Hoofdstuk 5 - Geld en geldschepping

Beoordeling 7.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1686 woorden
  • 5 februari 2009
  • 11 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.3
  • 11 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Samenvatting Economie H5
Paragraaf 1
Geld = ongedifferentieerde koopkracht die door iedereen wordt geaccepteerd
Ongedifferentieerde koopkracht = met geld kun je bijna alles kopen en je kunt er overal mee terecht
Nominale waarde = de waarde die op de munt vermeld staat
Intrinsieke waarde = de waarde aan goud of zilver die de munt bevat
Bankbiljetten = zijn ontstaan door de ontvangstbewijzen die de goudsmeden gaven als mensen gouden munten bij hen in bewaring hadden gegeven
Volwaardige munten = wat erin zit(intrinsieke waarde) is wat er op staat(nominale waarde)

Er werd voor goud en zilver als munten gekozen, omdat
- het zeldzame edele metalen waren, niet voor het oprapen
- niet makkelijk aangetast door water of weersinvloeden
De band tussen de nominale en intrinsieke waarde werd verbroken doordat mensen de randjes van de munten gingen schrapen om er weer een nieuwe van te maken. Om dit te voorkomen werden de zijkanten gekarteld of er kwam een inscriptie op.

Paragraaf 2

Gouden standaard = goud was lange tijd de basis van het geldstelsel (standaard)
Goudenmuntenstandaard = als er gouden munten als betaalmiddel in de omloop zijn(bestond tot het begin van WOI, 1914)
Standaardmunt = basis van het geld,
Goudkernstandaard = de goudvoorraad is grotendeels opgeslagen bij de circulatiebank. Er zijn bankbiljetten in de omloop, zonder intrinsieke waarde, die kunnen worden ingewisseld voor goud. (in NL van 1918 tot 1936)
Papieren standaard = niet meer mogelijk om bankbiljetten om te wisselen voor goud en wordt de vaste verhouding tussen de gulden en een hoeveelheid goud verbroken

Deviezen = internationaal aanvaarde betaalmiddelen, zoals de dollar.
Bij de goudkernstandaard moest de dekking 40 procent zijn  De Nederlandsche Bank moest goud in de kelders hebben ter waarde van 40 procent van alle bankbiljetten die in de omloop waren. In 1936 is de gouden standaard afgeschaft. Toen kwam de papieren standaard, vanaf 1956 moesten de bankbiljetten en opvraagbare tegoeden door 50 procent zijn gedekt door goud en deviezen. Bij deviezen was de feitelijke dekking ruim boven de 100 procent. Sinds de euro moeten er goud en deviezen worden aangehouden om alles te dekken.

Paragraaf 3

Circulatiebank = de Europese Centrale Bank, de enige bank die bankbiljetten in omloop mag brengen
Chartaal of stoffelijk geld = bankbiljetten en munten
Giraal of onstoffelijk geld = bestaat uit rekening-couranttegoeden (bank- of girorekeningen)
Afschrift = hierop staan de veranderingen(mutaties) van het tegoed op de rekening
Chippen = pas waarop een bepaald tegoed kan worden gezet en mee betaald kan worden
Creditcards = hiermee kun je in winkels, hotels en restaurants worden betaald door het plaatsen van een handtekening op een speciaal formulier, de creditcard- maatschappij betaald en eens in de maand krijg je een rekening voor de betalingen die zijn gedaan.
Er is maar één bank die bankbiljetten mag maken, de Europese Centrale Bank, om het vertrouwen in het geld te houden. Via particuliere banken(ABN Amro, Postbank enz.) komen ze in de omloop.

Paragraaf 4

Maatschappelijke geldhoeveelheid(mg) = de totale hoeveelheid chartaal en giraal geld die in handen is van het publiek
Effectenkredietinstellingen = leggen zich toe op het handelen in effecten in opdracht van particulieren en institutionele beleggers
Het publiek dat de mg in handen heeft bestaat uit:
1. de consumenten
2. de ondernemingen
3. de overheid
de geldscheppende instellingen tellen hier NIET mee.
Geldscheppende instellingen zijn:
1. de Europese Centrale Bank
2. particuliere banken die in staat zijn nieuw giraal geld uit te geven(ABN Amro, Postbank enz.)
3. effectenkredietinstellingen
Geldschepping vindt plaats, omdat rekeninghouders nooit allemaal tegelijk hun tegoeden komen opvragen. Daarom wordt een beperkt percentage geld in kas aangehouden. Daardoor is de mg groter dan de hoeveelheid chartaal geld in handen van het publiek en in de kassen van geldscheppende instellingen.
Omdat het geld in de kas van geldscheppende instellingen is voor de dekking van de girale tegoeden van het publiek, telt het niet mee in de mg.

