Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 1, 2, 3, 4, 6 en 9 (Mens en werk)

Beoordeling 4.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 4515 woorden
  • 9 februari 2004
  • 9 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.1
  • 9 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Maatschappijleer ‘mens en werk’:

Hoofdstuk 1

Werk: elke lichamelijk of geestelijke inspanning die wordt verricht met de bedoeling iets tot stand te brengen ? is erg ruim, in normale spraakgebruik verstaan we onder werk:
Betaalde arbeid: er wordt altijd iets voor andere geproduceerd of iets verricht waarvoor de ander moet betalen.
Lichamelijke verrichting: timmerman of metselaar
Geestelijke verrichting: wetenschapper of leraar
Beide verrichtingen: automonteur of chirurg

Onbetaalde arbeid: denk hierbij aan huisman hij verricht arbeid maar krijgt daarvoor geen inkomen; of vrijwilligerswerk
het verschil tussen betaalde – en onbetaalde arbeid levert nogal problemen op. We spreken daarom vanaf nu over het begrip:
Arbeid: alle bezigheden die economisch nut opleveren voor degene die haar werk verricht, voor zijn of haar naaste omgeving en/ of voor de samenleving als geheel
Betekenis van werk voor de mens?:
- welke gevolgen kan het hebben van werk voor individuele mensen
- hoe ervaren mensen hun werk
De eerste gaat over de functie: ieder objectief waarneembaar effect of gevolg van menselijke activiteiten. Met betrekking op: eigen groep hetzij tot de samenleving als geheel.

Belangrijkste materiele functie: verdienen van een inkomen en het kunnen voorzien in het eigen levensonderhoud en in dat van het gezin, natuurlijk alleen bij betaald werk.
Belangrijkste immateriële functies:

1. Mogelijkheid tot verdere zelfontplooiing. Bijv. nieuwe wetten waar een rechter zich aan moet houden of mensen die een enorm creatief beroep hebben, denk hierbij aan t schrijven van een toneelstuk.
2. Ontwikkelen van zelfrespect en vergroten van het gevoel van eigenwaarde. Oorzaak hiervan is vaak van psychische aard.
3. Opdoen van sociale contacten
4. Verkrijgen van maatschappelijk aanzien.
Sociale status: mensen met een hoger inkomen hebben vaak een hoger maatschappelijk aanzien.
Sociale positie: hiervan hangt je aanzien af, de baan die je vervult. Niet van je persoonlijk individu.

Maatschappelijke waardering voor de verschillende soorten werk heeft met verschillende factoren te maken:
Enerzijds met:
- onderscheid in hoofd en handarbeid
- verantwoordelijkheid in je baan
- afwisseling
- mogelijkheden tot ontplooiing
- mogelijkheden opdoen sociale contacten
Anderzijds met ‘de opbrengst’ van het werk:
- inkomen
- macht die uitgeoefend kan worden
- status
Daarnaast nog:
- wet van vraag en aanbod
- traditie; pastoor

Algemene antwoorden op de vraag over de belevingen van de mensen en hun arbeid:
* Allereerst spelen primaire – en secundaire arbeidsvoorwaarde een belangrijke rol:
- primaire arbeidsvoorwaarde: loon en de arbeidstijd
- secundaire arbeidsvoorwaarde: gevoel van tevredenheid, ook vaak de extra voordeeltjes

* Arbeidsinhoud: om wat voor soort werk het gaat.
Vervreemding is belangrijk begrip: lees verhaaltje over middeleeuwen op blz. 9 – 10

* Arbeidsverhouding: of je als werknemer wel of geen inspraak hebt, dus de mogelijkheid om deel te nemen aan de besluitvorming binnen het bedrijf

* Arbeidsomstandigheden: fysieke en psychische eisen die aan de werknemer gesteld worden

* Arbeidsorganisatie: manier waarop de verdeling van de arbeid over de verschillende mensen in een bedrijf is georganiseerd

Hoofdstuk 2

Door de eeuwen heen is de waardering voor arbeid sterk veranderd.

De Grieken:
Filosoof Plato (428-348 voor Christus) vond dat werken was bedoeld voor vreemdelingen en slaven.
Aristoteles (384-322 voor Christus) vond dat arbeid de mens verlaagde, door werk werd de mens van de deugd afgehouden. De belangrijkste deugd was vrijheid, wie moest werken kon niet vrij zijn.
Het verrichten van lichamelijke arbeid werd gezien als belemmering om over eigen vrijheid te kunnen beschikken.

