Criminaliteit

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Scriptie door een scholier
  • Klas onbekend | 6227 woorden
  • 2 maart 2005
  • 46 keer beoordeeld
  • Cijfer 7
  • 46 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
1. Criminaliteit
1.1 Definities
Criminaliteit is het begaan van een handeling welke verboden is in de wet op straffe van een door de rechter te bepalen geldboete en/of gijzeling (gijzeling is opsluiting in een politiecel, inrichting of gevangenis)
Wanneer er over criminaliteit gesproken wordt gaat het over het begaan van misdrijven, bij minder ernstige misdrijven of overtredingen wordt soms gesproken van kleine criminaliteit.
Een crimineel is:

een persoon welke door een rechter veroordeeld is voor een misdrijf en zijn straf nog niet heeft voldaan
Een persoon welke één of meerdere malen door een rechter is veroordeeld voor een misdrijf, ongeacht of de persoon de opgelegde straf heeft voldaan

2Criminaliteit of misdadigheid, de verzameling van uiteenlopende menselijke gedragingen die door de overheid strafbaar zijn gesteld: van het opbellen met een portable telefoon vanuit de auto tot het witwassen van met de handel in verboden diersoorten verkregen vermogen, en van het vervaardigen van kinderporno tot het handelen met voorkennis op de beurs (een vorm van witteboordencriminaliteit).
Officieel valt onder criminaliteit al wat als strafbaar feit in enige wet is omschreven. Het meeste daarvan is te vinden in het Wetboek van Strafrecht (Nederland) of het Strafwetboek (België), maar vele andere wetten bevatten eveneens strafbepalingen (in Nederland bijv. de Vuurwapenwet, de Opiumwet en de Wegenverkeerswet; in België bijv. de Wet tot beteugeling van de landloperij en de bedelarij, het Verkeersreglement).
© 1993-2003 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden.

³Het begrip criminaliteit is een subcategorie van delinquentie en omvat ernstige wetsovertredingen zoals geweldsdelicten, zedendelicten, inbraken en brandstichting. Deze subcategorie onderscheiden we van kleine delicten zoals eenvoudige diefstallen en verkeersovertredingen waarbij medemensen niet in ernstig gevaar worden gebracht.
Bij jeugdigen moeten we crimineel gedrag en kleine delicten onderscheiden van zogenaamde statusdelicten. Dit zijn wetsovertredingen die alleen gelden voor minderjarigen. Typische voorbeelden zijn weglopen, spijbelen drug- of alcoholgebruik .


1.2 Onderverdeling

(kort samengevat)
• Computercriminaliteit
• Dierenmishandeling
• Drugs
• Georganiseerde criminaliteit
• Geweld
• Incest
• Jeugdcriminaliteit
• Kindermishandeling
• Mishandeling
• Moord en doodslag
• Overval
• Straatroof
• Stropen
• Wapenhandel
• Zakkenrollen
• Zedenzaken

1.3 Is er sprake van een toename van de criminaliteit
1.3.1 De feiten

Vergelijkende tabel van België over het laatste decennia:
Aard van het misdrijf 1994 1998 2002

Misdaden en wanbedrijven tegen de persoon
en het gezin 27624 25119 21269

Doodslag 110 155 91

Opzettelijke slagen en verwondingen 4702 3991 3511

Onopzettelijke doding 482 420 400

Onopzettelijke slagen en verwondingen 20452 18468 15761

Misdaden en wanbedrijven tegen de eigendom 14271 12497 11384

Diefstal 8554 6730 6382

Diefstal met geweld of bedreiging 2121 2126 1893

Misdaden en wanbedrijven tegen de openbare
orde en veiligheid 5785 5724 5276

Verkeer 104043 102555 106510

Verdovende middelen 5343 4491 3510

Hoewel het aantal geregistreerde misdrijven is gestegen is het is heel moeilijk om een toename te interpreteren, omdat de sociale en economische omstandigheden constant veranderen. Zo kunnen de verkeersovertredingen wel toegenomen zijn (zie tabel) maar de snelheidscontroles zijn ook toegenomen.

In alle geïndustrialiseerde rijke landen, behalve Japan, steeg sinds W.O.I de criminaliteit met een factor die ligt tussen 2 en 6(Rutter & Smith, 1995).
Toch zijn er tussen deze landen grote verschillen: In Spanje nam de criminaliteit de afgelopen 40 jaar almaar toe, terwijl in de V.S., Canada en Australië sinds 1980 een daling werd vastgesteld.

Trends worden ook waargenomen als we kijken naar specifieke misdrijven maar zijn wel moeilijk te vergelijken. Zo is carjacking een trend die ongeveer 10 jaar geleden opkwam en het is dan ook nutteloos om het aantal carjackings van het jaar 2004 te gaan vergelijken met die van het jaar 1990. Over moorden echter zijn de statistieken vrij precies en daarom goed vergelijkbaar. De stijging van het aantal moorden in de geïndustrialiseerde landen blijkt minder sterk te zijn toch blijft het verschil tussen de Europese landen en de Verenigde Staten groot. Wat uiteraard het gevolg is van het wapenbezit dat tienmaal hoger ligt in de V.S.Het aantal slachtoffers van moord door 15- tot 24-jarigen is in de Verenigde Staten15,3 per honderdduizend inwoners tegenover 0,8 in Europa.

