Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 4: Pluriforme samenleving

Beoordeling 8
Foto van Noa
  • Samenvatting door Noa
  • 4e klas havo | 1588 woorden
  • 26 juni 2015
  • 2 keer beoordeeld
  • Cijfer 8
  • 2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

4.1  Zijn wij allemaal Nederlanders?



- Sociale identiteit: is het bewustzijn van een persoon tot een bepaalde groep te behoren en door anderen als zodanig behandeld te worden. Die groep heeft een (gewenst) zelfbeeld en wordt door anderen als uniek onderscheiden. Het zelfbeeld hoeft niet overeen te komen met het beeld dat buitenstaanders van een groep hebben, dat vaak gekenmerkt wordt door stereotypes. (http://nl.wikipedia.org/wiki/Sociale_identiteit)



- Persoonlijke identiteit: je eigen verlde, je karakter en je eigen mening.



- Identiteit: dat wat eigen is aan iemand. Wie jij bent en wat jou onderscheidt van anderen bepaal je deels zelf, maar ontstaat ook wat anderen van jou vinden.



- Cultuur: waarden, normen, rituelen en uitingsvormen (bv. Symbolen) die mensen met elkaar delen en vaak als vanzelfsprekend beschouwen.



- Waarden: opvattingen binnen een samenleving of groep over goed en juist is en daarom moet worden nagestreefd.



- Normen: opvatting over hoe je je op grond van bepaalde waarden moet gedragen.



- Pluriformiteit: veelvormigheid: de mate waarinverschillen tussen (groepen) mensen bestaan in een samenleving.



- Dominante cultuur: daarmee worden de waarden, normen en symbolen van de overheersende groep in de samenleving bedoeld.



- Subcultuur: wijkt op punten af van de dominante cultuur, maar zet zich niet af tegen de normen en waarden van de meerderheid. Een voorbeeld van subcultuur zijn de moslims. Die houden zich aan de Ramadan. En het eten van halal vlees is voor veel moslims belangrijk. Maar dat betekent niet dat wij allemaal halal vlees moeten eten.



- Tegencultuur: De cultuur van een groep mensen die zich verzet tegen de dominante cultuur.



- Sociale cohesie: de onderlinge verbondenheid; de samenhang in een groep of samenleving.





4.2  Waarom doe je wat je doet?



- Sociale druk: is als je meegaat met de groep, omdat je liever niet buiten de groep wilt vallen. Bijvoorbeeld als iedereen een biertje neemt, moet jij er ook wel eentje nemen anders doe je ongezellig.

- Socialisatie: cultuuroverdracht: het proces waarin iemand de waarden, normen en andere kenmerken van de groep krijgt aangeleerd en zich eigen maakt.

- Onderhandelingshuishouden: een huishouden waarin onderhandeling een belangrijke rol speelt. Onderhandeling heeft vaak de plaats ingenomen van krachtige sturing door ouders. Dit heeft de relatie tussen ouder en kind verbeterd.

- Socialiserende instituties: manieren van denken, voelen en handelen die al bestonden voor wij geboren werden, die aan ons overgeleverd werden door de voorgaande generaties en die nog zullen bestaan als wij gestorven zijn. Ouders, school en buurtbewoners zijn daar een voorbeeld van.

- Sociale controle: leden van een groep letten erop dat mensen zich gedragen zoals van hen verwacht wordt; gewenst gedrag wordt beloond en ongewenst gedrag wordt bestraft.



Bij sociale controle heb je aandacht voor elkaar en stimuleer je elkaar de regels te handhaven.

- Individualisering: de ontwikkeling waarbij het individu zich steeds vrijer voeltom zijn leven naar eigen inzicht vorm te geven.



- Informele sancties: dit is als je een ongeschreven regel breekt.



- Formele sanctie: als je een geschreven regel breekt.



- Internalisatie: het zich eigen maken van waarden, normen, instelling en gedragswijzen.



