatuuropvatting, die volkomen tegengesteld is aan de esthetische literatuuropvatting van de Tachtigers. Er kwam dan ook veel kritiek op het boek, o.a. van Van Eedens mederedacteuren van De Nieuwe Gids, Willem Kloos en Albert Verwey. Deze kritiek bracht Van Eeden binnen de redactie in een toenemend isolement. Een jaar later zou hij, na een conflict met Willem Kloos, aftreden als redacteur.
Overzien we Van Eedens ontwikkeling, zoals die in de hierboven behandelde literaire werken naar voren is gekomen, dan kunnen we twee belangrijke elementen van geestelijke ontwikkeling onderscheiden:
1. de ontwikkeling van individualisme en rationalisme naar een religieus-getinte mensenliefde (in De kleine Johannes );
2. de positieve waardering van lijden, veroorzaakt door het overwinnen van de zinnelijke hartstocht, als een weg die voert naar een hogere, geestelijke liefde (in Ellen. Een lied van de smart en in Johannes Viator ).
Beide elementen keren, geprojecteerd in de hoofdpersoon Hedwig, in VKM terug. Hedwig ontwikkelt zich immers vanuit een narcistisch- getint individualisme in de richting van een religieus- geïnspireerd altruïsme en zij overwint dankzij veel lijden haar zinnelijke hartstocht in een groei naar zuiver geestelijke liefde. We kunnen dan ook constateren, dat VKM de synthese is van de psychische ontwikkeling die Van Eeden zelf vanaf 1885 tot 1900 had doorlopen. Daarna zou hij zijn activiteit steeds meer richten op sociale experimenten, geïnspireerd door een religieus-getint socialisme. Het synthese-karakter van VKM komt ook tot uiting, doordat Van Eeden hier gekozen heeft voor het genre van de psychologische roman. De kleine Johannes, Ellen en Johannes Viator had hij geschreven in dichterlijk-lyrische stijl, waardoor het karakter van een persoonlijk getuigenis versterkt werd. Overeenkomstig de eisen van de psychologische roman is de stijl van VKM veel afstandelijker en objectiever: de schrijver wil zich boven zijn stof plaatsen.

