Snikken en grimlachjes door Piet Paaltjens

Beoordeling 4.1
Foto van Emma
  • Boekverslag door Emma
  • 5e klas vwo | 4821 woorden
  • 27 januari 2016
  • 5 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.1
  • 5 keer beoordeeld

Eerste uitgave
1867
Pagina's
119
Geschikt voor
vwo
Punten
1 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Onderwerpen

Boekcover Snikken en grimlachjes
Shadow

Er is geen flaptekst.

Er is geen flaptekst.

Er is geen flaptekst.

Snikken en grimlachjes door Piet Paaltjens
Shadow
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Gegevens

Titel: ‘Snikken en Grimlachjes’

Auteur: Piet Paaltjens (Franҫois Haverschmidt)

Aantal bladzijden: 62

Jaar van uitgave: 1971

Plaats van uitgave: Amsterdam                   

Uitgegeven door Querido’s uitgeverij.



Informatie over de bundel



De titel duidt de twee wezenlijke elementen van humor aan: 'snikken' verwijst naar ernst en melancholie, 'grimlachjes' naar het bitter komische (de 'lach' en de 'traan' zijn onlosmakelijk; met elkaar verbonden; zie Stroming en genre. De ondertitel, 'Academische poëzie van Piet Paaltjens geeft een typering van de bundel: het gaat om gedichten van de (gefingeerde) student Piet Paaltjens, die de dubbelganger of het alter ego van Fran­çois Haverschmidt is.



Het portret (lithografie) van Piet Paaltjens, dat voor de titelpa­gina staat, is een gefantaseerd portret, gemaakt door J.M. en Schmidt Crans. De illustraties zijn van J.F. Doeve.



Verschillende gedichten verschenen eerder in de Leidse studen­tenalmanakken van 1856, 1857 en 1859. De eerste druk van de bundel verscheen in 1867 bij H.A.M. Roelants te Schiedam, met een 'Levensschets' van Piet Paaltjens door F. Haverschmidt (zie Samenvatting van de inhoud. De tweede druk van 1871 werd door Piet Paaltjens zelf ingeleid; in die inleiding deelt hij mee, dat hij getrouwd is met de oudste dochter van de wedu­we Pothof en lid is geworden van de sigarenhandel Pothof -Van Balkum; van een bleke, magere jongeling is hij veranderd in een gezonde, blozende, gezette en vergenoegde burger. De vierde druk werd weer door F. Haverschmidt  bezorgd.



Er bestaan verschillende moderne edities van Snikken en grim­lachjes, onder andere die van K.H. de Raaf (1944), M.C.A. van der Heijden (1970), uitgeverij Agathon (1978), uitgeverij A. Kruseman (1979), R. Nieuwenhuys (1978 en 1986).



Samenvatting van de inhoud



Levensschets (Een mystificatie, gedateerd 13 augustus 1867 en ondertekend door F.H.) over Piet Paaltjens (de studentdichter die op een avond tussen de biljarten van de Leidse studentensociëteit 'Minerva' spoorloos verdween) is heel weinig bekend, maar hij blijkt niet dood te zijn. Hij is namelijk gesignaleerd, zittend op een paal aan de Frie­se Noordzeekust (waar hij plotseling weer verdween, maar een tas met verzen achterliet) en op de Parijse wereldtentoonstelling, waar men hem gezien had in de Friese wafelkraam (dit weerzien wordt beschreven in een lange voetnoot). Paaltjens was in 1853 student in Leiden en woonde op de Hoogewoerd boven een dood­bidder. Haverschmidt (zelf ook een student die boven een bidder op de Hoogewoerd woonde!) had kennis met hem gemaakt en sa­men met vrienden tevergeefs geprobeerd het miskende genie op te vrolijken. Paaltjens noemde de verzen die hij schreef 'tot men­schelijke gedaanten gestremde onregelmatigheden in mijn spijs­vertering'. Hij leed aan Weltschmerz en werd meestal niet begre­pen. Op 9 oktober 1853 was hij spoorloos uit Leiden verdwenen. Op verzoek van de droeve dichter heeft Haverschmidt de uitgave van Piets academische poëzie uit de periode 1850 tot 1853 ver­zorgd. Hij vindt de verzen van Piet meer akelig dan mooi en kan er geen zedelijke strekking in ontdekken. Ter wille van de lezer geeft hij tot slot wat informatie over de legende van het vrouwtje van Stavoren en de romance' Jan van Zutphen's afscheidsmaal'.