4.3  Zijn verschillen een probleem?



- Gastarbeiders: arbeiders die te gast in Nederland kwamen werken, vanwege een tekort aan arbeidskrachten na de Tweede Wereldoorlog (de gastarbeiders kwamen eerst vooral uit Italie en Spanje en later uit voormalig Joegoslavie, Marokko en Turkije).



- Push-factoren: redenen waarom iemand uit een land vertrekt. Vaak zijn ze negatief: mensen hebben geen werk, leven in armoede, er zijn veel natuurrampen, er is oorlog of zijn bang voor vervolging in eigen land (= politieke migratiemotieven).



- Pull-factoren: redenen om naar een land toe te gaan. Vaak zijn de redenen: vast werk en rijkdom, een avontuur in een nieuw land beginnen, klimaat, veiligheid en vrijheid.



Gezamenlijk moeten de push- en pull-factoren de barrieres die de migratie in de weg staan te overwinnen.



- Autochtoon: iemand van wie beide ouders in Nederland geboren zijn, ongeacht het land waar hij zelf is geboren.



- Allochtoon: iemand die tenminste 1 ouder heeft die in het buitenland geboren is. De mensen die zelf migreren noem je eerstegeneratieallochtonen; hun kinderen noem je tweedegeneratieallochtonen.



- Niet-westerse allochtoon: zijn bijvoorbeeld kennismigranten uit China, India of Brazilie die hierheen komen omdat Nederland behoefte aan hun kennis heeft, vaak op ICT-gebied. Het begrip ‘niet-westerse allochtoon’ wordt in verband gebracht met hun achterstandspositie.



- Westerse allochtoon: migranten uit de westerse landen, deze zijn vaak welvarend en staan niet negatief in de belangstelling (soms wel; sinds Polen is toegetreden tot de EU zijn er ongeveer 19.000 Polen naar Nederland gemigreert, zij saat vaak wel negatief in de belangstelling. Meestal in verband met drankgebruik en woonoverlast.





- Allochtoon: iemand van wie tenminste 1 van de ouders in het buitenland geboren is.



- Autochtoon: iemand die zelf in Nederland geboren is en zijn of haar ouders ook.



- 1600: Eerste politieke vluchtelingen




  • Rijke joden uit Spanje en Portugal

  • Franse protestanten



- 1945-1960: Molukkers, Surinamers, Antillianen en West-Indiers komen naar Nederland



- 1960-1990: ‘Gast’arbeiders uit Spanje Italie en later uit Marokko en Turkije






  1. Moeten we de verschillen opheffen?



- Etnische groep: als mensen taal, gewoontes en opvattingen delen, maar ook samen een geschiedenis hebben. Mensen voelen zich verbonden.



- Segregatie: het opdelen van een samenleving in gescheiden gemeenschappen.



- Integratie: het proces waarbij mensen worden opgenomen in een geheel; in dit geval de samenleving.



- Salad bowl: een idee over hoe integratie eruit zou moeten zien: de bevolkingsgroepen  versmelten zich tot een nieuw volk, maar behouden elk hun eigen identiteit. Samen vormen ze 1 geheel.



Juist in de diversiteit ligt de meerwaarde (=extra waarde). Volgens dit ideaal hoef je verschillen dus niet op te heffen: ze kunnen aast elkaar bestaan.



- Melting pot: hierbij vermengen culturen zich tot een nieuwe, aparte (sub)cultuur. Dit zie je bijvoorbeeld bij kinderen uit gemengde huwelijken: die vormen met elkaar als het ware een nieuwe cultuur. Het idee is dat alle groepen een beetje veranderen en zich samen vermengen tot een nieuwe cultuur.



- Assimilatie: als je voor assimilatie bent, wil je ook de verschillen opheffen, maar op zo’n manier dat iedereen zich aanpast aan de dominante cultuur. De eigen cultuur verdwijnt helemaal naar de achtergrond.



- Ideaaltype: model waarnaar anderen zich gedragen.



- Sociaal milieu: sociale verhoudingen.



- Integratie beleid: heeft als doel om achtergestelde groepen meer kans te geven op een goede opleiding en op werk.






  1. Hoe tolerant zijn wij eigenlijk?



- Universalisme: bepaalde waarden en norme, zoals klassieke grondrechten, gelden voor iedereen.



- Relativisme: het tegenovergestelde van universalisme. Waarden en normen zijn niet universeel; ze zijn alleen te begrijpen vanuit de cultuur waarin ze zijn ontstaan.



- Tolerantie: de mate waarin groepen en of individuen met afwijkende meningen of gedragingen worden geaccepteerd.



- Discriminatie: het ongelijk behandelen van mensen op basis van kenmerken die er niet toe doen; denk bijvoorbeeld aan afkomst, ras, huidskleur, geloof, politieke overtuiging, seksuele geaardheid of leeftijd. Discriminatie begint vaak met het indelen van mensen in hokjes.



- Stereotypen: opvattingen over de persoonlijke kenmerken van individuen op basis van de sociale groepen waartoe ze behoren.



- Zondeboktheorie: als er iets verkeerd gaat, iemand of iets anders daar de schuld van geven. Bijvoorbeel de Polen de schuld geven omdat ze onze baantjes inpikken.



- Vooroordeel: mening die niet op feiten is gebaseerd. Als mensen hun vooroordelen omzetten in gedrag kan dit leiden tot discriminatie.



Discriminatie kan in veel vormen voorkomen. Denk hierbij aan uitschelden, bedreigen of fysiek geweld. Ook negeren of uitsluiten kunnen vormen van discriminatie zijn.





Aantekeningen 4.5



- Universalisme: bepaalde waarden en normen gelden voor iedereen in het land. Er is 1 cultuur ‘het best’.



- Relativisme: culturen zijn gelijkwaardig aan elkaar, maar je kan niemand normen en waarden opdringen.



- Tolerantie: de mate waarin afwijkende meningen worden geaccepteerd.



- Discriminatie: het anders behandelen van een groep op basis van kenmerken die er niet toe doen.



- Stereotype: versimpeld of verdraaid beel van een groep mensen.






  1. Is iedereen welkom?



- Vluchteling: iemand die in zijn land van herkomst gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege ras, godsdienst, seksuele voorkeur, nationaliteit of politieke overtuiging.





De procedure om in Nederland toegelaten te worden als vluchteling, gaat als volgt:




  • Een asielzoeker die naar nederland komt krijgt een medisch onderzoek, een advocaat en een voolichting.

  • De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onderzoekt of de asielzoeker recht heeft op een verblijfsvergunning. Daarvoor moet de identiteit van de asielzoeker worden vastgesteld. Dat is vaak en heel karwei, want veel asielzoekers hebben geen papieren.

  • Vervolgens moet de IND bepalen of het vluchtverhaal klopt en of de asielzoeker werkelijk gevaar loopt.



- Naturalisatie: het toekennen van het staatsburgerschap aan een vreemdeling.



- Illegaal: buitenlander die zonder de vereiste vergunningen in een land woont.



- Vreemdelingendetentie: vluchtelingen die uitgeprocedeerd zijn (= een proces voeren, je bent uitgeprocedeerd als je geen verblijfsvergunning hebt kunnen krijgen en daarna ook nog eens in hoger beroep bent gegaan waar je weer geen verblijfsvergunning krijgt) worden dan opgesloten in een speciale gevangenis tot het moment dat het wel lukt om ze terug te sturen naar hun land van herkomst.



- Emigreren: je eigen land verlaten om in een ander land te gaan wonen.





Aantekeningen  4.6



- Immigratie: alle migranten die naar Nederland komen.



- Emigratie: alle migranten die Nederland uit gaan.



- Migratiesaldo: het aantal migranten – het aantal emigranten.




  • Positief: vestigingsoverschot.

  • Negatief: vertrekoverschot.



- Vluchteling: iemand die in zijn land van herkomst gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege ras, religie, seksuele voorkeur, nationaliteit of politieke overtuiging.



- Asielzoeker: een vluchteling die naar een land wil komen wonen en asiel aanvraagt.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Noa