LIVE Q&A's

Deze en volgende week elke dag Q&A's met studenten van verschillende studies

 


Bekijk de planning Alles over studiekeuze


Inleiding

Voor het vak ANW heb ik de opdracht gekregen om een werkstuk te maken over het volgende onderwerp: De biotechnologie. Hieronder is over de ontwikkeling van de biotechnologie te lezen en over andere dingen die daar mee te maken hebben.



Wat is biotechnologie?

De definitie van biotechnologie:

Biotechnologie is het gebruik van organismen of onderdelen van organismen met als doel waardevolle producten te maken.

Het woord biotechnologie bestaat uit twee delen: bio, dat aangeeft dat het met leven te maken heeft en technologie, dat laat zien dat er menselijke vaardigheid en kennis aan te pas komt.



Biotechnologie betekend dus eigenlijk dat de mens een handeling uitvoert met een (deel van een) organisme, zodat er een waardevol product ontstaat.

Biotechnologie is tegenwoordig te onderscheiden in twee fasen:

· klassieke biotechnologie waarbij het genetische materiaal van het gebruikte organisme niet is veranderd.

· Moderne biotechnologie, oftewel gentechnologie, waarbij het genetische materiaal van het gebruikte organisme wel is veranderd.

Geschiedenis van de biotechnologie

De geschiedenis van de biotechnologie is in drie stukken in te delen:

· Tot en met 1940: klassieke biotechnologie

· 1940 - 1970: industriële biotechnologie

· Vanaf 1970 en tot heden: moderne biotechnologie

Deze drie delen lopen in elkaar over. Oude vormen van biotechnologie worden nog steeds gebruikt, maar ook nieuwe. Hieronder worden de drie verschillende fasen van de biotechnologie beschreven.



● De klassieke biotechnologie

Het eerste gebruik van biotechnologie kenmerkt zich door het feit dat de mensen helemaal niet wisten dat ze met biotechnologie bezig waren. Ze wisten niet van het bestaan van micro-organismen, terwijl ze die wel gebruikten bij het brouwen van bier bijvoorbeeld. Dat gebruik was gebaseerd op toevallige ontdekkingen. De opgedane kennis werd doorgegeven van generatie op generatie. Zo was men in staat bier te brouwen en kaas te maken.



Door de ontdekking van de microscoop ontdekte Antony van Leeuwenhoek in de zeventiende eeuw de microbiële wereld. In de 17de eeuw vond Antony van Leeuwenhoek de microscoop uit en kwam daardoor in een microbiële wereld terecht. In 1863 ontdekte Pasteur dat micro-organismen veranderen in fermentaties. Fermentaties zijn stoffen die je toevoegt aan een product zodat het langer houdbaar is. In de 1ste wereldoorlog werd ontdekt dat butanol en aceton bijproducten van fermentatie zijn. Er werd ook ontdekt dat micro-organismen afvalwater goed kunnen zuiveren. Waterzuiveringssystemen werden gebouwd en de milieu biotechnologie was een feit.

De oorsprong van deze biotechnologische processen maakt dat ze gerekend worden tot de klassieke biotechnologie. Hun oorsprong en ontdekking berust op toeval en niet op verworven kennis.



● De industriële biotechnologie

Deze periode wordt gekenmerkt door een sterke industrialisatie van biotechnologische processen. Ontdekt werd dat micro-organismen bepaalde omzettingen kunnen verrichten. Deze omzettingen werden gericht gebruikt om specifieke producten te maken.

Steeds vaker werden de processen uitgevoerd met micro-organismen die een bepaald product kunnen maken. Hiervoor werden speciale fermentors (ketels) gemaakt, waarin de omstandigheden voor het micro-organisme optimaal zijn.

Maar ook het kweken van losse planten- en dierencellen doet zijn intrede. Bijvoorbeeld voor virale vaccins.De geneeskunde kreeg er twee krachtige biotechnologische wapens bij: antibiotica en vaccins.

De processen worden duidelijk veel ingewikkelder en er worden verschillende vakgebieden bij elkaar gebracht, zoals biologie, scheikunde, natuurkunde en wiskunde. Dit resulteerde in nieuwe waardevolle producten.



● De moderne biotechnologie

De moderne biotechnologie begint vanaf het moment dat het mogelijk is gericht veranderingen in het erfelijke materiaal, het DNA, aan te brengen. In 1953 ontdekken Watson en Crick de dubbele helix structuur van het DNA. Hiermee1953 ontdekten zij dat DNA uit codes bestaat.In hoog tempo ontstaan er nieuwe technieken waarmee DNA veranderd kan worden.

Dit leidt tot een reeks nieuwe producten en toepassingen op de markt. Hieronder staan enkele voorbeelden:

- insuline, waardoor suikerziektepatiënten veel gezonder werden.

- chymosine kon nu door micro-organismen geproduceerd worden. Hierdoor was men niet meer afhankelijk van de chymosine uit kalvermagen.

- In wasmiddelen zitten enzymen die met moderne biotechnologie gemaakt worden.

- In de voedingsmiddelen industrie kwamen er toepassingen, zoals de productie van zoetstoffen.

Het gebruik van biotechnologie in onze voeding

In de voedselbereiding wordt veel gebruik gemaakt van biotechnologie. Zo wordt bier gebrouwen door gisten de aanwezige suikers om te zetten tot het smaakvolle alcohol. Yoghurt wordt gemaakt door melkzuurbacteriën toe te voegen aan melk, brie is bedekt met schimmels. Dit zijn allemaal van oorsprong traditionele biotechnologische processen.

Moderne biotechnologie heeft ook zijn intrede gemaakt in de moderne voedselbereiding. Op verschillende manieren komen voeding en moderne biotechnologie elkaar tegen.

Soja en maïs zijn zo gemodificeerd dat ze bestand zijn tegen insecten of onkruidbestrijdingsmiddel. Vooral in Amerika worden deze maïs en soja veel gekweekt.

Chymosine wordt gebruikt in kaasbereiding en wordt uit kalverenmagen gewonnen. Het is echter ook op diervriendelijke manier te produceren, namelijk door micro-organismen.

Aroma `s die smaak geven aan voedingsmiddelen worden op grote schaal geproduceerd door micro-organismen. Ook enzymen worden vaak geproduceerd door genetisch gemodificeerde micro-organismen. Deze enzymen worden vaak gebruikt in de productie van voedingsmiddelen.

In Nederland houdt het RIKILT zich bezig met de controle van voedingsmiddelen. Hier beoordelen ze de kwaliteit van de voedingsmiddelen die op de Nederlandse markt verkocht worden. Zij controleren dus of je eten wel veilig is. Ze testen hier ook genetisch gemodificeerde voedingsmiddelen.

Een blik op de geschiedenis van de biotechnologie maakt duidelijk, dat de oudste toepassingen producties van levensmiddelen zijn (bier, wijn). Sinds de introductie van de DNA-technologie hebben echter de toepassingen die zijn gericht op medische aspecten en gezondheid enorm toegenomen. Hier kan je denken aan de productie en ontwikkeling van geneesmiddelen als insuline, interferon, menselijke groeihormoon of van vaccins.



Het gebruik van biotechnologie op het medische vlak:



● vaccins

Vaccins worden op verschillende manieren gemaakt. Eerst moet het ziekteverwekkende organisme geïsoleerd worden uit patiënten. Dit kan een bacterie (Kinkhoest, Tetanus) of een virus (Polio, Griep, Mazelen) zijn. Voor een ziekte als bijvoorbeeld Polio zijn drie klassen poliovirus geïsoleerd in het verleden. Deze klassen virus worden bewaard en telkens opnieuw gebruikt. Voor het griepvaccin moet elk jaar weer opnieuw gekeken worden welk type griepvirus belangrijk gaat worden, want griep is elk jaar wel weer een ander soort virus.