1.3.2 Mogelijke verklaring

Soms moeten we de verklaring niet ver zoeken: in tegenstelling tot drie decennia geleden hebben nu miljoenen mensen allerlei verzekeringen. Zelfs de kleinste diefstal wordt aangegeven om bij de verzekeringsmaatschappij een schadevergoeding te declareren.
Niet alle statistische veranderingen kunnen zo eenvoudig verklaard worden, vooral de vormen van ernstige criminaliteit en trends in de criminaliteit niet. Smith en Rutter (1995) vinden dat de sociale -controletheorie van Sampson en Laub de verschillende theoretische invalskoeken het best intrigeert (sampson en Laub, 1993). Smith en Rutter menen namelijk dat de psychologische, sociologische en economische veranderingen aan de basis liggen van de toename van de “ernstige” criminaliteit. De theorie van Sampson en Laub verklaart in eerste instantie waarom mensen normaal gezien geen delinquente daden plegen. Dit gedrag wordt verhinderd door de pijnlijke of vervelende gevolgen door het optreden van formele en informele controle. De meeste invloed hebben informele sancties die in het gezin, de buurt en op school op afwijkend gedrag volgen. (Dus kinderen met een strenge opvoeding hebben later meer kans om op het rechte pad te blijven.) Formele sancties van het justitiële systeem hebben minder effect. (Strengere straffen zouden de trends nauwelijks of niet beïnvloeden.)
Sociaal en economisch zijn de westerse landen sinds 1950 er zeker op vooruitgegaan: de economische groei is nooit zo groot geweest en in de meeste westerse landen is enorm veel gedaan aan volkshuisvesting en welzijnswerk. Niettemin zijn we juist in deze periode een grote stijging van de criminaliteit dit komt door een algemene stijging van de werkloosheid in de westerse landen. Het is dus niet makkelijk om de invloed van sociale en economische omstandigheden op criminaliteit te verklaren. Op gezinsniveau kan het verlies van een baan ernstige gevolgen hebben voor de sociale contacten en dit kan een vermindering van de informele sociale controle teweegbrengen, maar als de werkloosheid op nationaal niveau sterk toeneemt zijn er zoveel lotgenoten dat er in mindere mate sprake is van een verlies van sociale bindingen.

2. Jeugdcriminaliteit

Jeugdcriminaliteit is een verzamelbegrip voor een aantal strafbare gedragingen door jongeren van 0-24 jaar. Dan wordt vooral gekeken naar de groep van 12 tot 18 jaar. Het kan daarbij gaan om het gedrag van jongeren als ze opgroeien, waarbij soms ver over de normen en waarden wordt gegaan. Het gaat dan over het zogenaamde 'doorgeschoten gedrag' van kinderen/pubers. (Dit is niet het gedrag van kinderen die het één en ander aan het uitproberen zijn, wat er op die leeftijd bij hoort.) Racistisch geweld hoort daar wel bij. Het gaat bijvoorbeeld om het steeds maar weer plegen van strafbare feiten (bijvoorbeeld diefstal) om allerlei luxe dingen te kunnen gaan doen of aanschaffen. Je kunt ook zulk gedrag gaan vertonen omdat dit strafbare gedrag de groepsnorm is (het is gewoon binnen de groep) en jij daar wel heel graag bij wilt horen.
Het gedrag van jongeren in de leeftijd van (ongeveer) 12 tot 20 jaar dat schade en/of overlast voor personen en/of goederen ten gevolg heeft. Bijvoorbeeld het plegen van geweld, stelen, overvallen en bedreigen. Het jeugdstrafrecht richt zich op jongeren van 12 tot 18 jaar.

“Jeugdcriminaliteit is een verzamelbegrip waaronder een grote diversiteit aan strafbare gedragingen wordt samengevat. Deze variëren van incidenteel, normoverschrijdend opgroeigedrag dat kan worden gezien als een doorgeschoten uiting van het “normale” of “gezonde” experimenteergedrag van kinderen, pubers en adolescenten, tot racistisch geweld en het stelselmatig plegen van delicten om bijvoorbeeld een verslaving te bekostigen, er een dure leefstijl op na te houden of deel uit te maken van een subcultuur waarbinnen delinquent gedrag groepsnorm is.” De facetten van jeugdcriminaliteit

2.1.1 Begripsafbakening

Delinquentie, criminaliteit en misdadigheid zin begrippen die vaak door elkaar gebruikt worden en die niet altijd even makkelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Een precieze definitie is belangrijk om diverse redenen. Het is bijvoorbeeld van belang om statistische gegevens over delinquent gedrag goed te kunnen interpreteren en met elkaar te vergelijken. Ook vanuit klinisch oogpunt moeten de groepen goed van elkaar worden afgebakend, omdat een behandeling die alleen werkt op een bepaalde groep delinquenten (bijv. diegenen die zedenmisdrijven hebben gepleegd) misschien helemaal niet werkt of het omgekeerde effect heeft op een andere groep (bijv. mensen die geweldsdelicten hebben gepleegd).

De mees gangbare definitie gaat uit van de wet : “delinquent gedrag is het plegen van een strafbaar feit volgens het Wetboek van Strafrecht “; het is dus een juridisch begrip. De wet omvat echter een zeer brede waaier van strafbare feiten. Dit varieert van verkeersongelukken tot doodslag. Het is vanzelfsprekend dat een dergelijk algemeen en breed begrip voor wetenschappelijk onderzoek, voor de juridische praktijk en voor het algemeen beleid onbruikbaar is. Daarom gaat men delinquentie verdelen in subcategorieën.

Het begrip criminaliteit is een subcategorie van delinquentie en omvat ernstige wetsovertredingen zoals geweldsdelicten, zedendelicten, inbraken en brandstichtingen. Deze subcategorie onderscheiden we van kleine delicten zoals eenvoudige diefstallen en verkeersovertredingen waarbij medemensen niet in ernstig gevaar worden gebracht.
Bij jeugdigen moeten we crimineel gedrag en kleine delicten ook nog onderscheiden van de zogenaamde statusdelicten. Dit zijn wetsovertredingen die alleen gelden voor minderjarigen. Typische voorbeelden zijn weglopen, spijbelen, drug - of alcoholgebruik.