Middeleeuwen:
Arbeid werd net zoals bij de Grieken alleen gedaan door de onderlaag van het volk.
De geestelijkheid en adel leefden van arbeid van de horigen en lijfeigenen.
Handwerk, handel en betaalde diensten werden als minderwaardige bezigheden gezien, alleen de gewone burger hield zich hiermee bezig, maar niet meer dan noodzakelijk om in eigen levensonderhoud te voorzien.
Loonarbeid (verkopen van arbeid in ruil voor loon) kwam bijna niet voor.
In de middeleeuwen hield loondienst in dat je jezelf plaatste in de rang van de slaven.

Het verschil tussen nu en in tijd van de Grieken en de middeleeuwen, is dat nu een van de belangrijkste functies van arbeid het verschaffen van sociale contacten is, hierdoor krijgen mensen toegang tot het publieke leven, in Griekse Oudheid en in de Middeleeuwen werd arbeider uit dat publieke leven gesloten.

Thomas van Aquino (1226-1274) gaf aanzet tot een nieuwe manier van denken over arbeid.
Hij zag arbeid als een middel om mee te werken aan de opbouw van de christelijke samenleving. Werk met handen vond hij nuttig als voorbereiding op meditatie of als oefening in de gehoorzaamheid aan God of in de christelijke berusting.

Met name hebben de hervormers Luther en Calvijn het denken over arbeid sterk beïnvloedt.

Luther (1483-1546) stelde dat de mens die in de hitte van de dag zijn taak verricht, op een of andere wijze God meer behaagt dan hij die er in de schaduw zijn gemak van neemt. Iedereen was door God geroepen tot het verrichten van arbeid.
Luther verzette zich fel tegen religieuze bedelorden en tegen de praktijken van zwerven en bedelen.

Calvijn (1509-1564) beschouwde arbeid als het instrument om God eer te bewijzen. Aan het succes van arbeid kon men zien op welke manier de gelovige door God was uitverkoren. Het vergaren van bezit en rijkdom was een teken van succes.
De Duitse socioloog Max Weber (1864-1920) zag in deze opvatting de kiemen van het ontstaan van het kapitalisme.

Luther en Calvijn hebben ervoor gezorgd dat de bijbel in protestantse kringen de voornaamste inspiratiebron werd. De mens moet Gods schepping zo goed mogelijk beheren. Daarbij moet hij proberen zijn talenten zo goed mogelijk te gebruiken en verder te ontwikkelen.
Arbeid is in deze visie een opdracht van God aan de mens geworden, de mens kan niet meer aan zijn taak op aarde voldoen zonder arbeid, arbeid is een wezenlijk element van bestaan geworden.
In Katholieke kringen is de visie van Thomas van Aquino over arbeid altijd een grote rol blijven spelen.

Thomas More (1478-1535) breekt in zijn boek ‘Utopia’ ook volledig met de middeleeuwse visie op arbeid. In dit boek stelt hij dat de uitbuiting van de lagere klassen door de adel op moet houden.
Iedereen moet gelijk aantal uren arbeid verrichten, en er moet een gemeenschappelijk eigendom, ouderdomsvoorziening en vrije toegang voor allen tot ontwikkeling en geestelijke goederen komen.
De arbeid moet uitsluitend worden verricht voor productie die voor hele gemeenschap nuttig is. Luxe artikelen die door armen voor rijke worden gemaakt mogen in de volmaakte samenleving niet meer worden geproduceerd.

Claude-henri de Saint-Simon (1760-1825) kwam tot verheerlijking van arbeid zat je niet in t arbeidsproces dan noemde hij je nul en van generlei waarde ? klapslopers, nietsnutten (opmerking golden voor socialisten & kapitalisten)

Karl Marx (1818-1883) zag arbeid als een wezenlijke activiteit voor mens en samenleving. Arbeid moet leiden tot uitbanning van armoede.

Kladderadatsj = benaming door Karl Marx voor instorting van kapitalisme

Erich Fromn (1900-1980) heeft de eenzaamheid en vervreemding van de mens in de moderne technologische samenleving tot hoofdthema van zijn werk gemaakt.
? Vervreemding: mensen komen steeds verder vh te leveren product te staan. Doordat veel in een fabriek gemaakt wordt. Je hebt geen band met het eindproduct.

