Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.

Erik of Het klein insectenboek

Godfried Bomans

1940

143

1 uit 5

6.9 / 10
5e klas vwo
  • Carlijn
  • Nederlands
  • 3539 woorden
  • 29709 keer
    91 deze maand
  • 4 maart 2003
Godfried Bomans
Erik of het klein insectenboek
Uitgeverij Het Spectrum
- Utrecht, 45e druk 1986 (1e druk: 1941)
tekeningen: Karel Thole
171 pagina’s

‘Noi tutti siamo asiliati, viventi entro la cornici di uno strano quadro. Chi sa questo, viva da grande. Gli altri sono insetti.’
‘Wij zijn alle ballingen, levend binnen de lijsten van een vreemd schilderij. Wie dit weet, leeft groot. De overige zijn insecten.’

LEONARDO DA VINCI (in een brief aan Gabriele Piccolomini)

Inhoudsweergave

Erik Pinksterblom ligt in zijn bed, maar hij probeert niet in slaap te vallen, omdat hij het gevoel heeft dat er iets bijzonders gaat gebeuren. In gedachten herhaalt hij wat hij die middag geleerd heeft uit ‘Solms’ Beknopte Natuurlijke Historie’, want de volgende dag heeft hij een proefwerk over de insecten. Hij bekijkt het schilderij ‘Wollewei’, waarop een weiland met schapen, een herder en allerlei mogelijke insecten staan afgebeeld. Erik bedenkt dat het fijn zou zijn om in de wereld van het schilderij te leven; er zijn immers geen verplichtingen. Opeens ziet hij de schilderijen van grootvader en grootmoeder Pinksterblom bewegen. Zijn grootmoeder stapt uit haar lijst en vertelt hem dat alle schilderijen leven, ook ‘Wollewei’. Dan wordt Erik plotseling steeds kleiner, zo klein dat hij in het schilderij kan stappen. Zo komt hij terecht in de wereld van het schilderij, het land Wollewei.

Hier ontmoet Erik allerlei insecten. Als eerste komt hij in contact met de wespenfamilie Van Vliesvleugel, een adellijke familie die benadrukt dat het hebben van adellijk bloed belangrijker is dan het hebben van geld (hoewel dat natuurlijk wel handig is). Na een gezamenlijke maaltijd vliegt Erik per hommel naar een hotel, waar hij de nacht kan doorbrengen. De eigenaar van het hotel is een slak en het hotel zelf is het huis van een reuzenslak uit de ijstijd. Erik verbaast de hotelgasten door, zonder dat ze zich voorgesteld hebben, te weten wie ze zijn. Ze zijn allemaal erg benieuwd naar de inhoud van ‘Solms’ Beknopte Natuurlijke Historie’: doen ze het wel zoals het in het boekje staat? Maar al snel zijn de insecten weer slechts geïnteresseerd in zichzelf. Dan ontmoet Erik een vlinder, die erg aardig blijkt te zijn. Hij neemt de vlinder in vertrouwen en deze belooft dat hij Erik zal helpen bij het terugvinden van de lijst van het schilderij. Samen hebben ze een erg plezierige tijd, maar de lijst vinden ze niet. De vlinder verlaat Erik als hij verliefd wordt op een vlindermeisje en kort daarna met haar trouwt. Erik is weer alleen. Hij heeft honger, en hoe havenlozer hij eruit ziet, hoe brutaler de insecten zich tegen hem gedragen. Dan ontmoet hij een doodgraver, die hem uitnodigt voor de maaltijd.
De familie wordt echter opgegeten door een mol en Erik vervolgt zijn zwerftocht weer. Hij ontmoet een regenworm, die zo kronkelt dat hij een onontwarbare knoop in zichzelf legt, en komt in contact met een grote mierenkolonie. Hier wordt hij gastvrij onthaald; de mieren hebben al over hem gehoord en zijn benieuwd naar zijn kennis uit Solms. Erik blijft een tijdje bij de mieren, maar tijdens een feestelijke maaltijd wordt het hem teveel. Hij begint te huilen van heimwee. De mieren beloven hem dan te helpen met het vinden van de lijst. Met z’n allen trekken ze er de volgende dag op uit. Echter, onderweg komen ze een ander mierenleger tegen en er ontstaat een veldslag. Tijdens het gevecht krijgt Erik een straal mierenzuur in zijn ogen…en als hij zijn ogen weer opendoet, zit hij rechtop in zijn bed. Het lijkt een droom te zijn geweest: de schilderijen houden zich roerloos, geen van zijn huisgenoten heeft hem gemist en het proefwerk over insecten heeft hij diezelfde dag. Dit proefwerk maakt hij echter erg slechts, omdat hij dingen opschrijft die niet in Solms staan. Erik hoopt dat hij ooit nog eens terug mag gaan naar de wereld van ‘Wollewei’, maar het wonder gebeurt nooit weer.