De volgende formule vat al deze onderscheidingen van de hoofdcategorie “jeugddelinquentie” samen:

Jeugddelinquentie = crimineel gedrag + kleine delicten + statusdelicten

2.1.2 Verschillende categorieën van delinquente jongeren

Zoals hierboven al is aangegeven, is de groep jeugdige delinquenten allesbehalve een homogene groep. Volgens Le Blanc behoort meer dan 80 procent van de daders tot de categorie “gelegenheidsdelinquenten”. Dat wil zeggen dat zij gedurende een korte periode minder ernstige vormen van delicten plegen. Het zijn vooral adolescenten die tot deze categorie behoren en dit gedrag kan min of meer beschouwd worden als onderdeel van ontwikkeling naar volwassenheid. Het complexe sociale leven stelt hoge eisen aan hun aanpassingsvermogen en ze testen met hun normoverschrijdend gedrag de grenzen van het toelaatbare. Het plegen van delicten is een vorm van uitdagend gedrag, van bravoure of van machoachtig optreden.

Minder dan 10 procent kan als “tijdelijke delinquenten” worden omschreven. Zij plegen min of meer ernstige delicten van verschillende aard, maar gedurende een welomschreven periode. Dit moet worden gezien als een reactie op bijzondere problemen die de adolescent in zijn leven ontmoet, zoals gezinsconflicten of problemen of school. Aan het einde van de adolescentieperiode kan de overgang naar volwassen zelfstandigheid ook aanleiding zijn om gedurende een zekere periode te vervallen in misdrijven.

Slechts 1 procent zou behoren tot de groep “recidiverende delinquenten” bij wie het delinquente gedrag gestabiliseerd is. Dit gedrag komt bij hen al op jonge leeftijd voor: ze plegen meerdere verschillende delicten, waaronder zeer ernstige en hun delinquente carrière zet zich door tot in de volwassenheid.

De frequentie en de ernst van de gepleegde delicten zijn criteria die worden gehanteerd om de delinquenten in te delen. Zo deelde Jan Terpstra de delinquente jongeren op het “Jeugd Preventie Project” in het land van Cuijck in als volgt:
a) Jongeren met probleemgedrag
b) “First offenders”: jongeren bij wie delictgedrag als een incident wordt beschouwd.
c) Jongeren met licht delictgedrag, waarbij een proces-verbaal wordt opgemaakt en waarna heenzending volgt.
d) Jongeren die ernstige of veelvuldig delicten plegen en die in bewaring blijven. Bij deze jongeren wordt doorgaans vroeg hulp geboden.
e) Jongeren die enige tijd in detentie hebben doorgebracht en weer terugkeren in de samenleving.

2.1.3 Statistische gegevens: de westerse landen

De United Nations Crime Survey, waarin de criminaliteit in negentig landen over de jaren 1975, 1980 en 1986 werd vergeleken, wijst erop dat vergelijken van de landengegevens uiterst moeilijk is. Dit komt onder meer doordat de leeftijd waarop men meerderjarig wordt verschilt, doordat andere gerechtelijke procedures ten aanzien van minderjarigen van toepassing zijn, of doordat de wetgeving sterk verschilt. In de meeste westerse landen is de meerderjarigheidsgrens achttien jaar, maar de minimumleeftijd waarop men voor misdrijven verantwoordelijk kan gesteld worden, is voor elk land verschillend. In Nederland is die minimumleeftijd twaalf jaar, in België achttien in Duitsland veertien jaar, in Frankrijk dertien jaar en in de Verenigde Staten tien jaar.
Een gelijkenis die wel opvalt bij de westerse landen is de tendens om minderjarigen uit het gerechtelijk systeem te halen, dat wil zeggen dat na arrestatie minderjarigen minder kans lopen om vervolgd en veroordeeld te worden. Ook worden jongens vaker dan meisjes veroordeeld, meisjes worden na vervolging gemakkelijker vrijgesteld van veroordeling.

Enkele voorbeelden:

België:
In ons land nam de misdadigheid tussen 1960 en 2000 met een factor 6 toe. In 2000 werden 1.010.285 delicten geregistreerd dat is ongeveer 10 procent van het toenmalige bevolkingsaantal (10 135 000). Deze stijging geldt ook voor de groep minderjarige delinquenten: in 1950 waren er zevenduizend en in 1992 bijna zestigduizend. In 90 procent van de gevallen gaat het om jongens en de helft hiervan is tussen de zestien en achttien jaar oud (Coslin, 1996). De delicten van jeugdigen zijn over de volgende categorieën verdeeld: vandalisme 7 procent, eenvoudige diefstallen en heling 17 procent, andere vermogensdelicten 35 procent (motor- en bromfietsdiefstallen alleen: 14%). Het aantal autodiefstallen is sterk toegenomen. Bij winkeldiefstallen is een kwart van de aangehouden personen minderjarig, terwijl 38 procent van het vrouwelijk geslacht is. Overtredingen op de drugswetgeving omvat 4 procent van de jeugddelinquentie in België en geweld tegen personen ongeveer 10 procent.

Verenigde Staten:
In de Verenigde Staten is tussen 1980 en 2000 het aantal jeugdigen dat in hechtenis werd genomen met 66 procent gestegen, ondanks een daling van de jeugdpopulatie (populatie onder 18). In 2000 werden namelijk 2,8 miljoen personen onder de 18 aangehouden wegens een misdrijf. Samen namen ze 16 procent van alle misdrijven voor hun rekening. In de laatste twee decennia betroffen de rechtbankzaken in 65 procent van de gevallen blanke jongeren en in 31 procent ging het om zwarten (In de totale jongerenpopulatie zijn er 80 procent blanken en 15 procent zwarten).

Verenigd Koninkrijk:
In het Verenigd Koninkrijk steeg de jeugdcriminaliteit in tien jaar tijd met 54 procent, maar zoals al eerder gezegd daalde het aantal minderjarigen dat schuldig werd bevonden in dezelfde periode van 200 duizend tot 150 duizend. Van het totale aantal misdrijven wordt een onevenredig groot aantal gepleegd door minderjarigen: twee op de vijf aangehouden verdachten waren jonger dan 21 en een vierde was jonger dan achttien jaar.

