Havisten uit de bovenbouw gezocht! Vul deze korte vragenlijst over jouw studiekeuze in en maak kans op een Bol.com bon t.w.v. 15 euro.

Doe mee


Titelverklaring 
In het verpleeghuis zijn twee zalen: de kleine zaal waarop zes patiënten liggen en de grote zaal waar de overige patiënten worden verpleegd die niet meer kunnen herstellen. Wie op de grote zaal terechtkomt, zal binnen niet al te lange tijd sterven. Daarom is het de grote angst van Trui om op die grote zaal terecht te komen, maar aan het einde van de roman kan ze niet aan dat noodlot ontkomen.

Motto: er is geen motto.

Opdracht: Aan Frederik Carel Kuipers.

Chronologie: het boek wordt chronologisch vertelt. Het verhaal wordt vertelt door moeder en dochter, waarin de moeder langzaam de dood tegemoet komt.

Autobiografische elementen: Nee het verhaal bevat geen autobiografische elementen. Alleen dat Jacoba zelf in Parijs heeft gewoond waar ze iets deed met tonaal.

Verteltijd: 4uur.

Vertelde tijd:  er worden in de roman verder geen data en dagen genoemd. Dat heeft waarschijnlijk wel te maken met de opvatting van de schrijfster dat de dagen van de vertelster allemaal troosteloos hetzelfde zijn.

Daarom kun je ook niet precies te weten komen hoe lang de vertelde tijd is. In deel 1 staat nog dat Helena nog ongeveer twee à drie weken de kamer van haar moeder mag huren, voordat ze weer terug naar Parijs gaat. Het is echter niet goed uit te maken hoe lang de periode in deel 2 duurt. Het valt aan te nemen dat de vertelde tijd enige maanden in beslag neemt.

Wanneer speelt het verhaal zich af: De vertelster geeft in het begin van het verhaal duidelijk aan dat ze 74 jaar is. Bovendien wordt daarna verteld dat ze in januari 1878 is geboren. Dat betekent dat het verhaal zich afspeelt in het voorjaar van 1952. Dat het voorjaar is, kun je afleiden uit het fragment waarin Helena haar moeder komt ophalen voor een rijtour naar het strand. Het is dan mooi weer, en het is een van de eerste zonnige dagen van het jaar. Op zo’n zonnige dag ging Trui vroeger ook voor het eerst in het jaar zwemmen.

Fabel en Sujet: het fabel en sujet zijn hetzelfde, want het verhaal is chronologisch verteld.

Spanningstechnieken.

- Verhaal beginnen met een vraag. “Waar ben ik, hoe ben ik hier gekomen?”Dit maakt nieuwsgierig.

- Vertraging door de omgeving uitgebreid te vertellen.

- Vooruitwijzing bij Helena ; mijn moeder voor altijd in een rusthuis. Dit betekent al dat zij nooit beter wordt en daar dus zal overlijden.

Gebeurtenis met korte spanningsboog: wat er met Geertruide is gebeurd, kom je snel genoeg achter. De zuster vertelt haar dat ze een attaque heeft gehad.

Gebeurtenis met lange spanningsboog: Wordt Geertruide weer beter of gaat ze dood in het rusthuis?

Belangrijke open plek: gelijk in het begin van het verhaal. Trui weet niet waar ze is en wat er met haar is gebeurd. Je wordt nieuwsgierig en wil verder lezen.

Genre:  psychologische roman. Het draait om de gevoelens en de gedachtegang van Trui en Helena.

Thema : dood-leven. De angst voor de dood spoort ons aan om te leven.