De auteur

Godfried Jan Arnold Bomans werd op 2 maart 1913 geboren in Den Haag, als vierde telg van een streng katholiek gezin. Na de basisschool doorliep Bomans de gymnasiumafdeling van een lyceum in Haarlem. Hier begon hij met het schrijven van artikelen voor de schoolkrant; ook schreef hij in de vijfde klas een toneelstuk met rollen voor de hele klas. Bomans' echte literaire debuut waren de poëzie en proza die hij schreef voor het literaire tijdschrift 'Het venster'.
Na de middelbare school ging hij rechten studeren in Amsterdam. Dit werd echter geen succes. Schrijven werd steeds belangrijker voor hem en in 1936 verscheen zijn eerste boek, 'Pieter Bas', dat meteen een groot succes werd. Na zijn verblijf in Amsterdam huurde hij een kamer in Nijmegen en ging daar psychologie studeren. Daar schreef hij zijn roman 'Erik of het klein insectenboek'. Bomans overleed op 22 december 1971, op 58-jarige leeftijd, aan een hartaanval. Hij had toen 62 boektitels op zijn naam staan.

Titelverklaring

Zoals vaak het geval is, kun je de titel van een boek op meerdere manieren uitleggen. Ik heb het als volgt opgevat: "Erik" is de naam van de hoofdpersoon in het verhaal. "Of het klein insectenboek", de ondertitel, kan op twee manieren opgevat worden. Hiermee kan de schrijver het naslagwerkje bedoelen, 'Solms' Beknopte Natuurlijke Historie' genaamd, dat Erik voor school moet leren en dat hij later toepast op de insecten die hij ontmoet.
Een andere verklaring zou kunnen zijn of het de insecten nu gaat om Erik zelf, of om de kennis die hij heeft (de kennis van Solms’). Misschien heeft Bomans hiermee willen verwijzen naar de echte wereld; gaat het de mensen om je heen om jou, of om de kennis die je hebt en de dingen die je bezit?
“‘U behoeft zich niet aan mij voor te stellen,’ hernam Erik, ‘want ik ken u zeer goed uit Solms’ Beknopte Natuurlijke Historie. U bent een kever, u een mug, u een sprinkhaan…’ En
hij noemde zonder aarzelen bijna al hun namen. (…) ‘U behoort in elk geval tot een intelligent diersoort,’ besloot de bij, ‘als u naast mij zoudt willen plaatsnemen, zult u zich stellig op uw gemak voelen.’” Erik of het klein insectenboek, pag. 70 en 71
Echter, de voor mijn gevoel meest logische verklaring is dat 'of het klein insectenboek' erop duidt dat de schrijver zijn boek in plaats van 'Erik' ook de titel 'Het klein insectenboek' had kunnen meegeven, vanwege de talloze insectensoorten die in het boek besproken worden.
"De kleine Erik lag, juist op het ogenblik dat dit boekje begint, in het oude bed van grootmoeder Pinksterblom met den troonhemel en de zijden kwasten, en keek over den rand van het blanke laken de schemerige kamer in. (…) Onder zijn hoofdkussen lag een boekje, 'Solms' Beknopte Natuurlijke Historie' geheten, en Erik moest daar voor morgen alle insecten uit kennen." Erik of het klein insectenboek, pag. 19

Karakterbeschrijving

De hoofdpersoon is het jongetje Erik Pinksterblom. Hij is negen jaar en hij zit in de derde klas van de basisschool. Hij kan wel goed leren, maar hij is (tot zijn spijt) niet de beste van de klas. Hij droomt over het schilderij op zijn kamer en hij dan ook heel blij als hij de kans krijgt een bezoekje te brengen aan de wereld van 'Wollewei'. Hij gedraagt zich beleefd en goed opgevoed naar de insecten toe. Hij is een beetje naïef, hij heeft niet meteen de slechte eigenschappen van de insecten door en hij benadert de insecten erg onbevangen.
Het karakter van Erik krijgt steeds meer kenmerken en er worden nieuwe dingen aan toegevoegd. Zo voelt hij zich in het begin slimmer dan de insecten, omdat hij ‘Solms’ insectenboek’ grotendeels uit zijn hoofd weet en daarom veel kan vertellen over de kenmerken en het gedrag van bepaalde insecten. In de loop van het verhaal komt hij er echter achter dat de insecten zónder dit boekje alles al goed doen. (Hij vergeet hierbij dat meneer Solms zijn boekje heeft geschreven na bestudering van de insecten en dat het dus geen handleiding is voor insecten.) Hij stopt dan met het geven van adviezen, maar zegt slechts dat ze het zo moeten doen als altijd.
“Overal werd zijn woord met eerbied aangehoord, doch Erik bepaalde zich er toe te verklaren, dat het goed ging zoals het ging en dat men maar nijver moest doorwerken. ‘Ik houd mij erbuiten,’ antwoordde hij, telkens als men hem iets vroeg, ‘doe maar. Ik geloof, dat het heel goed gaat.’ En dan knikte hij eens bemoedigend en wandelde verder.”
Erik of het klein insectenboek, pag. 149

De insecten uit het land (schilderij) ‘Wollewei’ zijn de belangrijkste bijpersonen. De insecten worden als mensen, met menselijke eigenschappen dus, beschreven. Elk van de insecten beeldt een (meestal negatieve) menselijke karaktertrek uit. Zo voelt de wespenfamilie, die van adel is, zich ver verheven boven de bijen (het ‘arbeidersvolk’).
“Mevrouw van Vliesvleugel rees omhoog van haar stoel toen zij naderden. Zij neeg toen Erik aan haar werd voorgesteld. ‘Wij zijn altijd blij een heer te ontvangen, sprak zij, op een toon alsof zijn hiermee een terechtwijzing bedoelde. Erik maakte een buiging en daarna gingen zij allen zitten. ‘Een heer is een heer,’ verklaarde mevrouw van Vliesvleugel, ‘men is het of men is het niet.’ (…)
‘…echte oude adel takelt zich niet zo toe. Zij weet dat het daar niet in zit, maar in het bloed. Heeft men het bloed eenmaal dan is de rest bijzaak.’ ‘Maar heeft men het niet,’ voegde haar man er waarschuwend aan toe, ‘dan heeft men het ook niet.’ Erik of het klein insectenboek, pag.39 en 41

En bekijkt de doodgraver alles slechts vanuit zijn eigen standpunt.
“‘Maar ik ga niet dood!’ riep Erik. ‘Ho, ho!’ sprak de doodgraver glimlachend, ‘zegt u dat niet al te vlug. Het geval kan nog een heel gunstige wending nemen. Hoe dikwijls hebben wij het niet meegemaakt dat iemand nog even bijkwam, ja, zelfs nog wat rondliep, en dan voor altijd ging liggen. –Het kan nog best goed aflopen. Ik zeg altijd maar: zolang er leven is, is er hoop.’
‘U draait de dingen om,’ antwoordde Erik, ‘ik ken die spreuk ook wel, zij staat op het melkbekertje van Henkje Sjollema, en betekent juist, dat iemand altijd nog gezond kan worden, hoe slecht het er ook met hem voorstaat.’ ‘Een merkwaardige opvatting,’ sprak de doodgraver hoofdschuddend…” Erik of het klein insectenboek, pag. 115

Over het algemeen zijn de insecten allen nogal met zichzelf ingenomen en beschouwen ze hun eigen soort als superieur. De insecten zijn allen flat characters: hun karakters maken in de loop van het verhaal geen ontwikkeling door, slechts die ene karaktertrek wordt belicht en hun houding tegenover andere insectensoorten en tegenover de wereld verandert niet.

Plaats en tijd van handeling

Het verhaal begint in Eriks slaapkamer, waar het schilderij 'Wollewei' hangt. In zijn droom komt Erik terecht in de wereld van het schilderij, waar hij tussen de insecten leeft. Erik is zelf ook veel kleiner geworden, zodat hij bijvoorbeeld kan slapen in een slakkenhuis en op de rug van een vlinder kan zitten. Uiteindelijk komt Erik toch weer thuis, nadat hij mierenzuur in zijn ogen krijgt tijdens een veldslag.
"Erik ging rechtop in zijn bed zitten en keek ingespannen naar zijn geliefde schilderij. En werkelijk, de schapen hieven hun koppen op, de herder wuifde hem toe en de witte wolken dreven door de blauwe lucht van de ene lijst naar de andere. (...) tegelijk zag Erik dat zijn kussen tot een geweldige omvang was opgezwollen en als een besneeuwde berg voor hem lag. Doch bang was hij niet. Hij begreep dat hij klein, verschrikkelijk klein was geworden om in het land Wollewei te komen (..) 'Nu den reuzenzwaai uit de gymnastiek-les,' prevelde Erik. Hij klemde zijn tanden opeen, pakte de onderlijst met beide handen beet, en…tjoep! in een boogje vloog hij over de lijst en viel in het frisse, zachte gras." Erik of het klein insectenboek, pag. 31 en 32
"Hij stond stil om Erik de gelegenheid te geven het hotel goed te bekijken. Bij het licht van een lantarentje dat buiten hing doemden de omtrekken van een reusachtig slakkenhuis op. Het was alleraardigst.” Erik of het klein insectenboek, pag. 65

Het verhaal speelt zich in werkelijkheid af in één nacht, gedurende Eriks slaap. In zijn droom beleeft Erik echter een periode van enkele weken. Hij is dan ook erg verbaasd als hij merkt dat er niets is veranderd, dat niemand hem thuis heeft gemist en dat hij nog dezelfde dag het proefwerk over Solms’ heeft.
"'Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis,' snikte Erik, 'ik hoor hier helemaal niet! Ik loop nu al drie weken in mijn pyjama rond en kan de lijst van het schilderij maar niet vinden! Wat zullen ze thuis wel zeggen?'" Erik of het klein insectenboek, pag. 160
"Het was alsof de wereld wijder en wijder werd, en toen hij het waagde tersluiks een blik om zich heen te werpen, zat hij rechtop in bed, in zijn eigen kamer, met beide vuisten zijn ogen uitwrijvend. De zon stak door het reetje van de gordijnen in zijn gezicht, en zo fel was dit licht, dat hij zijn hoofd op het kussen moest leggen. Erik was oneindig verbaasd. (...) Hij glipte zijn bed uit, en het volgende ogenblik hing hij over het kozijn naar buiten te kijken. Heerlijk fris zag alles er uit in den vroegen morgen (..)" Erik of het klein insectenboek, pag. 167

Thema, motieven en motto

Het thema van het verhaal is de bekrompenheid en het materialisme van de mensen. Dit onderwerp wordt op luchtige, humoristische wijze belachelijk gemaakt. De insectenwereld wordt vergeleken met de mensenwereld. Duidelijk wordt echter gesteld dat de zo ideaal lijkende insectenwereld toch ook zijn beperkingen heeft en dat men zich niet teveel moet bekommeren om materialistische dingen (in het boek gesymboliseerd door honing).
"Het eerste wat de kleine Erik deed in het land Wollewei was – huilen. Ja, dat is nu wel een beetje vervelend om te vertellen; maar deden wij soms anders toen wij voor het eerst gezet werden in het schilderij waarin we nu al zolang leven?" Erik of het klein insectenboek, pag. 33
“Vaart allen wel, houdt altijd de lijst in het oog, - en bekommert u niet te zeer om honing.”
Erik of het klein insectenboek, pag. 171

In het boek komen een aantal motieven voor, die direct of indirect te maken hebben met het thema:
 Dromen – Het avontuur in het land Wollewei is voor Erik een droom die uitkomt. Uiteindelijk blijkt het hele avontuur een droom te zijn, wat Erik erg jammer vindt.
“‘Wat moet het toch heerlijk wezen,’ peinsde hij hardop (want hij was nog steeds bang in slaap te vallen),‘wat moet het toch heerlijk wezen om daar te leven! Nooit geen proefwerken meer over insecten, want iedereen is daar zelf insect; altijd honing in overvloed, je speelt maar wat in het groene gras en de dag is voorbij. ‘s Avonds lang opblijven, niemand die er wat van zegt. En dan slapen in die rode papaver daar links, of in het slakkenhuis, als daar plaats is. ’s Ochtends sta je op, je wast je handen in een dauwdruppel, en klaar ben je. En dan loop je wat rond en kijkt naar het leggen van de eieren en het uitkomen der larfjes, want je bent de enige die er wat van weet. O, wat zou ik…’” Erik of het klein insectenboek, pag. 21 en 22
 Hebzucht – De insecten zijn zeer gesteld op materialistische dingen (honing), ze zien het verzamelen van honing als zeer belangrijk.
“Als men maar in het oog hield, dat het ten slotte honing was, waar men op uit moest komen, en honing alleen.” Erik of het klein insectenboek, pag. 103
 Superioriteit – De insecten praten alleen maar over zichzelf en vinden zichzelf allemaal ontzettend belangrijk.
“‘Er zijn toch heel aardige beesten onder,’ meende Erik, een vlinder na-ogend, ‘leuke kleuren…’ ‘Die verraden hen juist,’ onderbrak mevrouw, ‘echte oude adel takelt zich niet zo toe. Zij weet dat het daar niet in zit, maar in het bloed. Heeft men het bloed eenmaal dan is de rest bijzaak.’ Erik of het klein insectenboek, pag. 41
 Beperktheid van het leven – De insectenwereld mag dan wel ideaal lijken, maar het is (volgens de schrijver) belangrijk om steeds de 'lijst', symbool voor de beperktheid van de wereld, in het oog te houden.

Het motto van het boek wordt genoemd aan het begin van het boek, voor het eigenlijke verhaal begint:
“Noi tutti siamo esiliati, viventi entro le cornici di uno strano quadro. Chi sa questo, vive da grande. Gli altri sono insetti.”
“Wij zijn alle bannelingen, levend binnen de lijsten van een vreemd schilderij. Wie dit weet, leeft groot. De overige zijn insecten.” Leonardo da Vinci (in een brief aan Gabriele Piccolomini)

Dit citaat (Erik of het klein insectenboek, pag. 15) sluit nauw aan bij het thema van het boek. Het wil zeggen: wie de beperktheid van het aards bestaan kent, leeft groot (in het boek is dit Erik); de anderen zijn bekrompen, materialistisch (als de insecten in het boek).

Genre

Erik of het klein insectenboek is een humoristische roman, een sprookje. Het boek is volledig fictief en de personages worden op een niet-realistische wijze geschetst (zo kunnen alle insecten praten); het verhaal is op humoristische toon geschreven. Ook is het een satire: op een humoristische wijze worden maatschappelijke problemen bekritiseerd. De satirische toon is minder duidelijk te herkennen dan in bijvoorbeeld Van den vos Reinaerde, maar deze is wel degelijk aanwezig. Zo zie je bijvoorbeeld in de wespenfamilie het kritiek op de zogenaamde bovenlaag van de bevolking (de wespen voelen zich verheven boven de bijen, de arbeiders) en in de persoon van het doodgravertje worden egocentrische mensen terechtgewezen.
“‘Nu, luister,’ sprak Erik, rechtstaande, ‘het is een liedje dat juffrouw Schönberg ons geleerd heeft. (…) Het heet: De nijvere Bij.’ ‘De wat?’ vroeg de gastheer verschrikt. (…) ‘Meneer Pinksterblom,’ sprak mevrouw van Vliesvleugel na enige stilte, ‘ik geloof dat uw goede bedoelingen boven alle twijfel verheven zijn. Doch u heeft ons allen pijnlijk getroffen.’ (…) ‘U heb een loflied gezongen, meneer Pinksterblom, op dien tak van onze familie waarop ik reeds eerder zinspeelde.’ ‘De Liesheuveltjes?’ vroeg Erik verschrikt. ‘De Liesheuveltjes,’ knikte meneer van Vliesvleugel (…)” Erik of het klein insectenboek, pag. 50 en 51

Persoonlijke leeservaring

Vooral de humor in dit boek spreekt me heel erg aan. Door de originele en onverwachte invallen blijft het boek leuk om te lezen. Alleen al bij de voorwoorden lag ik helemaal dubbel; hoe kom je er op om bij elke druk een nieuw voorwoord te gaan schrijven?! In al zijn voorwoorden geeft Godfried Bomans commentaar op de kritiek dat op zijn boek is gegeven door enkele insectologen.
“De poten kloppen niet, aldus Pluimjes. (…) ‘En zo is het overal in dit boek. Al de daarin voorkomende beesten lopen op te veel of te weinig poten rond. In het belang der wetenschap meende ik hiervoor te moeten waarschuwen.’” Erik of het klein insectenboek, pag. 5
“De enkele trouwe vrienden die ik bezit zijn ijlings naar mij toegesneld en riepen: ‘Veranderen! Helemaal omwerken!’ Om hen te gerieven heb ik dan ook hier en daar een achterpoot geschrapt of een dekschildje bijgevoegd. Maar met plezier ging het niet; het aantal fouten is er overigens door vermeerderd.” Erik of het klein insectenboek, pag. 6
De humor van Godfried Bomans is ontzettend droog en gevat, iets wat me erg aanspreekt en voor mij zeker een reden om vaker boeken van hem te lezen.
Het hele verhaal was op zich vrij kinderachtig, maar dit stoorde me totaal niet, omdat je je wel de hele tijd afvroeg wat voor raar beest Erik nu weer tegen het lijf zou lopen. Ik vind het knap dat je een boek dat aan de ene kant vrij kinderachtig en voorspelbaar is, toch nog zo’n draai kunt geven dat er steeds dingen opduiken die de lezer toch net niet helemaal verwacht. Een goed voorbeeld hiervan vind ik het bezoek aan de wespen.
“‘Permitteert u mij dat ik voorga,’ zei de wesp met een nijging, en zij gingen naar binnen. Meneer van Vliesvleugel zette zijn angel in de paraplu-bak en hing zijn vleugels aan het daarvoor bestemde haakje. Enigszins bevreesd liep de kleine Erik achter den brede rug van zijn gastheer aan (…)” uit Erik of het klein insectenboek, pag. 38
Dit is één van de vele dingen die de insecten doen die je totaal niet verwacht. Verder vind ik dit wederom ontzettend grappig en denk ik dat het getuigt van een grote fantasie.
Ik denk dat voor mij het grote verschil tussen dit boek en de andere boeken die ik gelezen heb, ligt in de serieusheid van het onderwerp. Zeker aangezien ik de maatschappelijke samenleving uit die tijd niet ken, zit er voor mij aan dit boek weinig dat ik serieus kan nemen. Er komt geen onderwerp ter sprake waar ik nog dagen over na zal denken. Hierna zou je verwachten dat ik dit boek niet tot de literatuur reken; dit doe ik echter wel. Voor mij is een boek geen literatuur als de schrijver één of ander drama op papier weet te zetten waar de rillingen je van over de rug lopen. Voor mij is lezen steeds iets nieuws ontdekken, dus is een boek pas literatuur als een schrijver mij een nieuw perspectief van het lezen kan laten zien. Een boek is pas literatuur als een schrijver het schrijven tot een kunst maakt.
Dus ja! Bomans is literatuur. Waarom? Ik denk dat humor het beste perspectief is wat je kunt kiezen, om de wereld te bekijken.

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

3377

reacties

thanks hat net nodig vor school.
door l*l (reageren) op 19 juni 2008 om 14:57
weet je ook een motorisch moment in dit boek?
door ik (reageren) op 23 februari 2011 om 9:17
cool
door jadkkjljd (reageren) op 21 oktober 2017 om 12:19

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Hoge waardering

Dorine Juchzeker weten goedZeker Weten Goed
Gerrine 6e klas vwo7.2
Saskia van Beek 5e klas havo7.0
Carlijn 5e klas vwo6.9
Lars van Eesteren6e klas vwo7.0
Annemeijne de K.3e klas vwo8.4
Meer verslagen ›