Paragraaf 5
Substitutie = het omzetten van chartaal geld in giraal geld en andersom. Mg verandert niet.
Termijndeposito’s = tegoeden die voor een bepaalde tijd tegen rente bij een bank zijn vastgezet
Rekening-couranttegoeden = tegoeden die direct opvraagbaar zijn
Schema bankbalans
Activa Passiva
Kas Rekening-couranttegoeden
Tegoed bij de Europese Centrale Bank Termijndeposito’s
Debiteuren(verleende kredieten) Spaartegoeden
Vreemde valuta’s(buitenlands geld)
Overige beleggingen Overige passiva
Aan de passivakant staan de bedragen die klanten van de bank op hun bankrekeningen en spaarrekeningen hebben gestort.
Aan de activakant zie je wat de bank met die tegoeden heeft gedaan.
- Een deel wordt verplicht in kas aangehouden
- Een deel wordt bij de Europese Centrale Bank aangehouden
- Een deel wordt gebruikt om kredieten te verstrekken
- De rest wordt aangehouden in vreemde valuta’s(dollars, yens, Britse ponden)
- En wordt gebruikt voor overige beleggingen

Paragraaf 6
Geldschepping = de maatschappelijke geldhoeveelheid wordt groter
Geldvernietiging = tegenovergestelde van geldschepping
Transformatie = het omzetten van ‘niet-geld’ in geld(vreemde valuta’seuro’s). Mg verandert wel
Kredietverlening = de bank zet een benodigd bedrag(krediet) in de vorm van rekening-couranttegoed beschikbaar
Wederzijdse schuldaanvaarding = de bank stelt geld beschikbaar aan iemand
Niet-geldscheppende banken = banken die geen geld maken, maar krediet verlenen die ze van spaarders hebben ontvangen(hypotheekbanken)
Geldschepping vindt plaats als de rekening-couranttegoeden hoger worden,terwijl de kas van de bank gelijk blijft. Dit gebeurt als het publiek vreemde valuta’s omzetten in euro’s.
Vreemde valuta’s horen niet tot onze geldhoeveelheid, het rekening-couranttegoed wel.
Als er geld van een termijndeposito naar een bankrekening wordt overgeboekt is er sprake van geldschepping, omdat er ‘niet-geld’ in geld is omgezet.
Als het geld van een bankrekening naar een termijndeposito wordt geboekt, is er sprake van geldvernietiging; geld wordt omgezet in ‘niet-geld’.
Kredietverlening is de belangrijkste vorm van geldschepping; er wordt geld ter beschikking gesteld in rekening-couranttegoed.
De kredietverlening van niet-geldscheppende banken schematisch:
spaargelden  niet-geldscheppende banken  kredieten
Doordat er geen nieuw geld wordt uitgegeven, blijft de maatschappelijke geldhoeveelheid gelijk als een niet-geldscheppende bank krediet verleent.

Paragraaf 8
Actieve kassen = geld dat rond gaat, inhoud hangt af van wat we verdienen
Inactieve kassen = geld gaat niet rond
Transactiemotief(kas) = er moet geld zijn om chartale betalingen te doen
Voorzorgsmotief(kas) = geld achter de hand houden voor onvoorziene gebeurtenissen
Speculatiemotief(kas) = geld om te beleggen
Oppotting = geld actief maken
Ontpotting = geld inactief maken
Omloopsnelheid = het aantal keren dat een euro gemiddeld van hand tot hand gaat
Het publiek(consumenten, ondernemingen en de overheid)hebben de mg in twee soorten kassen:
1. de actieve kas, ook wel transactiekas
2. de inactieve kas
Het grootste deel van de mg is bestemd voor betalingen van transacties, de actieve kassen. Als het nationaal inkomen hoger wordt, stijgt ook het bedrag in de actieve kassen, omdat er meer transacties plaatsvinden. De rest van de mg wordt in de inactieve kas gehouden voor onvoorziene gebeurtenissen(voorzorgsmotief) en om te beleggen(speculatiemotief).
Hoe hoger de rente, hoe leger de inactieve kassen zijn, omdat er dan wordt belegd.
Ontpotting doet zich voor als opgepot geld weer wordt uitgegeven of belegd.
Bij oppotting neemt de omloopsnelheid af, bij ontpotting neemt die toe.

