Hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

Hoofdstuk 4

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1887 woorden
  • 4 juli 2007
  • 68 keer beoordeeld
Cijfer 6.9
68 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij om Politicologie te gaan studeren? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Politicologie wel wat voor jou! Tijdens deze bachelor ga je aan de slag met grote en kleine vraagstukken en bestudeer je politieke machtsverhoudingen. Wil jij erachter komen of deze studie bij je past? Stel al je vragen aan student Wouter. 

Meer informatie
Hoofdstuk 4: Het Nederlandse landschap Paragraaf 13: Bouwstenen van het landschap Natuur en cultuur Visuele benadering is alles wat je waarneemt als je vanuit een bepaald punt een gebied overziet. De natuur- en cultuurelementen vormen samen de bouwstenen van een landschap: Natuurlijke bouwstenen vormen de basis. De belangrijkste zijn: reliëf, grondsoort, klimaat, flora en fauna. Culturele bouwstenen zijn toegevoegd door de mens. De belangrijke menselijke bouwstenen zijn bodemgebruik en verkaveling. Daarna bewoningsvorm en infrastructuur. Enkele culturele bouwstenen Bodemgebruik is meestal agrarisch bodemgebruik. 60% van het landschap in Nederland is landbouw. Daarvan 60% grasland, 35% akkerland en 5% tuinbouw. Verkaveling is de manier waarop een gebied in afzonderlijke stukjes is verdeeld. In Nederland zijn er 3 vormen: Blokverkaveling, strokenverkaveling en modern-rationele verkaveling. Bewoningsvorm is de manier waarop woningen en nederzettingen in het landschap zijn gegroepeerd. De belangrijkste is verschil tussen stad en dorp. Bij dorp heb je weer 2 verschillen, Wegdorp: alles licht in rechte lijn langs weg, kanaal, dijk, o.i.d. Geconcentreerde dorp: Alles op een kluitje. Een stad is altijd geconcentreerd. Infrastructuur is er verschil tussen rechte en gebogen wegen, dijken, spoorwegen, enz.
Bouwstenen veranderen Vroeger waren boeren afhankelijk van grondsoort. Zand is niet vruchtbaar, dus moest bemest worden, daarvoor was vee nodig. Veen is weer te nat, dus daar was veeteelt. Nu is dat niet meer, er is kunstmest en de grondwaterstand kan worden geregeld. Bijna alles kan op elke ondergrond verbouwt worden. Hierdoor veranderen de bouwstenen. Vroeger werden verkaveling aangepast aan natuurlijke omstandigheden. Nu wordt het aangepast aan de landbouwmachines. De kavels zijn rechter, dit is modern-rationele verkaveling. De blokverkaveling is veel minder recht, de beekjes ertussen zijn kronkelig. Surbanisatie veranderde het uiterlijk van veel dorpen. Er zijn nieuwe woonwijken aangeplakt. Er ontstonden ook nieuwe steden. Sommige wegen, dijken, waterlopen gaan recht door het land. Andere kronkelig, deze zijn van vroeger. Toen het nog werd aangepast op het landschap. Een weg werd bijv. aangelegd op een kronkelige zandrug. Nu gaat het erom dat het zo gemakkelijk mogelijk gaat. Landschap nu Na alle veranderingen is de infrastructuur niet meer regionaal, maar nationaal of internationaal. De wegen zijn niet alleen maar om dorpen te verbinden, maar om makkelijk door het land te reizen of naar een ander land. De verschillen zijn kleiner tussen de landschappen. Verstedelijking is ook toegenomen. Meer mensen gingen werken in de industrie of dienstsector, en dus in de stad wonen. Platteland en stad gingen meer in elkaar overlopen, geen sterke scheiding. Maar ook natuur en recreatie worden steeds belangrijker! Paragraaf 14: Het pleistocene zandlandschap Pleistoceen Pleistoceen is een afwisseling van ijstijden (glacialen) en warme perioden (interglacialen). Tijdens de glacialen werd het kouder, dus veranderde veel water in ijs, de zeespiegel daalde en de gletsjers breidden zich uit naar het zuiden. Dit gebeurde ongeveer 10 x, de een na laatste keer bereikte het ijs ook Nederland: De Saale-ijstijd. Duurde van 150000 tot 100000 jaar gelden. Preglaciaal Preglaciaal is de tijd voor de Saale-ijstijd. Het was koel in Nederland. Zuidoost stroomde de rivieren snel, door reliëf. Noord, langzamer. Daar werd zand en klei afgezet: puinwaaier. Het Saale Het ijs verspreidde zich over Nederland eerst in de rivieren daarna over de rest. Tongbekkens is een door landijs uitgediept rivierdal. Stuwwallen zijn de zijkanten van de rivierdalen opzij geduwd. Keileem is een mengsel van onder ijs verpulverde keien (leem) en nog heel gebleven stenen. Op en in het ijs lagen ook grote zwerfstenen, die zijn na het smelten blijven liggen Postglaciaal IJs in Nederland was weg, verder was het nog wel koud. Nederland en de Noordzee was een poolwoestijn. De ondergrond was bevroren. De bovenlaag droogde uit, het losse zand werd door de wind weggeblazen. Over de keileem, de stuwwallen en de puinwaaier kwam een laag dekzand. Het stof werd hoger in de lucht geblazen en in heuvelachtig gebied zakte het naar beneden. In Nederland was dat in Limburg. Dit heet: Löss.
