Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Nederland in de 19e eeuw

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 2e klas havo/vwo | 2416 woorden
  • 24 januari 2005
  • 108 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 108 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Inhoud:

Hoofdvragen:
§1: Wat veranderde er in de 19e Eeuw met Nederland toen de Franse troepen
vertrokken waren en Willem I tot koning werd geroepen?
§2: Wat was het gevolg toen de grondwet veranderde in 1848?
§3: Wat deden de socialisten rond 1870 toen de industrialisatie op gang
kwam?
§4: Waarom vonden de Liberalen het niet goed als de kerk een te grote
invloed had op het onderwijs?
§5: Wat had het feminisme voor een invloed op de samenleving?

- Conclusie

§1: Wat veranderde er in de 19e Eeuw met Nederland toen de Franse troepen vertrokken waren en Willem I tot koning werd geroepen?
In 1813 bleven de troepen van Napoleon niet lang meer in Nederland. België behoorde toen ook bij het Koninkrijk der Nederlanden. Nederland was toen toe aan een nieuwe staatsinrichting: hier bedoelde Gijsbert Karel van Hogendorp –Degene die dit had gezegd- mee dat er geen buitenlandse heersers meer moesten komen, maar ook dat de republiek niet zo moest worden als in de jaren voor 1795. Gijsbert Karel van Hogendorp geloofde er in dat Nederland op krachtige wijze bestuurd zou worden. Maar de Belgen kwamen in opstand en maakten zich in 1839 onafhankelijk, dit kwam doordat de Europese landen een sterk land aan de noordgrens wouden, maar België was het niet eens met deze oplossing. Prins Willem van Oranje leefde tijdens de Franse bezetting in Engeland. Maar toen het bleek dat de troepen van Napoleon uit Nederland zouden vertrekken kwam Willem van Oranje in eind November, 1813 terug naar Nederland met een Engels oorlogsschip. Hij kwam onder luid gejuich aan bij de wal in Scheveningen, waar de mensen zongen: ‘Oranje boven’. Een paar maand later hadden een paar wijze mannen zich gericht op een nieuwe grondwet. Deze grondwet werd in Maart 1814 officieel goed gekeurd. Dit werd gedaan in een vergadering van zo’n 500 Nederlanders. Toen werd Willem van Oranje uitgeroepen tot Koning van Nederland. Hij twijfelde niet over zijn toekomst: ‘ik alleen beslis, in alles’ zei die. Willem I was een alleenheerser, maar toch werd er over gesproken dat Nederland een constitutionele monarchie was. Willem I benoemde de ministers en ontsloeg de ministers, en hij nam besluiten over de wetten. Er was ook een parlement, maar die hadden niet veel invloed op de besluiten van de koning en zijn ministers. Dit parlement bestond uit de 1e en de 2e kamer (de Staten-Generaal). De liberalen zagen de alleenheerschappij van Willem I als een soort stap terug in de tijd. Zij waren voor vrijheid en meningsuiting en geloofsvrijheid. Vrijheid en inspraak moesten worden vastgelegd in de grondwet.dan wist iedereen, ook de koning, waar ze zich aan moesten houden. Ook wilden de liberalen meer economische vrijheid. Zij vonden dat de handel en de industrie het beste zou groeien als dat niet zou gebeuren met lastige voorschriften en regeltjes. Ondernemers zouden dan de vrijheid krijgen om hun handel te produceren en dat weer te verhandelen. De regering bemoeide zich daar niet mee. Deze handelsvrijheid zou dus goed zijn voor de economie en ook voor de bevolking. Dan zou iedereen de kans krijgen om rijk te worden. Deze opvattingen over het bestuur worden liberalisme genoemd: zoveel mogelijk vrijheid voor de burgers.

§2: Wat was het gevolg toen de grondwet veranderde in 1848?