Wat arbeid voor mens zou moeten betekenen en wat het echt voor de mens betekent, zijn nog steeds twee verschillende zaken; Arbeidsethos en arbeidersethos dekken elkaar nog steeds niet.
Arbeidsethos (waardering van werk) 3 opvattingen:
- arbeid is een plicht (christelijk denken)
o iedereen die geen werk heeft kan worden gedwongen tot klusjes nuttig voor de samenleving
o gelijkwaardigheid van de mens
- arbeid kan geen plicht zijn
o basisinkomen voor iedereen die werkt, wie meer wil zal ervoor moeten werken
Opvattingen hierover:
* er is niet voldoende werk voor iedereen, waarom zou je mensen dan gaan dwingen?
* sommige mensen voelen zich niet thuis in hun werk, waarom zou je ze dan niet de kans geven om met een gegarandeerd klein inkomen andere dingen te doen?
Er kleven ook bezwaren aan basisinkomen, de rol van de staat wordt namelijk groter en er zal meer belasting moeten worden betaald.
- arbeid kan worden gezien als een recht > recht op arbeid

Voorstanders van recht op arbeid:
* iedereen moet de kans hebben zelf in zijn levensonderhoud te voorzien
* werk = plicht, iedereen kans om plicht te vervullen
* iedereen is gelijk -> adel of niet
Begin jaren 60 kwamen er looneisen, degenen die het land hadden opgebouwd wilden er namelijk wel wat voor terug hebben.

Hoofdstuk 3

Direct betrokkene bij arbeid:
* werknemers -> georganiseerd in & vertegenwoordigd door vakbonden
* werkgevers -> georganiseerd in & vertegenwoordigd door werkgeversorganisaties
* overheid (deze moeten er tevens voor zorgen dat ‘werkloze’ toch een inkomen hebben)
Sociale partners: bovengenoemde partijen, zorgen voor soc.- eco. klimaat van ons land
Feodaal systeem: (middeleeuwen) burgers en boeren waren eigen baas; verhouding werkgever/ werknemer bepaalt door persoonlijke band; duurde tot industriële revolutie
ná industriële revolutie: fabrieken, men kende niet meer hun eigen baas e.d.; werknemers hebben nog steeds gezamenlijke belangen op volgende terreinen:
* arbeidsvoorwaarden * gunstige werktijden
* arbeidsinhoud * duidelijke functieomschrijvingen
* arbeidsverhoudingen * reële medezeggenschap
* arbeidsomstandigheden * aangenaam werk; gezond en veilig
* algemene belangen * sociale zekerheid

1861: eerste vakbond was vd drukkers in A’dam ;zij verzekerde arbeiders tegen ziekte, ongeval e.d.
1866: eerste landelijke vakbond Algemene Nederlandse Typografenbond (verzuiling speelde een rol)
Hierop volgden vakbonden voor timmerlieden, schilders, metselaars enz.
1906: NVV (Nederland Verbond van Vakverenigingen) werd opgericht
Bij het ontstaan van vakbonden speelde verzuiling een grote rol. Er ontstonden socialistische, katholieke en christelijke (= protestantse) bonden, die samenwerkten in vakverenigingen met duidelijke kleur, verwant aan de politieke partijen.
- NVV heeft altijd goede banden gehad met SDA wat de PvdA is geworden
- Bureau voor de Rooms Katholieke Vak organisatie onderhield nauwe banden met Room Katholieke Staatspartij
- Uit dit Bureau ontstond de KAB (Katholieke Arbeidsbeweging) die later werd omgedoopt in het NKV (Nederlandse Katholiek Vakverbond) die goede relaties had met de Katholieke Volkspartij> nu CDA
- Het CNV (Christelijke Nationaal Vakverbond) onderhield nauwe banden met de ARP (Anti Revolutionaire Partij) en de CHU (Christelijke Historische Unie> nu met CDA)