2.1.4 Jongens en meisjes

Meisjes spelen nauwelijks een rol in de criminaliteitsstatistieken, hierin is in België sinds 1950 weinig verandering in opgetreden. In 1952 was het percentage meisjes van het totaal aantal verdachte minderjarigen 9,1 procent, in 1985 was er een piek van 12,8 procent en in 1993 was er opnieuw een daling tot 10,8 procent. Als wordt gekeken naar de aard van de geregistreerde delicten bij meisjes, dan gaat het in meer dan 80 procent van alle gevallen om vermogensdelicten. Winkeldiefstal is het meest voorkomende meisjesdelict. In de categorie “geweld tegen personen” spannen de jongens de kroon, er worden namelijk 10 keer zoveel jongens voor dit soort delicten opgepakt dan meisjes.
De politiegegevens over verschillen tussen jongens en meisjes worden bevestigd door 'self-report'-onderzoek. Jongens plegen vaker en ernstiger delicten dan meisjes. De verschillen zijn het minst groot bij de minder ernstige delicten (Junger-Tas, 1992). We kunnen eigenlijk besluiten dat in de literatuur over jeugdcriminaliteit met jongeren of jeugd in feite jongens worden bedoeld.
De verschillen in delinquent gedrag tussen jongens en meisjes worden door cross-cultureel onderzoek bevestigd (Rowe, 1995). In sterk verschillende samenlevingen zoals Brunei, de Fiji-eilanden, Japan en Duitsland worden vijf tot vijftig keer meer mannen dan vrouwen gearresteerd. Mannen worden ook veel meer gearresteerd voor ernstige delicten. Mannen zijn vaker pleger en slachtoffer van moord. Het meest voorkomende delict bij vrouwen is diefstal en bij mannen komen verkeersdelicten het meest voor. Geweldsdelicten komen bij 32,6 procent van de mannen voor en bij 16,7 procent van de vrouwen die een strafregister hebben. Alcohol en seksuele misdrijven komen voor bij 2,3 procent van de mannen die een strafregister hebben en bij geen van de vrouwen (in andere landen is dat anders als bijvoorbeeld prostitutie als een misdrijf wordt gezien).

‘Self-report'-onderzoek in het Verenigd Koninkrijk wijst eveneens op sterke verschillen tussen jongens en meisjes: een op twee jongens en een op drie meisjes geven toe ooit een delict te hebben gepleegd. Een op vierjongens en een op acht meisjes geven toe het afgelopen jaar (dit was in 2002) een delict te hebben gepleegd. De piek ligt bij meisjes rond 16 jaar en bij jongens rond 21 jaar. Vanaf zestien jaar is er bij meisjes een sterke daling in de ‘self-reported’ delicten. Twintigjarige vrouwen plegen vijf keer minder delicten dan adolescente meisjes. Bij jongens daarentegen stijgt het aantal delicten tot achttien jaar en blijft dan stabiel tot ongeveer 25-jarige leeftijd.

2.1.5 Samenvatting

Ongeveer 3 tot 4 procent van de jongeren in België komt in aanraking met de politie, en het gaat dan meestal om diefstal. Het aantal geweldsdelicten is weliswaar gestegen, maar blijft voor geheel België beperkt tot jaarlijks enkele duizenden. Uit de feiten kan niet warden afgeleid of er echt sprake is van een structurele toename van de geweldsdelicten. Het is daarom onjuist, ondanks de waargenomen veranderingen, de jeugdcriminaliteit in zijn geheel als ‘zich verhardend’ te kenschetsen. De mythe dat de Europa onveilig wordt gemaakt door jeugdige criminelen, is hiermee verworpen. Ook is er geen sprake van criminele 'gangs' of jeugdbendes zoals in Amerika dat wel het geval is. De invloed van de media op de publieke opinie, via het uitoefenen van druk op de politie, is blijkbaar zeer groot. Als bijvoorbeeld alle vechtpartijen in en rond disco’s meegeteld worden in de statistieken, stijgen de statistieken voor het aantal verdachten van geweldsdelicten in bepaalde regio’ s met 150 tot 218 procent.
Meisjes spelen nauwelijks een rol in de criminaliteitsstatistieken. De opvatting dat meisjes crimineler zijn geworden, is onjuist.

2.2 Risicofactoren en beschermende factoren
2.2.1 Factoren van antisociaal gedrag

Nu ga ik op zoek naar de belangrijkste factoren die samengaan met een ontwikkeling naar een criminele carrière. De risicofactoren zijn factoren die als ze aanwezig zijn ofwel een risico voor een criminele ontwikkeling vormen, ofwel er een drempel voor opwerpen. Dit betekent nog niet dat er een verband is tussen deze factoren en het al dan niet voorkomen van delinquent gedrag. Een verband is moeilijk aan te tonen (Loeber, 1990), er kan ook sprake zijn van een toevallige samenloop van omstandigheden. Om een oorzakelijk verband vast te stellen, moeten causale modellen in experimenteel onderzoek getest worden, maar om praktische en ethische redenen is zulk onderzoek vaak niet mogelijk. Dank zij het pionierswerk van de Gluecks in de jaren vijftig is al lang bekend welke factoren samenhangen met antisociaal gedrag. Dus om delinquent gedrag van jeugdigen te verklaren, moet een brede waaier van individuele factoren en omgevingsvariabelen in beschouwing genomen worden. Om alvast duidelijkheid te verschaffen noem ik hier de belangrijkste risicofactoren:

a) Problematische gezinsrelaties, hiermee bedoelt men problemen in de relaties tussen gezinsleden, een gebrekkige gezinscommunicatie kan hieraan aan de basis liggen.
b) Gebrekkige opvoedingsmethodes, zoals te weinig toezicht, te weinig of niet disciplinair optreden van de ouders en inconsequent handelen van de ouders.
c) Problemen bij ouders, zoals crimineel gedrag, psychische problemen en alcohol- of druggebruik.

We zien al meteen dat vooral ouders en het gezin als mogelijke risicofactoren worden genoemd. Toch moet hier niet onmiddellijk aan een oorzakelijk verband gedacht worden. De kinderen kunnen zodanige eigenschappen hebben dat de ouders er geen raad mee weten, of er spelen andere factoren een rol die het gedrag van zowel de ouders als het kind beïnvloeden. We moeten dus uitermate voorzichtig zijn met het trekken van conclusies.

Bekende protectieve factoren zijn:
a) positieve relaties met leeftijdgenoten
b) goede schoolprestaties
c) een behoorlijke vrijetijdsbesteding;
d) een positieve relatie met autoriteitsfiguren.

Loeber en anderen deden in de jaren negentig onderzoek naar de invloed risicofactoren en beschermende of protectieve factoren. Zij definieerden een risicofactor als een factor die in het kind ligt of in de sociale omgeving die de kans op een negatief resultaat verhoogt. Een protectieve factor vermindert deze kans of verhoogt de kans op een positieve ontwikkeling.

Onderzoekers hanteren verschillende invalshoeken met betrekicing tot risicofactoren en protectieve factoren. Sommige factoren kunnen zowel protectief als risico-inhoudend zijn: bijvoorbeeld intelligentie is een protectieve factor bij iemand met een hoog IQ en een risicofactor bij iemand met een IQ onder een bepaald niveau Een tweede groep onderzoekers legt de nadruk op het interactie-effect (fysieke agressie is geen risico als het kind zich in een veilig milieu bevindt).

Stouthamer e.a. toonden aan dat de meeste variabelen zowel een protectief als een risico-effect hebben. Zij onderzochten drie groepen van vijfhonderd jongens die respectievelijk 7, 10 en 13 jaar oud waren. Het ging om leerlingen van openbare scholen in Pittsburgh . De ene helft was zwart, de andere helft blank. Van deze jongens leefde 40 procent in een eenoudergezin en 40 procent van de ouders leefden van sociale bijstand (de meeste blanke kinderen uit de hogere sociale klassen gaan in de Verenigde Staten niet naar de openbare scholen). Onderzocht werd in hoeverre 35 onafhankelijke variabelen een protectief, een neutraal of negatief (risico-)effect
hadden op variabel delinquent gedrag. Het delinquent gedrag werd onderverdeeld in de categorieën niet-delinquent, licht delinquent en ernstig delinquent. De onafhankelijke variabelen waren bijvoorbeeld het voorkomen van drugsgebruik, instelling op school, gedrag van leeftijdgenoten, aantal kinderen in het gezin, sociale klasse, relatie met de ouders, schoolprestaties, ADHD (= attention deficit hyperactivity disorder), enzovoort. De hypothese dat de meeste variabelen zowel een protectief als een risico-effect hebben, werd bevestigd. Weinig variabelen hadden alleen een risico-effect; dit gold bijvoorbeeld wel voor ADHD, oppositioneel opstandig gedrag, de attitudes van het kind, de stress die de verzorger beleeft en sommige demografische variabelen. Geen van de 35 variabelen had alleen een protectief effect.

2.2.2 Rolf Loeber


Rolf Loeber (1942, Hilversum) vertrok na voltooiing van zijn studie klinische psychologie aan de Universiteit van Amsterdam eind jaren zestig naar Canada. Daar deed hij werkervaring op als psychometrist, psycholoog en onderzoeker aan het Kingston Psychiatrisch Ziekenhuis in Ontario. Sinds 1984 is Loeber verbonden aan de universiteit van Pittsburgh, waar hij in 1993 werd benoemd tot hoogleraar psychiatrie, epidemiologie en psychologie. De genaturaliseerde Canadees geldt in de Verenigde Staten als een van de meest geciteerde auteurs op het terrein van de psychologie en criminologie. Hij is regelmatig in Nederland, waar hij een hoogleraarschap psychopathologie bekleedt (aan de Vrije Universiteit). Sinds 1998 is Loeber medevoorzitter van de VU-studiegroep Ernstige en Gewelddadige Jeugddelinquentie

2.3 Verklaringstheorieën
2.3.1 Biologische verklaringen

Het is evident dat biologische eigenschappen het menselijke gedrag beïnvloeden, maar het is de vraag hoe die eigenschappen moeten gemeten worden en welk gedrag er moet worden geselecteerd om een mogelijk verband na te gaan. Er is niets zoals een ‘misdaad-gen’, maar genen kunnen proteïnen en enzymen opwekken waardoor fysiologische processen in gang worden gezet die bij het individu een geneigdheid tot het begaan van crimineel gedrag tot stand brengen. Of die geneigdheid ook leidt tot daadwerkelijk crimineel gedrag, hangt af van omgevingsinvloeden en van andere persoonlijkheidsvariabelen. Bij dit laatste speelt de vrije wil van het individu ook een rol.
Er is meestal sprake van een complexe interactie tussen erfelijke factoren en sociale invloeden en het is nooit mogelijk op individueel niveau crimineel gedrag te voorspellen op grond van erfelijkheidsonderzoek. Omgevingsfactoren kunnen wel de genetisch bepaalde geneigdheden aanwakkeren als de sociale controle bijvoorbeeld wegvalt (bijv bij oorlog of andere rampen) dan vallen de remmingen weg, waardoor veel individuen zich ernstig antisociaal of crimineel gaan gedragen.

Bij de biologische verklaringen gaat het niet alleen om genetische factoren, hoewel de genen wel bepalend zijn voor de meeste biologische eigenschappen. Vanuit een wat andere invalshoek spelen ook de volgende biologische factoren een rol: lichamelijke gevolgen van geboortecomplicaties of van hoofdwonden, lichamelijke afwijkingen, lichaamsbouw, lichamelijk gevolgen van luchtverontreiniging of een slechte voeding.