8 Jaar voordat de grondwet veranderde werd Willem I opgevolgd door zijn zoon. Willem II (2e koning van Nederland) kreeg ongeveer hetzelfde als zijn vader (Willem I): ze stonden allebei aan het hoofd van een staat en de kolonies, waren de aanvoerders van legers en vloten, en de hoogste bankier over geldzaken van het land. Ook Willem II had geen behoefte aan veranderingen net als zijn vader. Net zoals de meeste Kamerleden, waardoor de koning niet erg hoog aan de macht zou komen. De Kamerleden wouden niets hebben van de politieke vernieuwingen, tot 1848. in dit jaartal werden de koning en de Kamerleden tot andere gedachten gebracht. Toen was in Parijs het volk in opstand gekomen, de koning van Parijs was gevlucht doordat Parijs werd bedolven door bewapende mensen en de koning zich bedreigd voelde (waar sinds 1815 pas weer een koning geregeerd had), Frankrijk werd op dat moment een republiek en in andere steden van Europa braken revoluties uit. Dat kwam omdat er werd gestreden voor een democratische regering, en ook voor meer vrijheid. Willem II gaf de leider van de Liberalen: Thorbecke, de opdracht om snel met een nieuwe grondwet te komen. Dit deed hij omdat hij niet wilde dat al het revolutiegeweld naar Nederland zou toe komen. Wat er veranderde in 1848 doordat de grondwet veranderd was, was dat de koning erg veel macht verloor aan het parlement. Het parlement kreeg steeds meer macht. Dit kwam onder andere doordat de wetten pas geldig waren als het parlement ze had goedgekeurd. Ook moesten de ministers goedkeuring voor hun plannen vragen aan het parlement, dit noemen we de ministeriële verantwoordelijkheid (is dus de plicht van de ministers om aan het parlement uitleg te geven over hun regeringsdaden). De koning had steeds minder te zeggen; hij mocht er zelfs niet meer over beslissen of de ministers hun werk goed deden, dit deed het parlement nu allemaal. Het parlement kreeg zelfs het recht om ministers te ontslaan. Dit gebeurde alleen als een minister een grote fout was begaan, bijvoorbeeld: als hij had gelogen tegen het parlement. In 1844 kwamen de 2e kamerleden met het voorstel om een andere grondwet te maken, toen was iedereen daar tegen. Nadat de grondwet was veranderd in 1848 mocht de 2e kamer wel wetsvoorstellen maken en mochten ze die van de ministers veranderen. Ook kwamen er elk jaar verkiezing voor leden die dan in de 2e kamer konden komen. Dit was allemaal wel een hele grote vooruitgang, maar je kon het nog geen democratie noemen. De mensen hadden daar ook kiesrecht, alle mannen die een bedrag betaalden aan de belasting mochten dan stemmen. Dit beperkte kiesrecht noemden ze censuskiesrecht.

§3: Wat deden de socialisten rond 1870 toen de industrialisatie op gang kwam?

1848 was een historisch jaar, maar een groot deel van de bevolking onderging geen verbeteringen in zijn bestaan. De arme bevolkingsgroepen werden ook geholpen, dit deden de socialisten (socialisme). 1 van de dingen wat de socialisten wouden was dat iedereen elkaar gelijk behandelde. De opbrengst van machines, grond en fabrieken moest eerlijk verdeeld worden onder de burgers, dit gebeurde door de regering, want dan zou ut allemaal eerlijk gebeuren. De socialisten wouden dat iedereen gelijk behandeld werd maar dan had je ook nog het economische liberalisme, degene die zich hier tegen verzette was de Duitser Karl Marx. Het economische liberalisme zorgde ervoor dat het de ondernemers steeds rijker maakte en de arbeiders steeds armer. Karl Marx wilde dat de arbeiders beschermd werden, en dat de economie geregeld zou worden. De socialisten wilden verandering brengen in de werk- en leefomstandigheden van de arbeiders, dit wilden ze in 1870 toen de industrialisatie op gang kwam. Om de werk- en leefomstandigheden te verbeteren probeerden ze dit te eisen aan de Kamerleden, hiervoor moesten ze bij de verkiezingen in het parlement zien te komen. Een bekende socialist en tegelijkertijd ook een kamerlid was: Domela Nieuwenhuis. Die ooit was begonnen als protestants predikant. De socialisten wilden dat er kortere werkdagen kwamen voor de arbeiders, hogere lonen, een verbod op kinderarbeid en algemeen kiesrecht. Hierdoor konden de arbeiders, die dit eerst niet mochten nu wel stemmen. Het parlement had besloten in 1872 dat de arbeiders vakbonden mochten worden. In dit jaar hadden de meeste liberalen van het parlement eindelijk ingezien dat er iets gedaan moest worden. De arbeiders begonnen te staken (het werk neerleggen om iets van de werkgever gedaan te krijgen), hiervoor hadden ze het recht gekregen. Dit deden ze omdat ze dachten dat als ze met zijn allen samenwerkten ze sterker stonden. Na 2 jaar –1874- kregen de socialisten iets waar ze voor streden: het kinderarbeid in fabrieken werd beperkt. Dit noemen ze de kinderwet, en dit was de 1e sociale wet (wetten die de werk- en leefomstandigheden verbeteren, zoals het verbod op kinderarbeid of de achturige werkdagen) in Nederland. In de jaren die volgende kwamen er steeds meer wetten, bijvoorbeeld: de lange werkdagen van de arbeiders, de socialisten wouden dat die minder werden, en zei kregen na een tijdje hun zin. Dankzij deze vakbonden en de sociale wetten, werd het werken voor de arbeiders steeds aangenamer.