vakbond: belangenorganisatie van werknemers in bepaalde bedrijfstak (vb de bouw)
* Collectieve belangen (CAO)
* Individuele steun (juridische steun)
Lid zijn van vakbond is niet verplicht, er zijn weinig leden bij vakbond omdat het vrijwillig is en je moet contributie betalen. Zonder dat je lid bent profiteer je ook van de vakbond.
bedrijfstak: alle ondernemingen die zich op zelfde wijze met zelfde product bezighouden
vakcentrale: overkoepelde organisatie die probeert ’t beleid vd afzonderlijke bonden te coördineren (FNV fusie nvv & nkv, CNV, MHP)
FNV: Federatie v NL Vakverenigingen
CNV: Christelijke Nationale Vakverbond
MHP: Middelbaar en Hoger Personeel
Vakcentrales vestigen zich overal i.v.m multinationals, tevens in ontwikkelingslanden vind je hen.
Er zijn bij de verschillende vakcentrale’s verschillende vakbonden aangesloten; o.a.:
FNV -> ABVA (ambtenaren), ABOP (onderwijsgevenden), dienstenbond FNV,
Industriebond FNV, Voedingsbond FNV, Vrouwenbond en de Nederlandse
Vereniging van Journalisten. [FNV telde in 1990 ruim 900.000 leden]
CNV -> Dienstenbond CNV, KOV (onderwijsgevenden), Vervoersbond CNV en het
Centrum voor Christen Journalisten. [CNV telde in 1990 ongeveer 300.000 leden]
MHP -> Unie BLHP (= Unie van Beambten, Leidinggevend en Hoger Personeel)
[MHP telde zo’n 120.000 leden in 1990]

Vakbonden spreken zich vooral uit over onderwijs, cultuurbeleid, minderhedenbeleid, vrede & veiligheid vd mensenrechten (ook een beetje klantenbinding)
Middelen voor t bereiken v. een doel:
* overleg & onderhandelingen
* lobby
* gerechtelijke procedure
* prikacties & stakingen & bedrijfsbezetting
CAO: collectieve arbeidsovereenkomst; regelingen waarin afspraken over loon e.d. vastgelegd zijn (geldt voor iedereen binnen een bedrijfstak)
Stichting van de Arbeid (1945) & Sociaal - Economische Raad (SER)(1950): 2 belangrijke overlegorganen waar de vertegenwoordigers van de werknemers en werkgevers elkaar regelmatig tegenkomen.
SvdA: adviseerde in ‘t begin alleen de OH bij ’t nemen v. maatregelen op soc. eco. gebied
Centraal akkoord: verzameling afspraken die voor alle bedrijven in ons land gelden (SvdA wil dit vastleggen)
SER: OH moet altijd advies vragen over soc. eco. gebied; kroonleden (leden door regering gekozen)

Harmoniedenken: Hier wordt de nadruk gelegd op de gemeenschappelijke belangen van werknemers en werkgevers. Eventuele conflicten zouden in harmonie moeten worden opgelost.
Transactiedenken: er wordt niet meer gehandeld op basis van de gemeenschappelijke belangen maar op basis van het ‘zaken doen’. Denk hierbij aan: Voor wat, hoort wat.
Conflictdenken: Werknemers en werkgevers hebben tegengestelde belangen.
Werknemers gaan voor hun belangen opkomen d.m.v. verschillende acties:
- stiptheidsacties > werknemers volgen de regels zo nauwkeurig dat er vertragingen ontstaan
- prikacties > werknemers onderbreken het werk kortstondig uit protest tegen de werkgever
- stakingen > een staking is wat zwaarder, er zijn ook verschillende ‘eisen’ aan:
o staking moet georganiseerd zijn door een vakbond
o vakbonden moeten alle wettelijke middelen (vb: onderhandelen) hebben aangewend
o gevolgen mogen niet onevenredig groot zijn in verhouding tot het doel van de staking
Door een staking ontstaan er 2 negatieve effecten:
- afspraken met klanten worden verstoord
- onderlinge relaties binnen bedrijf wordt verstoord, de ene werknemer doet wel mee aan staking en de ander niet
Wanneer een werknemer deelneemt aan een onwettige staking, pleegt deze wanprestatie tegenover zijn werknemer, omdat hij de verplichtingen uit arbeidscontract niet nakomt.
Stakingen gaan soms gepaard met bedrijfsbezettingen: het bedrijf wordt door stakers bezet, zodat de werkwillige werknemers en directieleden niet naar binnen kunnen.