Nadat het geïsoleerd is wordt het organisme dan gekweekt. Voor bacteriën betekent dit dat ze gekweekt worden in fermentors. In zo’n fermentors (ook wel bioreactor genoemd) worden condities aangelegd waarbij de bacterie optimaal groeit. Hierbij moet je denken aan de samenstelling van het kweekmedium (een vloeistof met allerlei voedingsstoffen voor de bacterie), de temperatuur en de zuurgraad. Als er voldoende bacteriën zijn gekweekt worden ze geïnactiveerd en verwerkt tot een vaccin dat bij mensen kan worden ingespoten.

Voor virussen werkt het iets anders. Virussen kunnen zich niet zelfstandig vermeerderen maar vermenigvuldigen zich in de cellen van dier of mens. Daarom worden er eerst cellen uit een dier geïsoleerd. Deze cellen worden dan vermeerderd in de eerder genoemde fermentors. Voor het Polio vaccin worden bijvoorbeeld cellen geïsoleerd uit de nieren van apen. Als de cellen zich hebben vermeerderd wordt het virus aan de fermentor met cellen toegevoegd en gaat het virus zich vermenigvuldigen ten koste van de cellen. Uiteindelijk houd je in de fermentor dan alleen maar virusdeeltjes over. Deze worden weer geïnactiveerd en gereed gemaakt om te worden ingespoten als vaccin. Overigens worden de cellen hiervoor niet altijd in fermentors gekweekt. Voor het griepvaccin wordt het virus vermenigvuldigd door het te injecteren in eieren. Het virus groeit dan op de cellen van het kippenembryo in het ei.

De bacteriën en virussen moeten geïnactiveerd worden omdat je anders echt ziek zou worden. Van geïnactiveerde virussen en bacteriën word je niet ziek maar bouw je wel weerstand op. De ziekteverwekkers worden trouwens niet altijd volledig geïnactiveerd maar in een aantal gevallen alleen maar verzwakt. Ook van deze verzwakte ziekteverwekkers wordt je niet ziek, maar ze geven soms een betere afweer.

Het vaccin tegen varkenspest is op nog weer een andere manier gemaakt. Hierbij wordt van een eiwit dat aan de buitenkant van het virus zit het bijbehorende gen geïsoleerd. Vervolgens worden er cellen die geïsoleerd zijn uit een insect in een bioreactor gekweekt. Als de cellen zich vermeerderd hebben wordt het gen vervolgens op een speciale manier in de insectencellen gebracht. Deze cellen gaan vervolgens dit eiwit in grote hoeveelheden maken. Dit eiwit wordt dan gezuiverd en als vaccin bij varkens ingespoten. De varkens bouwen dan afweer op tegen dit eiwit en daarmee ook tegen het virus dat dit eiwit aan de buitenkant heeft zitten. Omdat je hier alleen een eiwit en geen heel virus gebruikt hoef je niet te inactiveren en weet je zeker dat het varken er niet echt ziek van wordt. Dit noemen we ook wel subunit vaccins omdat het vaccin bestaat uit een subunit van het virus.



● insuline

Het eerste product dat op de markt is gekomen dat met behulp van gerecombineerde cellen geproduceerd is, is insuline (1982). Menselijk insuline werd ingebouwd in de bacterie E. coli. Ook de daarop volgende producten die geproduceerd werden met gerecombineerde cellen, interferon (1986) en menselijk groeihormoon (1987) werden geproduceerd met E. coli.

Voordat insuline met behulp van E. coli geproduceerd werd, werd het gewonnen uit de pancreas van geslachte varkens en koeien. Hiertoe wordt direct na het slachten de pancreas verwijderd en ingevroren. In gespecialiseerde bedrijven wordt vervolgens de insuline gewonnen door extractie. Na zuivering kan op deze manier 100 gram insuline gewonnen worden uit een ton pancreas.

Een nadeel van het dierlijke insuline is, dat het niet exact gelijk is aan het menselijk insuline. Menselijk insuline kan echter op eenvoudige wijze gesynthetiseerd worden uit het dierlijke insuline. Het eindproduct bevat echter altijd nog microverontreinigingen die tot afweerreacties kunnen leiden in het menselijk lichaam.

