Thema 1

Hoofdstuk 1:

  1. Een persoonlijk probleem is een probleem waar jij alleen mee te maken hebt. VB: Ruzie met je ouders, liefdesverdriet.
  2. Er hebben veel mensen mee te maken, er zijn verschillende meningen over, de overheid bemoeit zich ermee.
  3. Uitgaansgeweld, terrorisme.
  4. Je moet de feiten kennen, je moet het van verschillende kanten bekijken, je moet argumenten hebben.
  5. Een oordeel over iets of iemand zonder dat je de feiten kent.
  6. Iets van verschillende kanten bekijken, argumenten geven, leren hoe de samenleving in elkaar zit.

Hoofdstuk2:

  1. De principes of uitgangspunten die je belangrijk vindt in het leven.
  2. Vrijheid en gezondheid.
  3. Regels hoe jij en anderen zich moeten gedragen.
  4. Geschreven regels en fatsoensnormen.
  5. Geschreven regels: Je mag niet stelen. Deze regels staan in de wet.

Fatsoensnormen: Staan niet in de wet. Etiquette.

  1. Het voordeel dat je ergens van hebt.
  2. Het belang van de een botst met het belang van de ander.
  3. De mogelijkheid om het gedrag van anderen te beïnvloeden.
  4. Middelen waarmee je het gedrag van anderen probeert te beïnvloeden.
  5. Je functie/beroep, speciale kennis of vaardigheden, aanzien/status, overtuigingskracht, geld, het aantal mensen dat gezamenlijk iets wil, gebruik van geweld.

Hoofdstuk3

  1. Er hebben veel mensen mee te maken, er zijn verschillende meningen, de overheid bemoeit zich ermee.
  2. Uitgaande jongeren; Willen plezier. Sommigen zoeken spanning en vechten.

Horecaondernemers: Willen winst, leuke feesten, tevreden buren en geen last van de politie.

Politie: Wil orde en rust.

Burgemeester: Wil geen overlast en een goeie naam voor de gemeente.

Buurtbewoners: Willen geen last van schreeuwende en dronken mensen.

Slachtoffers: Willen dat de aanval stopt en de politie snel ter plaatse is.

  1. Meer mensen tegelijk, alcoholgebruik en sommige normen en waarden zijn veranderd.
  2. Winkels, cafés, en disco’s mogen geen alcohol verkopen aan jongeren onder de 18 jaar. En op steeds meer plaatsen hangen camera’s of wordt er preventief gefouilleerd dor de politie.
  3. Er beter op letten dat jongeren niet straalbezopen worden.
  4. Agressie uit de weg gaan, bij je vrienden blijven (Samen uit, samen thuis.)

Hoe werkt alcohol (blz. 14)doornemen

Thema 2:                                                                                                                                                     Hoofdstuk 1

  1. Eigenschappen die erfelijk zijn bepaald en die je hebt vanaf je geboorte.
  2. Verlegenheid of een stoornis.
  3. Normen, waarden en gewoonten die je overneemt van je ouders, je leraren en andere volwassenen, maar ook van je vrienden.
  4. Leren  praten en leren stil te zijn.
  5. Praten. Je kunt met je stem klanken maken. Dat is aangeboren. Maar de taal die je spreekt, is aangeleerd.
  6. Het aanleren van de kenmerken van de groep of samenleving waar je toe behoort.
  7. Belonen en straffen, imitatie, informatie en uitproberen.
  8. Manieren om je te laten merken dat je iets goed of fout hebt gedaan.
  9. Positief: Compliment geven. Negatief: Strafwerk.
  10. Wanneer anderen in je omgeving op jou letten en je aansporen of dwingen om je aan de regels van de groep te houden.

Hoofdstuk 2:

  1. Familie en vrienden.
  2. School en overheid.
  3. Ze moeten de taal leren, en de gewoontes.
  4. Aangeleerde gewoonten, opvattingen, normen en waarden zijn automatisch een deel van je gedrag geworden.
  5. Je wilt op iemand lijken en je neemt het gedrag van die persoon over.
  6. De persoon die jij bent.

Hoofdstuk 3:

  1. Als een groep mensen dezelfde waarden, normen en gewoonten heeft.
  2. De cultuur van een grote groep mensen.
  3. We vieren koningsdag en we spreken Nederlands.
  4. De cultuur van een kleine groep mensen.
  5. Gothics en rappers.
  6. Kleding en kapsels enz. die een groep jongeren draagt.
  7. De kleding en kapsels enz die je moet dragen in je baan.
  8. In Nederland is het normaal dat je iemand een hand geeft. Als bijvoorbeel een moslimse vrouw dat niet doet.

Hoofdstuk 4:

  1. De welvaart steeg. En de jongeren mochten het geld zelf houden.
  2. We hebben meer geld en vrije tijd, jongeren willen zich afzetten tegen hun ouders,ze willen bij een groep horen en elke groep wil een beetje anders zijn.
  3. Iemand  als stereotype zien en denken dat diegene precies hetzelfde is als die anderen.
  4. De situatie waarin de waarden en normen van ouders en ouderen botsen met die van hun kinderen.

Hoofdstuk 5:

  1. De periode tussen kindertijd en volwassenheid.
  2. De groep waarbij je hoort, de plaats waar je woont en de tijd waarin je leeft.
  3. Als de verschillen zó groot zijn dat je de normen van iemand niet meer begrijpt.
  4. Gedrag waarbij iemand geen rekening houdt met anderen.
  5. Het accepteren van mensen met andere normen en waarden dan jij hebt.
  6. Rekening houden met.

Hoofdstuk 5:

  1. De periode tussen kindertijd en volwassenheid.
  2. De groep waarbij je hoort, de plaats waar je woont en de tijd waarin je leeft.
  3. Als de verschillen zó groot zijn dat je de normen van iemand niet meer begrijpt.
  4. Gedrag waarbij iemand geen rekening houdt met anderen.
  5. Het accepteren van mensen met andere normen en waarden dan jij hebt.
  6. Rekening houden met.

Hoofdstuk 6:

  1. Je vormt een beeld van iets of iemand.
  2. Een oordeel over iets of iemand zonder dat je de feiten kent. Bijv. Van haar kun je makkelijk winnen want meiden kunnen niet voetballen.
  3. Een beeld dat je van een hele groep mensen hebt. Bijv. Blonde meisjes zijn dom.
  4. Het gedrag dat anderen van jou in een bepaalde situatie verwachten. Bijv. Dat als er een brand is dat hij helpt met evacueren.
  5. Je past je aan je omgeving aan om geen kritiek te krijgen.
  6. Ander gedrag dan wat je van iemand verwacht. Bijv. Hij gaat eens lesgeven.

Hoofdstuk 7:

  1. De manier waarop je verbonden bent met andere mensen.
  2. Gevoelsbinding, (vriendschap)  economische binding, (levensonderhoud) kennisbinding (leren) en politieke binding(overheid).
  3. Je moeder, gevoelsbinding, economische binding (je krijgt zakgeld) en kenninsbinding (jer leert ervan.)
  4. Als mensen het gevoel hebben dat ze bij elkaar horen.
  5. Als we rekening houden met de normen, waarden en belangen van anderen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.