Paragraaf 9
Geldstroom = het totale bedrag aan transacties
Goederenstroom = gelijk aan gemiddelde prijs van alle transacties, vermenigvuldigd met het transacties in een jaar.
Monetaire inflatie = als MV(maatschappelijke geldhoeveelheid en omloopsnelheid) toeneemt door geldschepping of door ontpotting
Monetaire deflatie = als MV afneemt door geldvernietiging of oppotting
Monetair evenwicht = als de geldstroom MV niet verandert
Verkeersvergelijking van Fisher = M.V=P.T
Mg x de omloopsnelheid = totale bedrag van alle betalingen in een jaar(geldstroom)
Gem.prijs van alle transacties x aantal transacties = goederenstroom (vb: gem.prijs transacties = €6,00, in totaal 500.000 transacties, €6,00x500.000 = €300.000,-)
M= maatschappelijke geldhoeveelheid
V= omloopsnelheid
Alle betalingen is M x V.
Als M groter wordt  geldschepping
Als V groter wordt  ontpotting
P= gemiddelde prijs per transactie
T= het aantal transacties
PT= de waarde van alle transacties
De geldstroom MV moet gelijk zijn aan de waarde van de transacties PT.

Paragraaf 10

Monetaristen = economen die de rol van het geld in de economie erg belangrijk vinden
Monetaire financiering = in sommige landen kan de regering de centrale banken dwingen geld te maken om overheidstekorten te financieren. Hierdoor stijgen de prijzen in het land sterk
Als M stijgt terwijl V gelijk blijft, neemt de geldhoeveelheid toe(monetaire inflatie) als MV stijgt, moet PT ook stijgen. Zolang er meer geproduceerd kan worden, neemt T toe, dan leidt de monetaire inflatie tot meer bestedingen. Als T niet meer kan toenemen, stijgt P. Kort:
T↑ : zolang de productiecapaciteit nog niet volledig bezet is
M↑ of
P↑: als T maximaal is
Geldvernietiging komt voor als er meer kredieten worden aangevraagd dan er nieuwe worden aangevraagd. Dat gebeurt in laagconjunctuur(onderbesteding). Als dit voorkomt proberen banken bestedingen te stimuleren. Dan groeit de geldstroom en daardoor weer de productie.
Monetaristen zijn bezorgd over het geldscheppend vermogen van de banken. Ze zijn bang dat er voortdurend prijsinflatie is. Groei geldhoeveelheid mag niet groter zijn dan groei nationaal inkomen.

Paragraaf 11

Prijsinflatie = sterke toeneming van de mg
Nominale rente = het percentage dat de bank over het gespaarde bedrag vergoedt
Reële rente = de rente die je overhoudt als rekening wordt gehouden met de prijsstijging
Bij een matige inflatie komt de ruilmiddelfunctie van het geld niet in gevaar, omdat het verlies aan koopkracht op korte termijn niet zo groot is. Behalve als in sommige landen de prijzen met meer dan 100% stijgt, dan gaan mensen hun eigen munteenheid zoveel mogelijk omwisselen voor geld of goederen waarvan ze verwachten dat die waardevaster zijn.
Als de landen waar Nederlandse goederen naar toe worden gevoerd minder inflatie hebben, worden de Nederlandse producten daar duurder. Dus dan kunnen Nederlandse ondernemingen in die landen minder goed concurreren met andere ondernemingen.

Paragraaf 12
1. monetaire inflatie (MV groter)
het saldo van geldschepping en oppotting is groter dan het saldo van de geldvernietiging en ontpotting. Als T niet meer kan stijgen, ontstaat er prijsinflatie.
2. bestedingsinflatie
consumenten willen meer goederen kopen dan de producenten kunnen maken. De overheid kan dan belastingen verhogen, eigen betsedingen verminderen of geldschepping beperken
3. kosteninflatie
prijzen stijgen doordat productiekosten omhoog gaan. Dat gebeurt als prijzen van grondstoffen en energie stijgen of als de loonstijging hoger is dan de groei van de arbeidsproductiviteit. De overheid veroorzaakt kosteninflatie als ze hogere prijzen gaan vragen voor hun diensten.
4. geïmporteerde inflatie
de bron van prijsstijgingen zit in het buitenland, doordat ingevoerde grondstoffen of eindproducten duurder zijn geworden
5. verwachtingen over inflatie
als er wordt verwacht dat de inflatie zal toenemen, vragen werknemers meer loon, en maken ondernemingen hun producten duurder. Er kan dan een loon-prijsspiraal ontstaan; lonen en prijzen stijgen om de beurt.
Als de prijzen dalen spreken we van prijsdeflatie; bij laagconjunctuur of onderbestedingen bij grote conjuncturele werkloosheid. Consumenten kopen minder goederen en ondernemers kunnen dan hun prijzen verlagen. De loonstijgingen zijn dan vaak ook gematigd en lagere arbeidskosten en daling van grondstofprijzen kunnen de deflatie ook bevorderen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.