Economie samenvatting H3 en H4(tot 4.5)
Hoofdstuk 3

§3.1
Productiefactoren: arbeid, natuur en kapitaal
Productie: het combineren van de productiefactoren om goederen en diensten voort te brengen.
Productie in enge zin: productie bij ondernemingen en overheid
Productie in ruime zin: productie bij huishoudingen, ondernemingen en de overheid.
De CBS registreert alleen productie in enge zin want de productie bij huishoudingen kan je niet meten.
§3.2
Transacties: handelingen met andere bedrijven of gezinnen(gepaard met kosten).


Transactiekosten: kosten die worden gemaakt om transacties goed te laten verlopen.
Informatiekosten: kosten voor transacties in verband met informatie.

§3.3

specialisatie: als je produceert in 1 of enkele soorten goederen.
Ambachtsbedrijf: productie dat voornamelijk door middel van handarbeid word gemaakt.
Arbeidsverdeling: verdeling onder arbeid.
Afzetgebied: gebied waarin er verspreiding is van eigen product.
3 soorten specialisatie:
- externe arbeidsverdeling; verschillende soorten productie
- interne arbeidsverdeling; directeur, boekhouding, ect.
- geografische arbeidsverdeling; verschillende plekken
Ruilen in natura: ruilen met goederen.

§3.4

Arbeidsproductiviteit: de productie per werknemer in een bepaalde periode.


Door specialisatie neemt de arbeidsproductiviteit toe omdat werknemers dan sneller en beter werken omdat ze op 1 ding volledig gefocust zijn waar ze ook nog eens gespecialiseerd in zijn.
Waardoor kan arbeidsproductiviteit nog meer kan stijgen(X):
1. bijscholing
2. mechanisatie, automatisering
3. arbeidsvreugde (motivatie)
investeren: als een onderneming kapitaalgoederen koopt.
Loonkosten per eenheid product: berekening van loonkosten
2 soorten investeringen:
Breedte-investering; wanneer er kapitaal goederen worden gekocht van een type al bij de onderneming in gebruik is.
Diepte-investering; kapitaalgoederen kopen die productiever zijn.

§3.5

Bewerkende producten: producenten die de bewerking van het product doen.
Bedrijfskolom: de productie van een oerproduct tot consument.
Geleding/bedrijfstak: bestaat uit een groep ondernemingen die in het productieproces dezelfde functies hebben.
Voorbeeld: Aardappelboeren
Frietfabrieken bedrijfstakkengeleding
Winkels ~ consument

§3.6

Integratie: samenvoeging van 2 opeenvolgende geledingen van de bedrijfskolom.
Door verandering in de bedrijfskolom kunnen kosten veranderen.
INTEGRATIE: •Aardappelkweker + Frietbakker Winkels
differentatie: er komt een geleding bij in een bedrijfskolom.
DIFFERENTIATIE: •Aardappelkwekers•Frietfabrieken•Verpakkingsbedrijf•Winkels
parallellisatie: een onderneming gaan aanverwante activiteiten uit een andere bedrijfskolom erbij doen. Vergroting van het assortiment
Branchevervanging: parallellisatie op een zeer uitgebreide schaal(warenhuizen)
Specialisatie: een onderneming gaat alleen nog maar 1 soort goederen produceren. Verkleining in het assortiment.

§3.7

we delen ondernemingen op verschillende manieren in:
1. naar het soort product of dienst.
2. naar omvang
3. naar eigendom
4. naar rechtsvorm.
Het delen naar het soort product of dienst:
• Primaire sector: landbouw, bosbouw, visserij. Direct uit de natuur.
• secundaire sector: industriële ondernemingen. Bewerkte goederen.
• Tertiaire sector; commerciële dienstverlenende ondernemingen(banken, ect.)
• Quartaire sector; bejaardenzorg, gezondheidszorg niet commercieel.
Indeling naar omvang:
Je kunt de omvang op verschillende manieren berekenen; de oppervlakte, aantal werknemers en de omzet.