V. De plaats van Frederik van Eeden in de Nederlandse literatuur

De Beweging van Tachtig is de geschiedenis ingegaan als een stroming die het esthetisch individualisme in haar vaandel voerde. Volgens Willem Kloos, de leider van de Tachtigers, moest kunst 'de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie' zijn. Kloos was uitsluitend dichter en criticus en zijn theorie had dan ook voornamelijk betrekking op de poëzie. In deze theorie wordt de kunstwaarde van poëzie afhankelijk gesteld van louter esthetische maatstaven. Een gedicht moet beoordeeld worden op zijn schoonheidsgehalte, niet op zijn maatschappelijke, politieke of religieuze strekking. De dichter is in de eerste plaats een dienaar van de Schoonheid, geen maatschappijhervormer, politicus of predikant. Het schoonheidsgehalte van een gedicht is afhankelijk van de mate waarin de dichter erin geslaagd is zijn emoties in een unieke, oorspronkelijke taalvorm gestalte te geven. Bij de Tachtigers stond de vorm dus voorop: zij wilden een herwaardering van de zuiver artistieke betekenis van poëzie en van literaire kunst in het algemeen. Daarmee zetten zij zich af tegen de negentiende-eeuwse predikanten- en huiskamerpoëzie, de vooral stichtelijk en vormend wilde zijn en daardoor de zuiver-literaire kwaliteiten had verwaarloosd.
Doordat het tijdschrift De Nieuwe Gids (opgericht in 1885) zich geleidelijk ontwikkelde tot een podium voor de verkondiging van de opvattingen van de Tachtigers, is men wel geneigd dit tijdschrift met de Beweging van Tachtig te vereenzelvigen. Toch had De Nieuwe Gids bij zijn oprichting geen exclusief literair-esthetisch karakter. De ondertitel luidde: 'tijdschrift voor letteren, kunst, politiek en wetenschap' en in de eerste jaargang namen artikelen over politieke en wetenschappelijke onderwerpen een even belangrijke plaats in als literaire. Ook de samenstelling van de redactie was niet eenzijdig-literair. In feite was en bleef alleen Willem Kloos de voorvechter van de esthetische opvattingen. Frank van der Goes had een sterk politieke belangstelling. In 1894 zou hij mede-oprichter zijn van de S.D.A.P., voorloper van de Partij van de Arbeid. Ook Willem Paap had sympathie voor het socialisme; na één jaar zou hij trouwens de redactie al vaarwel zeggen. Albert Verwey was, evenals zijn vriend Willem Kloos, weliswaar voornamelijk dichter en literator, maar hij zou zich geleidelijk meer zelfstandig ontwikkelen in de richting van wijsgerige poëzie.
Wat Frederik van Eeden betreft: we hebben al gezien, dat diens eerste Nieuwe Gids -publikatie, De kleine Johannes, een ethische strekking had en dat die strekking zich in volgende werken steeds duidelijker zou aftekenen. Toch heeft hij aanvankelijk wel deelgenomen aan de strijd van de Tachtigers tegen de predikantenpoëzie. Hij deed dit o.a. door de uitgave van de parodistische verzenbundel Grassprietjes, uitgegeven onder het pseudoniem Cornelis Paradijs (1885). Vier jaar later zou hij zich nog enthousiast tonen over Herman Gorters Mei, dat als hoogtepunt van de Tachtiger woordkunst wordt beschouwd. Maar intussen was er in zijn eigen werk weinig te merken van de literaire vormvernieuwing die door de Beweging van Tachtig in gang was gezet. Integendeel: geleidelijk ontwikkelde hij een kunstopvatting die lijnrecht tegengesteld was aan die van de Tachtigers. Deze kunstopvatting, neergelegd in zijn essay 'Over kritiek' van 1894, omvat de volgende punten:
1. Literatuur moet vooral ethisch gericht zijn. Een kunstenaar moet uit zijn op karaktervorming, op zuivering van de ziel en het verkrijgen van universele wijsheid. Dit principe had hem al in 1888 gebracht tot het schrijven van een afkeurende kritiek op Lodewijk van Deyssels naturalistische roman Een Liefde, dat hij een 'onzedelijk boek' noemde. Van Deyssels naturalistische beschrijving van het seksuele leven van Mathilde, hoofdpersoon uit Een Liefde, strookte niet met Van Eedens idealistische opvatting van het liefdeleven als een geestelijk louteringsproces. In de analyse van VKM (hoofdstuk III) is er al op gewezen, dat Van Eeden met zijn roman over het liefdeleven van Hedwig een 'antwoord' wilde geven op Van Deyssels naturalistische behandeling van dit thema in Een Liefde.