De mate van succes bij het behartigen van de werknemersbelangen hangt af van verschillende factoren:
- functioneren van de vakbonden zelf. Hierbij valt te denken aan
o organisatiegraad van werknemers in bedrijf/bedrijfstak
o actiebereidheid van de leden
o eensgezindheid binnen de bonden
- het politieke klimaat
- economische structuur van een land
- economische conjunctuur
De werknemersbelangen worden niet alleen behartigd door de vakbonden maar ook in de ondernemingsraden: elk bedrijf met min. 35 leden heeft een ondernemingsraad, hierin zitten de gekozen vertegenwoordigers van de werknemers binnen een bedrijf die overleg plegen met bestuur.
Ondernemingsraden mogen ondermeer meepraten over:
- overdracht van de zeggenschap over de onderneming, aangaan/verbreken samenwerking met anderen ondernemingen
- belangrijke inkrimping/uitbreiding/wijzigingen in de werkzaamheden
- belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming
- doen van grote investeringen of aantrekken belangrijke kredieten

Hoofdstuk 4

Als reactie op de groeiende macht van de werknemers en het succes van de vakbonden ontstonden er werkgeversorganisaties
Vrijemarktprincipe: de staat bemoeit zich zo min mogelijk met de bedrijven, bedrijven moeten daarom winst maken om te kunnen blijven bestaan. Om winst te maken moeten bedrijven concurreren.
Belangen van de werkgever:
- continuering van het bedrijf
- lage bedrijfskosten
- werkwillige, bekwame en geschoolde werknemers
- lage belastingen
- geringe concurrentie
Werkgeversorganisaties: belangenorganisaties van de werkgevers, maar meestal zijn het niet de werkgevers die lid zijn, maar de ondernemingen.
Er zijn in Nederland 2 grote werkgeversorganisaties; VNO (Verbond van Nederlandse Ondernemingen) en NCW (Nederlands Christelijk Werkgeversbond). Deze twee werken steeds meer samen, ze bestrijken: industrie, delfstofwinning, export/import handel, vervoer, verbindingen, bank en verzekeringswezen. De werkgeversorganisaties ontmoeten elkaar in de Raad van Nederlandse Werkgeversbonden.
Er zijn ook nog kleine werkgeversorganisaties:
- KNBTB > Katholieke Nederlandse Boeren en Tuindersbond
- NCBTB > Nederlandse Christelijke Boeren en Tuindersbond
- Koninklijk Nederlands Landbouwcomité
- MKB > organisatie voor werkgevers van Midden en Klein bedrijven
Ook werkgevers hebben een aantal instrumenten om voor hun belangen op te komen:
- overleg en onderhandeling
- doen/nalaten van investeringen
- het ontslag
- het vestigingsbeleid
- de lobby
- de gerechtelijke procedure
Ondernemingen hebben natuurlijk grote invloed op het sociaal economisch klimaat,
doordat ze kunnen bepalen wel of niet te investeren en of deze investeringen werkgelegenheid zullen opleveren of niet.

Het VNO is de grootste werkgeversorganisatie. Net zoals werknemersorganisatie’s staan ook de werkgeversorganisaties dicht bij de posities van de politieke partijen;
VNO heeft belangrijke posities in de VVD, VVD en VNO hebben indertijd een stichting voor sociaal en economisch onderzoek ingesteld.
VNO staat dus dicht bij de VVD maar VNO-topman Rinnooy Kan is vooraanstaand lid van de D66.
Het NCW is een confessionele organisatie, veel van haar leden zijn lid van CDA.

Of de belangenbehartiging van werkgevers succesvol is hangt samen met factoren als;
- mate van organisatie en eensgezindheid van de werkgevers
- politieke klimaat
- economische structuur
- economische conjunctuur
In een liberaal politiek klimaat hebben werkgevers weinig last van overheidsbemoeienis, de overheid is nauwelijks bereid beschermende maatregelen voor de werknemer te creëren. Linkse regeringen zijn juist geneigd zich meer met structuur van de economie te bemoeien om de zwakkeren in de samenleving te beschermen.

Hoofdstuk 6

Er zijn 3 economische systemen van de overheid:
- vrijemarkteconomie
- de centraal geleide planeconomie
- gemengde economie
ideaaltypische omschrijving: omschrijving van het volmaakte model
Vrijemarkteconomie > kapitalistische economie; (bijv: Japan, VS)
deze economie kenmerkt zich door het feit dat de overheid zich zo afzijdig mogelijk houdt in het economische proces. De wet van vraag en aanbod bepaald welke prijs voor een product moet worden betaald. De vrijemarkteconomie heeft aantal voordelen;
- grote keuzevrijheid van producent en consument
- er is weinig bureaucratie (omdat overheid zich nauwelijks bemoeit, is er weinig gezeik met ambtenaren)
- bij volledige mededinging (=concurrentie) worden vraag en aanbod goed op elkaar afgesteld, hierdoor zijn er redelijke prijzen
Maar de vrijemarkteconomie heeft ook een aantal nadelen;
- omdat er wordt geproduceerd naar waar vraag naar is, kunnen er milieuproblemen ontstaan
- de zwakkeren in de samenleving kunnen op vrij markt hun behoeften moeilijker bevredigen

