WERKVERTALING PALLAS 3, H9: PLATO’S PROTAGORAS

DE GRONDVESTEN VAN EEN SAMENLEVING
(Protagoras, 320c2-323a4)

Een mythe of een betoog

1. Integendeel, Sokrates, zei hij, ik zal jou dit niet misgunnen; maar zal ik, als een oudere aan jongeren, het jullie aantonen door een mythe te vertellen of door het te behandelen in een betoog? Velen nu van degenen die bij hem zaten antwoordden om het zo te behandelen op welk van beide manieren hij wilde. Welnu, het schijnt mij toe, zei hij, dat het aantrekkelijker is om aan jullie een mythe te vertellen.

b. Er was eens . . .

1. Want (= luister!) er was eens een tijd waarin goden wél bestonden, maar sterfelijke soorten niet bestonden. Toen nu ook voor hen de tijd was gekomen, vastgesteld voor hun ontstaan, vormden goden in het binnenste der aarde hen, door hen uit aarde en vuur samen te stellen en uit die (elementen) die met vuur en aarde gemengd worden. En toen zij op het punt stonden hen naar het licht te brengen, droegen ze Prometheus en Epimetheus op (hen) toe te rusten en vermogens toe te delen aan (telkens) iedere soort, zoals het behoorde.
5. Epimetheus verzocht Prometheus zelf te (mogen) verdelen; “Als ik (ze) heb verdeeld,” zei hij, “moet jij inspecteren.” En na hem daartoe te hebben overgehaald, verdeelde hij (ze).

Epimetheus verdeelt de vermogens

1. Al verdelend kende hij aan de enen kracht zonder snelheid toe, de anderen, zwakkeren, rustte hij met snelheid uit; de enen bewapende hij, en voor de anderen, (hen) een ongewapende natuur gevend, verzon hij een ander vermogen tot behoud. Want welke van hen hij met kleinheid bekleedde, deelde hij vleugels toe om te vluchten of een onderaardse woonplaats; maar welke hij met grootte deed groeien, hen gaf hij juist daarmee hun behoud; ook de andere (soorten), op die manier evenwicht betrachtend, deelde hij (eigenschappen) toe.

5. En dat bedacht hij, ervoor zorg dragend dat niet één of andere soort werd vernietigd; toen hij nu aan hen ontsnappingsmogelijkheden uit wederzijdse vernietigingen had verschaft, bedacht hij, met het oog op de van Zeus afkomstige seizoenen, een verdedigingsmiddel door hen te bekleden met dichte haren en stevige huiden, geschikt om winter af te weren en in staat om ook zomerhitte (af te weren), en opdat voor hen, wanneer zij zich naar hun legersteden begaven, diezelfde dingen dienden als het eigen en natuurlijke bed voor ieder. En door de enen te schoeien met hoeven, en de anderen met stevige en bloedloze vellen.

10. Vervolgens verschafte hij de enen dit, de anderen dat voedsel, de enen plantenvoedsel uit de aarde, anderen vruchten van bomen, en weer anderen wortels; en er zijn er aan wie hij verleende, dat hun voedsel het vlees van andere dieren was; en de enen kende hij beperkte vruchtbaarheid toe, de anderen, die door die (soorten) als voedsel werden gebruikt, grote vruchtbaarheid, (daarmee) behoud aan de soort verschaffend.

Epimetheus heeft de mens vergeten

1. Welnu, omdat hij toch niet heel erg verstandig (bezig) was, had Epimetheus van zichzelf niet in de gaten dat hij de vermogens geheel verbruikt had voor de wezens zonder rede. Over bleef dus voor hem, nog van niets voorzien, de soort der mensen, en hij wist niet wat hij uit de kast moest halen. En terwijl hij in onzekerheid verkeerde, (daar) komt Prometheus bij hem om de verdeling te inspecteren, en hij ziet dat de ándere wezens aan alles evenwichtig deel hebben, maar dat de mens naakt en ook ongeschoeid en onbedekt en ongewapend is;

5. en reeds was ook nog eens de vastgestelde dag aangebroken, waarop ook de mens uit de aarde naar buiten moest komen naar het licht.

Prometheus steelt de kunst van het vuur maken

1. Aangezien hij dus in verlegenheid geraakt was, wat voor redmiddel hij voor de mens moest vinden, stal Prometheus de technische bekwaamheid van Hefaistos en Athena, en daarbij het vuur - want het was onmogelijk dat die (bekwaamheid) zonder vuur voor iemand bezitbaar of bruikbaar was -, en schonk die zo aan de mens.

5. Dus de vaardigheid met betrekking tot het leven (om zich in leven te kunnen houden) kreeg de mens hierdoor, maar de vaardigheid om zich in een gemeenschap te gedragen had hij niet; want die was bij Zeus. Voor Prometheus was er niet meer voldoende tijd de burcht, het huis van Zeus, binnen te gaan – en daarbij nog waren ook de wachten van Zeus afschrikwekkend -, maar het gezamenlijke vertrek van Athena en Hefaistos, waarin zij beiden hun kunst beoefenden,

10. kwam hij ongemerkt binnen, en nadat hij de vuurkunst van Hefaistos en die andere van Athene had gestolen, gaf hij die aan de mens, en ten gevolge hiervan viel aan de mens een overvloed in zijn manier van leven ten deel, maar de straf voor diefstal kwam later voor Prometheus dankzij Epimetheus, zoals verteld wordt.

De eerste levensjaren van de mens

1 Toen de mens deel kreeg aan het goddelijk privilege,betuigde hij eerst, vanwege zijn verwantschap met de godheid, als enige van de levende wezens zijn geloof aande goden, en ging ertoe over altaren op te richten en beelden van goden; daarna ontwikkelde hij spoedig met vaardigheid (het gebruik van) gearticuleerde taal en woorden, en vond hij woonplaatsen uit

5 en kleren en schoenen en bedden en de voedingsmiddelen uit de aarde. Welnu, zó toegerust woonden de mensen aanvankelijk verspreid, en steden waren er niet; ze werden dus te gronde gericht door de dieren doordat ze in alle opzichten zwakker waren dan zij (door het . . . zwakker zijn), en de praktische bekwaamheid was voor hen met het oog op voedsel (weliswaar)

10 voldoende hulp, maar met het oog op de strijd tegen de dieren ontoereikend – want bekwaamheid om een stadsstaat te besturen hadden zij nog niet, waarvan krijgskunst een deel is -; ze probeerden zich te verzamelen en te redden door steden te stichten; wanneer ze zich nu verzameld hadden, brachten ze elkaar schade toe doordat ze de bestuurskunst niet hadden, zodat ze wederom, zich verspreidend, omkwamen.

Zeus grijpt in

1 Zeus nu, bang geworden voor onze soort, (namelijk) dat die geheel te gronde ging, zendt Hermes, die naarde mensen ontzag en recht brengt, opdat ze de organisatiebeginselen van steden zijn en de samenhechtende banden van vriendschap. Hermes vraagt Zeus (Di§a met hoofdletter!) nu op welke manier nu hij recht en ontzag aan de mensen moet geven: ‘Zoals de vaardigheden verdeeld zijn, moet ik zo ook dié verdelen? Ze zijn als volgt verdeeld: één persoon, die de geneeskunde heeft, is voldoende voor vele

5 leken, en zo ook de andere vaklieden; moet ik dan ook recht en ontzag zó onder de mensen brengen/zetten, óf moet ik ze over allen verdelen?’ ‘Over allen’, zei Zeus, ‘en allen moeten eraan deel hebben. Want er zouden geen steden (kunnen) ontstaan, als weinigen daaraan deel zouden hebben, zoals aan andere bekwaamheden; stel ook een wet in op mijn gezag (van mij) om hem die niet

10 in staat is aan ontzag en recht deel te nemen, te doden, als een ziekte voor (van) de stad’.

De betekenis van de mythe

1 Zo menen, Sokrates, ook daarom de anderen en ook de Atheners, telkens wanneer de bekwaamheid van een timmerman of een andere bekwaamheid van de handwerksman ter sprake komt, dat weinigen deel hebben aan overleg, en wanneer iemand die niet tot die kleine groep behoort advies geeft, verdagen ze dat niet, zoals jij zegt – logischerwijs, volgens mij – maar wanneer zij overgaan op het overleg over de bekwaamheid om een stadstaat te besturen, die in haar geheel moet berusten op rechtvaardigheid

5 en wijsheid/ingetogenheid, verdragen zij elke man, omdat het in hun ogen (wJ~ + ptc.) voor iedereen passend is om deel te hebben aan die bekwaamheid of dat er anders geen stadstaten kunnen bestaan. Dat is, Sokrates,de reden hiervan.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.