De bleeke jongeling (gedateerd 1851)



In dit openingsgedicht over een kwijnende jongeling in een idyl­lisch landschap maakt de dichter zijn eigen Weltschmerz be­spottelijk en parodieert hij de onwaarachtige, sentimentele ge­dichten van zijn tijd:



't Avondt. Aan den zoom van 't meer



Zit een bleeke jongeling neer.



't Donker oog, naar 't west gericht,



Volgt het scheidend zonnelicht.



Tranen aan dat oog ontleken,



Die, van grievend lijden spreken,



Lijden, - dat een jonglingshart doet breken.



De opmerking onder het gedicht ('Naar het Lithauwsch van Joh. Plutzkow') is fictie (Plutzkow was koetsier en stalknecht bij Haverschmidts vader)



Immortellen (13 korte gedichten met fictieve nummering, geda­teerd 1850-1852)



Deze gedichten vormen een soort grafboeket vol gevoeligheid, vriendschap en liefde (immortellen zijn bloemen met stroachtige bladeren, die de onsterfelijkheid symboliseren) De beginre­gels van de dertien gedichten luiden:



I De maan glijdt langs de ruiten/En blikt mij vragend aan. […]



III Waarom ik de loome nachten/Met wrange tranen bedauw? [...]



IX Op 't hoekje van de Hooigracht/En van den Nieu­wen Rijn, [.u]



XVI Zijn goudblonde lokken en knevel/Zijn geestvolle neus en mond, [...]



XXV Hoor ik op Sempre een waldhoorn/Of ook wel een Turksche trom[...]



('Sempre' was het studentenmuziekgezelschap 'Sempre Crescendo')



XXXIII Mijn hart was toegevroren/Mijn tranen vloeiden niet meer. […]



XLIX Wel menigmaal zei de melkboer/Des morgens tot haar meid: [...]



LX Toen Knaap mij de laatste maal knipte/Was hij aangedaan onder zijn werk. [...]



LXXII Wij zaten met ons vieren/In den tuin van de socie­teit. [...]



LXXXIII Hem, die mij grof beleedigt/Mij overlaadt met schand […]



LXXXIV 0, spreek mij niet van liefde/Van vriendschap en van trouw; [...]



XCVI Als ik een bidder zie loopen/Dan slaat mij ’t hart zoo blij. [...]



C Zooals ik eenmaal beminde/Zoo minde er op aarde nooit een             [...]



Tijgerlelies (4 gedichten, gedateerd 1851-1853)



In de gedichten van deze afdeling steekt de dichter de draak met het literaire idioom (overspannen taalgebruik of holle retoriek) van de negentiende-eeuwse domineedichters en creëert hij gro­teske situaties.



- 'Aan Betsy':



- De IK denkt terug aan de ontmoeting met Betsy op een snikhete dag. Het gedicht eindigt met de woorden 'Nooit heb ik zooveel tranen op één dag gestort'.



- 'Aan Rika':



De IK heeft Rika maar één maal gezien, namelijk toen ze in een sneltrein zat, die de trein waarin hij zich bevond, in volle vaart passeerde: 'de kennismaking kon niet korter zijn'! Hij had niets liever gewild dan 'onder helsch geratel en gestamp' met haar verplet te worden door één trein'.



- 'Aan Jacoba':



De 'groote bruine blikken' van Jacoba geven de IK nu eens troost, dan weer doen ze hem 'verschrikken!. Als hij praat over zijn harde 'poëtenlot' spuwen haar blikken vuur en daarom be­sluit hij maar nooit meer over zijn lijden te spreken: 'Stom hoop ik mij dood te snikken'.



- 'Aan Hedwig':



Lang geleden was de IK vrolijk, maar toen Hedwig zich had 'moeten geven aan een weduwnaar' werd het een kerkhof' in zijn binnenste. Het liefst zou hij met haar sterven.



Romancen (6 lange gedichten)



De verzen van deze afdeling zijn anekdotisch (verhalend) van karakter.



..:. ‘liefdewraak' (1850; bespotting van de sentimentele roman­ce Jenny van de boekhandelaar, tijdschriftleider en dichter J.L. van der Vliet):



De wraak van een geliefde kan fatale gevolgen hebben. Een jon­geling zingt op de Hoogewoerd zijn geliefde toe, maar zij rea­geert niet en hij ontsteekt in woede.



- 'Des zangers min' (1851):



Een minnedichter bezingt op de Hoogewoerd zijn gefantaseerde geliefde Mina. In de diligence ziet hij een mooie, lieve Friezin zit­ten, de verwezenlijking van zijn droombeeld. Treurend blijft hij achter; als de diligence weer passeert heft hij zijn klaagzang aan.



 - 'De zelfmoordenaar' (1852; een 'griezelromance'):



In de herfst hangt een heer zich uit liefdesverdriet op aan een ei­kentak, diep in het woud. Op een warme zomerdag wandelt een verliefd paartje onder de boom met het bungelende geraamte en 'In een wip was de lust/Om te vrijen gebluscht’.



- 'De Friesche poëet' (1852):



Een dichter vaart met de stoomboot van Stavoren naar Enkhui­zen; hij valt van verdriet overboord en komt in Oud-Stavoren terecht, dat lang geleden in de Zuiderzee is vergaan. Op de zee­bodem leeft de plaats echter nog volop! De dichter ziet een wondermooie vrouw, het 'weeuwtje van Staavren', die hem ver­zorgt, maar helaas gebroken Hollands spreekt. De dichter ver­dwijnt en wordt door de haaien opgegeten.



- 'Jan van Zutphen's afscheidsmaal 1257' (geschreven ter gele­genheid van het promotiediner van Mr. G.J.B. Henny, die kor­te tijd later naar Indië vertrok):



Er zijn veel gasten aanwezig bij het afscheidsmaal van Jan, die naar het oosten vertrekt. Aan de poort staat een 'dode' min­streel, die vier jaar geleden spoorloos verdween. Jan wil dat hij zijn sinistere lied zingt.



- 'Drie studentjes' (1853):



Van de drie bevriende, levenslustige studenten sterft de eerste in de tropen en gaat de tweede langzaam dood in de strijd tegen vooroordeel en domheid. De derde lijdt nog het meest: hij wordt een braaf burgermannetje. Ze sprongen blij 'in de armen der wereld', maar de wereld 'kneep ze dood'



Invloeden en bron



In de sombere zelfspot en het wrange sarcasme is de invloed van de Duitse romanticus H. Heine merkbaar, in de gevoelige hu­mor die van de Engelsman Ch. Dickens en in de (geparodieerde) sentimentaliteit die van R. Feith. 'De Friesche poëet' is gebaseerd op de legende over het Vrouw­tje van Stavoren, In diverse gedichten zitten verwijzingen naar andere schrijvers (onder andere J.J. Starter, J. W. (von) Goethe en de Vlaamse dichter J. van Heers.



Compositie



De bundel Snikken en grimlachjes bestaat uit een levensschets en vierentwintig gedichten, onderverdeeld in:



- een inleidend gedicht (zes strofen van zeven versregels);



- drie afdelingen met respectievelijk dertien, vier en zes gedich­ten, die allemaal uit kwatrijnen (vierregelige strofen) bestaan. De lengte van de verzen varieert.



Pathetiek en Weltschmerz staan in schril contrast met de nuch­tere werkelijkheid.



Personages



Piet Paaltjens wordt beschreven als een 'miskend genie', lij­dend aan Weltschmerz. Hij is Haverschmidts alter ego, zijn 'tweelingbroer', dat deel van zijn persoonlijkheid dat zijn hang naar het macabere, zijn melancholie, zijn verlangen naar en angst voor de dood vertegenwoordigt. Door zelfspot probeert hij te overleven. Piet Paaltjens moet Haverschmidt als het ware verlossen van zijn melancholie en zwaarmoedigheid, van zijn 'worgengel’.



In de gedichten komen zowel bestaande als gefingeerde perso­nages voor. Soms zijn figuren uit de kennissenkring van de dichter 'vermomd' aanwezig; Sand bijvoorbeeld is A. van Wessem, Kaai is Willem van der Kaay, Jan van Zutphen is Mr. G.J.B. Henny, Joh. Plutzkow is de koetsier en stalknecht van Haverschmidts vader, Eligius is Eelco Verwijs;



De dichter zelf heeft ook diverse vermommingen: hij is Haas ( Haverschmidts bijnaam), Paal (vergelijk Paaltjens), de min­streel of minnezanger en een van de drie studentjes.



Plaats en tijd



Er worden in de gedichten diverse plaatsen genoemd, zoals de Hoogewoerd in Leiden ('Liefdewraak', 'Des zangers min'), Woerden ('Des zangers min'), een bos ('De zelfmoordenaar'), Friesland ('De Friesche poëet', 'Des zangers min'), Leiden ('Drie studentjes'), Stavoren en Enkhuizen ('De Friesche poëet'.



In een aantal gedichten is sprake van een 'lyrisch moment' (ge­stolde tijd), in andere (meer anekdotische) verzen verstrijkt er een bepaalde tijdsperiode (vaak met veel tijdsprongen erin.



Vertelperspectief



De IK is het alter ego van de dichter, Piet Paaltjens. In sommige gedichten moet Piet Paaltjens als verteller of vertelinstantie ge­zien worden (bijvoorbeeld in 'De bleeke jongeling' en 'Liefde­wraak'), die beschrijft wat hij aan droevigs bij anderen aan­schouwd heeft.



Thematiek



Centraal staat het 'lijden aan het leven' (Weltschmerz, melan­cholie, onbeantwoorde liefde, dood, afscheid, tranen enzo­voort) en de bespotting ervan.



Een belangrijke rol spelen verder:



- mystificatie, manuscriptfictie, spel met werkelijkheid en fic­tie;



. de 'Levensschets' is gefingeerd (hoewel in de noot onder andere geleerden dan E. Verwijs en J. van Vloten genoemd worden!);



. de nummering van de gedichten in de afdeling 'Immortel­len' is gefingeerd en moet de indruk wekken dat er een keuze is gemaakt uit een heel pak gedichten;



. de datering van de gedichten is fictief (zie bijvoorbeeld 'Liefdewraak': 'wijlen Van der Vliet' is in 1850 nog niet overleden!);



. het portret van Piet Paaltjens is 'verzonnen';



- gebrek aan levensmoed;



- dualiteit, gespletenheid (dubbelgangermotief): de dichter en zijn alter ego zijn beide aanwezig, als 'grondtoon' en als 'tegen­toon' De grondtoon is melancholie, gevoeligheid, ernst, de 'tegentoon' is het komische, de ontnuchterende lach.



Stijl



De taal is nu eens eenvoudig, dan weer verheven (pathetisch). Opvallend zijn de verrassende woordspelingen (bijvoorbeeld 'Het hart door min beroerd'), tegenstellingen (bijvoorbeeld 'De daad is proza, maar de klacht, /De traan is poëzie'), pathetische uitroepen (bijvoorbeeld '0, zoete smart, 0 smartlijk zoet') en combinaties (bijvoorbeeld 'De jongeling werpt zijn dichters­blik 't Raam uit en ’t rijtuig in') Een heel belangrijk stijlmid­del is de chargering (overdrijving).



Stroming en genre



Snikken en grimlachjes is een romantisch-ironische of humoris­tisch-realistische verzenbundel, waarin eigen melancholie, doodsangst en 'wereldsmart' bespot worden.



Hoofdkenmerk van de romantiek is de onvrede met het bestaan (zie ook Stroming en genre bij A.C.W. Staring, Jaromir). Een middel om de harde werkelijkheid toch enigszins draaglijk te ma­ken, is de humor, een levensgevoel waarbij de elementen 'vreugde' (vrolijkheid, geestigheid, spot) en 'verdriet' (melancholie, veront­waardiging) een wezenlijke rol spelen en elkaar wisselend beïnvloe­den. Een van de belangrijkste functies van humor is relativering van verdriet, melancholie en dergelijke door middel van de lach.



Het aantal soorten en vormen van humor is groot, evenals het aantal humoristische procédés en technieken dat toegepast kan worden. Naast situationele humor (bijvoorbeeld slapstick en practical joke) en visuele humor (spotprenten, cartoons), is er een heel scala van soorten verbale humor: nabootsingen (paro­die, pastiche, persiflage), kernachtige uitspraken (epigram, afo­risme, grafschrift, mop) en taalspelletjes (woordgrappen, lime­ricks, nonsensverzen enzovoort) De voornaamste vormen waarin humor gestalte krijgt, zijn ironie (lichte spot), satire (scherpe spot) en sarcasme (bijtende spot).



Waardering en vertaling



De bundel Snikken en grimlachjes werd in korte tijd bijzonder geliefd. Tijdgenoten van Haverschmidt waardeerden de gedich­ten vooral om het grappige, om de parodie op de romantisch ­sentimentele poëzie van die tijd. Maar juist door de humor, door de lach die de Weltschmerz tempert, steekt Paaltjens' poë­zie ver uit boven die van veel andere negentiende-eeuwse domineedichters. 'Piet Paaltjens overtrof alle studentenauteurs van zijn tijd' (J. ten Brink)



F.L.A. de Jagher vertaalde Snikken en grimlachjes in het Frans: Sanglots et Sourires (1890)



Auteur



François Haverschmidt (1835-1894) werd in Leeuwarden geboren. Zijn overgrootvader was een Duitser, die Haver heette; la­ter voegde hij uit dankbaarheid aan zijn oom Schmidt, die hem opvoedde, diens naam toe. Haverschmidts vader, Nicolaas Theodorus, was apotheker en wijnkoper; zijn moeder was een Friezin en afkomstig uit het domineesgeslacht Bekius. Haverschmidt doorliep het gymnasium in Leeuwarden en deed daarna staatsexamen. In 1852 ging hij theologie studeren in Lei­den (hij woonde op de Hoogewoerd). Als student schreef hij ge­dichten voor Leidse studentenalmanakken. De moderne theolo­gie (het modernisme) van Scholten, Kuenen en Opzoomer had veel invloed op hem, maar hij voelde zich toch meer aangetrok­ken tot het Réveil (een protestantse opwekkingsbeweging). In 1859 werd  Haverschmidt  hervormd predikant in Foudgem en Raard (Friesland). Drie jaar later vertrok hij naar Den Helder, waar hij al na enkele maanden zijn ontslag als predikant aan­bood; een bevriende collega hield hem van een daadwerkelijk vertrek af. In 1863 trouwde hij met Jacoba Johanna Maria Osti; ze kregen drie kinderen. In 1864 werd hij predikant in Schiedam. Het aantal kerkgangers werd steeds kleiner door zijn sombere preken, maar zijn voordrachten buiten de kerk trok­ken volle zalen. Na de dood van zijn vrouw in 1891 werd de zwaarmoedige Haverschmidt een teleurgestelde, ziekelijke fi­guur, die steeds sterker vereenzaamde. Op 19 januari 1894 maakte hij een einde aan zijn leven door zich op te hangen aan het gordijnkoord van zijn bedstede...



Haverschmidt las veel werken van V. Hugo, F. Schiller, Ch. Dickens en vooral H. Heine, de grote Duitse romanticus. Zijn verhalen en preken zijn doortrokken van religieus idealisme; hij predikte een mild, praktisch christendom. Zijn leven lang werd de gekwelde predikantschrijver heen en weer geslingerd tussen geloof en ongeloof, het aardse en het hemelse, de werkelijkheid en de verbeelding, doodsdrift en zelfbehoud, schuld en boete. ­Hij was een van de weinige echte Nederlandse romantici, geen Byron, geen Heine en geen Hugo, maar toch een zuiver voor­beeld van romantisch denken en voelen. Zijn aangeboren me­lancholie, zijn angsten, zwaarmoedigheid, overgevoeligheid en doodsdrift probeerde hij te neutraliseren door middel van zijn humor. Bij hem was de Weltschmerz geen modeverschijnsel, maar echt. Hij was een boeiend spreker en voordrager, soms zelfs een uitgelaten pretmaker, maar uiteindelijk domineerde in hem de van levensangst vervulde piekeraar.



De belangrijkste werken van F. Haverschmidt  zijn: Barend Krul, grotesk-komisch gedicht in vier zangen (1849); Leven en sterven van Jelle Gal (1849); Bloemlezing uit de dichterlijke na­latenschap van Piet Paaltjens (1856-58; verzen in de Leidse stu­dentenalmanak, later gebundeld tot Snikken en grimlachjes, 1867); Familie en kennissen (1876; schetsen, verhalen en jeugd­herinneringen) en Uit geest en gemoed (1894; preken).  In 1961 verzorgde H. van Straten de uitgave van de Nagelaten snikken van Piet Paaltjens; poëzie en proza, tekeningen en curiosa uit de nalatenschap van François Haverschmidt (1979). In 1991 kreeg R. van Slooten een aantekenboekje met veertig gedichten en schetsen van Piet Paaltjens in handen, getiteld Souvenir Beekhuizen; de gedichtjes werden in 1870 geschreven tijdens een zomervakantie in hotel Beekhuizen in Velp.



Waarom past dit boek bij de Romantiek?