§3.8

Indeling naar eigendom:
Eigendom van particulieren: ondernemingen die streven naar het behalen van winst
Eigendom van de overheid: ondernemingen die altijd winst hoeven te maken. Activiteiten die van belang zijn worden niet stopgezet door de overheid.
Privatisering: het overhevelen van overheidsactiviteiten naar private sector. Bij voorbeeld PTT
Gemengde eigendom: is een onderneming van de overheid en particulieren. (KLM)
Indeling naar rechtsvorm:
Eenmanszaak:
Eigenaar: één persoon.
Aansprakelijkheid: Zelf, ook met z’n privé vermogen (nadeel). Kleine onderneming.
Vennootschap onder Firma:
Eigenaar: 2 of 3 personen.
Aansprakelijkheid: hele vermogen. Zelf, ook voor de stommiteit van een ander en met je privé vermogen (nadeel)
Commanditaire vennootschap:
Eigenaar: beherende en stille vennoten.
Beherende vennoten: zelfde als bij een firma dus eigendom en de leiding.
Stille vennoten: mag zich niet bemoeien met de leiding, hij kan niet meer geld verliezen dan dat hij zelf in de onderneming heeft gestoken.
Naamloze vennootschap(NV):
Eigenaar: leiders niet eigenaren(NV)
Raad van bestuur: Aandeelhouders
Raad van Commissarissen: omdat er veel aandeelhouders zijn houden RVC toezicht op de RVB.
Besloten vennootschap(BV):
Eigenaar: leiders niet eigenaren(BV)
Raad van bestuur: een kleine groep eigenaren.
Raad van bestuur: mensen die een directie aanstellen om een onderneming te leiden.
Raad van Commissarissen: houden toezicht op de raad van bestuur als het om een grote groep gaat.
De aandelen van een BV kunnen niet op de beurs worden verkocht, maar die van een NV wel.
de aandeelhouders zijn niet aansprakelijk voor de schulden van een NV of BV. Als een onderneming failliet gaat zijn ze alleen hun geld kwijt waarmee ze aandelen hebben gekocht.
Coöperatieve vereninging:
Eigenaar: een groep producenten de onderneming verwerkt hun product. Leiding berust bij de directie.
Aansprakelijkheid: beperkt tot de deelneming van de onderneming.

§3.9

Groot bedrijf: aandelen verspreid over veel personen, scheiding tusse het geldkapitaal en de leiding van de onderneming.
Voordelen:
• grootschalige productie levert kosten voordelen op
• ze kunnen veel geld aan reclame uitgeven
• ze kunnen nieuwe producten ontwikkelen omdat ze veel geld hebben.
Nadelen:
• ze reageren niet snel op een verandering in de markt
• afstand tussen werknemers en leiding heel groot
• de organisatie word bureaucratisch.
Klein bedrijf: 1 tot 10 werknemers. (handel en horeca)
Middelgrootbedrijf: 10 tot 100 werknemers.( industrie, bouw nijverheid)
Kleinbedrijven en middelgroot bedrijven kunnen de concurrentie vaak niet aan van de grote bedrijven dus gaan ze failliet. Je kunt de grootbedrijven voor blijven door flexibiliteit en behoeften voort te brengen grote bedrijven niet kunnen.
Ondernemingsraad(OR): een gekozen vertegenwoordiging van het personeel. Ze mogen mee beslissen over belangrijke zaken bijvoorbeeld veiligheid werktijdenregelingen ect.

§3.10

Concentratie: het samengaan van ondernemingen.
Soorten concentratie:
• Fusie: als 2 ondernemingen besluiten samen te gaan.
• Overname: de ene onderneming koopt de aandelen van een nader.
Overwegingen om samen te voegen:
• goed aansluitende activiteiten
• verbreding van activiteiten
• inspelen op de vorming van 1 gemeenschappelijke Europese markt,
• verlaging van transactiekosten.
Mededingswet: fusies en overnames moeten eerst worden goedgekeurd door de NMa.
Nederlandse mededings autoriteit(NMa): keuren of fusies of overnames wel door mogen gaan.
Kartels: afspraken tussen ondernemingen uit dezelfde bedrijfstak met het doel de concurrentie te beperken.

§3.11

Concern: een groep ondernemingen en bestaat uit een moedermaatschappij en een aantal dochtermaatschappijen.
Holding company: de moedermaatschappij bezit de aandelen van de dochter maatschappijen.
Werkmaatschappijen: de productie en de verkoopsactiviteiten in een dochtermaatschappij.
Multinationals: ondernemingen die ook in andere landen productievestigingen hebben.
Globalisering: de consumptie en productie word steeds meer een wereldwijde samenhang.

§3.12

Mechanisatie: het invoeren van machines.
Automatisering: dat machines steeds meer de rol van de mens overneemt.
Dit zijn twee vormen van diepte-investeringen.
ICT: Informatie en communicatietechnologie. Daardoor zijn transactie kosten voor communicatie erg gedaald.
Netwerkeconomie/ nieuwe economie: Daardoor zijn transactie kosten voor communicatie erg gedaald. (microsoft ect.)

§3.13

Marketing: afstemmen op de consument.
4 p’s:
1. Productbeleid; de keuze van het aantal artikelen en de eigenschappen daarvan.*1
2. Plaatsbeleid (=distributie) manier hoe ondernemingen hun goederen verkopen.*2
3. Promotiebeleid (=reclame)
4. Prijsbeleid
*1 Innovatie concurrentie: het concurreren onder ondernemers door nieuwe producten te maken.
*2 just-in-time en just-in-place distributie: producten moet op de juiste moment op de juiste plaatst zijn.
Penetratie politiek: de prijs van het product blijft laag eerst laag als het product goed in de markt is verhoogd hij de prijs.
Afroompolitiek: beginnend een hoge prijs(voor de exclusiviteit) en daarna daalt de prijs (bijv bij mobielen).
Marktonderzoeken: onderzoeken van de markt voor ondernemingen.hoe duur ze een product moeten maken ect.

