Heb jij spreekangst? Voor een item van RTL Nieuws doen we onderzoek naar spreekangst. Laat ons weten of jij nerveus wordt van spreken voor een groep. Meedoen duurt maar 3 minuutjes.

 


Naar de vragenlijst


ADVERTENTIE
Open Avond = ontdekken of jij hier past Leren is keuzes maken. Continu blijven zoeken, twijfelen, vallen en opstaan. Dát leren, dat leer je bij Hogeschool Inholland. Tijdens onze Open Avond op woensdag 30 oktober staan onze studenten en docenten klaar om al je vragen te beantwoorden. Kom langs en ontdek of jij hier past.

Meer info!
Geschiedenis samenvatting module 4

1. Rond 1870 begon in Nederland vrij laat vergeleken met de rest van europa met de industrialisatie en modernisering op gang te komen. Veel mensen waren rond die tijd erg arm en hadden niet eens geld voor de eerste levensbehoeftes.

2. De eerste levensbehoeftes (basisbehoeftes of primaire behoeftes) zijn nodig om in leven te blijven zoals kleding, voedsel, onderdak en brandstof.

3. De modernisering en industrialisatie leidde in Nederland tot urbanisatie. Urbanisatie wil zeggen verstedelijking. Veel mensen trekken naar de steden omdat er mechanisering van de landbouw was en er dus minder mensen nodig zijn op het platteland en er werk in de steden is bijvoorbeeld in de industrie. Doordat de industrialisatie aan de gang was. De gevolgen van urbanisatie zijn overbevolking , een tekort aan huizen en dus bittere armoede.

4. De verschillende soorten armen.
Arbeiders: lage lonen, nauwelijks werk, geen sociale voorzieningen.
Landarbeiders: moesten hard werk tegen inwoning en hadden soms een klein loontje.
Weduwe en wezen: geen inkomen omdat er geen kostwinnaar was.
Winkeliers en ambachtslieden: Vaak op het randje van faissement waardoor weinig winst.

De mensen die het aller slechts hadden waren werkelozen, ouderen, invaliden, weduwe en wezen. Er waren nog geen wetten die hen beschermde tegen armoede.

5. De gedachtes over de armoede rond de 19de eeuw
Confessionelen: confessie betekent geloof dit zijn de katholieken en protestanten.
Volgens hen bestuurde god de aarde en als iemand arm was, was dat de wil van god.
Armen moesten maar gewoon accepteren dat ze arm waren en in de hemel zou hun
beloning volgen.
Socialisten: kwamen op voor de belangen van de arbeiders , zij vonden dat het
kapitalisme (het Nederlandse Economische Systeem) de schuld was van de armoede in
Nederland. De armoede kon volgens hen worden opgelost doormiddel van sociale
wetten.
Liberalen: liberaal is afgeleid van het franse woord liberte dat betekent vrijheid. De
liberalen vonden dat mensen voor zichzelf moesten zorgen. Armoede was een
persoonlijk probleem. Liberalen wilde zo min mogelijke bemoeienis van de overheid.

6. De verzorgingsstaat en de nachtwakersstaat.
Verzorgingsstaat: Iedereen die niet voor zichzelf kan zorgen heeft recht op een uitkering. De overheid is actief
Nachtwakersstaat: Het tegenovergestelde van een verzorgingsstaat. Iedereen is verantwoordelijk voor zichzelf. De overheid heeft slechts drie taken namelijk zorgen voor : 1. infrastructuur (wegen, gebouwen, telefoonkabels), 2. landsverdediging (leger), 3. Bescherming en veiligheid (politie)
De overheid is passief.

7. liefdadigheid.
Voor wie is liefdadigheid: Voor mensen die niet voor zichzelf konden zorgen en voor er ook niemand kon zorgen zoals familie. Maar je werd uitgekozen per geval , je had er geen recht op.
Je had twee vormen van liefdadigheid namelijk particulieren en kerkelijke liefdadigheid.

Particuliere liefdadigheid: vaak waren het fabriekanten die de armoede van hun arbeiders aantrok en hulp gaven , zo werd er bijvoorbeeld gratis onderdak geschonken, voedsel gegeven en kleding gebracht. Het kwam ook wel eens voor dat iemand die na zijn dood de erfenis aan het armenfonds schonk.
Kerkelijke liefdadigheid: Hulp van de kerk, pastoors en dominees kregen geld van rijke parochianen en gemeenteraadsleden , wat ze dan konden geven aan armen mensen . Er was zelfs een speciaal verenging om de armen te helpen namelijk de Vincentius vereniging.

