Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Migratie en Mobiliteit

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 2723 woorden
  • 19 mei 2005
  • 45 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 45 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Aardrijkskunde Proefwerk Hoofdstuk 1, Migratie en Mobiliteit.

Verhuizen:
Het wisselen van woning binnen een gemeente.
Migratie:
Verhuizingen van het ene naar het andere administratieve gebied (bijv. gemeentes of provincies).

Binnenlandse migratie:
Het vertrek- en vestigingsgebied liggen in hetzelfde land.
Buitenlandse migratie:
Migratie over de landsgrenzen heen.

Intraregionale migratie:
Migreren binnen een landsdeel of provincie.
Interregionale migratie:

Van woonplaats wisselen tussen twee landsdelen of provincies.

Migratiesaldo:
Het verschil tussen vertrek en vestiging.
Buitenlands migratiesaldo:
Het aantal immigranten (personen die zich in NL vestigen) – het aantal emigranten (personen die zich in het buitenland vestigen)

Cijfers over migratie:
- Absoluut: aantal immigranten
- Relatief: Gemiddeld aantal migranten per 1.000 inwoners. Bij vergelijking.

Vreemdelingen:
In Nederland wonende mensen die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten.
Naturalisatie:
Vreemdelingen die de Nederlandse nationaliteit krijgen, als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen (mogelijk na minimaal 5 jaar verblijf in Nederland).

Autochtoon:

Iemand van wie beide ouders in Nederland zijn geboren, ongeacht het eigen land van geboorte.
Allochtoon:
Iemand van wie ten minste één ouder in het buitenland geboren is.
1e generatie: Als ze net als hun ouders in het buitenland zijn geboren.
2e generatie: Als ze in tegenstelling tot hun ouders in Nederland zijn geboren.

Niet-westerse allochtoon:
Immigranten afkomstig uit Turkije, Afrika, Latijns-Amerika en Azië (met uitzondering van Indonesië en Japan).

Etnische minderheid is een groep personen:
• Van een bepaalde nationaliteit;
• Die binnen een gebied (bijvoorbeeld een staat) een minderheid vormt;
• Die zich in een sociaal-economische achterstandspositie bevindt bij arbeid, onderwijs en huisvesting.

In de interactietheorie van Ullman verplaasen personen zich alleen naar andere gebieden als aan deze voorwaarden is voldaan:
• Complementariteit: gebieden vullen elkaar aan (als ene gebied tekort heeft aan arbeidskrachten, en andere gebied overschot, zullen er mensen verhuizen). Mexico en VS
• Intervening opportunity: tussenliggende mogelijkheid. (Oost-Europeanen die in NL willen werken en wonen, is Duitsland tussenliggende mogelijkheid: dichterbij, dus beter alternatief).
• Transferability: transporteerbaarheid. Afstanden spelen belangrijke rol: relatieve afstand, tijd, moeite, kosten.

Het besluit om te migreren hangt volgens het push-pullmodel af van deze factoren:
• Kenmerken van het vertrek- en vestigingsgebied. Pushfactoren (afstotend): gebrek aan werkgelegenheid, oorlog, armoede, geen vrijheid van meningsuiting. Pullfactor: Uitgebreid stelsel van sociale voorzieningen.
• Tussenliggende hindernissen. Allerlei zaken die een eventuele migratie bemoeilijken, zoals onoverbrugbare afstanden, kosten van migratie, familiebanden of het toelatingsbeleid van landen.
• Persoonlijke kenmerken. Spelen een rol bij de beoordeling van push- en pullfactoren, en de tussenliggende hindernissen. De mensen die willen migreren, hebben een bepaald beeld van het eigen gebied het de andere gebieden. Dit beeld hoeft niet met de werkelijkheid overeen te komen.

Perceptie:
De manier waarop mensen tegen gebieden aankijken. Factoren: leeftijd, opleiding, opleiding, ervaring, eventuele ervaring van mensen die al naar een gebied gemigreerd zijn.

Cirkelmigratie:
De migrant gaat altijd met een zekere regelmaat terug naar het herkomstgebied.
Seizoenmigratie:
In sommige plattelandsgebieden in arme landen: de vraag naar oogstarbeiders.

Over het algemeen geeft één reden de doorslag om te gaan verhuizen. Economisch, politiek en/of sociaal motief.

Economische motieven:
• Arbeidsmigranten. Hopen in het vestigingsgebied werk en inkomen te krijgen
• Bedrijfsgebonden migranten. Werken voor een bedrijf in het vestigingsgebied.
• Migrerende ondernemers. Zetten het eigen bedrijf in het vestigingsgebied op of voort.
• Studenten. Studeren / lopen stage in vestigingsgebied met oog op toekomstig beroep.
• Pensioenmigranten (renteniers). Zijn economisch niet meer actief, en brengen in het vestigingsgebied hun laatste jaren door.
Politiek motief:
• Politieke vluchtelingen. Ontvluchten om politieke redenen hun verblijfsland en verblijven (na toestemming door de overheid) in het vestigingsgebied.
Sociale motieven:
• Gezinsherenigers. Vestigen zich op grond van nauwe verwantschap bij gezinsleden in het vestigingsgebied.
• Gezinsvormers. Trouwen met een bewoner van het vestigingsgebied.
• Retourmigranten. Keren terug naar het gebied van herkomst.
• Woonmigranten. Vestigen zich elders vanwege een betere woonomgeving, of woonmogelijkheden.

In Nederland valt de binnenlandse migratie in de twintigste eeuw uiteen in 4 periodes:
• Tot 1960: Urbanisatie. De migratie van het platteland naar de stad.
• 1960-1975: Suburbanisatie. De migratie van de stad naar het platteland rond de stad.
• 1975-1980: Desurbanisatie. Suburbanisatie steeds verder van de stad.
• Na 1980, maar vooral na 1990: re-urbanisatie. Mensen die uit de (wijde) omgeving migreren weer naar de steden.

Urbanisatie (na 1870, tot 1960)
Pushfactoren:
1. De opkomende mechanisatie van de landbouw. De hoeveelheid werk op het platteland verminderde. Jaren ’50: vertrekoverschot groot in noordelijke en zuidwestelijke delen van NL. Verdere mechanisatie van de landbouw na WOII, en sterke industrialisatie in de westelijke provincies.
2. Het verdwijnen van de ambachtelijke huisnijverheid op het platteland. Deze huisnijverheid kon de concurrentie met de industrie niet aan.
Pullfactor:
• De toename van de industriële werkgelegenheid. Beter betaald werk en meer voorzieningen op het gebied van onderwijs, winkels en gezondheidszorg.

Expulsiegebieden:
Afstotingsgebieden. Gebieden die jarenlang achter elkaar een vertrekoverschot kennen.
Attractiegebied:
Aantrekkingsgebied.

Suburbanisatie (1960-1975)
Algemene welvaartsstijging, toenemende autobezit, woningnood in steden, slechte kwaliteit beschikbare woningen, beperkte speelruimte voor kinderen, stankoverlast, herrie, toenemende verkeersoverlast.

Selectieve migratie:
Bepaalde groepen mensen waren sterk vertegenwoordigd bij het verhuizen naar andere gebieden.

VINEX-wijken:
Compleet nieuwe wijken met woningbouw in allerlei categorieën. Goed openbaar vervoer tussen deze nieuwe wijken en het centrum moeten de verkeersstromen van auto’s inperken.

Gevolgen van urbanisatie in het vertrek- en het vestigingsgebied:
• Arbeidsaanbod in expulsiegebieden minder groot. Daardoor minder werkloosheid op platteland.
• Vergrijzing.
• Kleine-kernenproblematiek. Voorzieningen verdwenen door de teruglopende bevolking. Door de daling van het voorzieningenniveau en het verminderen van het verenigingsleven ging de leefbaarheid achteruit.
• Congestieverschijnselen, zoals geluid- en stankoverlast, files. Snelle groei steden vanaf het begin van de urbanisatie. Arbeiderswijken werden vaak dicht ij de fabrieken gebouwd.
• De druk op de woningmarkt nam toe. Grondprijzen, huur- en koopprijzen van woningen stegen.
Gevolgen van suburbanisatie voor het vestigingsgebied en de wijken van waaruit met vertrok (niet nationaal schaalniveau):
• Positief voor de bewoners zelf. Zij kwamen terecht in een woonomgeving met meer ruimte en groen.
• Negatieve effecten voor het milieu. Woon-werk-, woon-winkel- en woon-recreatiefverkeer nam toe. Infrastructuur kostte veel ruimte.
• Selectieve migratie in wijken met een vertrekoverschot: vergrijzing. Gemiddelde inkomen op wijkniveau daalde, meer koopkrachtige bevolking vertrok.
• Sommige wijkvoorzieningen in de steden verdwenen. Kwam door de afname van koopkracht.
Gevolgen van re-urbanisatie (vooral lokaal en regionaal):
• De combinatie werken een wonen in de stad verminderde de verkeersstromen richting de steden.
• De leefbaarheid werd vergroot. Oude wijken werden opgeknapt, er kwamen meer woningen, wijkvoorzieningen en winkels in de binnensteden.
• Het inwoneraantal in de steden nam toe.

1945-1960
Emigratieoverschot: Naar Canada, VS, Australië, Nieuw-Zeeland.
Werkloosheid door slechte economische situatie in de industrie en handel na WOII, én door terugloop in het aantal arbeidsplaatsen in de landbouw.

Immigratie: sterke schommelingen. Uit voormalig Nederlands-Indië. Pieken:
• Vlak na WOII en vooral toen Indonesië onafhankelijk werd (1949)
• 1951: oud-soldaten van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger.
• Tussen 1952-1955: ‘Indische Nederlanders’: nakomelingen van Nederlandse mannen en Indonesische vrouwen.
• Eind jaren ’50: Indonesië ontvouwde plannen om Nieuw-Guinea in te lijven.

1960-1973
Tekort aan laaggeschoold personeel. Gastarbeiders uit Portugal, Spanje, Italië, Joegoslavië, Griekenland. Later Marokkanen en Turken.
Ook kwam de immigratie vanuit Suriname en de Nederlandse Antillen op gang. In NL: betere voorzieningen in onderwijs, en betere arbeidsmarkt.

1973-midden jaren ‘80
Twee immigratiegolven na de oliecrisis van 1973:
• Gezinshereniging: Gastarbeiders uit Middellandse-Zeegebied met voldoende inkomen en woonruimte voor hun gezinnen, mochten vrouw en kinderen naar NL halen.
• Onafhankelijkheid van Suriname in 1975: Vrees voor politieke moeilijkheden, en betere onderwijs- en werkmogelijkheden.

Midden jaren ’80 tot nu.
Gezinsvormende migratie:
De eerste groep gastarbeiders haalden uit hun land van herkomst huwelijkskandidaten voor hun kinderen.

Het aantal asielzoekers en vluchtelingen nam toe

Retourmigratie (remigratie):
Een aantal migranten die vanaf begin jaren ’60 in Nederland werkten, willen na vele jaren werken terugkeren naar hun land van herkomst om daar de oude dag door te brengen. Er zijn ook jongere mensen die willen terugkeren om met hun opleiding of werkervaring een bedrijf op te zetten.

Verdrag van Maastricht (1991):
EU-lidstaten hebben vastgelegd dat hun onderdanen zich in lidstaten mogen vestigen en in lidstaten mogen werken. Arbeidsmigratie vanuit niet-lidstaten is vrijwel onmogelijk geworden.

Akkoord van Schengen (1985):
Afschaffing van grenscontroles tussen de landen die het akkoord ondertekenden. De controles aan de buitengrenzen (grens met landen die niet deel uitmaken van het akkoord) zijn versterkt.

Europees verdrag voor de rechten van de mens (1950):
Speelde een rol bij de gezinshereniging (iedereen heeft recht op een gezinsleven)

Vluchtelingenverdrag van Genève (1951):
Vluchteling:
iemand die gegronde redenen heeft om te vrezen voor vervolging vanwege een godsdienstige of politieke overtuiging, nationaliteit, ras of het behoren tot een bepaalde sociale groep. De vervolging moet met de overheid te maken hebben.
Iemand die vervolging te vrezen heeft, mag niet worden teruggestuurd naar het land van herkomst.
Asielzoeker:
Vreemdeling die op grond van het Vluchtelingenverdrag toelating vraagt tot een land.
Het verdrag geeft geen recht op toelating.

Verdrag van Dublin (1997):
Europees verband.
Het eerste land waar de asielzoeker terechtkomt of waarvoor hij/zij een visum heeft, is verantwoordelijk voor de asielaanvraag.

Uitleg van de verdragen: Nieuwe vreemdelingenwet (2001):
Niet iedereen mag Nederland binnen, tenzij:
• Met hun komst een wezenlijk Nederlands belang gediend is, zoals arbeidsmigranten
• Verdragen daartoe verplichten
• Er zwaarwegende humanitaire redenen zijn voor toelating, bij. oorlogsslachtoffers.

Opvangsysteem voor asielzoekers: eerst aanmelden op één van de vier aanmeldcentra (Schiphol, Zevenaar, Ter Apel, Rijsbergen)

Verblijfstitels die je kunt krijgen als toegelaten asielzoeker:
• A-status: Voldoet aan de definitie van vluchteling. Meeste rechten, onbepaalde tijd.
• C-status: Vergunning tot verblijf. Vrees voor vervolging ontbreekt. Jaarlijks verlengt, in principe niet ingetrokken.
• Voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv): Algehele situatie in het land van herkomst. Tijdelijk. Is na drie jaar de situatie in het land nog niet verbeterd, dan kan de vergunning in een C-status worden omgezet.
• Alleenstaande Minderjarige Asielzoekers (AMA): Als diegene niet in aanmerking komt voor A/C, dan wordt geprobeerd de familie te vinden. Als dat niet lukt: officieel een verblijfsvergunning. Na twee keer verlenging (voor een jaar), kan de vergunning worden omgezet in een C-status.

De nationale verspreiding van vreemdelingen over Nederland wordt bepaald door factoren:
• Spreiding van bedrijfstakken: Gastarbeiders in Amsterdam, Rotterdam (haven) en Twente (textiel): Plaatsen met arbeidsintensieve bedrijven met behoefte aan laaggeschoold personeel.
• Aanwezigheid van landgenoten: Gezinshereniging.
• Spreidingsbeleid van de overheid: Alle gemeenten werden in de jaren ’90 verplicht om een klein percentage van de woningen te reserveren voor vluchtelingen.
• Ligging ten opzichte van buurlanden: Gaat om woonmigranten. Net over de grens, goedkopere woningen, of in een mooiere en rustigere omgeving.

Ruimtelijke segregatie:
Wanneer sociaal-economische groepen zich sterk in bepaalde stadsdelen concentreren. Als het om allochtonen gaat, dan is het etnische segregatie.
Deze lokale spreiding kun je met de volgende oorzaken verklaren:
• De beschikbaarheid van goedkope huisvesting: Eerste arbeidmigranten waren vooral mannen. Zij woonden in pensions. Toen de gezinshereniging op gang kwam, zochten ze naar goedkope woningen (huren was nog vrij moeilijk) in 19e-eeuwse stadswijken. Deze waren vrijgekomen door de witte vlucht: de autochtonen migreerden naar het gebied rondom de stad.
• Het beleid van de woningbouwverenigingen en de lokale overheid: In Amsterdam en Utrecht kregen allochtonen de gelegenheid (meer dan in Rotterdam of Den Haag) om in huurwoningen buiten de 19e-eeuwse stadswijken te gaan wonen.
• Kettingmigratie: Allochtonen zoeken elkaar op
• De aanwezigheid van voorzieningen voor allochtonen: Het is niet duidelijk of de invloed hiervan groot is, maar sommige onderzoekers wijzen erop dat allochtonen de nabijheid opzoeken van moskeeën, allochtone winkeliers en dergelijke.

Multiculturele samenleving:
Een maatschappij waarin bevolkingsgroepen met verschillende culturen op voet van gelijkwaardigheid naast elkaar leven.
Acculturatie:
Veranderingen van culturen door contact met elkaar.
Assimilatie:
Als immigranten hun cultuur volledig aanpassen.
Integratie:
Wederzijdse beïnvloeding (van culturen).

Na de tweede wereldoorlog kreeg Europa te maken met een positief migratiesaldo. Dit gebeurde niet tegelijkertijd, want eerst werd er vooral naar West-Europa gemigreerd. In de armere landen waren er vooral negatieve migratiecijfers.
Pas in 1992 hadden bijna alle landen een vestigingsoverschot, en hiermee had heel Europa een positief migratiesaldo.

De verdeling over Europese landen werd beïnvloed door vier factoren:
• Verdeling van industrie en diensten ten tijde van de arbeidsmigratie
• De oude koloniale banden.
• De aanwezigheid van groepen allochtone landgenoten in de latere migratiesferen.
• De relatieve ligging van Unielanden ten opzichte van de herkomstlanden.

Decompartimentering:
De (Europese) ruimte werd steeds minder verdeeld in afzonderlijke gebieden (landen) en dat vergrootte de bewegingsvrijheid van arbeiskrachten. Jaren ’80 en ’90 vorige eeuw. Doordat er meer landen toetraden tot de EU.

Europees Economische Ruimte, EER (1994):
Lidstaten van de EU, plus drie lidstaten van de EVA (= Europese Vrijhandels-associatie)
Er is vrije arbeidsmigratie mogelijk binnen de EER. Als daarbinnen geen passend arbeidsaanbod is, is arbeidsmigratie van buiten de EER toegestaan.

MOE-landen:
Midden- en Oost-Europese landen.
Arbeidsmigratie vanuit of via Turkije en Marokko is nauwelijks onmogelijk. Velen gaan illegaal naar Europa.
Pushfactoren:
• Demografische factoren: Grote bevolkingsgroei, en erg jonge bevolking. Demografische investeringen: Je moet extra in de economie investeren om het inkomen per hoofd van de bevolking te verhogen (onderdak, voeding, scholing van jonge mensen)
• Economische factoren: De welvaart is de laatste decennia alleen maar gedaald, er is veel werkloosheid. Ruraal-urbane migratie: Mensen gaan van het platteland naar de stad migreren. Niet alle stedelijke gebieden werken als magneten. In sommige gebieden: ruraal-rurale migratie: tussen plattelandsgebieden met hoge bevolkingsdruk en gebieden waar zich moderne vormen van landbouw ontwikkelden.
• Politieke factoren: vooral Turkse migratie: het niet respecteren van de mensenrechten, politieke onrust en problematiek van etnische minderheden.

Immigratiepatronen:
• Traditionele attractiegebieden: Noord-Amerika, Oceanië en de Pacifische eilanden. Dunbevolkte gebieden (mondiaal gezien).
• Het oude afstotingsgebied: inmiddels veranderd in attractiegebied: (West-)Europa.
• Oud aantrekkingsgebied: nu afstotingsgebied: Latijns-Amerika.
• Afstotingsgebied: Afrika. Ontvluchten burgeroorlogen, honger.
• Een gemengd beeld: Azië.

De VS stelde een migratiequota vast:
Eerst alleen voor Europa, later voor alle werelddelen. Die hadden betrekking op arbeidsmigranten, en familieleden.

Het mondiale centrum en de periferie:
Het rijke en armere deel van de wereld.

Urbaan-urbane migratie:
Een aantal migranten vertrekt opnieuw, naar grotere steden (De grote trek van platteland naar stad zorgt voor groei van de krottenwijken).
Getrapte migratie:
De urbaan-urbane migratie herhaalt zich een aantal keren.

Primate city:
Een gigantisch grote stad die wat betreft het aantal inwoners vele malen groter is dan andere steden in het land. Meestal het politieke centrum van het land, de hoofdstad (in veel derdewereldlanden door getrapte migratie).

Urbanisatiegraad:
Het percentage mensen dat in de ontwikkelingslanden in de steden woont.

Gevolgen van migratie voor het vertrekgebied:
• Het vertrek van de meest ondernemende mannen en vrouwen. Tekort aan arbeidskrachten kan ontstaan. Brain drain: Met goed opgeleide emigranten vertrekt ook een deel van de kennis uit zo’n gebied.
• Migranten maken vaak veel geld over naar hun moederland. Goed voor de plaatselijke economie: huizenbouw, consumptiegoederen en onderwijs.
Gevolgen bij getrapte migratie voor het vestigingsgebied:
• Overurbanisatie: Er is niet genoeg werk in de steden voor de vaak nauwelijks opgeleide migrante (het ubanisatietempo is hoog.).
• Er ontstaan uitgebreide krottenwijken. De landen kunnen niet genoeg woningen bouwen om de migrantenstromen op te vangen.
• Sociaal-culturele problemen: De migranten van het platteland maken kennis met moderne opvattingen en een heel andere levenswijze.

Gevolgen bij internationale migratie voor het vestigingsgebied:
• De verhouding tussen ‘opbrengsten’ en ‘kosten’ veranderde. (???)
• Kosten voor collectieve sector: onderwijs, ziektekosten, werkloosheidsuitkeringen. Immigranten leveren weer bijdrage door hun economische prestatie.
• In de landen van vertrek wordt de omvang van de bevolking kleiner ien in het land van vestiging groter.
• De samenstelling van de bevolking verandert.

Aantekeningen

Landbouwcrisis 1880
• Onder invloed van de komst van goedkoop graan uit de VS (in VS: spoorwegen, stoomschepen)
• Sterke concurrentie Deense zuivelproducten.
• Frankrijk en Duitsland reageerden met invoerrechten. Nederland, als handelsland, was tegen invoerrechten. Probeerde kwaliteit van de productie te verhogen. O.a. door goedkoop graan als veevoer te gebruiken.
In deze tijd zijn ook zuivelfabrieken en coöperaties ontstaan.

Suburbanisatie is toch een vorm van urbanisatie, want de mensen blijven werken in de stad, en maken gebruik van de voorzieningen van de stad. Pas toen autobezig algemeen werd (jaren ’50, ’60)

Binnenlandse migratie en ruimtelijk beleid.
Tot ’60: Urbanisatie
Na ’60: Suburbanisatie
Nadelen: ● Slecht voor milieu, lucht, broeikaseffect
● Veel wegen (= ruimte) nodig
● Selectief (voor mensen die beter verdienden). Arme mensen in de stad, jonge gezinnen gingen suburbaniseren.
● Files (slecht voor infrastructuur)

Suburbanisatie. Pushfactoren stad:
• Gevaar
• Lawaai
• Weinig ruimte

Groeikernbeleid vanaf 1965: “Gebundelde deconcentratie”
• Groene Hart open blijven (groeikernen uitwaarts Randstad)
• Goede infrastructuur en voorzieningenapparaat.
• Gunstig voor bedrijven: arbeids- afzetmarkt.
Is het geslaagd?
Ja – velen
Nee – Slaapsteden, veel verkeer:
• Files overzijde grote wateren
• De donorstad soms ver vrij van steden.

’75-’80:
Uittocht tot in Halfwegzone.
Probleem voor steden: suburbanisanten, profiteren wel, maar betalen niet mee aan de voorzieningen van de stad.

1980 Compacte Stadsbeleid
a. Opengevallen plaatsen bebouwen
b. ‘gentrification’: opknappen van oudere wijken t.b.v. hogere inkomens
c. gemiddelde woon-werkafstand verkleinen.
 1990: VINEX-locaties: grote nieuwbouwwijken direct aan de rand van de agglomeraties.
abc: reurbanisatie.

Immigratie 1945-1960
• Repatrianten ivm WOII (terugkerende vluchtelingen, mensen die uit concentratiekampen terugkeren, uit Indonesië. In Dld bijv “Heimatvertreiben”: grens met Polen.
• Dekolonisatie (1950-1970)
● Repatrianten (bestuursambtenaren, militairen, plantage-eigenaren etc.).
● Autochtonen uit voormalige koloniën, bijv. in NL: Molukkers, Indische Nederlanderss, Surinamers (1975)

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.