§3.14

balans: hoe een onderneming zijn vermogen gebruikt.
Activazijde: hoe een onderneming zijn vermogens gebruikt.
• Vaste activa: lange termijnbezittingen (bijv. gebouwen, transportmiddelen).
• Vlottende activa: korter dan 1 jaar mee gaan(bijv. voorraden, banksaldo).
Passivazijde: welke manier een onderneming zijn vermogen heeft verkregen.
• Eigen vermogen; aandelen vermogen en reserves.
• vreemd vermogen; opgenomen leningen en nog niet betaalde rekeningen.
Dividend: de winst die wel aan aandeelhouders wordt uitbetaalt.
Crediteuren: iemand aan wie je nog geld moet betalen (op korte termijn)
Debiteuren: daar krijg je nog geld van
Liquiditeit: de mate waarin de onderneming haar betalingsverplichtingen op korte termijn kan voldoen.
Solvabiliteit: de mate waarin een onderneming aan zijn totale verplichtingen kan voldoen. Voldoende eigen vermogen.
Winst en verliesrekening: laat zien hoe de winst en verlies in het boekjaar is ontstaan.
Rentabiliteit: hieruit kun je zien of het geld dat in de onderneming is gestoken voldoende rendement oplevert.
Jaarverslag: bevat de volgende onderdelen:
1. het directieverslag
2. de balans en de winst en verlies rekening
3. de wettelijk voorgeschreven toelichting bij de cijfers in de balans en de winst en verliesrekeningen.
4. een accountantsverklaring.
Belanghebbenden van een onderneming: aandeelhouders, banken, werknemers, ect.
Sociaalverslag: werving en ontslag van personeel, ect.
Milieujaarverslag: op welke manier ondernemingen rekening houden met het milieu, ect.
Formule van liquiditeit:
Kas + voorraden + debiteuren
Crediteuren
participatiegraad = beroepsbevolking x 100%
pot. beroepsbevolking
werkloosheidspercentage = werklozen x 100%
beroepsbevolking
werkgelegenheid = productie
arbeidsproductiviteit
Hoofdstuk 4.
§4.1
Formele sector: alles wat het CBS registreert.
Informele sector: alles wat het CBG niet registreert.
Arbeid in ruime zin: alle arbeid ongeacht of er loon word uitbetaald.
Arbeid in enge zin: als je er loon of salaris voor krijgt.
Zwarte arbeid: als je er lon vor krijgt maar er geen loonbelasting word betaald en sociale premies worden afgedragen.

§4.2

indeling van arbeid:
• geschoolde arbeid/ ongeschoolde arbeid
• hoofdarbeid/ handarbeid
• uitvoerende arbeid/ Leidinggevende arbeid
Delegeren; het doorgeven van opdrachten aan lager geplaatsten in de organisatie.
Emancipatie: de gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen in de samenleving en het arbeidsproces.

§4.3

Arbeidsvreugde; het plezier in je werk.
Flexibele werktijden; de 1 werkt graag s morgens en dan ander s avonds.
Parttime werk; als er slechts voor een deel in de week word gewerkt.
Fulltime werk; als er de hele week word gewerkt.
Duobaan; dat 2 personen een arbeidsplaats innemen.
§4.4
Werknemer: krijgen loon.
Startende ondernemers: jongeren die een poging doen om een onderneming op te richten.
Potentiële beroepsbevolking: mensen van 15 tot en met 64 jaar.
Leerplichtwet; dat je fulltime naar school moet.
2 groepen beroepsbevolking iedereen tussen 15 en 64 jaar;
- Afhankelijke beroepsbevolking; werknemers en werklozen.
- niet afhankelijke beroepsbevolking; zelfstandige ondernemers(pap).
Personen die niet bij bij de beroepsbevolking horen(15-64);
- mensen met een fulltime opleiding.
- Mensen die arbeidsongeschikt zijn.
- Huisvrouwen of huismannen.
Migratieoverschot: dat er meer mensen naar ons land migreren dan emigreren.
Geboorteoverschot; dat er meer mensen per jaar geboren worden dan sterven.
Bevolkingsaanwas; het geboorteoverschot en het migratieoverschot samen.

§4.5

Vraag naar arbeid via:
- personeelsadvertenties.
- Centra voor Werk en inkomen (CWI)
- Uitzendbureau; voor mensen die tijdelijk werk zoeken.
- Headhunters; mensen die vooral managers verplaatsen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.