In de Romantiek probeert men uit het hier-en-nu te vluchten. Men vlucht in de natuur, het verleden, de humor, de kunst of in de ultieme vlucht: de dood. Dit kenmerk van de Romantiek komt ook in de gedichtenbundel van Franҫois Haverschmidt naar voren. In zijn gedichten gaat het vaak over de dood. Bijvoorbeeld in het gedicht De Friesche Poëet, hierin wordt de zelfmoord van een poëet beschreven. De poëet springt van een schip, omdat hij er erg bedroefd over is dat het echte Friesland uitsterft. Het gedicht De Zelfmoordenaargaat over een man die genoeg heeft van zijn leven en besluit zichzelf op te hangen in een bos. In dit soort gedichten over de dood schreef Haverschmidt waarschijnlijk de zwaarmoedigheid van zich af. Hij vluchtte dus in de kunst. Maar de poëzie bleek niet voldoende. Uiteindelijk heeft hij toch de meest extreme vlucht uitgevoerd en zelfmoord gepleegd.



Een ander kenmerk van de Romantiek is het gevoel. De liefde werd belangrijker en je hoefde niet meer te trouwen met de beste partij. Je kon je partner kiezen, maar dit vergrootte wel de kans dat je afgewezen zou worden. Maar gelukkig kon je dan je verdriet beter uiten door het vergrootte sentimentalisme. Dit sentimentalisme werd in de kunst en poëzie veel gebruikt. Ook Haverschmidt maakte er gebruik van. Mannen mochten ook huilen en in het gedicht De Bleeke Jongeling vertelt hij over ene jongen wiens hart is gebroken.



Een derde reden waarom Franҫois Haverschmidt representatief is voor de Romantiek is zijn verzet. In de Romantiek verzette men zich tegen de strenge regels van de Verlichting. Dit deed men door ironie en humor te gebruiken. Haverschmidt was echter al een stap verder. Hij maakte met zijn Snikken en Grimlachjes een parodie op de Romantiek. Hij zette alle sentimentele stukken extra dik aan en gebruikte veel humor. Door zijn parodie dreef hij de spot met de Romantiek. Maar omdat het verzet een romantisch kenmerk is maakte dit verzet hem alleen maar meer romantisch.



Recensie.



‘De poëzie van Piet Paaltjens is verwarrend. Het is niet duidelijk of de gedichten werkelijk over diep lijden gaan, of dat ze juist de spot drijven met de overgevoeligheid van de romantiek. Omdat ze heel humoristisch zijn lijken ze de draak te steken met gevoeligheid, maar tegelijkertijd is die kwetsbaarheid toch aanwezig. Het is alsof de dichter zegt: `kijk mij nou toch eens verdrietig zijn’ in plaats van `ik ben verdrietig’. Daarbij overdrijft hij flink. De verliefde student zit ’s nachts te huilen op de stoep van zijn geliefde, en als de melkboer langskomt, zegt hij tot het dienstmeisje: `de stoep is weer nat’. Een man die zelfmoord heeft gepleegd hangt een jaar in de boom, dan komt er een verliefd paartje dat onder de boom wil gaan vrijen en op dat moment valt er een laars van het uitgemergelde lijk, en `in een wip was de lust tot vrijen geblust’. De overheersende thematiek in de bundel is de teleurstelling. Het eerste gedicht gaat over een droefgeestige dichter die ’s avonds in een overdadig prachtige natuur wenend gaat neerzitten bij een meer. ’s Ochtends is zijn hart letterlijk gebroken. De `Immortellen’ of `onsterfelijken’ die volgen, zijn gedichten uit het studentenleven. Al deze gedichten zijn in de ik-vorm geschreven en ze spelen zich in Leiden af. Onbeantwoorde liefde en verdriet om de vergankelijkheid van vriendschap lopen uit in mensenhaat en doodsverlangen. De teleurstellingen leiden ertoe dat de ik-figuur vlucht in poëzie.



In de volgende cyclus, `Tijgerlelies', staat afgewezen liefde centraal. Een tijgerlelie is behalve een mooie bloem ook een contaminatie van twee woorden die staan voor roofdier (tijger) en onschuld (lelie). De vrouwen uit de tijgerlelies combineren onschuld en valsigheid. In de gedichten die volgen is de teleurstelling steeds weer het voornaamste. Een Friese dichter pleegt zelfmoord omdat Friesland niet meer is wat het geweest is. Leuke studenten worden later deftige potentaten.



De verzen van Piet Paaltjens zijn indrukwekkend, omdat hij met simpele woorden de gevoelens weergeeft van elke jongeling die met verraad, hoge verwachtingen en grote onbeantwoorde liefdes en vriendschappen te maken krijgt. Omdat hij dat op een humoristische manier doet, vervalt hij niet in clichés.’



Samenvatting van de recensie.



De poëzie van Piet Paaltjens is verwarrend. Het is niet duidelijk of de gedichten serieus zijn of de sport drijven met de overgevoeligheid van de romantiek. Ze zijn humoristisch, maar tegelijkertijd ook kwetsbaar. De gedichten zijn indrukwekkend, omdat hij met makkelijke woorden de gevoelens van elke jongere weergeeft. Hij vervalt niet in clichés, omdat hij dat op een humoristische manier doet.



Mijn mening over de recensie.



Ik ben het met de recensent eens dat de poëzie verwarrend is. De twijfel van de recensent is te begrijpen. Naar mijn mening drijft hij de spot met de overgevoeligheid van de romantiek. Het klopt dat Piet Paaltjens makkelijke woorden gebruikt om gecompliceerde dingen te beschrijven. De humor in deze bundel maakte het leuker om te lezen.



Recensie.



‘Tot aan zijn tragische dood in 1894 heeft HaverSchmidt de mystificatie volgehouden. Snikken en grimlachjes begint met een `Levensschets' waarin `F.H.' de dichter opvoert als een miskend genie dat voor het laatst in de Friese wafelkraam op de wereldtentoonstelling te Parijs is gezien. In 1870 ging HaverSchmidt zelfs zo ver dat hij een fictieve brief van Paaltjens aan zichzelf schreef. Paaltjens vertelt daarin hoe hij nog altijd op kamers leeft: `nu bij een doodkistenmaker; 's morgens ontwaak ik onder het tikken bij het bekleden der doodkisten. Ik slaap in een doodkist o zo heerlijk. In één woord ik ben thans in mijn element en verlang dan ook niet langer naar het einde.'



HaverSchmidt woonde in zijn studentenjaren zelf op kamer bij een doodbidder, maar toen in 1867 de eerste druk van Snikken en grimlachjes verscheen, lag de studietijd al ver achter hem. Inmiddels was hij dominee in Schiedam, bestuurslid van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en ook van Christelijk Hulpbetoon en de Schiedamse afdeling van Nederlandsch Mettray, een vereniging voor hulp aan verwaarloosde jongens. Bij zijn overlijden werd hij `een vriend der armen' genoemd. In hun nawoord bij de Delta-editie van Snikken en grimlachjes vertellen Marita Mathijsen en Dick Welsink hoe paradoxaal het leven van deze weldoener verliep. De gekscherende ondertoon van zijn verzen ontbrak in zijn dagelijks bestaan. Als `modernist' werd hij door zijn Schiedamse collega's vijandig bejegend. Omdat hij te vrij zou preken werd hij van predikbeurten uitgesloten. In toenemende mate kreeg hij met depressies te maken. Na het plotselinge overlijden van zijn vrouw in juni 1891 verloor hij de greep op zijn `Daemon der mistroostigheid'. Op 19 januari 1894 hing hij zich op aan het koord van zijn bedsteegordijn.



Het is verleidelijk om de thematiek van Paaltjens' verzen rechtstreeks met HaverSchmidts zwaarmoedige leven te verbinden, maar op zo'n visie is het nodige af te dingen. Paaltjens lijkt prima te passen in het sjabloon van de romanticus die zijn tijd niet verdraagt, de spot drijft met conventies en liever de hand aan zichzelf slaat dan een levenslang compromis te sluiten. Rob Nieuwenhuys koos in 1964 in De dominee en zijn worgengel zwaarmoedigheid dan ook als de rode draad van HaverSchmidts bestaan. Zwaarmoedig, aldus Mathijsen en Welsink, was hij zeker, maar als burger functioneerde hij niettemin zoals het een negentiende-eeuwer betaamde. Zijn schrijverschap stond uiteindelijk in dienst van zijn domineesambt. `De tragiek van HaverSchmidt moet dan ook niet in het kunstenaarschap gezocht worden, maar in zijn persoonlijkheid zelf.'



Alle tragiek ten spijt, de drukgeschiedenis van Snikken en grimlachjes is een succesverhaal. Na de eerste druk van vijfhonderd ingenaaide en drieduizend gebonden exemplaren verschenen tijdens het leven van HaverSchmidt nog vijf drukken, en daarna minstens nog eenenvijftig. En ook op internet is de bundel te vinden. Ongetwijfeld is de studentikoze lichtvoetigheid van Paaltjens verzen een belangrijke reden voor dit succes, maar het roept ook vragen op. Zelf herlas ik met een glimlach weer zijn `Immortellen', `Tijgerlelies' en `Romancen'. Van die laatste afdeling maken `De zelfmoordenaar' en `De Friesche poëet' nog altijd de meeste indruk, maar vrolijk stemmend ook is `Des zangers min', waarin Paaltjens de toewijding van een dichter aan zijn liefje beschrijft:



Niet, dat hij echt een liefje heeft;



Hij stelt het zich maar voor.



Dat doen de minnedichters meer;



Daar zijn ze dichters voor.



Het ware leesplezier komt echter van het nawoord van Mathijsen en Welsink. Dat is tamelijk droog, want documentair geschreven, maar het biedt biografische, literair-historische en analytische informatie die niet eerder samen werd gepresenteerd. De auteurs schetsen een helder beeld van het poëtische klimaat in HaverSchmidts tijd, belichten de invloed van Heine en de bemiddelende rol van Eelco Verwijs, en beschrijven de ontvangst van de bundel. Anekdotes en speculaties gaan ze niet uit de weg. Het eerste vers van de dichter van `De zelfmoordenaar', schrijven ze, zou een lierzang zijn geweest op een paar jonggeboren katjes die verdronken werden. Tijdens zijn korte domineeschap in Den Helder zou HaverSchmidt hebben meegewerkt aan de roemruchte mystificatie van het Oera Linda Boek. En Paaltjens' naam blijkt zowaar zelfs haas te zijn geweest. In HaverSchmidts proza figureert immers regelmatig Mr. Franciscus Haas, een substituut-rechter uit de provincie die de schrijver zogenaamd aan onderwerpen hielp voor zijn lezingen.



Het tekstdeel van deze editie van Snikken en grimlachjes was in kundige handen. Wie de voorbeeldig geëditeerde gedichten ten volle begrijpen wil, vindt een toevlucht in bondige aantekeningen, en de illustraties dragen daaraan zinvol bij. Paaltjens is voorlopig weer in de canon verankerd.’



Samenvatting van de recensie.



Paaltjens lijkt een romanticus die zijn tijd niet kan verdragen. Hij drijft de spot met conventies. De tragiek van Haverschmidt moet dan ook in zijn persoonlijkheid zelf worden gezocht. De drukgeschiedenis van Snikken en grimlachjes is een succesverhaal. Het echte leesplezier komt van het nawoord. De auteurs schetsen een helder beeld van het poëtische klimaat in zijn tijd. Het tekstdeel van deze editie was in kundige handen.



Mijn mening over de recensie.

Ik heb een andere editie van de dichtbundel gelezen, dus ik kan niet reageren op het nawoord waar de recensent het over heeft. Paaltjens drijft te spot met de romantiek, dus het lijkt inderdaad alsof hij zijn tijd niet kan verdragen. Ik weet niet of de tragiek in de persoonlijkheid van de dichter gezocht moet worden. Hij kan de bundel ook schrijven vanuit een ander perspectief.



Mijn mening over de bundel.



Ik vond het vermakelijk om ook eens een keertje een gedichtenbundel te behandelen in plaats van een literair boek. Sommige passages uit de gedichten van dit werk waren behoorlijk (dichterlijk) diepzinnig, ze lagen veel te ver weg voor mij. Ik denk niet dat ik altijd over het vermogen beschik om zoiets als de geest van een dichter te doorgronden. Ik snap wel welke richting hij op wil, maar kan het niet onder woorden brengen. Het brengt alleen een bepaald gevoel teweeg.



Ik vind de gedichten behoorlijk zwaarmoedig en sarcastisch. Toch raad ik iedereen aan om de bundel eens een keertje door te bladeren en te lezen wat hen interessant lijkt. Je leert een hele andere manier kennen om tegen het leven aan te kijken. Ik zag er in het begin gigantisch tegenop op zo'n verzenbundel te gaan lezen, maar het viel wel mee alhoewel het soms erg moeilijk te begrijpen was. 



Bronnen.



http://www.literatuurgeschiedenis.nl/lg/19de/tekst/lg19048.html



http://leesdossierchristavijzendoorn.blogspot.nl/2012/05/betoog-romantiek-klas-5.html



http://nrcboeken.vorige.nrc.nl/recensie/zijn-naam-is-echt-haas-geweest


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "Snikken en grimlachjes door Piet Paaltjens"

Ook geschreven door Emma