Centraal geleide planeconomie;
Kenmerkend voor deze vorm is de grote rol van de overheid in het economische proces.
De overheid leidt het proces door te bepalen welke behoeften eerst moeten worden bevredigd en tegen welke prijs. De overheid bepaald wie wat moet doen en daardoor is er werk voor iedereen, de overheid bepaald ook wie welke opleiding kan gaan volgen.
Vraag en aanbod kunnen zo goed op elkaar worden afgestemd. Ook bepaald de overheid de salarissen waardoor er geen grote inkomensverschillen hoeven te zijn.
Argumenten voorstanders:
- omdat de overheid de plannen maakt zal er sociaal economisch geen ongelijkheid zijn, zo kan productie en consumptie ook goed op elkaar worden afgestemd
- werkloosheid kan beter worden bestreden doordat de overheid alle regelmechanismen in handen heeft
Argumenten tegenstanders:
- er zal veel bureaucratie zijn, de overheid bemoeit zich overal mee waardoor er veel ambtenaren nodig zijn
- de planners zullen erg machtig zijn, zij bepalen wat goed is voor het volk, maar de planners kunnen zichzelf bevoordelen

Gemengde economie;
Deze vorm is een tussenvorm van de vrijemarkteconomie en de centraal geleide planeconomie. De overheidsrol is groter dan in vr.marktec. maar kleiner dan in de cen.gel.planeco.
De overheid neemt verantwoordelijkheid op een aantal gebieden die in de vrijemarkteconomie zouden blijven liggen; werkgelegenheid, inkomensverdeling, sociale zekerheid etc. Nederland heeft een gemengde economie, de voordelen ervan zijn:
- er is sociale zekerheid voor iedereen
- geen centrale ideologie die voor iedereen moet gelden
Maar er zijn ook bezwaren;
- de hoge kosten, een sociaal zekerheidsstelsel kost geld dat moet worden verdiend door bedrijven en werknemers
- de overheid speelt toch een grote rol wat ten koste gaat van het eigen initiatief
Het vrijemarkteconomie idee vinden we terug in het liberalisme, het liberalisme gaat ervan uit dat de mens zichzelf zoveel mogelijk in vrijheid moet kunnen ontplooien.
De overheid moet zich daarom onthouden van bemoeienis met sociaal economisch gebeuren. In de liberale visie zijn de menselijke rede (= gezond verstand) en het welbegrepen eigenbelang de belangrijkste uitgangspunten.
Rationalistisch individualisme: de opvatting dat opkomen voor het eigenbelang dient, in het belang van het individu zelf, met rede te gebeuren.
Liberalen trekken de volgende conclusies ten aanzien van de sociaal economische politiek;
- de markteconomie moet blijven bestaan evenals het systeem van vrij ondernemingsgewijze productie
- concurrentie is een absolute voorwaarde
- de rol van de overheid moet zoveel mogelijk worden teruggedrongen
De ideeën van de VVD zijn geïnspireerd door de liberale visie, in het VVD partijprogramma worden verschillende dingen benadrukt:
- deregulering: overbodige regels moeten worden geschrapt en ingewikkelde regels vereenvoudigd
- decentralisatie: spreiding van bevoegdheden over lagere instanties > overheid minder macht en burgers kunnen zaken makkelijker regelen met lagere overheid
- meer ruimte voor het particuliere initiatief, dit kan worden bereikt dor privatisering: overheidstaken overlaten aan bedrijfsleven
-
Het idee van de centraal geleide planeconomie lag oorspronkelijk ten grondslag aan het socialisme. Ideeën van het socialisme grijpen terug naar de theorieën van Karl Marx.
Marx ontwikkelde de theorie over het Historisch materialisme:
Verloop van de geschiedenis wordt bepaald door de productiekrachten (arbeiders + machines) en de productieverhoudingen (relaties bezitters - werkkrachten)
Klassenstrijd: bezitters van de productiemiddelen bepalen wat de heersende gedachten over recht en moraal in een samenleving zijn.