8. De Armenwet: De armenwet ontstond in 1954, doordat de vraag naar liefdadigheid erg veel was en de nood zeer hoog omdat de liefdadigheid het allemaal niet meer alleen aankon. De armenwet hield in gemeente de armen meer konden gaan steunen. Er was een speciale kas waar dan geld werd apart gehouden voor de armen. Maar er was geen sprake van recht , de gemeente besliste per geval of ze hulp gaven. De hulp bestond vaak uit gratis voedsel, woonruimte en het verstreken van voedsel.

9. De sociale kwestie: De grote armoede onder grote delen van de Nederlandse bevolking tussen 1870 en 1900.

10. De verzekeringen: In die tijd organiseerde gemeente, bedrijven en vakverenigingen zelf verzekeringen. Tegen de gevolgen van het wegvallen van inkomen door ziekte. Later kwam er ook zo’n soort verzekering in het geval van werkeloosheid. De uitkeringen van die verzekeringen waren laag en vaak van korte duur. In 1919 kwamen de eerste regelingen die de ergste gevolgen van ouderdom en invaliditeit bestreed. De verzekeringen waren vrijwillig, veel mensen konden de premie niet betalen en bleven onverzekerd.

11. De gedachtes rond 1900 over de armoede
De confessionelen: Vonden dat de problemen over de armoede moesten worden opgelost worden doordat werknemers en werkgevers het met elkaar eens moesten worden. De paus schreef er een brief over waarin dit stond. De Rerum Novarum.
De socialisten streven nog steeds naar een samenleving waarin de verschillen in rijkdom zouden verdwijnen doormiddel van revolutie. In praktijk probeerde ze via wetgeving het lot van de armen te verbeteren.
De (conservatieve) behoudende liberalen bleven bij hun oude standpunt over de armoede.
De neo -jong liberalen vonden dat de armoede moest worden opgelost doormiddel Van wetgeving van de overheid. Het was namelijk zo als de armen ook geld hadden konden ze dat weer uitgeven aan hun bedrijven.

12. De crisis: In 1929 ontstond in de VS een crisis. De oorzaken waren een overproductie van de landbouw. En de schulden die veel Europese landen hadden (vooral Europa aan de VS). De aanleiding was de in een storting van de beurskracht in Wall Street in New York. Het vertrouwen in de economie was weg. De Nederland handelde de veel met de VS, maar na de crisis die was onstaat in de VS waren de deuren voor Europa gesloten. Nederland kon zijn producten dus niet meer exporten naar de VS dat leidde tot weinig tot geen winst voor de bedrijven. En zo ontstond er dus ook crisis in Nederland.

13. De werkverschaffing: Gemeentelijke regeling en verplicht voor een laag loon. Werk bestond uit openbaarwerkzaamheden zoals kanalen uitgraven, bruggen en wegen aanleggen en het onderhouden van sloten.

14. de steunverlening.
De steunverlening is voor mensen die nergens anders terecht kunnen om aan geld te komen. Steunverlening is een wekelijkse uitkering en soms wat extra’s zoals kleding.
De voorwaarden om in aanmerking te komen voor steunverlening:
Je moet man zijn en tussen de 21 en 60 jaar oud.
Je moest werkeloos zijn.
Je mocht geen strafblad hebben.
Je moest gezond zijn.
De mensen die in de steunverlening zaten moesten dagelijks twee keer stempelen op
Verschillende tijden.

15. Steunfraude: 1. Zwart werken aast een steunverlening. 2. Inkomsten of bezit
verzwijgen. 3. inkomsten van familie verzwijn. Als de overheid er achter kwam dat
je steunfraude pleegde kreeg je een inhouding van je uitkering en/of een geldboete.
Bij herhaling werd je naar een strafkamp gestuurd.

16. Het kwartje van Romme: Een werkloze met kinderen mocht een kwartje per week
sparen. De regering legde er dan een kwartje bij. Het kwartje van Romme was
echter geen succes doordat werkeloze het kwartje te hard nodig hadden en het dus
niet konden opsparen.

