Immanuel Kant

Beoordeling 6.6
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 5e klas vwo | 2259 woorden
  • 5 maart 2002
  • 190 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.6
  • 190 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Immanuel Kant

Als onderwerp voor ons filosofiewerkstuk kozen wij voor Immanuel Kant. De rede voor deze keuze was dat op donderdag 31 januari Kant 'een uitspraak deed' in de filosofie kalender. Deze uitspraak was: 'Beschouw de ander nooit alleen als middel, maar altijd ook als doel op zich.' Deze uitspraak deed hij in zijn boek Kritiek van de praktische rede (1788). Als verdere uitleg stond er op de achterkant van het kalenderblaadje:

Als je moreel juist wilt handelen, moet je om te beginnen van goede wil zijn. Nu is de 'goede wil' een tamelijk vaag begrip. Vandaar dat Immanuel op zoek ging naar keiharde criteria voor goed gedrag. Hij zocht regels die voor iedereen zouden gelden, dat wil zeggen , voor iedereen die een beetje na kon denken. Het zou dom en inconsequent zijn om bepaald gedrag van jezelf te tolereren en goed te praten, terwijl je datzelfde gedrag van anderen niet zou pikken, constateerde hij. De argumenten die je voor je eigen gedrag aanvoert, moeten dus veralgemeniseerbaar zijn. Vandaar dat Kant een aantal regels formuleerde die uitgaan van deze gewenste veralgemeniseerbaarheid. Een van de bekendste luidt: ' Beschouw de ander nooit alleen als middel, maar altijd ook als doel op zich.


Dit vonden wij wel een goed idee en wilden wel wat meer weten over deze filosoof. Als we er dan toch een moeten kiezen dan maar eentje die nog iets te zeggen heeft wat toepasbaar is op je eigen leven.

De levensloop van Immanuel Kant

Immanuel Kant werd geboren op 22 april 1724 in Koningsbergen, Duitsland (Nu Kalingrad in Rusland.) Zijn vader was zadelmaker van Schotse komaf, en zijn moeder was een weinig opgeleidde maar intelligente Duitse vrouw. Het geloof dat het gezin aanhing was dat van het strenge Lutherse piëtisme, dat een eenvoudig leven met een sterk geloof in de moraal voorschreef. Kant werd in 1740 student theologie aan de universiteit van koningsbergen en begon aan zijn eerste boek(over natuurkunde) toen hij nog maar twintig jaar oud was. Zes jaar later ging een academische aanstelling aan hem voorbij en voelde hij zich genoodzaakt om als privé-leraar voor rijke families te gaan werken. Dit heeft hij vijftien jaar gedaan maar het was geen ongelukkige tijd voor hem. Hij kwam door dit werk in aanraking met de stad en dit gaf hem de mogelijkheid om voor hem 'exotische' reizen te maken. Zij verste reis was 0naar Arnsdorf (deze plaats lag ongeveer op 100 kilometer afstand van Koningsbergen.) Het was niet reizen maar lezen wat Kants blikveld verruimde. Ook al was hij maar ruim anderhalve meter groot in de collegezaal was een ware sensatie. Hij was van nature een onderhoudend spreker, hij maakte tussen zijn lezingen door grapjes en noemde literaire verwijzingen en doceerde met succes over elk onderwerp, van de natuurkunde van Newton tot vuurwerk en de vorm van de aardkorst. Hij kreeg een professoraat in de letterkunde aangeboden aan de universiteit van Berlijn maar wees deze baan af omdat hij een rustig leven wilde leiden in zijn woonplaats waarop hij zo gesteld was. Zijn rust en kalmte werden al genoeg verstoord door de vele jonge filosofen en regeringsvertegenwoordigers die naar Koningsbergen reisden om zijn wijsheden te horen. Toch wist hij zijn gewoonte om elke dag een wandeling van een uur te maken samen met zijn huisknecht (die hij op hoge leeftijd ontsloeg op verdenking van fraude) vol te houden zodat de mensen hun klok gelijk konden zetten op de momenten waarop hij in hun straat verscheen. Zijn favoriete straat is naar hem vernoemd: “ De wandeling van de filosoof”. Maar één keer werd hij ‘gemist’. Hij zei dat hij Rousseaus boek Émile zo boeiend vond dat hij haar in een keer wilde uitlezen en daarom was thuis gebleven. In 1755 ging Kant terug naar de universiteit van Koningsbergen om er zijn doctorsgraad te halen. Een jaar later ging hij er lesgeven. Door David Hume wordt hij uit zijn ‘dogmatische sluimer’ (zie verderop in dit werkstuk) waardoor hij dan zijn belangrijkste werk schrijft: Allgemeine Naturgeschichteund Theorie des Himmels. In 1781 kwam kant met een nieuwe filosofie, die noemde hij de ‘transcendentale kritiek’. Zoals dat bij zo veel filosofen gebeurde brachten zijn controversiële religieuze overtuigingen hem in moeilijkheden. Nadat hij in 1793 De religie binnen de grenzen van de enkele rede publiceerde waarin hij twijfelde aan de traditionele christelijke leerstellingen, droeg koning Frederik-Wilhelm II hem op om te stoppen met schrijven over en lesgeven in religieuze aangelegenheden. Kant gehoorzaamde dit bevel, in ieder geval tot de koning dood was. Maar veel tijd had hij daarna niet meer om zijn werken te kunnen herzien. Kant stierf op 12 februari 1804 in zijn geboorteplaats. Op zijn grafsteen staat geschreven: “De met sterren bezaaide hemel boven mij en de morele wet in mij. Dit zijn de twee dingen waarvan hij schreef dat ze ’de geest steeds opnieuw vervullen van groeiende bewondering en ontzag, hoe vaker en dieper we erover nadenken.’

Kants Filosofie

Kant probeerde een tussenweg te vinden tussen de twee stromingen van het achttiende-eeuwse denken. De rationalisten meenden dat de rede van de wereld kon doorgronden zonder hulp van de zintuigen, terwijl de empiristen volhielden dat alle kennis gefundeerd was op ervaringen. Beide opvattingen hebben hun tekortkomingen. Kennis die op pure rede berust zal ongetwijfeld waar zijn, maar zegt ons weinig van hoe de wereld in elkaar zit. Empirische kennis kan daarentegen iets over de wereld zeggen maar offert daar de mogelijkheid van echt zekere kennis voor op. Deze poging van Kant hier een tussenweg in te vinden leidde tot een revolutie in de filosofie. Voor Kant spraken filosofen over objecten óf over onze waarneming ervan, Kant beseft dat vooral het punt waarop ze elkaar ontmoeten belangrijk is. De metafysica (de filosofie over de aard van de werkelijkheid) was volgens Kant helemaal de verkeerde kant opgegaan waardoor zij vatbaar was voor de aanvallen van Hume. Die had beweerd dat we nooit kennis van de tastbare wereld konden verwerven door iets anders dan de zintuigen.
Sinds Plato was het denken het alternatief voor het tekort aan zintuiglijke waarnemingen. Denkend kunnen we onderdelen van de realiteit doorgronden (zoals zielen, de aard van God en het universum als geheel) die we nooit zouden leren kennen als we alleen onze zintuigen zouden gebruiken. Kant verwierp een dergelijke manier van denken als ‘mystificerend’ en zette er een nieuwe metafysica voor in de plaats. Volgens hem is het zo dat we objecten door middel van de zintuigen kunnen waarnemen maar we vergissen ons als we denken dat onze oren en ogen weergeven zoals ze werkelijk zijn. Alles wat we waarnemen, en daardoor begrijpen wordt zodra het binnenkomt door onze zintuigen verwerkt. Hun tussenkomst geeft onze ervaringen een karakter dat op zichzelf geen deel uitmaakt van de objecten die we waarnemen. Elk object dat we waarnemen, is er in een bepaald punt in tijd en ruimte. Maar we weten van tijd en ruimte door ervaring, omdat we nooit objecten kunnen waarnemen die niet in de tijd en de ruimte bevinden. Bij objecten in de wereld, zoals appels, kunnen we ons een algemeen iets van 'appel' voorstellen wanneer we een paar granny smiths en coxen zien. Het idee ruimte is daarentegen niet iets dat we kunnen afleiden uit gevallen waarin het zich aan de wereld voordoet, want alles op de grond waarvan we de ruimte zouden kunnen abstraheren is het begrip zelf!! Ik kan me geen ruimte voorstellen zonder dat er zich iets in bevindt. En net zo goed ka nik met niet iets in ruimte voorstellen zonder ook ruimte voor te stellen. Zulke 'vormen' van ervaring moeten deel uitmaken van onze intuïtie en ons bekend zijn voor we voor het eerst onze ogen openen. Het is alsof we een door tijd en ruimte gekleurde bril dragen die we nooit af kunnen zetten. Kant beweerde dat er verschillende manieren waren, twaalf om precies te zijn, waarop het verstand de ervaringen ordent. De belangrijkste is de aanname van oorzaak

en gevolg, die inhoudt dat we denken dat alles wat gebeurt het gevolg is van een gebeurtenis die eraan voorafgaat en het karakter ervan bepaalt.
Volgens Kant leidt de poging om de algemene manieren van waarnemen toe te passen op objecten die buiten onze ervaring liggen ertoe dat de traditionele metafysica zo weinig voorstelt. Een voorbeeld is de dwaling van het 'bewijs' van het bestaan van God die Hem aanmerkt als 'eerste beweger' de oorzaak zonder zelf een oorzaak te hebben. Het bestaan van een eerste beweger kan nooit worden bewezen, maar het is even nutteloos om te proberen het tegendeel te bewijzen. Een ander gevolg van de zienswijze van Kant is dat de ware aard van objecten onkenbaar is. Onze kennis kan een slag zijn naar de Dinge-an-sich (de dingen-op-zich, de dingen zoals ze werkelijk zijn, of 'noumena', zoals Kant ze noemt) maar er i niets waarvan het innerlijk karakter kan worden onderscheiden. Als we bijvoorbeeld kijken naar een tuin, dan zien we die niet zoals die werkelijk is, maar krijgen we een indruk die onze visuele vermogens (ogen en hersenen) ons geven. Een bij ziet misschien iets heeeeeel anders. (bijen kunnen ultraviolet licht zien!) maar die bij zou nog steeds niet echt de tuin zien zoals die an-sich is. De tussenkomst van onze zintuigen beteken dat we objecten nooit kunnen kennen zoals ze werkelijk zijn voordat ze worden waargenomen, maar slechts als vermenselijkte versie erven. Dat we beschikken over vermogens om kennis te verwerken maakt die kennis kenbaar, maar elk zintuig gaat gepaard met een bewerking van informatie. Dat betekent niet dat ons vermogen om de wereld te begrijpen uit de gratie is geraakt, maar slechts dat alle kennis mede gevormd wordt door tussenkomst van kenvermogens. Ook al zou er een ander systeem kunnen zijn deze zou dan net zo goed deze problemen hebben. Kant legt de lat heel hoog als het gaat over het beschuldigen van de menselijke waarneming dat die bevooroordeeld is. Volgens hem is het irreëel om te denken dat we de wereld kunnen zien zoals deze ook echt is, maar dit mag geen excuus zijn om de dingen maar te nemen zoals ze zijn. Het essentiële punt dat Kant naar voren brengt is: Pure kennis is slechts pure ménselijke kennis, en om de aard der dingen te onderzoeken is het minstens zo belangrijk om te proberen onze zintuigen te bestuderen als de wereld zelf.

Het filosofische kernpunt van Immanuel Kant is: "De wereld waarnemen is haar veranderen". We denken dat dat uit het bovenstaande stuk wel gebleken is.

De tegenstanders van Immanuel Kant

Met Kant was iedereen het niet eens die zich halsstarrig vasthield aan de oude dogmatische metafysica* of aan het oude kerkgeloof. Voor de geschiedenis van de filosofie zijn de personen die zakelijk op Kants stellingen ingaan en ze dan bestrijden natuurlijk belangrijker Dit zijn voornamelijk drie mannen (2 oorspronkelijk Oost-Pruisische landgenoten van Kant maar alledrie persoonlijk met hem bevriend), die onder de naam van 'geloofsfilosofen' worden samengevat, dit slaat erop dat ze alledrie een beroep doen op het geloof.

De eerste was Johann Georg Hamann (1730-1788), hij was een van de woordvoerders in de strijd tegen het rationalisme en wat hij aan Kant verwijt is dat juist hij niet boven dit rationalisme uitkomt terwijl hij zo streng christelijk was toen hij jong was. Kant heeft hiervan (het geloof) zoals vele filosofen 'last' gehad. Johann richtte zich vooral tegen de scheiding van ons kenvermogen in de twee gebieden redelijkheid en zinnelijkheid. Om deze scheiding te overbruggen wees hij op de taal, waarin de rede een zinnelijke existentie (bestaansvorm) verkrijgt.

De tweede van de geloofsfilosofen was Friedrich Heinrich Jacobi (1743-1819), hij was een veelzijdig ontwikkeld, invloedrijk schrijver, die Rousseau in Genève had bestudeerd, die de wijsbegeerte van Spinoza en Kant door en door kende. In verband met een kritische waardering van Kant zei hij: 'Er ontbrak nog een 'Kritiek van taal' die een metakritiek van de rede zou zijn en ons ten aanzien van de metafysica allen eens van zin zou maken.

De derde van de geloofsfilosofen, die in invloed de beide andere verre overtreft is Johann Gottfried Herder (1774-1803), Herders belangrijkste geschriften zijn: 'Ideeën tot de wijsbegeerte van de geschiedenis der mensheid', ' Brieven tot bevordering van de humaniteit', Verstand en ervaring, rede en taal, een metakritiek tot de Kritiek van de zuivere rede'.

De rede dat deze vrienden het niet met hem eens zijn laat zich natuurlijk raden. Hij trekt met zijn theorieën dingen van de kerk in twijfel.

Onze eigen mening over Immanuel Kant

We hadden iets anders verwacht dan het uiteindelijk is geworden. Toen we voor Kant kozen dachten we dat we een verslag zouden gaan schrijven over moreel en goede wil en regeltjes daarvoor. Maar dit was echt totaal niet het geval!! Het ging over dat de wereld dualistisch is volgens Kant, namelijk de werkelijke wereld en de wereld die we zien (waarnemen). We zien alles als het ware door een 'bril'. Wij vinden dit alleen wel een beetje ver gezocht. Ja oké je ziet niet altijd alles en neemt selectief waar. En het is inderdaad zo als bij het voorbeeld dat we ergens hebben gelezen: Als je een nieuw liedje hoort, ligt het niet alleen aan de kwaliteit van het liedje. Het ligt er ook aan waar je het hoort. Een liedje klinkt in een nachtclub toch anders dan bij je thuis. En het hangt er ook wel een beetje vanaf of je de groep kent ja of nee en wat je van die groep in het algemeen vindt. Er zit dus wel wat in, in die theorieën van hem maar echt helemaal geloven wij er toch niet in.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.