§4: Waarom vonden de liberalen het niet goed als de kerk een te grote invloed had op het geloof?

Dat de grondwet veranderde in 1848 was erg positief voor de katholieken. Door deze opstand werden de katholieken achtergesteld. Ze kregen nu vrijheid van godsdienst waar ze erg blij me waren. De liberalen vonden het niet goed als de kerk een te grote invloed had op het onderwijs, daarmee hadden de katholieken het probleem dat ze nu tegen over de liberalen stonden. De liberalen wouden dat het onderwijs niet bepaald werd door een geloof, het moest neutraal zijn; niet protestants en niet katholieks. Hiermee waren de katholieken en de protestanten het niet eens, zij wouden dat de kinderen werden opgevoed met het geloof dat bij hen paste, en ze vonden dat de school hun hier goed bij kon helpen. Dat was voor de liberalen wat minder want de katholieken en de protestanten weigerden het om hun kinderen naar een neutrale school te sturen. Naast de neutrale scholen (openbare scholen) besloten ze dus om hun eigen bijzondere scholen op te stichten. Ondanks dat dit allemaal gebeurde vonden de liberalen het wel hun eigen zorg en moesten ze alle kosten van die bijzondere scholen maar zelf betalen. Dit kon allemaal door de vrijheid van het onderwijs (grondwet: 1848). Maar doordat de katholieken alles zelf moesten betalen voor de bijzondere scholen brak in de samenleving en het parlement een politieke strijd los, deze strijd staat bekend als de schoolstrijd (politieke strijd in de 19e eeuw over de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs aan het openbaar onderwijs, in 1917 beëindigd). De openbare scholen werden geregeld door de wet, deze openbare scholen gaven voldoende lager onderwijs in het hele rijk. Het geven van onderwijs was daar helemaal vrij, vandaar dat de katholieken en de protestanten ook hun eigen scholen konden op richten. Maar toch gebeurde dit allemaal onder toezicht van de overheid en natuurlijk onderwijzers. Ook dit werd door de wet geregeld. Ondanks dat de katholieken hun onderwijs zelf moesten betalen omdat ze niet werden gesteund door de wet hadden ze toch nog een goed schoolgebouw. Maar de scholen voor het openbaar onderwijs zagen er toch wel wat beter uit. Doordat het geloof van de katholieken een grote invloed had op het onderwijs, kwam en een schoolstrijd tussen de liberalen en de katholieken. De katholieken werden confessionelen (geloof) genoemd. Ze bleven het proberen zodat de wet ook hun onderwijs betaalde. Dit probeerden ze via politieke verenigingen, waar mensen dan lid van werden. Ze voerden hier jaren lang actie voor, in 1917 was dit niet meer nodig. Het parlement had besloten om ook voor de bijzondere scholen alle kosten te betalen. De katholieken en de protestanten hadden hun doel bereikt: hun onderwijs werd ook betaald en de schoolstrijd was hierdoor ook afgelopen. Niet alleen arbeiders en liberalen, maar ook protestanten en katholieken richtten hun eigen politieke partijen op. De politieke partij van de arbeiders, de sociaal-democratische Arbeiders partij (SDAP) streed voor uitbreiding van het kiesrecht.

§5: Wat had het Feminisme voor een invloed op de samenleving, rond 1870?

In de 19e eeuw was het ondenkbaar dat je als meisje zou gaan studeren, en dan ook nog arts wou worden. Maar Aletta Jacobs was 6 jaar toen ze wist dat ze dat zou gaan doen, net als haar broer en vader. Als je een meisje was moest je, je ontwikkelen tot een goede echtgenote en een moeder. Dit wou Aletta Jacobs niet en ze dacht dat het misschien hielp als ze een brief naar Thorbecke schreef, hij was een minister. Thorbecke gaf haar als 1e vrouw toestemming om op de universiteit voor arts te gaan studeren. Zij werd in 1878 de 1e vrouwelijke arts van Nederland. Nederland was in 1848 nog niet eens een democratisch land, de meeste mensen bezaten geen kiesrecht en hadden zo geen invloed op het bestuur. Dit werd geleidelijker in de 19e eeuw steeds uitgebreider, maar toch mocht nog steeds de helft van de bevolking niet stemmen en dat waren de vrouwen. Maar in 1870 kwamen er steeds meer landen die opkwamen voor de rechten van vrouwen, dit noemen we het feminisme. Zij wilden dat mannen en vrouwen gelijk behandeld werden. Een meisje kon niet gaan studeren want die moest later voor haar man en kinderen zorgen. En binnen het gezin was de vrouw ook ongeschikt, want ze moest gehoorzamen aan haar man. Maar de feministen wouden dat ze hetzelfde werk kregen en dezelfde lange werktijden als de mannen. Dat ze hetzelfde loon kregen, en dat er gelijke kansen waren binnen het onderwijs. Aletta Jacobs was dus de 1e die dat kon, zij was de 1e vrouw die gelijk werd behandeld als een man, dit kwam doordat ze de 1e vrouwelijke arts was 8 jaar nadat het feminisme in 1870 kwam. De feministen was een groep die streden voor mensen die gelijke rechten krijgen, hiervoor strijden noemen we emancipatie (opkomen voor de rechten van vrouwen). Ook de socialisten wilden gelijke rechten, maar het liefst wilden zij dat de vrouwen thuis bleven en voor het gezin zouden zorgen. De confessionele partijen waren tegen kiesrecht, ze wouden niet dat de vrouwen zouden gaan studeren, enz. Zij wilden liever kiesrecht voor het hoofd van het gezin, en dat was de man dus. De mannen kregen actief kiesrecht (het recht om te kiezen), en passief kiesrecht (het recht om gekozen te worden voor 2e kamerlid). De vrouwen kregen passief kiesrecht, dit werd allemaal veranderd in de grondwet in 1917. Maar in 1919 veranderde dit alweer, want toen kregen zelfs de vrouwen ook actief kiesrecht. Vanaf 1919 kon je spreken van algemeen kiesrecht (kiesrecht voor iedereen boven een bepaalde leeftijd, ongeacht bezit, huidskleur, geloof en opleiding).

Conclusie:

Ik heb op zich wel redelijk veel geleerd over hoe de omstandigheden in de 19e eeuw waren. Ik weet nu hoe de mensen zich in de 19e eeuw bezig hielden met de politiek, het verkiezen van de politieke partijen, wie er in die tijd mochten stemmen, wat er allemaal veranderde door revoluties, waarom die revoluties uitbraken, waardoor er verandering in de grondwet kwam, wat de liberalen tegen het bijzonder onderwijs deden, enz.
Ik vond het eigenlijk best wel leuk om aan dit werkstuk te werken, ik heb er verder ook niet zo heel erg veel moeite mee gehad.
Verder heb ik mijn informatie van het internet, uit mijn geschiedenis boeken en uit een encyclopedie die we thuis hebben.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

HET IS WEL GOED MAAR DIE ANTWOORDEN ZIJN TE LANG WEL GOEDE VRAGEN UIT HET HOOFDSTUK.

10 jaar geleden

H.

H.

heel goed gedaan

4 jaar geleden

P.

P.

dat vind ik ook

4 jaar geleden