Een alternatief proces is de productie van menselijk insuline met E. coli. Het erfelijk materiaal dat codeert voor insuline is hiertoe overgebracht naar deze bacteriën. Insuline dat exact gelijk is aan menselijke insuline kan nu met bacteriën gemaakt worden.

De productie van insuline met gerecombineerde cellen is in feite niet veel anders dan andere fermentaties. Een belangrijk verschil bij een dergelijke fermentatie is dat aan bepaalde eisen voldaan zal moeten worden om met name verspreiding van de gerecombineerde cellen te voorkomen.

Ondanks dat E. coli menselijk insuline produceert, dient dit in vergaande mate gezuiverd te worden. De fermentatievloeistof zal allerlei andere eiwitten bevatten waartegen in het bloed antigenen gevormd zullen worden. Dit geldt voor alle producten die direct geïnjecteerd worden (groeihormoon, interferon, vaccins).



Cellen



Alle organismen bestaan uit cellen. Een mens bestaat uit miljarden cellen. Een levercel is ongeveer 15 micro meter (0,00000015 m.)

Het belangrijkste deel van een cel is de celkern (nucleus). Een menselijke cel bevat 48 chromosomen. Die chromosomen zitten in de celkern en bevatten al het erfelijk materiaal van een mens.



DNA



Veel wetenschappers wilden het geheim van de erfelijkheid weten.

Een Oostenrijkse onderzoeker, de monnik Gregor Mendel, zag twee eeuwen geleden dat nakomelingen geen mengsel konden zijn van de eigenschappen van de ouders. Terwijl men altijd gedacht had dat dit wel het geval was. Maar als erfelijke eigenschappen volledig zouden versmelten, dan zou een zwart en een wit dier grijze nakomelingen krijgen. Maar zo gaat dat dus niet.

De wetenschappers Watson en Crick ontdekten een structuur van DNA waarmee verklaard kan worden hoe de celkern de erfelijke informatie bewaart en doorgeeft. DNA is de afkorting van de Engelse naam voor het molecuul Desoxyribonucleïne- zuur, een stof uit de celkern. Kort gezegd is DNA de stof die in de celkern van een cel zit en de informatie (genetische code) bevat voor het maken van levende organismes.

De twee wetenschappers kraakten ook de op DNA opgeslagen code voor de opbouw van alle levensvormen. DNA kun je zien als tekst van vier letters A, T, C en G, waarbij elk woord uit drie letters bestaat. Elk woord van drie letters vormt een code. Veel codes samen vormen een gen. Genen zijn stukjes DNA die de aanmaak van een bepaalde eigenschap van het lichaam regelen.

· T = Thymine

· G = Guanine

· C = Cytosine

· A = Adenine

DNA heeft de structuur van een soort gedraaide touwladder. Als DNA zich gaat delen, gaan de sporten van de touwladder open. Bij elke helft maakt de cel een identieke kopie van de ontbrekende helft. Uit twee halve touwladders ontstaan zo weer twee hele touwladders. Elke afzonderlijke sport bestaat uit 2 basen. De A en de T zitten altijd met elkaar verbonden in een sport, de C en de G ook. Een bepaalde eigenschap van een organisme wordt bepaald door de volgorde van een aantal van deze sporten, dat noemt men een gen. Elk gen bepaald één eigenschap van het organisme.

Het DNA bevat informatie voor erfelijke eigenschappen. Het DNA in de chromosomen in één enkele celkern bevat de complete informatie voor alle erfelijke eigenschappen.

Het DNA bepaalt ook je genetische eigenschappen, het genotype. Het genotype is hoe je er genetisch uitziet. Bijvoorbeeld je huidskleur of kleur haren. Als je je haar verft verandert het genotype niet. Dan verandert alleen het fenotype, dat is je uiterlijk.



Xenontransplantatie



Xenontransplantatie is het transplanteren van dierlijke organen of delen hiervan in het menselijke lichaam. Zo zouden dieren, bijvoorbeeld varkens, een oplossing kunnen vormen voor het tekort aan orgaan donoren. De risico’s zijn op dit moment nog te groot voor mensen om xenontransplantatie toe te passen. De kans op afstoting van het dierlijke orgaan is nog te groot en het is niet genoeg onder controle. En er is ook een risico dat het dierlijke orgaan een nieuwe ziekte zou kunnen veroorzaken dat de mens bedreigt.



Klonen



Wetenschappers zijn al lang in staat om embryo's te klonen. Dat houdt in dat ze een embryo opsplitsen in twee of meer delen die ieder uitgroeien tot een volwassen dier. In de twintigste eeuw is er veel gebeurd op het gebied van het klonen van dieren door mensen. In een vroeg stadium kunnen cellen nog alles worden, maar bij een volwassen dier staat dat voor alle cellen al vast. Zo is ook Dolly gekloond, zij is de eerste kloon van een volwassen dier ter wereld.

Sindsdien zijn ook al runderen, varkens en apen gekloond en vraagt iedereen zich af wanneer men klaar is voor de volgende stap: de mens.



Klonen kun je onderverdelen in twee categorieën:



- Therapeutisch klonen

- Reproductief klonen



● Therapeutisch klonen

Bij therapeutisch klonen neemt men een bevruchte eicel, waar men de kern uithaalt. Men doet er in plaats van die kern het DNA van een volwassen cel in. Deze eicel laten ze dan in een reageerbuis uitgroeien tot een embryo. Uit het embryo worden de stamcellen gehaald. Die stamcellen groeien in een reageerbuis uit tot weefsels, die dan weer gebruikt kunnen worden om bij iemand te implanteren.

Het implanteren van weefsels uit embryo's is niet nieuw. Het werd eerder alleen vaak afgestoten omdat ze een ander DNA hadden, want ze waren afkomstig van een anonieme moeder. Nu krijgt het weefsel hetzelfde DNA als de patiënt.



● Reproductief klonen

Bij reproductief klonen wordt net als bij therapeutisch klonen eerst de kern uit een bevruchte eicel gehaald en vervangen door het DNA van de te klonen persoon. De eicel groeit in een reageerbuis uit tot een embryo alleen worden nu niet net als bij therapeutisch klonen de stamcellen uit het embryo gehaald, maar wordt het embryo in de baarmoeder van een draagmoeder geplaatst. Hier groeit het uit tot een baby, die identiek is aan de persoon waar ze het DNA vandaan gehaald hebben, als het kloonproces goed verloopt.

Dolly was het eerste reproductief gekloond dier. Dit wil echter niet zeggen dat klonen altijd goed gaat. Om één dier te klonen, zijn soms wel een paar honderd mislukkingen voorafgegaan voordat het een keer goed gaat. Indien het gekloonde dier al levend geboren wordt, leidt het vaak aan veel afwijkingen. Dit komt vaak omdat het DNA wat het dier krijgt al oud is. Omdat er bij het klonen dus nog veel mislukkingen zijn, zijn er nog geen menselijke klonen gemaakt, maar dat komt waarschijnlijk in de toekomst nog wel.



Chromosomen

Alle levende organismen zijn opgebouwd uit cellen. In de celkern van deze cellen bevinden zich chromosomen. Chromosomen zijn de dragers van erfelijke eigenschappen. Bij mensen bestaat 1 chromosoom uit ongeveer 1000 genen, maar bij sommige dieren kunnen ze zelfs uit 2000 genen bestaan. Elke gen is een erfelijke eigenschap. Mensen hebben per cel 23 paar chromosomen die bij de voortplanting en celdeling worden gedeeld. Op die manier ontstaat uit één cel een aantal cellen met exact dezelfde genetische informatie.



Als je de structuur van chromosomen verder uitvergroot, dan zie je dat deze een structuur heeft van gedraaide touwladders. Dat is de structuur van het DNA.

Elke gen is de code voor een eiwit dat noodzakelijk is om die genetische eigenschap tot stand te brengen. Eiwitten kunnen in de cel allerlei functies verrichten en het gedrag en de kenmerken van cellen beïnvloeden. Bij de vorming van eiwit worden aminozuren aan elkaar gekoppeld. Zo worden er eiwitten van het DNA afgelezen die verantwoordelijk zijn voor de regulering van de groei met behulp van hormonen bij mensen en dieren. Ook uiterlijke kenmerken worden voor een belangrijk deel door zulke erfelijke eigenschappen bepaald. Bijvoorbeeld bij mensen (en dieren) de kleur van de ogen.

Vaak spelen ook milieufactoren een belangrijke rol bij de ontwikkeling van een organisme. Zo is bijvoorbeeld de voeding van grote invloed op de groei. Er zijn bij de ontwikkeling van het organisme, de organen en weefsels allerlei processen die nog lang niet volledig door de wetenschap begrepen worden. Zo kan bijvoorbeeld de lengte en dikte van iemands been niet eenvoudig voorspeld worden op basis van het DNA-patroon.

Door het lezen van DNA kunnen dokters bij het begin van de zwangerschap zien of het kind lichamelijke afwijkingen heeft. Erfelijke ziekten kun je zien als schrijffouten in het DNA. Door DNA-onderzoek kan er vastgesteld worden of je drager bent van een ziekte. Ook kan de mogelijkheid tot DNA-onderzoek mensen voor grote dilemma’s plaatsen. Werkgevers en verzekeraars mogen onder bepaalde voorwaarden ook vragen stellen over erfelijke ziekten bij mensen, of over onderzoeken daarnaar.



Wat is genetische manipulatie?



Genetische manipulatie is een moderne techniek waarmee het mogelijk is om doelgericht de erfelijke eigenschappen van levende organismen te veranderen. Bij dit proces worden dan genen van de ene soort ingebouwd in het DNA van een andere soort. Dat kan gedaan worden bij 'micro-organismen' zoals bacteriën of schimmels, maar ook bij planten, dieren of mensen.

Men knipt bij genetische manipulatie een stukje DNA (1 of meerdere genen) uit een organisme met biologische scharen (restrictie enzym). Dit gen wordt vervolgens in het DNA van de bacteriën gebracht. Deze bacteriën planten zich snel voort. Zo kunnen er in korte tijd honderden kopieën bijkomen van het gen. Het gen wordt vervolgens aan het DNA van een organisme toegevoegd. Op het gebied van het gen toevoegen aan een organisme zijn twee begrippen belangrijk:

1. Ex vivo: hierbij wordt eerst de cel uit het organisme gehaald, dan wordt het gen in de cel ingebracht en vervolgens plaatst men de cel terug in het organisme.



2. In vivo: dit wordt ook wel de directe methode genoemd, omdat hierbij het stukje DNA direct in de cel in het organisme wordt geplaatst.



Om dit te doen hebben ze momenteel twee veel gebruikte manieren:

1. het gen wordt aangebracht op kleine gouddeeltjes die met een speciaal soort pistool in een laag cellen van het organisme geschoten worden. Hiervoor gebruikt men heel veel van die deeltjes waarvan er met geluk enkelen in een cel, en met nog meer geluk eentje in de celkern en met nog veel meer geluk eentje bij het DNA terecht komt.



2. het gen wordt vervoerd door een virus of bacterie. Die smokkelen vervolgens het gen mee naar binnen de cel in. De bacterie Agrobacterin tumefaciem wordt hier vaak voor gebruikt.

Omdat deze technieken niet echt succesvol zijn, wordt aan zo'n gen een marker-gen geplakt. Zo kunnen ze erachter komen of het gen echt in de plant zit. Dat marker-gen geeft bijvoorbeeld een resistentie tegen antibiotica. De plant wordt vervolgens op een bodem vol met antibiotica geplant. De planten die opgroeien hebben het gen en worden verder gekweekt.