17. In november 1931 werd het Nationaal crisis comité opgericht. Daar konden
werkelozen aanvullende steun krijgen. Zo konden er schoenen, dekens en
andere noodzakelijke krijgen. Het geld van het comité kwam vooral door giften
van particulieren. Na een aanvraag kwamen controleurs langs om te kijken of de
steun wel nodig is.

18. De aanpassingspolitiek: De aanpassingspolitiek werd ingevoerd door H. Colijn en hield in dat als de welvaart daalde en er minder inkomsten binnenkomen moest de overheid ook minder gaan uitgeven. De aanpassingspolitiek leidde alleen maar tot meer crisis in Nederland. Het zit namelijk zo Crisis->minder inkomsten voor mensen en bedrijven-> prijzen gaan omhoog en steunverlening omlaag -> mensen hebben minder inkomsten en kunnen dus minder uitgeven-> overheid ontvangt nog minder en dan begint het verhaal opnieuw.

19. Het Jordaanoproer: de bezuinigingen van de overheid zoals de verlagingen van de lonen en uitkeringen leidde tot protesten en opstanden. In Amsterdam leidde dit tot een grote opstand namelijk het Jordaanoproer het liep zo uit de hand dat het leger er bij van te pas moest komen. Er vielen 7 doden en tientallen gewonden. 1934.

20. De huurstakingen: Ten gevolge van de hoge huur braken in 1933 in Amsterdam huurstakingen uit. Mensen die hun huur niet betaalde , liepen het risico hun huis uit te worden gezet. Meestal hadden de huurstakingen weinig succes. Door de grote werkeloosheid werden de arbeiders moedelozer en machtelozer. In 1934 werd er minder gestaakt dan ooit sinds de registratie van stakingen in 1904.

21. De politieke partijen: De politieke partij van H. Colijn was de Anti Revolutionaire Partij (ARP). Deze partij is voorstander van de aanpassingspolitiek. De partij van de confessionelen was de Rooms Katholieke Staatspartij (RKSP). De RKSP vond dat de overheid moest ingrijpen bij de grote armoede. Langzaam groeiden de opvattingen van (een deel van ) de confessionelen en socialisten naar elkaar toe. De politieke partij van de socialisten was de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Het had een goed plan gemaakt om de armoede optelossen namelijk het plan van de arbeid, het plan kreeg veel aandacht maar omdat de SDAP niet in de regering zat bleef het helaas bij de plan.

22. Het plan van de Arbeid: Het Plan van de Arbeid wilde een grotere rol van de overheid bij het oplossen van de werkeloosheid. Het wilde de problemen van de hele bevolking oplossen. Het plan had weinig succes.

23. Het Harmoniemodel: Het harmoniemodel hield de samenwerking tussen de werknemers en werkgevers in over de wederopbouw van Nederland na de tweede wereldoorlog. De arbeiders moesten tevreden zijn met de lage lonen. In ruil daarvoor zou de regering met een aantal sociale wetten komen. Het harmoniemodel had groot succes, de economie groeide sneller dan verwacht en halverwege de vijftiger jaren was de wederopbouw van Nederland bijna voltooid.

24. De reden om de verzorgingsstaat op te bouwen na de tweede wereldoorlog. 1. De vernederende manier van de hulpbehoeftes van de jaren 30. 2. Er was angst voor antidemocratische stromingen zoals het fascisme en communisme dat veel aanhang zou krijgen als mensen arm bleven. 3.Er was in Nederland overal gebrek aan na de tweede wereldoorlog.

25. De voornaamste regelingen van de sociale zekerheid: De sociale zekerheid kan men indelen in Sociale voorzieningen en Sociale verzekeringen. Sociale verzekeringen delen we weer in Werknemersverzekeringen en Volksverzekeringen

Sociale voorzieningen: Algemene Bijstandswet (ABW) en de Toeslagenwet (TW).

Werknemersverzekeringen: Ziektewet (ZW), Werkeloosheidswet (WW), Wet arbeidsongeschiktheid (WAO), Ziekenfonds (ZFW).

Volksverzekeringen : Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene weduwe en wezen wet (AWW) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

26. Preventieve maatregelen: Maatregelen om ziektes en epidemieën te voorkomen.

27. Abortus: Het voortijdig afbreken van een zwangerschap

28. Euthanasie: Euthanasie is door een arts het leven te laten beëindigen bij een uitzichtloze situatie (dus wanneer je niet meer te genezen bent)op verzoek van de patiënt zelf.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

dalijk geschiedenis pta bedankt vooor de samenvatting

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast