Gebruikte editie
Bij de uitgeverij Nieuw Amsterdam verscheen in de eerste week van januari 2006 de vijfde roman van Hans Münstermann. Opnieuw is Andreas Klein zijn hoofdfiguur. De roman telt 204 bladzijden. Op de voorkant staat een foto van een vrouw die achterom kijkt en een koffer in haar handen heeft. Het moet de moeder van Andreas Klein, Marianne, voorstellen.

Genre
De roman behoort tot het genre van de psychologische romans over een moeizame moeder-zoonverhouding. "De bekoring" is de vijfde roman die gaat over het gezin van de Duitser Joachim Klein en zijn in Arnhem geboren echtgenote Marianne Petersen. Ze zijn getrouwd op 10 mei 1940, een symbolische datum waar ook wat het huwelijk betreft geen zegen op bleek te rusten.

De flaptekst
In "De bekoring" neemt Hans Münstermann, meester van de hervonden tijd, opnieuw een duik in het fascinerende verleden van Andreas Klein, de charismatische hoofdpersoon die we kennen uit zijn eerdere romans. Als Andreas' moeder sterft gaan zijn gedachten terug naar een zomerdag, eind jaren vijftig. Hij denkt aan hoe zijn moeder man en kinderen achterliet, vastbesloten om nooit meer terug te keren. Hij ziet haar in de tram, op die zinderende dag, een raadselachtige dame met een koffer, scherp en levensecht. Als in een film beleeft hij, samen met zijn familie, met de buren en die hele wereld van vroeger, de vlucht van zijn moeder. Ze zien hoe zij wegsluipt uit haar alledaagse sleur. Ze voelen het stampende leven dat haar beetgrijpt. De lezer voelt met hen mee – laat dat maar aan Münstermann over.

Motto en opdracht
Voorin kent het boek geen motto of een opdracht, maar diverse hoofdstukken hebben wel een motto. Er is geen opdracht.

Geschikt voor ervaren lezers
Het is mijn eerste kennismaking met Münstermann. Ik moet zeggen dat hij niet eenvoudig schrijft. De structuur van de roman is best ingewikkeld en je moet als lezer verdraaid goed opletten, hoe het verhaal verteld wordt. Het gaat om de vaak gehanteerde thematiek van de moeder-zoonverhouding. De roman kun je daarom op een literatuurlijst prima plaatsen bij boeken als "Bezonken rood" (Jeroen Brouwers) "Een vlucht regenwulpen" (Maarten ’t Hart) "Helse Steen" (Willem G. van Maanen). De boeken hebben allemaal dezelfde thematiek: een dode of stervende moeder en een zoon die op haar leven terugkijkt. "De bekoring" is een knap geconstrueerde, maar zeker niet eenvoudige roman, die meer zijn weg zal vinden op vwo-lijsten dan op havo-lijsten. Niettemin een nummer dat ik drie punten wil toekennen.

Structuur en verhaalopbouw
Er zijn vijf hoofdstukken die alle een titel hebben. In de hoofdstukken spelen twee tijdlagen: de dag waarop de moeder van Andreas sterft (in september 2004) en de dag waarop ze in de zomer van 1960 haar gezin in de steek heeft gelaten. De hoofdstukken behandelen steeds deze twee verhaallijnen. De roman wordt dus niet-chronologisch verteld. In elk hoofdstuk wisselen verteller en tijdlagen elkaar af.
In het laatste hoofdstuk keert ze terug naar huis van haar seksueel getinte uitstapje, waar ze in het eerste hoofdstuk definitief het leven heeft verlaten. Een mooi geconstrueerd romannetje.

Perspectief
Er is een meervoudig perspectief. We zien de roman door de ogen van een drietal personale vertellers.
Ten eerste is er Andreas Klein die aan het begin van de roman te horen krijgt dat zijn moeder overleden is. Hij denkt dan terug aan de dag dat ze in juli 1960 het huis verlaten heeft en haar kinderen in de steek gelaten heeft. Dat was nota bene op zijn verjaardag.
De tweede verteller is Marianne Klein die de dag beschrijft dat ze haar gezin in de steek heeft gelaten. Andreas Klein is hierbij niet aanwezig. Je kunt deze tijdlaag echter ook zien als een fantasie/droom van Andreas, waarin hij zich voorstelt wat de moeder op die dag heeft meegemaakt.

De derde verteller is de architect Van Epen die de buurt waar het gezin Klein in Amsterdam woont, heeft ontworpen. Hij was de hoofdfiguur van het boek dat Andreas aan het schrijven was, toen hij hoorde dat zijn moeder overleden was. Hij laat hem als het ware tot leven komen om de episode te beschrijven in 1960.
Deze vertelwijze veregt een zeer alerte lezer, want de drie vertellers gaan zonder nadere aankondiging op elkaar over. Soms is het gedeelte dat ze beschrijven maar heel kort, bijvoorbeeld een halve bladzijde.

Titelverklaring
"De bekoring" is een ouderwetse benaming voor de verleiding. In de Rooms-katholieke versie van het Onze Vader luidt het: "… en leidt ons niet in bekoring." (Breng ons niet in verleiding) Marianne Klein laat zich wel leiden door de bekoring (vreest ze niet toevalligerwijze dat ze de kapelaan tegen het lijf loopt, wanneer ze haar huis verlaat (blz. 35). Ze laat zich wel verleiden tot het verlaten van haar gezin. Ze gaat naar haar minnaar Arie, maar na een aanvankelijk gelukkig lijkende seksuele bekoring, merkt ze dat hij haar toch niet langer kan bekoren (andere uitleg van het woord). Ze gaat uiteindelijk daarom terug naar huis.

Tijd en decor
Hierboven werd reeds gesteld dat er twee tijdlagen in de roman zijn te zien. De eerste tijdlaag is die van de dagen waarop de moeder van Andreas Klein overleden is tot aan haar crematie..
Die zijn gemakkelijk te herleiden, omdat in het wereldnieuws op dat moment de gijzelingsactie van de schoolkinderen in Beslan speelt (begin september 2004).

De andere tijdlaag is de dag waarop de moeder van Andreas op zijn verjaardag in juli 1960 haar koffers pakt om bij haar man en kinderen weg te gaan. Op de achtergrond van de wereldgeschiedenis speelt dan het afzetten van de Kongolese president Loemoemba. Dat moet bij nazoeken via Google 16 juli 1960 geweest zijn. De radio meldde het overlijden van nazi-generaal Albert Kesselring. In Kongo werd de eerste leider van het pas onafhankelijk geworden land, Loemoemba, gearresteerd en mishandeld.

Het decor van deze tijdlaag is Amsterdam.

Thematiek
Het staat natuurlijk buiten kijf dat de thematiek van de roman de moeder-zoonverhouding is. Als de moeder gestorven is (vrij onverwacht, maar op hoge leeftijd) gaan de gedachten van Andreas terug naar de dag waarop ze in zekere zin ook voor hem stierf. Nota bene op zijn 13e (?) verjaardag komt ze afscheid van hem nemen en hij hoort van zijn oudere zusje Brunhilde dat zijn moeder nooit meer terugkeert. Haar huwelijk was zo slecht (haar man Joachim mishandelde en kleineerde haar, ook op seksueel gebied) dat Marianne een andere toekomst met haar minnaar, de monteur Arie, verkoos boven een slavenleven in een huwelijk van de zestiger jaren. Ze waren getrouwd op de 10e mei 1940, wat op zich natuurlijk een slecht voorteken was (trouwen met een Duitser op het moment dat de Duitsers Nederland binnenvallen).

Maar ook met de nieuwe partner duurt het geluk niet lang. Marianne gaat dan nog op zoek naar een entertainer die haar in het theater had aangesproken, maar nadat ook hij zijn seksuele lusten heeft botgevierd, gaat ze ten einde raad naar huis. Toch blijft Andreas blijkbaar al die jaren van zijn moeder houden, in tegenstelling tot zijn broer die met de bijnaam Etter door het leven gaat en alles eraan doet om die bijnaam te verdienen. Hij praat respectloos over zijn overleden moeder in termen van "we gaan dat ouwe lijk maar in de fik steken".

Naast de moeder-zoonverhouding is er sparake van een thema als "desillusie", want de moeder van Andreas keert gedesillusioneerd van haar reis naar het geluk terug. Alle mannen lijken haar op dezelfde manier te behandelen en ze zal zich moeten schikken naar de wetten van die tijd, toen vrouwen eigenlijk alleen nog maar goed waren voor het huishouden en het krijgen van kinderen. In de roman probeert Münstermann via zijn alter ego Andreas Klein (die is immers in al zijn romans de protagonist en een afsplitsing van de auteur) zijn gevoelens van zich af te schrijven. De dag van de dood is daarvoor een unieke gelegenheid, omdat hij die als verteller vergelijkt met de dag waarop zijn moeder voor de eerste keer symbolisch stierf, nl. dat ze hem in de steek liet, nota bene op zijn verjaardag.

Samenvatting van de inhoud
De roman bestaat uit vijf hoofdstukken:
I Laatste kleinigheid (blz. 7-37)
II De dag valt uit de hemel (blz. 41-97)
III Een bed voor Sneeuwwitje (blz. 101-136)
IV Het Dolen (blz. 139-161)
V Halte Samarra (blz. 165-205)
Drie van de vijf hoofdstukken beginnen met een motto.

I Laatste kleinigheid
Andreas Klein komt met zijn zoontje van de bakker en hij hoort van zijn vrouw dat zijn moeder plotseling is overleden. Het komt hard aan en ze gaan na een snelle zwijgzame maaltijd op weg naar het ouderlijk huis. Alle kinderen zijn er en ze krijgen uitleg over de plotselinge dood van hun moeder van de Fransman Alain die de laatste jaren met hun moeder samenwoonde. Ze drinken wat en halen andere herinneringen op van plotseling aangekondigde sterfgevallen. Als ze weer in de auto terug zitten, moet Andreas denken aan de hoofdpersoon van zijn roman die hij aan het schrijven is. Deze architect Van Epen heeft hij al bijna laten overlijden, maar hij is van mening dat hij hem weer tot leven moet roepen. In Rusland wordt de school in Beslan gegijzeld en dat betekentent dat het de eerste dagen van september 2004 zijn.

De tweede lijn in dit eerste hoofdstuk is de dag waarop Andreas jarig was in juli 1960. Terwijl hij hoopte op een cadeautje, kwam zijn moeder in zijn kamer. Ze had een koffer bij zich en ze kwam afscheid nemen, want ze ging het gezin verlaten. De kinderen beseften het allemaal nauwelijks. Er waren zeven kinderen in het gezin Klein en de moeder voelde zich een sloof van haar gezin. Aangezien ze in de nacht ervoor door haar man mishandeld is, neemt ze zich voor de volgende dag te vertrekken. Stap voor stap wordt elke trede beschreven die de vrouw zich verwijdert van haar gezin. Buiten wordt ze opgepikt door de verteller Van Epen, de architect van de woning die ze in Amsterdam hebben bewoond. Hij legt aan de lezer uit wat hem bezield heeft de woningen waarin Marianne woont te bouwen. Hij vraagt zich af waar de vrouw naar toe gaat: waarschijnlijk naar de Bijenkorf om inkopen te doen.

II De dag valt uit de hemel
Motto: Er zijn twee soorten waarheden: de ene wijst de weg, de andere verwarmt het hart (Raymond Chandler)

Marianne Klein loopt naar de halte van tramlijn 24, waar ze later plaatsneemt in de gearriveerde tram. Tegelijkertijd valt een motorrijder met zijn motor en is er nogal wat opwinding op straat. In de tram denkt ze aan haar relatie met haar man Joachim die slechts is. Ook vindt ze haar leven in die zestiger jaren gewoon te saai: het huishouden kent weinig uitdaging. Ze herinnert zich een ruzie met Joachim over een door haar gekocht leren jasje van de huishoudcenten. Ze wil ontsnappen aan dat saaie leven.
Minutieus beschrijft ze alles vanuit de tram wat ze ziet: de mensen, de winkels. Ze denkt terug aan haar huwelijks sinds het op 10 mei 1940 werd gesloten. Vooral de manier waarop haar man haar in bed bejegent, vindt ze verschrikkelijk. Ze denkt aan haar eerste ontmoeting met haar minnaar Arie, die heel wat liefdevoller tegen haar is. Omdat haar huwelijk zo slecht was, zag ze het op een bepaald moment niet meer zitten en wou ze zelfmoord plegen, maar op het ogenblik dat ze haar hoofd in de oven wilde steken, kwam haar dochter Brunhilde binnen. Ze moest een smoes voor het meisje verzinnen. Op een bepaalde plek moet ze overstappen op lijn 7.

Ook in het perspectief van de architect wordt weer een gedeelte verteld (hij wil de vrouw weer terughalen, maar hij schrikt als ze lijn 7 pikt, want die gaat niet naar de Dam en De Bijenkorf.)

Ook vanuit Andreas wordt een aantal episodes beschreven. Hij kan maar niet begrijpen dat z’n moeder er vandoor gegaan is. De kinderen vragen het meeste aan de oudere Brunhilde. Die geeft op een moment aan dat moeder in zekere zin dood is, want ze zal niet terugkomen.

Intussen is Andreas in 2004 weer naar het huis waar zijn moeder opgebaard ligt, teruggegaan. Alle kinderen zijn er weer en er moet een beslissing genomen worden wat ze met het lijk zullen doen. De begrafenisondernemer dringt er op aan nu eindelijk te besluiten, anders kan hij niet verder regelen. Intussen worden de ontwikkelingen in Beslan ook nauwkeurig op de televisie gevolgd. De meest opstandige zoon is "Etter" Hij praat ook in beledigende termen over zijn moeder ("het oude lijk") en hij durft de realiteit van vroeger nauwelijks onder ogen te zien. Marianne had nooit mogen besluiten bij de kinderen weg te gaan. Ze verdient in zijn ogen geen mooie begrafenis. Andreas moet van de andere kinderen een grafrede bedenken: hij is de schrijver in de familie.

III Een bed voor Sneeuwwitje
Motto: "O Awater, ik weet waarvan gij peinst". (Nijhoff)

Opnieuw zijn dezelfde twee tijdlagen en dezelfde vertellers te zien in dit derde hoofdstuk.

Marianne Klein zit in lijn 7 en beschrijft nog steeds de zaken die ze buiten aan haar voorbij ziet trekken.
Van Epen heeft plaats genomen in de tram om haar te volgen. In de buitenlandse politiek speelt de kwestie Belgisch Kongo met de afgezette president Loemoemba. Deze zwarte dictator wordt ook in de tram gezet, wat eigenlijk een feitelijke onmogelijkheid is, en een surrealistisch trekje in deze roman is. Ze denkt in de tram ook terug aan de angstige oorlogsdagen toen de Amerikaanse bommenwerpers hun lading over de stad Dortmund afwierpen en zij zelf aan het geloof in God begon te twijfelen.

Andreas moet zijn verjaardag met zijn vriendjes vieren, maar zijn moeder is er niet. Brunhilde heeft voor een kleine taart gezorgd, maar zijn vriendjes vragen natuurlijk wel waar zijn moeder is en Andreas kan daarop geen antwoord geven. Dat is wel beschamend. Een ander probleem is de schuldeiser die deze dag aan de deur komt. Zijn moeder heeft grote schulden openstaan bij de kruidenier die wel steeds goederen geleverd heeft. De kinderen wimpelen hem af, maar hij belooft terug te keren als vader weer thuis is.

Andreas vraagt aan Brunhilde of zijn moeder soms bij tante Door is, een vriendin van zijn moeder. Zij weet het niet, maar Andreas maakt wel de reis naar haar toe. Maar ook tante Door weet niet waar ze is en hij kan niet bij haar blijven. De titel van dit hoofdstuk ontleent Andreas aan de film van Walt Disney die hij met zijn moeder heeft gezien en de moeilijkheid van één van de tekenaars om een bed voor Sneeuwwitje te construeren. Als zijn vader van zijn werk thuis komt, krijgt hij een brief van zijn vrouw overhandigd door Brunhilde.

In september 2004 lijkt de belegering van de school in Beslan een einde te nemen met alle verschrikkelijke gevolgen van dien. De familieleden kijken op televisie toe hoe een en ander in zijn werk gaat. Ze maken ook een wandeling door hun oude buurt en vragen zich nog steeds af wat het moet worden cremeren of begraven. Of in de bewoordingen van broer Etter: "Gaan we dat ouwe lijk nou in de fik steken." Andreas' vrouw vraagt zich af of hij die brief ooit gelezen heeft. "Nee", zegt Andreas, hij weet niet wat erin heeft gestaan, hoewel hij hem veertig jaar na dato in zijn bezit had gekregen. Ook de anderen vragen zich af wat hun moeder bezielde: heeft ze een ogenblik in de tram gedacht om terug te keren? En ze spreken over tante Cora die op hen moest passen, maar die ze als kinderen niet wilden accepteren.

IV Het dolen
Marianne is bijna aan het einde van haar rit. Ze passeert de dierentuin Artis en stapt uit om zich naar de garage van haar minnaar, de automonteur Arie, te begeven. Die is verrast haar te zien en neemt haar mee naar zijn huis. Het leidt allemaal tot een geweldige seksuele uitspatting. Daarvoor, weet Marianne, heeft ze haar kinderen verlaten. Brunhilde vertelt aan Andreas dat zijn moeder bij een garage hoort en dan gaat hij een keer kijken, maar hij wordt door Arie min of meer weg gekeken. Die wil zeker niets met de kinderen van Marianne te maken hebben.

In het heden horen de kinderen Klein van deze situatie. Hebben ze het verhaal van Andreas gehoord, heeft hij hen stukken tekst uit zijn roman laten lezen? Maar de discussie barst los of die escapade van hun moeder het allemaal wel waard was. Etter is het meest uitgesproken in zijn mening: "Dat ik uit dat kutwijf geboren ben." (blz. 160) De dochters vinden het eigenlijk een moedige daad om voor de liefde van je leven je gezin te verlaten.

V Halte Samarra (Samarra is een plaats in Irak? )
Motto: "Het verschafte me een heel diep inzicht hoe eenzaam en geil de mensheid is." (John Cheever.)

In Beslan vallen de doden na de bestorming van de school en de televisie moet van sommige kinderen Klein uit. Die kunnen het leed van de gijzeling niet langer aanzien. Het vormt natuurlijk een mooi contrast met de geschiedenis van de Kleintjes.

Arie en Marianne bekijken het theateraanbod en ze gaan op een avond naar een mentalist (een vroege voorloper van het medium Char, lijkt het wel). Arie wordt een beetje voor gek gezet en Marianne mag op het toneel komen en wat trucs uithalen. Ze raakt onder de indruk van de charmante Cospetto. Die laat hun na afloop niet los en probeert Marianne onder de ogen van
Arie te versieren. Die is daar minder van gecharmeerd. Het gaat dan ook niet lang meer goed tussen de beide geliefden. Arie stuurt korte tijd daarna Marianne de straat op omdat hij zogezegd het huis van zijn vriend bewoonde, die nu weer terugkeert. Ten einde raad (ze staat op straat!) gaat Marianne op zoek naar Cospetto. Ze weet hem te vinden in Den Bosch, kan na afloop van een voorstelling mee naar zijn hotelkamer, krijgt waarop ze had gehoopt (seksuele bevrediging) maar de volgende dag is de vogel gevlogen. De desillusie wordt steeds groter voor Marianne. Ze besluit naar Amsterdam terug te gaan. Onder het toeziend oog van de architect Van Epen keert ze terug naar haar woonbuurt. Ze is bang dat er iemand thuis is, hoe moet ze haar kinderen onder ogen komen.

Intussen is wel het besluit gevallen om moeder te cremeren en in dit laatste hoofdstuk wordt ze naar het crematorium gebracht. Andreas moet de grafrede uitspreken: hij is immers schrijver.
Hij beschrijft haar laatste stervensuur. Op het laatste moment als je afscheid neemt, moet je altijd nog kleine dingen regelen. Dat gegeven verwijst impliciet naar het eerste hoofdstuk "Laatste kleinigheid". Ze geeft dan ook aan wat ze had gedacht, toen ze haar gezin in de steek liet. Ze wist dat het leven tot op dat moment haar niet het geluk bracht en ze was daarom opgestapt. Ze stelt zich ook voor hoe haar kinderen over haar praten als ze overleden is. Cremeren of begraven? Waarom heeft ze ons destijds in de steek gelaten? Ze beschrijft wat de kinderen met haar doen, het eerste halfuur na haar dood. Ze spreekt nog over haar bijzondere band met Andreas, die haar nooit belde omdat ze hem in de steek gelaten had, maar met wie ze van de kinderen het het beste kon vinden. Ze geeft hem advies over hoe hij moet schrijven: vooral niet over die ellendige oorlog, daar wil ze niets meer van weten. Het bombardement in Dortmund heeft haar traumatisch gemaakt.
Andreas leest zijn grafrede voor, de muziek speelt. Ze werpen nog een laatste blik in de kist. Zelfs Etter begint ineens te janken. Bij het voor de laatste keer bekijken van hun nog steeds mooie moeder, begrijpen ze haar vlucht.
Andreas moet op dat moment ineens denken aan een vriendinnetje met wie hij eens naar Israël was gereisd. Midden in de woestijn was hij haar kwijtgeraakt en in paniek geraakt. Ineens was ze er weer: "Grapje". Symbolisch: is het niet het lot van zijn leven steeds door een vrouw in de steek gelaten te worden?. Hoopt hij er op dat zijn moeder nu ook ineens weer terugkeert?

In de allerlaatste alinea keert Marianne terug naar huis. (we zijn weer in 1960) Andreas staat in de keuken en ziet zijn moeder terugkeren. "Mijn kind", stamelt ze. Zijn vader had kort daarop bij Neckermann een tv en een grammofoon gekocht. Dat was haar grootste wens geweest.

Recensies
In de grote landelijke dagbladen verschenen kort na de uitgave recensies.
Op 13 januari 2006 bespreekt Elsbeth Etty de roman van Münstermann. Ze beschrijft uitvoerig de inhoud en de betekenis van het boek en is erg enthousiast over de kwaliteit.
"Marianne wordt bekoord door de gedachte aan een ander leven, een swingend bestaan dat er voor haar echter niet in zit. Misschien voor haar kinderen. Aan haar sterfbed zijn ze haar weliswaar niet dankbaar voor wat ze die dag in 1960 deed, maar er is wel begrip. En de lezer brengt dat begrip ook op, zowel voor de moeder als voor de kinderen, de generatie die een paar jaar na haar vlucht massaal zou uitbreken.
Nooit eerder, of het moest in de film "De Noorderlingen" van Alex van Warmerdam zijn, heb ik het voorspel tot de bevrijdende jaren zestig in Nederland sterker verbeeld gezien dan in deze zedenschets van Hans Münstermann over een tijd waarin volgens sommigen 'geluk nog heel gewoon was'. Het is maar wat je onder geluk verstaat."


Peter de Boer op 14 januari 2006 in Trouw vindt de roman in het algemeen te geconstrueerd, wat bij hem irritatie opwekt:
"Dit alles maakt dit boek tegelijk aantrekkelijk en irritant. Heel serieus en gevoelvol probeert Münstermann/Andreas moeders gedrag te begrijpen. En tegelijk zet hij Van Epen, maar ook bijvoorbeeld de in 1960 zeer in het nieuws staande Congolese premier Lumumba doodleuk bij moeder in de tram. Ernst en absurdisme gaan hand in hand en dat leest wel vlotjes maar doet veel af aan het tragische van moeders lot. André Gide (zijn naam valt in de roman één keer), een meester van het realistisch absurdisme, wordt hier als slecht begrepen voorganger iets te achteloos nagevolgd. En dat in een proza waar het romantechnische gejongleer veel te opzichtig doorheen steekt. Los van de al te cabareteske elementen (zeker ook in het melodramatische slot) bevat de roman wel degelijk mooie, ontroerende en diep gravende gedeeltes. Maar die komen in het drijfzand van overdreven absurdisme en onnodig narratief spierballenvertoon niet zo goed uit de verf als had gemoeten."

Over de schrijver
Hans Münstermann (1947) publiceerde de vervoerende romans "Het gelukkige jaar 1940", "Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf", "Certificaat van echtheid en de Hitlerkus", waarin Andreas Klein eveneens de hoofdrol speelt. Eerder was hij samen met Jacques Hendrikx als Jan Tetteroo de luis in de pels van de Nederlandse literatuur.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.