De ideeën van de sociaal-democraten zijn een moderne variant op de ideeën van de socialisten. Zij zagen de staat als een instrument waarmee de macht van de bezittende klasse kon worden ingeperkt.
De sociaal-democraten waren voorstanders van de gemengde economie, de belangrijkste uitgangspunten zijn:
- overheid moet iedereen bestaanszekerheid en een redelijk levenspeil garanderen
- in economisch proces moeten overheid en markt een belangrijke rol spelen
- overheidsplanning dient de nadelen van de markteconomie op te heffen
De PvdA heeft in haar partijprogramma duidelijk soc.democratische uitgangspunten:
- spreiding van kennis, inkomen en macht (meer gelijkwaardigheid)
- meer planning op sociaal economisch gebied
- selectieve groei ( zorgvuldiger gekozen productie)
- democratisering van allerlei instanties en bedrijven en decentralisatie

De confessionelen gaan uit van een organische maatschappij:
De maatschappij is niet opgebouwd uit individuen maar uit gemeenschappen die onderling met elkaar verbonden zijn, maar wel elk een eigen functie hebben.
De CDA (ontstaan uit KVP, ARP en CHU) heeft in zijn partijprogramma de principes van de organische maatschappij opvatting opgenomen.

De katholieken formuleerden het subsidiariteitsbeginsel:
Zaken die door lagere organen kunnen worden geregeld moeten niet door hogere organen worden overgenomen.

De protestant Abraham Kuyper formuleerde het principe soevereiniteit in eigen kring:
Staat, kerk, school, familie en bedrijfsleven zijn afzonderlijke sferen/kringen, elk met een eigen gezag/soevereiniteit. Binnen eigen sfeer verdient de staat volledige gehoorzaamheid, daarbuiten niet.

Ook de Christen-democratie gaat uit van een gemengde economie. Alle groeperingen in samenleving moeten eigen verantwoordelijkheid dragen. De overheid, werkgevers en nemers zijn verantwoordelijk voor het sociaal economisch leven.
De uitgangspunten van de christen-democraten:
- gespreide verantwoording: de macht dient gespreid te worden
- rentmeesterschap: god heeft mensen als rentmeester aangesteld en deze moet zorgvuldig worden beheerd
- gerechtigheid
- solidariteit (= bewustzijn van saamhorigheid en bereidheid om de consequenties daarvan te dragen)
- georiënteerde markteconomie: verantwoordelijkheid ligt bij bedrijven maar in noodgevallen mag staat ingrijpen

Ecologie: de wetenschap die mens en dier observeert in natuurlijk omgeving en hoe omgeving en levende wezens elkaar beïnvloeden.
Duurzame economie: economie die ervoor zorgt dat er geen wissel op de toekomst wordt getrokken.
Met betrekking tot het sociaal/economisch beleid formuleerde de ecologische beweging o.a. de volgende uitgangspunten±
- economie van genoeg (= niet verder groeien om uitputting en vervuiling tegen te gaan)
- kleinschaligheid; kleinschaliger worden geproduceerd = milieuvriendelijker en werkgelegenheid schept. Er moet kringloopeconomie komen waarin wordt hergebruikt.
Groen Links is ontstaan uit; PSP (pacifistische socialistische partij), PPR (politieke partij radicalen), CPN (communistische partij Nederland) en EVP (Evangelische volkspartij).

Hoofdstuk 9

Verzorgingsstaat: staat, waarin de overheid de verantwoordelijkheid op zich neemt voor het welzijn van de individuele burgers. (dit gebeurd via sociale stelsel)
De verzorgingsstaat is resultaat van het feit dat overheid zich meer en meer is gaan bemoeien met arbeid en economische verhoudingen;
- wet en regelgeving is sterk uitgebreid
- overheidsuitgaven sterk gestegen
- aantal werknemers in dienst van de overheid toegenomen
- overheid meer met de werkgelegenheid gaan bemoeien