2.3.2 Genetische factoren

Om de invloed van genetische factoren precies te bepalen, worden tweelingen en geadopteerde kinderen onderzocht. In tweelingenonderzoek wordt het gedrag van eeneiige tweelingen die genetisch identiek zijn, vergeleken met twee-eiige tweelingen die net zoals gewone broers en zussen slechts voor een gedeelte genetisch gelijk zijn. De mate waarin gelijkenissen tussen eeneiige tweelingen met betrekking tot een eigenschap groter zijn dan de gelijkenissen tussen twee-eiige tweelingen, levert bewijs voor de stelling dat die eigenschap genetisch beïnvloed is. Raine citeerde in 1993 dertien onderzoeken waarin wordt aangetoond dat er tussen eeneiige tweelingen 51,5 procent overeenstemming is wat criminaliteit betreft (dus als de ene crimineel wordt, is er 50 procent kans dat de andere het ook wordt), terwijl er bij twee-eiige tweelingen slechts 20,6 procent overeenstemming is.

In adoptiestudies wordt onderzoek verricht naar mensen die niet door hun biologische ouders maar door niet-verwante adoptieouders zijn grootgebracht. De veronderstelling is dat gelijkenissen tussen het criminele gedrag van de geadopteerden en hun biologische verwanten, veroorzaakt zijn door de erfelijke verwantschap. Een zeer bekend adoptieonderzoek werd in Denemarken door het team van Mednick verricht in 1984. Mednick en zijn team onderzochten 14 427 adopties die tussen 1927 en 1947 hadden plaatsgevonden. Als zowel de adoptieouders als de biologische ouders niet crimineel waren, liep slechts 13,5 procent van de geadopteerde kinderen een veroordeling op voor crimineel gedrag. Dit steeg tot 14,7 procent Als de adoptieouder crimineel was maar de biologische ouder niet, en tot 20,0 procent als de biologische ouder crimineel was en de adoptieouder niet. Als in beide gevallen de ouders crimineel waren, steeg het percentage criminele geadopteerden tot 24,5. Een curieus resultaat was dat dit erfelijke effect slechts gold voor diefstallen en niet voor geweldsdelicten!

Fishbein echter wijst erop dat bij de toekenning van een kind aan een adoptiegezin rekening wordt gehouden met kenmerken van de biologische ouders. Ook worden de kinderen vaak pas geruime tijd na de geboorte geadopteerd, zodat we in plaats van de erfelijke invloeden in feite de gevolgen meten van het ontbreken van een vaste moederfiguur tijdens de eerste levensmaanden.

Hoewel het weinig zinvol is in het algemeen te stellen dat criminaliteit erfelijk is, kan moeilijk worden ontkend dat een genetische geneigdheid voor criminaliteit in zekere mate aanwezig is. Het meeste bewijsmateriaal daarvoor wordt geleverd voor de stelling dat crimineel gedrag het gevolg is van een interactie tussen erfelijkheid en omgevingsinvloeden. Als ongunstige erfelijke factoren (bijv. een biologische ouder die crimineel is) en ongunstige omgevingsinvloeden (opvoedingstekorten of een stiefouder die crimineel is) samen voorkomen, is de kans op criminaliteit bij het kind 40 procent, tegenover 12,1 procent als slechts ongunstige erfelijke factoren aanwezig zijn, 6,7 procent bij ongunstige omgevingsfactoren, en 2,9 procent als geen van beide aanwezig zijn.

Met betrekking tot erfelijke oorzaken van crimineel gedrag kunnen we concluderen dat nog veel onderzoek verricht moet worden, en dat gedragswetenschappers zich er meer bewust van moeten zijn dat de invloed van genen ook afhankelijk is van rijping en omgevingsfactoren.

2.3.3 Intelligentie

Reeds voor de Eerste Wereldoorlog begon onderzoek naar de relatie tussen intelligentie en crimineel gedrag. Sindsdien werd er in honderden studies aangetoond dat delinquenten systematisch een lager intelligentiequotiënt vertonen (gem 10 punten). Zwakbegaafden hebben vaak hun secundair onderwijs niet afgemaakt, daarom zal de jeugdrechter plaatsing in een internaat met een interne opleiding voor deze jongeren het meest aangewezen achten. Soms is het omgekeerd: sommige instellingen weigeren zwakbegaafden op te nemen, vandaar de soms tegenstrijdige resultaten in de onderzoeken.

De relatie tussen intelligentie en delinquentie wordt ook beïnvloed door andere factoren. Minder intelligente kinderen spijbelen vaker en komen daardoor meer in de gelegenheid om delicten te plegen. Of zij hebben vaak zwak begaafde ouders die over gebrekkige opvoedingsvaardigheden beschikken. De verklaring dat een zwakke intelligentie ook de pakkans verhoogt en daardoor de relatie tussen IQ en delinquentie versterkt, gaat niet helemaal op. Uit 'self-report'- onderzoek blijkt namelijk dat zwakbegaafden tweemaal zoveel delicten aangeven. Als verklarende factor staat intelligentie wellicht niet in een direct verband met delinquent gedrag. Een lage intelligentie leidt tot mislukkingen op school, met als gevolg een lage zelfwaardering, veel frustratie en dus agressie.

2.3.4 Leerproblemen

In de jaren zeventig dacht men in de Verenigde Staten een goedkoop middel gevonden te hebben om jeugdcriminaliteit te bestrijden. Als er een verband zou zijn tussen leerproblemen en delinquent gedrag, dan zou het aanpakken van deze problemen in scholen relatief goedkoper zijn dan het bestrijden van armoede en discriminatie. De mening dat een dergelijk verband bestond kwam niet uit de hoek van de wetenschappers, maar van praktijkmensen. In de jeugdrechtbanken en in de voorzieningen voor jeugdhulpverlening viel namelijk op dat veel aangemelde minderjarigen door ernstige gedragsproblemen mislukt waren op school, terwijl ze meestal wel intelligent waren.

Over het verband tussen leerproblemen en delinquent gedrag valt vooralsnog niets te zeggen.
In het Finse onderzoek van Järvelin en andere werd aangetoond dat delinquent gedrag het meest voorkwam bij jongens met lage schoolprestaties, afkomstig uit de lagere sociale klassen (zie 4.2.2). Binnen elke sociale klasse echter was delinquentie het laagst bij diegenen met schoolprestaties boven het gemiddelde. Volgens deze onderzoekers is zwakbegaafdheid geen voorspeller van delinquentie, maar wie zwak presteert op school loopt wel meer kans te falen op sociaal gebied.

Dit laatste verband is gering, want de meeste adolescenten met leerproblemen worden niet delinquent, ondanks ernstige problemen op school en de frustraties die daarmee gepaard gaan. Onderzoekers vermoeden dat leerproblemen tot delinquentie leiden indien bepaalde omgevingsfactoren aanwezig zijn. Het blijkt namelijk dat de meeste delinquenten met leerproblemen uit grote gezinnen komen, met gescheiden ouders die weinig opleiding hebben en tot de lagere sociale klassen behoren. Toch is dit verband niet aanwezig als adolescenten met leerproblemen thuis warm ondersteund worden en niet voortdurend worden gedemotiveerd.

2.3.4 Is criminaliteit een stoornis?

Als criminaliteit een stoornis is, zou dit vergaande consequenties hebben. Straf is dan uit den boze, de doodstraf een immorele daad. Gevangenisstraffen moeten worden afgeschaft en vervangen door behandelingen. De criminelen zelf zouden daar niet echt gelukkig mee zijn. In plaats van een korte celstraf of een straf waarvan de duur duidelijk afgebakend is, riskeren zij als 'gestoorden' een zeer lang verblijf in een extra beveiligd therapeutisch centrum. Want de maatschappij moet voor hen beschermd worden. De Amerikaanse psycholoog Adrian Raine, die verbonden is aan de University of Southern California, geeft in de titel van zijn boek meteen aan dat crimineel gedrag een stoornis is: “The psychopathology of crime: Criminal behavior as a clinical disorder” (Raine, 1993).Aan het einde van zijn boek beschrijft hij dit gedachte-experiment dat zijn opvatting helder weergeeft:

Luk
In dit imaginair experiment groeit dezelfde persoon in twee totaal verschillende omstandigheden op. Deze persoon, Luk genaamd door Raine, wordt in het eerste scenario geboren zonder dat er geboortecomplicaties optreden. Zijn ouders zijn goed opgeleide mensen die de wet respecteren, gelukkig gehuwd zijn en hun kinderen liefhebben en met warmte ondersteunen. De twee ondere kinderen in het gezin zijn goede modellen voor hem en zorgen goed voor hun jongere broertje.
De ouders van Luk zijn hoogbegaafd en moedigen Luk in sterke mate aan om goede resultaten op school te behalen. Dit laatste lukt Luk inderdaad vrij aardig; hij staat goed aangeschreven bij zijn leraren en hij wordt ook door hen geprezen en aangemoedigd. Hij is een populaire leerling op school. Na de middelbare school doorloopt Luk op succesvolle wijze de universiteit. Later promoveert hij en wordt op jonge leeftijd professor in de sociologie. Zijn salaris is navenant.
Hij trouwt met een advocate. Dit huwelijk is harmonisch en ze krijgen drie kinderen die geen noemenswaardige problemen vertonen. Gedurende zijn gehele leven respecteert hij de wet en hij begaat geen enkel misdrijf.
In het tweede scenario worden de levensomstandigheden van dezelfde persoon vanaf het begin radicaal gewijzigd. Zoals gezegd is het een gedachte-experiment waarin het gaat om precies dezelfde persoon Luk.
In dit scenario is de biologische moeder van Luk prostituee. De biologische vader is een recidiverende crimineel die geen contact meer heeft met moeder en zoon. Luks moeder rookt, drinkt en gebruikt cocaïne gedurende de zwangerschap. De geboorte verloopt zeer moeilijk ten gevolge van ongunstige invloeden tijdens de zwangerschap en in de periode van de geboorte. De geboortecomplicaties hebben tot gevolg dat er bij Luk sprake is van enige hersenbeschadiging die aanleiding geeft tot hyperactiviteit, chronische ongevoeligheid voor prikkels en belangrijke aandachtsstoornissen. Ten gevolge van ziekte is hij de eerste twee levensjaren van zijn moeder gescheiden en dit veroorzaakt een ontwikkeling naar een gevoelloze persoonlijkheid.
Luk groeit op in een buurt met veel criminaliteit en zijn moeder verhuist vaak. Hij heeft nog zeven broers en zussen, waarvan er een paar geweldsdelicten hebben gepleegd en die hem vaak slaan en pesten. Hij wordt ook fysiek mishandeld en seksueel misbruikt door een hele reeks tijdelijke vaderfiguren in dit gezin. Hij wordt zowel verwaarloosd als verworpen door zijn liefdeloze moeder en ook Zij misbruikt hem seksueel. Een van zijn pleegvaders gebruikt hem eens als levend doel voor schietoefeningen.
Doordat hij zo vaak op zijn hoofd wordt geslagen, raken zijn hersenen nog verder beschadigd. Er is duidelijk sprake van hersendisfuncties. Ten gevolge hiervan is hij dikwijls het slachtotter van kleine ongevallen. Door zijn hyperactief gedrag mislukt hij op school en is hij zeer onpopulair bij het onderwijzend personeel. Zijn klasgenoten verwerpen hem vanwege zijn pesterige en onvoorspelbare gedrag. Al op jonge leeftijd trekt hij op met slechte vrienden en hij begaat met hen verschillende kleine misdrijven.
Het is een jongen met een lage zelfwaardering, die er fysiek niet aantrekkelijk uitziet. Hij maakt geen enkele opleiding af en heeft grote moeite met het vinden van een Baantje. Op volwassen leeftijd wordt hij verschillende keren aangehouden voor misdrijven die steeds ernstiger worden. Hij beraamt een overval op een slijterij en vermoordt hierbij de eigenaar. Luk wordt ter dood veroordeeld en zit in afwachting van de voltrekking van dat vonnis in de dodencel

Het is belangrijk hierbij op te merken dat in het tweede scenario de omstandigheden waarin Luk opgroeit veranderd zijn buiten de controle van Luk zelf. Het gaat dus om dezelfde persoon die door een manipulatie van zijn levensomstandigheden in plaats van een gerespecteerde burger die de wet eerbiedigt, een zware crimineel wordt die de doodstraf krijgt. Dit alles is het gevolg van omstandigheden die buiten zijn controle vallen. Zonder al deze ongelukkige omstandigheden zou deze Luk, zoals in het eerste scenario te zien is, helemaal geen crimineel geworden zijn.

Wanneer is iemand gestoord? De meningen van deskundigen lopen hier mijlenver uiteen. Als we een analyse maken van de criteria om gedrag als gestoord te benoemen of als crimineel, dan ontdekken we dat deze criteria ongeveer gelijk zijn, en dan zou crimineel gedrag dus gestoord gedrag zijn. Criteria die in de diagnose worden gehanteerd zijn bijvoorbeeld: een afwijking van de sociale norm, het veroorzaken van leed bij zichzelf of bij anderen, de noodzaak van behandeling of een biologische oorzaak. Met al deze criteria kan makkelijk aangetoond worden dat Luk zowel een crimineel is als een gestoord iemand.

2.4 Preventie
2.4.1 Belang van preventief ingrijpen

De belangrijkste ziekten die de mensheid hebben geteisterd, zijn niet in de eerste plaats overwonnen door nieuwe medicijnen en behandelingsmethoden maar voornamelijk door goede preventiemaatregelen. Dit kan evenzeer gelden voor de ernstige gedragsstoornissen, waarvan bekend is dat de behandelingsmethoden vaak niet tot de gewenste resultaten leiden. Zelfs als we zouden beschikken over uitstekende therapeutische middelen, zou het nog onmogelijk zijn de tienduizenden antisociale kinderen die zonder passende hulp tot ver in de volwassenheid gestoord zullen zijn, met deze middelen te helpen. De mankracht hiervoor ontbreekt eenvoudigweg.
De ontwikkelingsmodellen die antisociaal en crimineel gedrag voorspellen, geven aan dat delinquente jongeren meestal al in een vroeg stadium de eerste tekenen van antisociaal gedrag vertonen. Het belang van tijdig preventief ingrijpen ligt dan ook voor de hand. Niettemin zou van de kinderen met ernstige stoornissen slechts een op de zes aangemeld worden bij instellingen voor geestelijke gezondheidszorg.
In dit hoofdstuk ga ik eerst verduidelijken wat het onderscheid is tussen preventie en behandeling.

2.4.2 Onderscheid tussen preventie en behandeling

In de literatuur wordt het onderscheid tussen preventie en behandeling niet altijd even duidelijk gemaakt. Dit komt waarschijnlijk omdat preventie meestal pas zin heeft als al iets problematisch zichtbaar is; preventie is dan niets anders dan behandelen om erger te voorkomen. Peters en McMahon (foto) menen dat het onderscheid tussen (a) primaire preventie (het voorkomen van het ontstaan van stoornissen), (b) secundaire preventie (de gevolgen voorkomen als de stoornis er al is), en (c) tertiaire preventie (voorkomen van verdere ongunstige gevolgen), te zeer gebaseerd is op het medische model of op een te mechanistische visie op gezondheid en ziekte. Bij psychosociale problemen (onder andere delinquentie) is het beter de term preventie te reserveren voor primaire preventie, dus voor alle interventies die bedoeld zijn om te voorkomen dat een stoornis begint. Secundaire preventie wordt dan vroegtijdige interventie, en tertiaire preventie wordt dan het begrip behandeling gekoppeld.

In het boek “criminaliteit en criminalisering” vinden we de volgende definitie: Preventie is het geheel van maatregelen die bedoeld zijn om, voorafgaand aan het optreden van gestoord gedrag, de invloed van risicofactoren te verminderen of te voorkomen, en de invloed van beschermende factoren te vermeerderen of op gang te brengen.
De auteurs van dit boek hanteren dus een precies afgebakende definitie van preventie. Zelfs bij deze precieze definitie kunnen programma's die bedoeld zijn voor preventie van delinquent gedrag bij jeugdigen, niet zomaar met elkaar worden vergeleken. De doelgroepen kunnen erg verschillend zijn, de beoogde effecten kunnen ook breed gedefinieerd worden. Een preventieprogramma kan bijvoorbeeld als doelgroep hebben: kinderen die door de ouders of door de school zijn aangemeld wegens diefstal, brandstichting of wegens mishandeling van andere kinderen. Een ander programma kan bedoeld zijn voorjongeren die voor het eerst gearresteerd zijn en bij wie men wil voorkomen dat ze een criminele carrière opbouwen. In dat geval is er nog sprake van primaire preventie, omdat veel jongeren een klein delict plegen zonder dat ze gestoord zijn of een delinquent gedragspatroon vertonen. Als het gaat om eenmalige overtredingen, zal men niet tot behandeling overgaan in de strikte zin van het woord (zie vorige paragraaf).
De doelen en de reikwijdte van preventieprogramma's kunnen dus variëren:
• werken met individuele jongeren om antisociaal gedrag te verminderen;
• beïnvloeden van de bredere sociale omgeving om de sociale integratie te bevorderen;
• verminderen van gelegenheden tot het plegen van delicten.

Als preventie beperkt wordt tot primaire preventie, kunnen de volgende drie vormen onderscheiden worden.
a. Universele preventieve interventies. Deze zijn bedoeld voor Alle individuen van een bepaalde leeftijd in een afgebakende sociale omgeving; bijvoorbeeld alle tweejarige peuters in het Willemskwartier te Nijmegen.
b. Selectieve preventieve interventies. Bedoeld voor individuen die risico lopen voor een bepaalde stoornis. Dit risico is het gevolg van biologische, psychologische of sociale factoren die buiten het individu liggen. Een voorbeeld hiervan is een preventieprogramma voor kinderen van drugsverslaafde ouders.
c. Geïndiceerde preventieve interventies. Bedoeld voor kinderen die risico lopen ten gevolge van individuele kenmerken, zoals een laag geboortegewicht of problemen met relaties met leeftijdgenoten.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

keizalig werkske

17 jaar geleden