2. Een schrijver moet zijn gevoelens diep en sterk ondergaan, maar deze tegelijkertijd in zijn kunstwerk kunnen objectiveren. Deze eis is tegengesteld aan de directheid waarmee gevoelens en zintuiglijke ervaringen in sensitivistische poëzie (Gorter) en sensitivistisch proza (Van Deyssel) worden weergegeven. Ook in VKM komt dit streven naar een objectiverende, afstandelijke stijl tot uiting. In zijn dagboek neemt Van Eeden zich voor zijn roman te schrijven in een stijl die van een 'koele, hoge effenheid' zal zijn.
3. Alle kunst moet, uitgaande van het persoonlijke, streven naar het universele, het algemeen-menselijke. Hiermee gaat Van Eeden in tegen het individualisme van de Tachtigers, in het bijzonder van Willem Kloos.
4. De literaire vormgeving is voor Van Eeden van ondergeschikt belang; de ethische strekking komt op de eerste plaats.
Het is geen wonder, dat Van Eeden door deze kunstopvatting in conflict kwam met de redactie van De Nieuwe Gids. De tegenstelling tussen Kloos en Van Eeden kwam aan het licht, toen in 1890 in De Nieuwe Gids een polemiek gevoerd werd over de taak van de kunstenaar in de maatschappij. Kloos verdedigde het individualisme en de autonomie van het kunstwerk. Van Eeden, die zich steeds meer begon te interesseren voor sociaal-ethische vraagstukken, wees aan de kunstenaar de taak toe de gemeenschap te dienen als profeet die de mensheid de ware weg moest wijzen. In 1894 kwam Van Eeden ook in botsing met Albert Verwey. Deze leverde scherpe kritiek op Van Eedens Johannes Viator, twee jaar eerder verschenen. Hij veroordeelde vooral de retorische, niet-doorvoelde en dus onechte stijl, die zijns inziens een uitvloeisel was van Van Eedens aansluiting bij een traditioneel-christelijk, mystiek gekleurd wereldbeeld. Nog in hetzelfde jaar kwam het tot een definitieve breuk. Na een conflict met Willem Kloos trad Van Eeden uit de redactie.
Uit het voorafgaande blijkt, dat het principe van 'kunst om de kunst' voor Van Eeden nooit gegolden heeft en dat hij dus eigenlijk nooit een echte Tachtiger is geweest. Zijn kunstopvatting vertoont veel meer overeenkomst met die van Multatuli. Met hem correspondeerde hij al in zijn studententijd en tijdens zijn huwelijksreis zocht hij de schrijver van Max Havelaar op in Nieder-Ingelheim, waar deze toen woonde. Multatuli had zich aanvankelijk een grootse taak toegedacht als politiek en sociaal hervormer. Toen hem dat niet lukte, zocht hij in de literatuur een mogelijkheid om zijn ideeën over mens en maatschappij ingang te doen vinden. Het schrijverschap had voor hem, evenals voor Van Eeden, dus een profetische, maatschappelijke betekenis. Voor beiden was de literaire vorm waarin zij hun ideeën gestalte gaven geen doel, maar middel. Beiden beoefenden dan ook allerlei genres: roman, toneel, sprookje, parabel, essay over een grote verscheidenheid van onderwerpen. Een andere overeenkomst tussen Multatuli en Van Eeden was hun idealisering van het onbedorven kind (Woutertje Pieterse, De kleine Johannes ) en van de vrouw als een wezen van een hoger spiritueel en moreel gehalte. Bij beiden vinden we ook de idealisering van het lijden voor het bereiken van een hoog ideaal. Deze neiging tot idealiseren was een erfenis van de negentiende-eeuwse romantische levenshouding en in die zin zijn zowel Multatuli als Van Eeden romantici te noemen. Dit betekent niet, dat Van Eeden buiten de werkelijkheid van zijn eigen tijd stond. Integendeel: méér dan Kloos en Van Deyssel voelde hij zich betrokken bij de morele en sociale vraagstukken van zijn tijd. Maar de grondhouding van waaruit hij deze vraagstukken benaderde, stempelt hem tot een romanticus.

Reacties

VI. Ontvangst en waardering van VKM door de literaire kritiek
Van Eeden voltooide VKM eind oktober 1900. Het plan voor de roman bestond al sinds 1892; op 31 december 1897 was hij eraan begonnen. Zelf beschouwde hij het boek als zijn tot nu toe belangrijkste werk en hij hoopte, dat het een grote uitwerking zou hebben, ook in het buitenland. Dat werd een teleurstelling. Het lukte hem niet de roman in Amerika te doen uitgeven, in Engeland en Duitsland verschenen twee drukken in vertaling.
Het oordeel van de Nederlandse critici was niet erg gunstig. Willem Kloos prees de roman in zijn bespreking in De Nieuwe Gids, maar stond met zijn positieve oordeel vrijwel alleen. De meeste critici vonden, dat het meer een beschrijving van een ziektegeval was door een psychiater dan een roman. Zo stelde Van Nouhuys in De Spectator van 5 januari 1901, dat het misschien een bewonderenswaardig nauwkeurig medisch verslag was, maar ook niet méér dan dat. 'En om een kunstwerk te zijn ware juist dat meerdere noodig.' En in 1906 zou L. van Loon in De kroniek vaststellen, dat dit 'haast vergeten boek' in een medisch tijdschrift thuishoorde. Van Eeden voelde zich door dit oordeel als kunstenaar miskend. Aan de herdruk in 1904 liet hij dan ook een voorwoord voorafgaan, waarin hij uitdrukkelijk verklaarde, dat hij bij het schrijven van de roman door literair-artistieke en niet door wetenschappelijke motieven gedreven was.
In zijn uitvoerig essay Over Frederik van Eeden's Van de koele meren des doods van 1964 noemt de psychiater H.C. Rümke Van Eeden een groot en geniaal psychiater. Hij baseert dat oordeel op een psychiatrische analyse van Van Eedens beschrijving van Hedwigs ziektegeschiedenis. Daarnaast prijst hij Van Eeden echter ook als schrijver. Rümke zegt: 'Ik ken geen psychiater die zulke ziektegeschiedenissen kan schrijven en ik ken geen schrijver die het gelukt is de psychotische mens zó levensecht uit te beelden.' In dit opzicht noemt hij Van Eeden zelfs groter dan Shakespeare. Dit subjectieve waardeoordeel wordt echter niet ondersteund door toetsing aan meer objectieve literaire maatstaven.
Dat is wel het geval in Jan Fontijns bespreking van VKM in zijn recent verschenen proefschrift Tweespalt. Het leven van Frederik van Eeden tot 1901, Querido, 1990. Fontijn noemt het, achteraf bezien, niet zo vreemd dat vele critici de roman als een wetenschappelijk verslag beoordeelden. Van Eedens bekendheid als psychiater, gevoegd bij het feit dat de roman gaat over een door psychoses gekwelde vrouw, gaf daar aanleiding toe. De vereenzelviging van de verteller met de bekende psychiater Van Eeden werd bovendien in de hand gewerkt door 'het therapeutische toontje' dat die verteller aanslaat in passages waarin een diagnose gegeven wordt van de hoofdfiguur. Ten slotte is in het verhaal van de verteller de psychiater Van Eeden herkenbaar in het moralistische commentaar op de medische stand. Fontijn noemt VKM een 'dubbelzinnig' boek, omdat het enerzijds gepresenteerd wordt als een min of meer objectieve psychologische roman (in de naturalistische traditie), terwijl het anderzijds de uitdrukking is van Van Eedens eigen idealen als moralist en mysticus in de jaren negentig. Die idealen waren: vergeestelijking van het persoonlijke leven en - in samenhang daarmee - een groter sociaal bewustzijn. Die persoonlijke idealen heeft Van Eeden voornamelijk geprojecteerd in de persoon van Hedwig. Haar uitgesproken individualistische instelling maakt plaats voor een altruïstische aan het einde van haar leven. Dit proces gaat gepaard met het overwinnen van haar zinnelijkheid voor een religieuze gerichtheid. Volgens Fontijn heeft Van Eeden in deze ontwikkeling van Hedwig zijn persoonlijk streven in de jaren negentig tot uitdrukking willen brengen: zelfheiliging in combinatie met doodsverlangen. Hij wijst in dit verband op de belangrijke betekenis van de openingszinnen: 'De geschiedenis van een vrouw. Hoe zij zocht de koele meren des Doods, waar verlossing is, en hoe zij die vond.' Het verwarrende is daarbij, volgens Fontijn, dat het verlangen naar de dood zowel verlangen betekent naar het afsterven van zinnelijke gehechtheid als verlangen naar de lichamelijke dood. Het eerste doodsverlangen valt samen met het mystieke begrip 'mortificatio', het doden van het oude ik met zijn zinnelijkheid en egoïsme. Dit 'afsterven' is gericht op geestelijke gezondheid, bewustzijnsverruiming en dus op leven. Maar er is bij Hedwig ook sprake van een masochistisch verlangen naar de lichamelijke dood. Als kind al poogde zij tot tweemaal toe zelfmoord te plegen.

Als ik Fontijn goed begrijp, bedoelt hij dat de ontwikkeling van Hedwigs neigingen tot zelfdestructie naar een meer positieve, op leven gerichte zelfoverwinning psychologisch niet geloofwaardig is
gemaakt, waardoor er in Hedwig een tegenstrijdigheid blijft bestaan. Volgens Fontijn heeft Van Eeden in Hedwig ook zijn eigen verlangen naar de combinatie van erotiek en lijden (door afzien van lichamelijke bevrediging) gelegd, zoals hij dat in zijn platonische liefdesrelatie met Betsy van Hoogstraten had nagestreefd. Ook in de opvattingen over erotiek en seksualiteit vindt Fontijn VKM dubbelzinnig. Enerzijds blijkt er inzicht uit in de sociale en psychische oorzaken van een verwrongen seksueel leven, anderzijds is er geen sprake van een pleidooi voor een grotere vrijheid op dat gebied. Integendeel: Van Eeden kiest voor een hoofdpersoon die haar zinnelijke drang tracht te beheersen en sublimeert in een op God gericht leven. Dubbelzinnig noemt Fontijn ook Van Eedens visie op de vrouw, zoals die in VKM naar voren komt: 'Hedwig is niet vrij van de eind-negentiende-eeuwse stereotypieën van de vrouw. De eerste stereotypie is die van de vrouw met een preoccupatie voor ziekte en dood, de tweede van de vrouw als sfinx en de derde van de vrouw in de wonderlijke combinatie van hoer en heilige'. Fontijn concludeert daaruit, dat Van Eedens houding tegenover de vrouw tegelijk agressief en idealiserend was. Zo weerspiegelt VKM, volgens Fontijn, Van Eedens eigen opvattingen als psychiater, literator, mysticus, moralist en sociale hervormer. Die idealen en opvattingen waren innerlijk tegenstrijdig en geven aan de roman een dubbelzinnig karakter. Daarin komt de ambivalente persoonlijkheid van de schrijver zelf naar voren. Die was in eerste aanleg gevormd in zijn jeugd: hij groeide op in een verdeeld gezin (zie hoofdstuk I). Maar die ambivalentie werd in de jaren negentig versterkt door persoonlijke ervaringen (zijn platonische relatie met Betsy van Hoogstraten) én door een kentering van de tijdgeest: een zich afwenden van positivisme, naturalisme en individualisme en een gaan in de richting van spiritualisme, mystiek en gemeenschapszin. Ook in literatuur en kunst voltrok zich deze verandering. In VKM goot Van Eeden zijn spiritualistische idealen in de vorm van een quasi-objectief-wetenschappelijke roman. Hij was een kind van elkaar bestrijdende ouders en werd dat steeds meer, doordat hij ook een kind was van zijn tijd: een kenteringsperiode op het breukvlak tussen twee eeuwen.
Toch heeft VKM steeds lezers gevonden. Voor het samenstellen van dit boekje heb ik de negentiende druk gebruikt van 1983, een paperback-editie die vier maal bijgedrukt moest worden tot 25.000 exemplaren. Ongetwijfeld is deze plotseling toegenomen belangstelling mede toe te schrijven aan de verfilming van de roman in 1982. Maar dan kan men de vraag stellen, in hoeverre die verfilming kon inspelen op moderne trends: de popularisering van psychotherapie, drugsproblematiek en hang naar mystiek. Hoe het zij, VKM blijkt eigenschappen te hebben, waardoor deze roman ook moderne lezers nog kan aanspreken.

Voor wie meer wil weten

VII. Bibliografie

1. Werken van Frederik van Eeden
Alleen de meest bekende en voor dit boekje belangrijke werken worden genoemd. Een volledige bibliografie geeft Jan Fontijn in Tweespalt. Het leven van Frederik van Eeden tot 1901 (zie Secundaire literatuur).

1885 Grassprietjes (parodistische poëzie, onder pseudoniem Cornelis Paradijs)
1887 De kleine Johannes I (symbolisch sprookje, met autobiografische inslag)
1890 Studies I (waarin de beschouwing over Een liefde van L. van Deyssel)
1891 Ellen. Een lied van de smart (episch-lyrisch gedicht)
1892 Johannes Viator. Het boek van de liefde (autobiografische roman)
1894 Studies II (waarin de beschouwingen Over kritiek en Het beginsel der psychotherapie )
1894 De broeders. Tragedie van het recht (toneelstuk)
1895 Het lied van schijn en wezen I (wijsgerige poëzie)
1897 Lioba. Een boek van de trouw (toneelstuk)
1898 Enkele verzen (lyrische poëzie)
1898 Studies III (waarin de beschouwing Artiest en Socialist)
1899 Waarvoor werkt gij? (toespraak over coöperatieve arbeidersgemeenschappen)
1900 Van de koele meren des doods (psychologische roman)
1901 Van de passielooze lelie (poëzie)
1905 De kleine Johannes II

1906 De kleine Johannes III

1909 De nachtbruid (roman)
1910 Het lied van schijn en wezen II (wijsgerige poëzie)
1912 Happy humanity (autobiografie)
1913 Paul's ontwaken (biografie over zijn gestorven zoon Paul)
1915 De heks van Haarlem. Treurspel der onzekerheid (toneelstuk)
1919 Jezus' verborgen leer en leeven (studie)

2. Secundaire literatuur
Alleen artikelen en boeken die voor dit Memodeeltje van belang zijn, worden genoemd. Een volledige bibliografie is te vinden in het boek van Jan Fontijn.

L. van Loon, Een haast vergeten boek, 'De koele meren des doods'.
In: De kroniek, jrg. 1906
A.W. van Renterghem, Dr. Frederik van Eeden als zielsgeneesheer. In: Liber amicorum Dr. Frederik van Eeden, Amsterdam 1930
H.W. van Tricht, Frederik van Eeden. Denker en strijder, Utrecht 1978 (eerste druk 1934)
A. Verwey, Frederik van Eeden, Santpoort 1939
G. Stuiveling, Frederik van Eeden, Tachtiger of Nieuwe Gidser.
In: Rekenschap, Amsterdam 1941
G. H. 's-Gravesande, Het conflict tusschen Willem Kloos en Frederik van Eeden. De quaestie Lieven Nijland, Den Haag 1947
Wim. J. Simons, Frederik van Eeden. In de serie Ontmoetingen, Brugge-Utrecht 1962
H.C. Rümke, Over Frederik van Eeden's Van de koele meren des doods. Een essay, Amsterdam 1964
H.W. van Tricht, Frederik van Eeden. Dagboek 1878-1923, Deel I 1878-1900, Culemborg 1971
H. Schipperheijn, Over Van de koele meren des dood. Een reeks beschouwingen over de roman van Frederik van Eeden, Utrecht 1976
Dirk Slüter, Frederik van Eeden. Dromenboek, Amsterdam 1979
Hannemieke Stamperius, Van de koele meren des doods. In; Opzij, jrg. 7, nr. 9, 1979
Jaap T. Harskamp, Spleen, ennui, walging. Comparatistische aantekeningen bij 'Van de koele meren des doods'. In: Bzzlletin, jrg. 12, nr. 115, 1984
Jan Fontijn, 'Ik heb mijn best gedaan je te leren leven'. Frederik van Eeden en zijn vader. In: Maatstaf, jrg. 334, nr, 6, 1986
Jan Fontijn, Tweespalt. Het leven van Frederik van Eeden tot 1901, dissertatie, Amsterdam 1990

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Esmee

Esmee

Dit is een letterlijke overname van het boekje van de Memoreeks, Analyse en samenvatting van literaire werken over Van de koele meren des doods. Dit boekje is te leen bij de meeste mediatheken en bibliotheken.

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

R.

R.

Thx maat! Heel veel aan dit verslag gehad!

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

L.

L.

Echt, respect! ;) Heel goed gedaan.

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Q.

Q.

Goed verslag maar nog even opmerken dat VKM neit naturalistisch is maar juist anti-naturalistisch omdat ze aan het einde een oplossing vindt en geneest.

7 jaar geleden

Antwoorden

Ryan

Ryan

het is juist wel naturalistisch: in het begin wordt aangegeven dat ze bloed in zich heeft van uitheemsche voorouders ( dus erfelijkheid) dit is een van de kenmerken van het naturalisme

11 maanden geleden

gast

gast

W.

W.

Zeker heel uitgebreid boekverslag. Duurde ff om te lezen, maar beter als dat hele boek! Ik snapte nix van het boek dusja.
Perfect gemaakt.
Als ik een cijfer zou geven zou ik een 9/10 geven.

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

N.

N.

Je hebt het verhaal mooi ontleed!

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

ja hoe lang kan een boekverslag zijn maar wel goed
x

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

O.

O.

Rob, ziet er goed uit maar wat is je boekverslag lang (ondanks de zeer bescheiden 'biografische schets').
Kusjes Oscar

12 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Femke

Femke

Hoi!
Goed uittreksel zeg! Ik heb er veel aan.
Bedankt!
Groetjes Femke (5VWO)

14 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast