Hoofdstuk 6.1 t/m 6.4

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 1e klas havo/vwo | 1710 woorden
  • 11 september 2014
  • 52 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.9
  • 52 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Paragraaf 1, Naast de deur



Waarom geen eekhoorns op het strand?



Ieder organisme(mensen, planten, dieren) leeft op de plek waar de omstandigheden om te overleven precies goed zijn. Zo’n plek heet een biotoop.



In het bos is veel schaduw, op het strand juist niet. Zulke omstandigheden als veel of weinig schaduwen  hebben invloed op organismen en noem je invloeden:



Er zijn invloeden uit de niet-levende natuur zoals temperatuur en zon, die invloeden noem je abiotische invloeden. Je hebt ook biotische invloeden, dat is precies het tegenovergestelde en betekent invloeden als beukenboomen met  beukennootjes voor een eekhoorn.



Maar er zijn niet alleen eekhoorns, ook allerlei andere  soorten organismen, en samen noem je die een levensgemeenschap.



Hoe vind je de naam van organismen?



Er zijn special boeken en bladen om op te zoeken hoe een plant of dier heet. Bij planten heet zo’n boek een flora. Een ander word voor ‘de naam opzoeken’ is determineren. Je kijkt dan goed naar de kenmerken van een plant of dier en beantwoordt daar vragen over.





In de achttiende eeuw bedacht de Zweedse plant kundige Carl Linnaeus een systeem om alle organismen te ordenen. Hij maakte groepjes van ongeveer de zelfde organismen. Een zo’n groep heet een geslacht. Een aantal geslachten die opelkaar lijken vormen samen een familie en een aantal familie’s een orde, zo ga je verder met klasse, afdeling en rijk. Omdat wetenschappers een Latijnse  naam gebruiken, noem je dat ook wel wetenschappelijke namen van organismen. Het eerste deel van zo’n naam lijkt een beetje op je achternaam, dat heet de geslachtsnaam. Dat is de naam van het geslacht waar een organisme  hoort en dat schrijf je altijd met een hoofdletter het tweede deel is de soortaanduiding. Die hoef je niet te schrijven met een hoofdletter en kun je vergelijken met je voornaam. De mens is een voorbeeld: Homo sapiens. Homo is de geslachtsnaam en sapiens de soortaanduiding.











Paragraaf 2, Biotoop onder de loep



Waarom een eigen plek?



Alleen al in een boom leven verschillende organismen. Allerlei insecten zoals rupsen en kevers eten van de boom, en allerlei soorten vogels komen op die insecten af. Drie soorten vogels die van de boom eten zijn de specht, de boomkruiper en de koolmees die zijn concurrenten van elkaar. Maar ze zoeken wel eten allemaal op hun eigen manier waardoor er genoeg voedsel is: De koolmees zoekt insecten op takken en bladeren, en  de specht en boomkruiper in de stam. De boomkruiper peutert met z’n dunne snaveltje de insecten uit  spleten en de specht heeft een stevige snavel waarmee hij tegen de boomstam roffelt, daarmee maakt hij de schors kapot en kan hij de insecten onder de schors vandaan halen.



Ook planten hebben hun eigen plek, maar ze hebben niet allemaal even veel licht nodig. Dat is duidelijk te zien in het bos of park. Daar groeien ze onder elkaar, in lagen. Onder de bomen groeien struiken, daaronder struiken, daaronder een kruidlag en daaronder een moslaag.



Hoe leven veel organismen bij elkaar?



in het park leven verschillende organismen. Dat komt omdat een park veel plekken heeft met een abiotische invloed. Op donkere plekken komen bijvoorbeeld veel pissenbedden en op zonnige plekken met bloemen veel bijen en vlinders. Zo heeft elk organisme zijn eigen plek, waar de invloeden goed zijn en er genoeg eten te vinden is. Dat heet een habitat, wat eigenlijk de woonplaats is van het organisme binnen de biotoop.





Hoe wordt een park natuurlijker?



Als een park alleen bestaat uit streng gemaaid gras en keurige bloemperken waar niet zo veel verschillende bloemen in staan, leven er  weinig organismen, want er is niet veel habitat.



Door meer afwisseling in het park aan te brengen, ontstaan er meer habitats. Hierdoor wordt de biodiversiteit groter. Je kunt bijvoorbeeld de oever van een vijver schuin af laten lopen, waardoor het water dieper wordt en er meer verschillende planten en dieren in leven.  Dat soort maatregelen nemen om de biodiversiteit te vergroten heet  natuurontwikkeling.



Paragraaf 3, Eten of gegeten worden?



Wat hebben planten nodig?



Planten eten niet, maar ze maken hun eigen voedingsstoffen door fotosynthese. Daarmee maken ze glucose, en daar hebben ze water en koolstofdioxide voor nodig.



Wat eten dieren?



Dat zelf voedingsstoffen maken kunnen dieren niet. Want zij hebben geen bladgroenkorrels in hun cellen. Dieren en mensen krijgen die voedingsstoffen door te eten. Je kunt dieren in groepen verdelen door te kijken naar wat ze eten:




  • Planteneters eten delen van planten. Voorbeeld: koeien en konijnen

  • Vleeseters eten vlees en vangen dus andere dieren. Voorbeeld: vos

  • Alleseters zijn een combinatie van planteneters en vleeseters. Voorbeeld: mensen en varkens.





Het maakt niet uit wat je eet, het komt altijd van andere organismen, plant of dier. Als het ene organisme gegeten wordt door het andere organisme, heet dat een voedselrelatie. Voorbeeld: tussen een konijn en wat gras, of tussen een vos en een konijn.



Hoe noteer je voedselrelaties?



Je schrijft voedselrelaties op een speciale manier op. Bijv. als je blaadjes, een rups, een koolmees en een havik hebt, schrijf of teken je die achter elkaar:



blaadjes → rups → koolmees  → havik



Als je zo’n voedselrelatie met pijltjes opschrijft, heet dat een voedselketen. Dat pijltje betekent: ‘wordt gegeten door’. Ieder organisme heet een schakel. Planten zijn altijd de eerste schakel in een voedselketen.



In een levensgemeenschap komen verschillende voedselketens voor. De boom levert bijv. niet alleen voedsel voor de rups, maar ook voor de muis en eekhoorn. Op die manier zijn ze met elkaar verbonden. Zulke voedselketens door elkaar noem je een voedselweb.



Waarom zijn er meer rupsen dan haviken?



Denk is aan een havik. Een havik eet iedere dag 3 koolmezen. Elk jaar moeten er dus duizenden koolmezen zijn om die ene havik te voeden. Die koolmezen eten rupsen. Het aantal rupsen moet dus nog veel groter zijn dan het aantal koolmezen. Die rupsen eten bladeren. Je moet er niet aan denken hoeveel bladeren dat wel niet moeten zijn om die ene havik in leven te houden! Samen vormen de aantallen organismen een voedselketen die de voedselpiramide heet. Omdat het om aantallen gaat, is dat een piramide van aantallen.



Maar waarom zijn er zoveel blaadjes nodig om die ene havik te voeden? Dan moet je kijken naar een piramide van gewicht. Dat is een piramide met bovenin een organisme, daaronder iets meer, daaronder nog meer en daaronder het meest. Deze piramide heet zo omdat hij het gewicht aan geeft van al de schakels van de voedselketen. De onderste laag van een ander soort piramide met bovenaan de havik zit vol met blaadjes, en die bestaat uit drie gekleurde blokjes.




  • De rupsen die de blaadjes eten, kunnen niet alle stoffen van het blad verteren, en poepen datt uit. Dat is een bruin blokje.

  • De stoffen die ze wel kunnen gebruiken, gebruiken ze om te overleven. Bv om te bewegen en warm te blijven. Dat is het blauwe blokje.

  • Alleen de stoffen om te groeien uit de bladeren komen in het lichaam van de rups terecht. Dat is het rode blokje.



Het totale gewicht van de rupsen die van bladeren leven is dus veel minder dan het totale bladeren gewicht. Omdat dat ook bij de koolmezen gebeurt, is er bovenaan haast niks meer over. Omdat energie van de zon wordt vastgelegd in dat voedsel, kun je spreken van energieverlies.







Paragraaf 4, Een kringloop



Waar blijft afval in de natuur?



in het bos of park ontstaan heel wat afval. Zoals blaadjes en vruchten van bomen. Of de dood van dieren of de poep van dieren is afval. Dat soort afval noem je natuurlijk afval.



De bodem bestaat uit verschillende lagen, een doorsnee van die bodem heet een bodemprofiel. Die bestaat uit:




  • De bovenste laag: de strooisellaag. Die wordt  steeds aangevuld met natuurlijk afval. Maar toch wordt die niet dikker, omdat er in allemaal beestjes leven, zoals pissebedden, wormen en duizendpoten. Deze bodemdieren eten dat natuurlijk afval. Mestkevers bv ruimen poep van dieren op, en wormen en pissenbed eten afgevallen bladeren.

  • De middelste laag heet de humuslaag. Dat bevat een laag donkere korrels, die ontstaan nadat bodemdieren het natuurlijk afval klein hebben gemaakt.

  • De derde laag is de grondlaag.  Die kan uit zand, klei, leem of veen bestaan.



 In de strooisellaag en humuslaag zitten ook bacteriёn en schimmels. In een heel klein beetje humus zitten heel veel bacteriёn.



Schimmels leven niet alleen in de bodem, maar ook op oude boomstronken en afgebroken takken. Meestal zie je van schimmels alleen de paddestoelen. Het belangerijkse deel zit onder de grond en bestaat uit witte, pluizige draden. De bacteriёn en schimmels leven van de donkere korrels in de humus, en die zetten ze om in mineralen. Die komen in de grondlaag, en die lossen op in het water.



Waarom heeft een bos nooit mest nodig?



Mest is voeding voor planten, dat bestaat uit mineralen. In het bos ontstaan steeds weer opnieuw mest, omdat de schimmels bacteriёn. Omdat de mineralen naar de boom gaan, de blaadjes van de boom komen en op de grond vallen, de beestjes dat afbreken en dan de boom dat weer opneemt, heet dat de voedselkringloop.




  • De boom is een voorbeeld van een van de producenten omdat hij bladeren produceert.

  • Dan komen de dieren die die de producten van de producenten eten, en die heten de consumenten.

  • Dan komen de bodemdieren, die het afval van de producenten en consumenten eten. Die worden ook wel de afvaleters genoemd.

  •  En als laatste zijn de schimmels en bacteriёn aan de beurt. Die breken het humus af en maken daar mineralen van. Zij heten de reducenten.



Waarom bemesten boeren hun land wel?



in een bos werkt de voedselkringloop, maar op de akker niet. Dat komt omdat de boeren de planten van hun producten mee rooien, en dus niet laten liggen waardoor het niet tot “mest” kan worden verwerkt waardoor er te weinig mineralen in de grond zitten voor nieuwe planten. Daarom gebruiken ze dierlijk mest of  kunstmest. Dat eerste is plas en poep van dieren, en dat tweede wordt gemaakt in de fabriek en ziet eruit als witte korrels die mineralen bevatten.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.