Motieven:

-         Moeder-dochterrelatie: De dochter pleit voor een andere levenswijze van haar moeder en gaat ook zelf veel meer op een andere manier door het leven. Toch houdt ze van haar moeder, ze komt over uit Parijs wanneer die een beroerte heeft gekregen en bezorgt haar moeder nog een mooi moment wanneer ze haar een rijtour naar het strand en de duinen aanbiedt. Toch zet ze haar eigen leven in Parijs voort. Ze heeft ook een heel andere, veel moderne opvatting over de normen en waarden in het leven, bijvoorbeeld over seksualiteit. Dat blijkt wanneer haar moeder een gesprek afluistert tussen haar en een vriendin waarin ze het over het gebrek aan seksualiteit hebben als reden voor een echtscheiding bespreken. Moeder Trui heeft een andere opvatting over seks. Na de geboorte van Helena is ze haar man Willem niet “meer ter wille geweest” en ze vindt het achteraf jammer dat anderen haar niet meer over seks hebben geleerd. Ze heeft haar man tekort gedaan.

-         Eenzaamheid: - (blz. 51) “Als je oud wordt, kom je eenzaam in het leven te staan. Vrienden die je had zijn dood en ook hulpbehoevend. Je kinderen zijn groot en hebben hun eigen interesses. “

- (blz. 75) “Veel later is pas het ontzettende weten gekomen van de eenzaamheid van de mens. Niet het gewone weten, maar een ander weten dat als een bliksemstraal door mij heen schoot en mij verlamd van schrik in een panische angst achterliet. Het weten dat er een uur zal komen waar ouders, een geliefde, een vriend niets meer voor je kunnen doen. Het uur waarin alle begrippen hun waarde verloren zullen hebben en waarin er niets anders zal zijn dan een volkomen eenzaamheid. Niet een eenzaamheid van een mens onder de mensen, maar de eenzaamheid van de mens voor het Niets “ 
- (blz. 81) Helena maakt een rijtour met haar moeder naar de boulevard en de zee. Ze vindt het fijn even met haar moeder samen te zijn. In het tehuis lukt haar dat namelijk niet.
Zo, zei Helena zachtjes, zou je moeten leven. Alleen met de zee en zonder mensen. Die eenzaamheid zou je op de duur niet kunnen verdragen, zie ik. Ik weet het niet, zei ze. Ik voel me met mensen vaak eenzamer dan wanneer ik alleen ben. 

- (blz. 101) Wat heeft Helena ook alweer gezegd? De mens is zo verschrikkelijk eenzaam, mijn lieve moedertje. Sommigen, de meesten zijn er zich niet van bewust. Een enkele keer, bij een groot verdriet, wanneer geen mens of redenering meer kan helpen, dan hebben ze er een vermoeden van. Maar meestal vergeten ze het weer en misschien is dat goed. Want hoe zouden we verder kunnen leven, als we, allen tezamen, ons bewust waren van onze eenzaamheid en het ontzettende van onze toestand ? Zouden we dan niet allen een paniekstemming krijgen als mensen in een …. concentratiekamp? [……] dat bedoelde ze natuurlijk, dat de hele wereld een concentratiekamp is, waar je nooit uit kan ontvluchten. We zijn veroordeeld, zei ze, en we weten niet waarom. “

- (blz. 126) Onrustig begonnen haar handen te bewegen. Ze gingen van haar hart naar haar keel, van haar keel naar haar hart. Zonder ophouden. Ik nam ze in mijn handen, ze waren ijskoud. Maar ik mocht ze niet vasthouden. Deze strijd, de allerlaatste, moest ze alleen uitvechten. 

-         Angst voor de dood: - (blz. 60) “Misschien ben ik nooit werkelijk volwassen geworden. Al mijn kinderangsten zijn gebleven. De angst alleen in een donkere kamer te zijn. De angst om ’s nachts wakker te worden en niet meer te weten hoe ik in bed lig en hoe de kamer is. De angst in een groot gezelschap plotseling het middelpunt te zijn. En nog vele andere angsten.” (gedachten van Trui op de kleine zaal)

- (blz. 99) Mevrouw Jansen, fluisterde ik. Ja, fluisterde ze terug. Wat is er gebeurd? Ik denk, zei ze, en ze slikte weer hard, dat mevrouw Diepenhorst weggebracht is. Weggebracht? Ja, zei ze, als we, als er iemand dood is gegaan, wordt hij zo gauw mogelijk weggebracht, Ik heb niet gevraagd waarheen ze haar brengen. Mijn hele lijf siddert en ik voel een onweerstaanbaar verlangen te vluchten, Maar waarheen en waarom? Wie zal de volgende zijn? 