Genetische manipulatie wordt steeds meer toegepast in de land- en tuinbouw en bij de productie van medicijnen. Velen vrezen schadelijke effecten van voeding uit genetisch gemanipuleerde organismen. Maatschappelijk is er protest ontstaan tegen transgene dieren.

Een Amerikaans bedrijf heeft sojabonen genetisch gemanipuleerd. Deze boon noemen ze de Roundup Ready sojaboon. Door genetische manipulatie is de sojaboon bestand tegen het onkruidbestrijdingsmiddel dat het bedrijf zelf heeft gemaakt. Dit middel maakt alles dood, behalve de door hun genetisch gemanipuleerde planten.

Omdat in de deze sector veel geld valt te verdienen, storen bedrijven zich niet aan de kritiek van organisaties als Greenpeace. Van genetische manipultaie krijgen veel mensen een beangstigend toekomstbeeld. Wat wel en niet mag in de moderne biotechnologie, wordt door wetgeving geregeld. Lange tijd is er discussie geweest of octrooi op kennis van DNA verleend kon worden. Want wat kan wel en niet en wat mag wel en niet?



Genetische modificatie



Het veranderen van DNA heet genetische modificatie. Hiermee verander je dus de erfelijke eigenschappen. Zo kun je bijvoorbeeld eigenschappen van een soort, in een ander soort plaatsen. Dieren waarbij dit gebeurt heten transgene dieren.

Genetische modificatie kent verschillende toepassingen: in de landbouw, in de voedingsmiddelenindustrie, in het medisch onderzoek, in de farmaceutische industrie of voor industriële toepassingen.

In de farmaceutische industrie wordt ook onderzoek gedaan naar genetisch gemodificeerde dieren die in de melk medicijnen produceren.



Gentherapie



Gentherapie is het kunstmatig inbrengen van een gen in het DNA van de mens, met als doel een slecht werkend gen te vervangen of een ontbrekend gen in te brengen.

Gentherapie als behandelingsmogelijkheid bij ernstige erfelijke ziekten is nog volop in onderzoek.



De risico’s van biotechnologie



Er zijn natuurlijk ook veel risico’s verbonden aan biotechnologie. Er is bijvoorbeeld voor veel dingen nog niet bekend welke gevolgen het kan hebben. Dat is een groot risico voor de mensen, de dieren of het milieu. Er zijn verschillende risico’s verbonden aan biotechnologie:

- bekende risico’s

- veronderstelde risico’s

- imaginaire risico’s

Bij bekende risico’s gaat het om risico’s die al zijn ondervonden. Het is bekend dat deze risico’s bestaan en kunnen gebeuren bij bepaalde ondernemingen.

Bij veronderstelde risico’s werd er wel gedacht dat een risico er zou bestaan bij een bepaalde onderneming, maar dit is niet zeker. Er worden testen gedaan om te bewijzen dat deze risico’s er ook zijn.

Imaginaire risico’s zijn risico’s waarvan de wetenschappers denken dat ze er niet zijn. Het kan natuurlijk wel zijn dat er onverwacht toch iets gebeurt. Dat kan altijd want het is alleen maar een veronderstelling, en deze kan altijd mis zijn.



Conclusie

Ik heb door het maken van dit werkstuk veel geleerd over biotechnologie. Eerst wist ik er helemaal niets over, maar door wat speurwerk weet ik nu best veel over het onderwerp en heb ik dus veel over biotechnologie geleerd.




REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

P.

P.

zoveel fouten! Antonie van Leeuwenhoek heeft de microscoop helemaal niet uitgevonden! ik heb er niet zoveel aan gehad, jammer, beter je best doen dan maar...

14 jaar geleden

M.

M.

Een mens heeft 46 chromosomen en geen 48...

8 jaar geleden

G.

G.

Bronvermelding zou lekker zijn.Dat moet met werkstukken toch gewoon altijd?

6 jaar geleden

J.

J.

dit is echt geen goed verslag het mist allemaal dingen en zit vol met fouten en dingen die niet waar zijn bijvoorbeeld wij hebben maar 46 chromosomen en niet 48

3 jaar geleden