De toegenomen overheidsbemoeienis is vooral het gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen waardoor de ideeën over de rol van de overheid moesten worden bijgesteld. Hier volgt het beeld van de toenemende overheid invloed in grote stappen:
- door industrialisatie ontstond er urbanisatie (= platteland > stad) waardoor en slechte gewoonten ontstonden waarbij de overheid maatregelen moest nemen
- industrialisatie zorgde voor polarisatie (= vormen van uiterste tegenstellingen) zo ontstond er de arbeidersklasse en de overheid moest wetten maken om deze klasse te beschermen
- er kwamen steeds mer bedrijven en dus ook meer concurrentie waardoor de kleine/zwakke bedrijven verdwenen en de invloed van bedrijven op economisch en sociaal gebied steeds groter werd
- de economische crisis in de jaren ´30 en de daardoor veroorzaakte werkloosheid zorgde voor grote sociale problemen. Er was veel armoede en de staat greep wil in, maar met het idee dat mensen voor zichzelf moesten zorgen en staat pas moest ingrijpen wanneer er iets helemaal mis was gegaan (= nachtwakersstaat)
er begon het besef te groeien dat de individuele mens de overheid nodig had om te kunnen overleven temidden van de sterker wordende economische machten
- door de 2e wereld oorlog was er veel vernietigd, de noodzaak tot wederopbouw leidde tot een actievere rol van de overheid, onder de rooms rode kabinetten onderleiding van Drees vond in jaren ´50 de wederopbouw plaats, de welvaart steeg
- de 2e wereld oorlog had er ook toe geleid dat her principe van de verzorgingsstaat algemeen werd aanvaard, zo nam de staat de verplichting op zich ervoor te zorgen dat de mensen goed werden verzorgd en mogelijkheden kregen zich te ontwikkelen
Kenmerkende elementen van de verzorgingsstaat zoals die in de jaren ´50 ontstond:
- vrije ondernemersschap en productie door particuliere bedrijven blijft gehandhaafd
- overheid is mede verantwoordelijk voor collectieve welzijnsvoorzieningen zoals gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting
- overheid is mede verantwoordelijk voor de welvaartsontwikkeling, zij moet zich dus o.a. bezighouden met groei van nationale inkomen, aanvaardbare inkomensverdeling en het sociale zekerheidsstelsel
Op grond van het eerste kenmerk de verzorgingsstaat zich sterk van de centraal geleide plan economie en op grond van de laatste 2 kenmerken onderscheidt ze zich van de liberale vrijemarkteconomie.

Maatschappelijk corporatisme: samenwerking tussen overheid, werkgevers en nemers
Halverwege jaren +60 was verzorgingsstaat een feit, er was nauwelijks werkeloosheid en het stelsel van sociale zekerheid zorgde ervoor dat er geen diepe armoede meer was.
Welvaart: materieel > wat heb je te besteden?
Welzijn: immaterieel > hoe voel je je?

In de jaren ´70 stagneerde de economie, er waren nieuwe problemen: de energie en grondstoffen voorraad bleek beperkt te zijn. Milieuvervuiling werd de keerzijde van de welvaart, tegelijkertijd was ook de verzorgingsstaat onbetaalbaar geworden.
Er ontstond werkloosheid, steeds meer mensen werden arbeidsongeschikt en meer mensen maakten gebruik van de bijstandregelingen. Vanwege de stijging van uitgaven voor soc.zekerheid steeg ook het financieringstekort, er moest bezuinigd worden.

De problematiek van de beheersbaarheid van de verzorgingsstaat is in 2 punten samen te vatten:
- door stijging van de uitgaven van soc.zekerheid en het financieringstekort werd het moeilijker om de staat in stand te houden
- de toenemende afhankelijkheid van onpersoonlijke instellingen de afnemende persoonlijke zorg en de individualisering zorgden voor minder gewenste gevolgen van de verzorgingsstaat
De liberale VVD constateert vooral dat de verz.staat uit zijn voegen is gebarsten.
De kosten zijn te hoog en de bureaucratisering is enorm toegenomen.
Dereguleren: minder regels maken
Privatiseren: taken in de verzorgingsstaat van staat zoveel mogelijk afstoten naar particulieren ondernemers
De overheidsuitgaven kunnen dan worden teruggedrongen en de bureaucratie zal afnemen.
Het CDA heeft vooraal kritiek op het feit dat de verz.staat ertoe heeft geleid dat de zorg van mensen voor elkaar in de samenleving is afgenomen.
De PvdA is van mening dat de verz.staat nog steeds een belangrijke verworvenheid is, die niet zomaar moet worden prijsgegeven
De D66 zal enerzijds de rol van de overheid willen terugdringen en anderzijds de sociale ongelijkheid willen bestrijden.
De RPF en SGP hebben op bijbelse gronden bezwaren tegen een uitgebreide verz.staat.
Het GPV stelt zich gematigder op.
Groen Links vindt dat de verz.staat onder geen enkele voorwaarde verder mag worden afgebroken, de ongelijkheid in de samenleving zou daardoor nog verder worden vergroot.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.