- (blz. 122) De angst, de verstikkende angst is er weer. Een ondeelbaar ogenblik was ik in de zwarte tunnel , waarvan ik het einde niet kon zien. Met mijn laatste krachten kon ik nog vluchten voor het verschrikkelijke. Voor het onbekende. Maar het is de laatste keer geweest. Ik weet het. Onafwendbaar komt het ogenblik dat ik erdoor zal moeten gaan….. Tot het einde. Wat zal daar zijn? Wat is er aan het einde? Ik ben bang. Is er dan niets wat me helpen kan. Nee, ik ben alleen. Geen mens kan nog iets voor me doen. God! Help me. Laat me niet dwalen in die duisternis waar ik geen weg weet en die voor mij onbegrijpelijk is. 

- (blz. 125) Ja, zei ze, ik wachtte op je. Ik was al voor de zwarte tunnel, waar ik alleen in moet gaan. Ik ben zo bang, wat is er aan het einde? 

- (blz. 126) Haar ogen waren groot van ontzetting. Al onze begrippen hadden voor haar iedere waarde verloren. Ze was in de zwarte tunnel. Alleen. Wat gebeurt er in dit verschrikkelijke laatste uur, wanneer men niet meer tot de levenden behoort en ook nog niet tot de doden? 

Literair historische motieven: de weg naar de dood, dood, angst, eenzaamheid.

Leidmotief: Zee. Dit komt meerdere malen terug. Hoe zo’n mooie dag het is om naar de zee te gaan en hoe graag ze nog een keer naar de zee wil. Uiteindelijk neemt Helena haar mee naar de boulevard en de zee.

Verhaallijnen: er zijn twee verhaallijnen. Namelijk die van Helena en Trui.

Belangrijkste gebeurtenis: dat Trui een attaque krijgt en niet langer voor zichzelf kan zorgen. Daardoor komt ze in het rusthuis terecht. Hier speelt zich haar laatste maanden van haar leven af. Hier speelt het hele boek af.

Hoofdpersonages:
Geertruide van der Veen: Karakter: onzeker, cijfert zichzelf weg. Op haar privacy gesteld.

Helena (dochter): Ze woont in Parijs met haar man Jean. Karakter: jong volwassen, mensenkennis en zegt wat ze denkt.

Thema: De doodsangst, eenzaamheid en moeder- dochterliefde. 

 Betekenislaag: de dood kan altijd en overal toeslaan. Leef nu het nog kan.

Vertelperspectief: meervoudig perspectief, want je ziet de gebeurtenissen afwisselend door de ogen van Trui en dan door Helena.

Hoe leer je de personages kennen: Trui leer je kennen in het eerste hoofdstuk. Helena leer je kennen wanneer zij bij haar moeder op bezoek komt. De andere mensen in het rusthuis leer je kennen in het rusthuis zelf.

Hoofdpersonen: de hoofdpersonen zijn  Trui en haar dochter Helena. Dit weet je doordat je de gedachtes van hun leest. Je weet wat ze voelen en hoe ze handelen. Het zijn karakters.

Personages:
mevrouw Blazer, die zelf ook in Parijs gewoond heeft en een luxe leven heeft geleid. Daarover vertelt ze graag tegen de andere vrouwen, die haar daarom niet goed kunnen uitstaan en haar een opschepper vinden.
mevrouw Jansen die maar één been heeft, mevrouw Diepenhorst die nooit bezoek krijgt van haar zoon, mevrouw De Waal die al acht jaar lang niet meer praat na de dood van haar man.

Deze personages zijn types, want ze maken geen verandering door.

Structuur van de roman en het perspectief
Het boek heeft een opbouw in drie delen. Het eerste deel is het langst, het derde deel is slechts 2 pagina’s lang.
In deel 1 is er een voortdurende afwisseling tussen twee vertellers: de- 74 jarige Trui van der Veen is in een verpleeghuis opgenomen en ze vertelt in de ik-vorm en in de o.t.t. wat ze er meemaakt. Er is echter een tweede vertelster Helena. Zij is de 38-jarige dochter van Trui en ze is overgekomen uit Parijs om haar moeder te bezoeken. Zij vertelt in 6 hoofdstukjes wat ze van de situatie vindt en ook wat ze van haar leven en het leven in het algemeen vindt. Helena vertelt ook in de ik-vorm en in de o.t.t., behalve wanneer ze het over het verleden heeft (de periode van de zondagsschool) Aan het einde van deel 1 vertrekt ze weer naar Parijs.
In deel 2 is Trui van der Veen de enige ik-vertelster van het verhaal. Helena zit namelijk in Parijs. Het gaat steeds slechter met de vertelster en aan het einde van dit deel wordt ze overgeplaatst naar de grote zaal.
In deel 3 is de vertelster Helena. Ze bezoekt haar moeder voor de laatste keer.
Zowel in deel 1 als in deel 2 worden door beide vertelster herinneringen (flashbacks) opgehaald. Maar de drie delen worden chronologisch ten opzicht van elkaar verteld.

Begin: het boek begint met een handeling. Trui wordt wakker in het verpleegtehuis en weet niet waar ze is en wat er is gebeurd.

Einde: het boek heeft een gesloten einde. Trui sterft.

Waar speelt het verhaal zich af: el wordt beschreven dat het verpleeghuis in een stad staat (er rijdt namelijk ook een tram) en dat er in de buurt een boulevard en de zee zijn. Helena maakt met haar moeder aan het einde van deel 1 een rijtour naar het strand en de duinen. Gezien het feit dat Trui bij het bekend maken van haar persoonlijke gegevens meldt dat zij en haar man Willem in Den Haag zijn geboren, er niet over een verhuizing wordt gesproken en de beide bovengenoemde omstandigheden van toepassing kunnen zijn op Den Haag met het strand in Scheveningen, lijkt het voor de hand die topografische ruimte van een verpleegtehuis in Den Haag te kiezen.

Trui moet haar huurkamer verlaten wanneer ze een beroerte heeft gehad. Daarmee wordt haar wereldje beperkt tot de slaapzaal van de kleine kamer van het verpleeghuis. Er is ook nog een zitkamer waar patiënten uit de kleine zaal en drie vrouwen uit de grote zaal af en toe met elkaar praten en roddelen.

De grote angst van Trui van der Veen is dat ze binnen afzienbare tijd op de grote zaal terecht zal komen. Daar ga je heen wanneer je gaat sterven en ze is heel bang voor de dood. De grote zaal is dus een heel belangrijke symbolische ruimte. Wanneer ze er aan het einde van deel 2 terechtkomt, wordt het duidelijk dat ze zal sterven. De kleine zaal is de eerste fase naar haar sterven. Wanneer ze op de grote zaal komt te liggen is dat het teken dat ze binnenkort gaat sterven.

Biografie: Jacoba van Velde (Den Haag, 10 mei 1903 - Amsterdam, 7 september 1985) was een Nederlandse schrijfster. Haar romandebuut De grote zaal verscheen in 1953 en werd binnen 10 jaar vertaald in dertien talen. Er werden tijdens haar leven omstreeks 75.000 exemplaren van De grote zaal verkocht. In 2010 werd het boek in het kader van de landelijke campagne Nederland Leest (22 oktober t/m 19 november) gratis weggegeven aan de leden van alle openbare bibliotheken.

Jacoba was de jongste uit een gezin van vier, met een oudere zuster en twee oudere broers. Haar vader was tijdens haar jeugd veelvuldig afwezig en haar moeder was wasvrouw. Ze ging slechts tot haar tiende naar school, maar wist zichzelf toch verschillende talen eigen te maken. Al op haar zeventiende ging ze naar Parijs om een dansopleiding te volgen. In 1924 trouwde ze met de violist Harry Polah; zij traden op in Berlijn. Later vormde ze met een mannelijke partner het dansduo Pola Maslowa & Rabanoff. Samen trokken ze langs cabarets en variététheaters in een groot aantal Europese landen. In 1937 trouwde ze met de schrijver Bob Clercx. Beide huwelijken bleven kinderloos. Van Velde woonde een groot deel van haar leven in Parijs, net als haar broers Geer en Bram van Velde, die na de Tweede Wereldoorlog naam zouden maken als schilder. Vlak na de Tweede Wereldoorlog was ze onder de naam Tonny Clerx literair agent voor het Franse werk van de Ierse (toneel)schrijver en dichter Samuel Beckett, maar die functie legde ze in 1947 neer om zich op haar eigen schrijven te concentreren. Van Veldes oeuvre bleef klein; voornamelijk was ze werkzaam als vertaalster en dramaturg. Ze vertaalde onder andere toneelstukken van Samuel Beckett, Eugène Ionesco en Jean Genet van het Frans naar het Nederlands.

Haar tweede en laatste roman, Een blad in de wind (1961), ontving minder goede kritieken. Jacoba van Velde begon nog aan een derde roman, De verliezers, maar voltooide die nooit.

Beoordeling: ik vind dat dit een heel goed boek is dat iedereen zou moeten lezen.

Mijn argumenten hiervoor zijn dat ik het ten eerste een heel realistisch boek vind, het verhaal is best lang geleden geschreven, maar er staan dingen in die nog steeds in onze maatschappij gebeuren.

Ook vind ik dat het verhaal goed is opgebouwd; er wordt van beide kanten een inzicht gegeven in het verhaal.

En er staan veel dingen in die je beter laten nadenken over de dood en over later. Over verzorgingstehuizen. Het boek geeft je een heel goed beeld van onze maatschappij.

Het is ook een rustig boek, er is niet veel actie en spanning in het boek. Ik vind dit wel een nadeel want ik houd meer van spannende boeken. Maar aan de andere kant kun je je door de rustige dialogen wel goed inleven in het boek.

Taalgebruik: ik vind de taal waarin het is geschreven niet moeilijk. Het is goed te begrijpen, ondanks dat het boek als 60 jaar oud is.

Kern:  Geertruide komt in een rusthuis terecht en hier beleeft ze haar laatste maanden van haar leven. Het verhaal wordt vertelt door Geertruide zelf en haar dochter Helena.

Samenvatting van de inhoud
Er zijn drie delen.
-1- (afwisselend verteld door Trui en Helena)

De 74-jarige Geertruida van der Veen slaat haar ogen op in de kleine zaal van een verpleegtehuis. Een verpleegster (Van Maarle) vertelt haar dat ze een beroerte (attaque) heeft gekregen. Tegenwoordig zouden we zeggen een tia of een herseninfarct. Een jaar eerder heeft ze ook al een kleine attaque gekregen.
Ze kan niet goed lopen met haar ene been, wat een gevolg is van de beroerte. Ze weet dat haar dochter Helena (38) is overgekomen uit Parijs. Daar woont ze als een kunstenares die getrouwd is met de kunstenaar Jean van Hasselt. Ze heeft het niet breed en dat kun je ook zeggen van haar moeder. De kosten van de verpleging komen daarom voor rekening van Sociale Zaken, maar een eigen bijdrage van de patiënten is wel noodzakelijk. In het verpleeghuis zitten eigenlijk alleen maar arme, oudere vrouwen. Op de kleine zaal van Trui liggen er zes en op de grote zaal met een serre liggen er nog 19. Wie op de grote zaal ligt, is er slecht aan toe, behalve drie vrouwen die er alleen liggen, omdat er geen plaats meer is in de kleine zaal. Daar ligt o.a. mevrouw Blazer, die zelf ook in Parijs gewoond heeft en een luxe leven heeft geleid. Daarover vertelt ze graag tegen de andere vrouwen, die haar daarom niet goed kunnen uitstaan en haar een opschepper vinden. Op de kleine zaal ligt o.a. mevrouw Jansen die maar één been heeft, mevrouw Diepenhorst die nooit bezoek krijgt van haar zoon, mevrouw De Waal die al acht jaar lang niet meer praat na de dood van haar man.
Trui heeft een eenzaam bestaan achter de rug. Ze is getrouwd geweest met Willem, die in de oorlogsdagen van 1942 overleden is. Haar dochter was toen al met de kunstenaar Jean van Hasselt naar Parijs vertrokken en zij had pas na de oorlog weer contact gezocht. Trui van der Veen is daarom een eenzame en min of meer zielige vrouw.

Helena verblijft intussen op de kamer van haar moeder bij de verhuurster mevrouw Lindemans. Die geeft haar aan dat er straks controle komt van Sociale Zaken en dat alle spullen van haar moeder dan zullen worden verkocht om daarvan nog iets te kunnen
terugbetalen aan Sociale Zaken. Mevrouw Lindemans en haar broer hebben wel interesse in het vloerkleed, een boekenkast en het tafelzilver. Helena zal erover nadenken.

Met Trui gaat het in het verpleeghuis steeds slechter: het wordt duidelijk dat ze daar niet meer uitkomt en ze moet een verklaring daartoe ondertekenen. Ze vertelt over kleine zaken die in het tehuis spelen: de patiënten pikken eten van elkaar, ze roddelen over elkaar. Ze denkt na over haar hele leven, waarin ze anderen nooit tot last heeft willen zijn. Dat is wel eens een ergernis geweest voor haar dochter Helena die juist uit het bekrompen milieu wil breken en daarvoor de kunstenaar Jean als haar partner heeft gekozen. Ze heeft pertinente ideeën over de eenzaamheid van de mens: die geldt voor elk mens en is in feite existentioneel. Ze was van mening dat haar moeder na de dood van Willem een doel moest zoeken in haar leven en dat Helena dat doel niet zelf was. Trui is ook geschrokken van een gesprek dat ze eens had opgevangen tussen Helena en een vriendin. Een bevriend stel was uit elkaar gegaan, omdat de vrouw geen seksualiteit meer wilde. Trui had dat zelf na de geboorte van Helena ook niet meer gewild met Willem. Ze had nooit iets van seks begrepen. Een andere vrees van Trui is die voor de dood. Ze had altijd haar kinderangsten behouden: o.a. angst voor donkere ruimten en ze is nu bang om naar de grote zaal te worden overgeplaatst.

Helena vertelt in een flashback hoe ze “streetwise” is geworden. Ze was met een vriendinnetje meegegaan naar de zondagsschool en had daar verhalen gehoord over Jezus, maar ook over de zondvloed en de kruisiging. Ze had zich God voorgesteld als een wrede God. Op de lagere school had ze kennis gemaakt met valsheid en verraad, toen een vriendinnetje haar een tekening had laten zien van een man met een grote piemel. De juf had gedacht dat het Helena het was geweest die de tekening had gemaakt en ze was gestraft met nablijven. Haar vriendinnetje had later niet opgebiecht dat zij de tekening had gemaakt en Helena had op deze wijze kennis gemaakt met verraad. Ze had daarna het meisje op haar gezicht geslagen, weer straf gekregen, maar de bovenmeester had alles met haar besproken. Ze was daarna ziek geworden en veertien dagen niet naar school gegaan.
Ze beseft dat ze ook een beetje aan oplichting heeft gedaan. Ze krijgt van mevrouw Lindemans 200 gulden voor de verkochte spullen van haar moeder. Die kan ze goed gebruiken om de terugreis naar Parijs te betalen, maar ze geeft 100 gulden aan de directrice van het verpleeghuis om af en toe een extra ei en extra fruit te kopen voor haar moeder. Ook haalt ze haar moeder op voor een rijtour naar het strand. Haar moeder geniet hier erg van. Dan komt het emotionele moment van het afscheid. Ze gaat terug naar haar man in Parijs.

-2- (verteld door Trui)
Trui mist haar dochter. Nu die weg is bij Lindemans, kan ze zich niet goed voorstellen hoe Helena leeft. Ze vertelt de lezers over de dingen die in het verpleeghuis gebeuren. Ze heeft er erg weinig privacy. Wanneer ze naar het toilet wil, kan de deur niet op slot. De directrice heeft dat besluit genomen, toen een vrouw onwel was geworden op de wc en ze haar niet hadden kunnen bereiken.
Ook is er de tragedie van mevrouw Diepenhorst die een zoon heeft die niet op bezoek komt. Ze heeft kanker en het gaat steeds slechter met haar. De directrice verwittigt hem van haar toestand en hij komt op een dag met een veel jongere vrouw om haar te bezoeken. Kort daarna sterft ze. Mevrouw Blazer en mevrouw Lous bekvechten om de vrijgekomen plek in de kleine zaal. Blazer meent het meeste recht daarop te hebben, omdat ze dat met de directrice had afgesproken. Lous liegt dat de verpleegster Van Maarle dat haar heeft beloofd. Blazer komt uiteindelijk op de kleine zaal te liggen.

Trui voelt de eenzaamheid steeds groter worden. Ze gaat op een dag zelf naar de fraaie achtertuin en ontmoet daar een jongetje dat in de nabij gelegen tuin speelt. Hij is erg aardig voor haar. Daarna ontmoet ze er een verdrietige mevrouw Bijleveldt die aangeeft dat haar vroegere minnaar gestorven is. Ze had nooit met hem mogen omgaan van haar ouders en ze was eigenlijk een leven lang heel ongelukkig gebleven. Nu heeft ze bericht gekregen dat hij overleden is.
Mevrouw Jansen is op een dag jarig en ze vertelt over haar vorige verjaardag. Ze was uitgenodigd bij haar zoon, maar de dag was dramatisch verlopen. Kinderen en schoonkinderen waren ruzie zoekend over elkaar heen gevallen en ze had een heel slechte dag gehad. Daarom viert ze het nu in het tehuis. Ze krijgt bonbons die ze later wil uitdelen, maar dan blijkt dat mevrouw De Waal de helft van de doos heeft gestolen. De vrouwen van de afdeling pikken dat niet en schelden de vrouw voor alles en nog wat uit.
Maar ook mevrouw De Waal heeft een verdrietig leven achter de rug, nadat de man met wie ze zo veel leuke lieve dingen deed plotseling was gestorven.

Met Trui gaat het slecht. Ze krijgt heel veel pijn in haar buik. Dat moeten haar darmen zijn. Er komt een arts kijken, maar veel meer dan pijnstillers toedienen gebeurt er niet. Trui schaamt zich ervoor om teveel te klagen. Ze verzwijgt dat ze niet meer naar de wc kan, omdat ze vreest dat ze dan naar de grote zaal moet verkassen.
Mevrouw Lindemans komt op bezoek. Ze praat met wel Trui, maar echt geïnteresseerd is ze niet in haar. Er zijn als het er op aan komt, maar weinig mensen die je daadwerkelijk helpen. De mens is immers existentioneel eenzaam. Wanneer Trui ’s nacht een keer gegild heeft van de buikpijn, wordt ze overgebracht naar de Grote zaal. Dat is haar grote schrikbeeld. Ze vreest de duistere tunnel waar ze voor staat. Ze is haar angst voor de dood niet kwijt. En ze vreest wat er na de dood komt: is er een hemel en een hel?

-3- (verteld door Helena)
Helena is overgekomen uit Parijs. Wanneer ze op de grote zaal komt, herkent haar moeder haar. Ze heeft op haar dochter gewacht om te kunnen sterven. Ze vraagt aan Helena, wat er na de dood komt. Helena zegt dat ze echt wel een plaats in de hemel heeft verdiend. Dan wordt de ademhaling van Trui onrustiger. Helena houdt haar hand niet tot het laatste moment beet. Een mens moet het laatste stukje alleen afleggen. Daarna sterft Trui van der Veen. Haar gezicht werd vreemd en star. Ze was aan haar einde gekomen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

D.

D.

Als ik jou was zou ik het boek nog is lezen
Helèna heeft het over haar tijd op de zondagschool
Het kan dus geen chronologische tijd zijn.
Verder worden er wel data genoemd namelijk:
Trui is geboren in 1878 ze is 74 jaar dus het speelt zich af in 1952. Oh en de vertel tijd is zeker meer dan 4 uur enkele maanden zelfs.

7 jaar geleden