Zandlandschap tot 1900 40% van Nederland dekzand, vooral in Oost- en Zuid-Nederland. Dit zijn de oudst bewoonde gebieden. De meeste mensen woonden bij elkaar in dorpen. Deze lagen vaak op de overgang van natte, lage gronden naar hoge, droge zandgronden. De akkers (essen is Drenthe en Twente, engen in Utrecht en Gelderland) lagen in de buurt van dorpen. Iedere boer had een stukje grond. Ze waren onvruchtbaar, dus was mest nodig. De schapen en koeien die hiervoor nodig waren graasden op gemeenschappelijke weidegrond. De koeien op groengronden(graslanden). De schapen op woeste grond(heide). ’s Avonds in de stallen werd hun mest opgevangen. Door de bemesting kwamen de bouwgronden hoger te liggen. Zandlandschap na 1900 Veel akkers werden ontgonnen door toename van de bevolking en er bleef te weinig woeste grond over voor de schapen. Er kwam te kort aan mest. Dus dit landbouwsysteem verdween. Er kwam kunstmest, dus de heide was niet meer nodig. Deze werd ontgonnen tot nieuwe akkerbouwgrond. Na 1950 kwam er meer veeteelt; de bio-industrie. Paragraaf 15: Het Holocene veenlandschap Holoceen Holoceen ongeveer 10000 jaar geleden. Het werd warmer. Het landijs ging smelten, door het smeltwater steeg de zeespiegel. De Noordzee liep geleidelijk vol en Nederland kreeg zijn huidige vorm steeds meer. De toendra schoof naar het noorden. Hij werd vervangen door bossen. Door de stijgende zeespiegel kwam het grondwater erg hoog. Ook stopte daardoor de waterafvoer van de rivieren, vooral in Laag-Nederland bleef water staan. Daar gingen waterplanten groeien, waaruit moerassen ontstonden. Door de vochtigheid verteerden de dode planten langzaam en hoopten zich op tot Basisveen. 5000 jaar geleden steeg de zeespiegel minder snel. Zeestromingen in de Noordzee konden meer zand aanvoeren dan werd weggeslagen. Er ontstonden strandwallen (strandbanken) die bij laag water droogvielen. De wind verstoof het zand, de eerste duinen ontstonden: Oude duinen. Via zeegaten tussen de strandwallen kon het zeewater het vlakke gebied bereiken, een soort wadden ontstonden. Oude zeeklei is de klei ,die uit kleine slipdeeltjes bestaat, die bezonk. Dit werd een kleilaag. Deze laag kwam steeds hoger te liggen door de opslibbing en kwam boven de waterspiegel te liggen. Er ontstonden weer moerassen. Dit vormde in West- en Noord-Nederland veenlagen die Hollandveen heet. Jonge zeeklei is het nieuwe zand het klei dat de zee afzette in Noord- en Zuidwest-Nederland toen de zee het veen wegsloeg. Jonge duinen ontstonden na het jaar 1000 bovenop de oude duinen. Zij beschermen een deel van Nederland nu tegen de zee, om te voorkomen dat ze wegwaaien is er helmgras op geplant. Laagveenlandschap Op veel plaatsen in West- en Noord-Nederland werd het Hollandveen niet overspoeld of weggeslagen door de zee. Maar de grond was te slap en te nat, dus mensen gingen er nog niet wonen. Pas in de 11e en 12e eeuw werd begonnen met ontginnen. Een groep ‘kolonisten’ kreeg van de landheer het recht hiervoor. Slakkenlandschap is Vanaf een hoger gelegen ontginningsbasis (weg, dijk, kanaal) waarlangs ook boerderijen kwamen, trok men het veen in. Na 1250 meter werd er een wetering (brede sloot) gegraven evenwijdig aan de basis. Hiertussen kwamen nog veel slootjes. Dit was voor de afvoer van water. De wetering waren weer nieuwe ontginningsbasissen. Dit regelmaat werd steeds herhaald. Veranderend landschap Het veenlandschap veranderde steeds. Na de ontginning kwam er akkerbouw. Inklinking is dat de bodem inzakte door verlaging van de waterstand. Dat kwam weer omdat voor de akkerbouw steeds water moest worden afgevoerd. De bodem zakte ook in doordat de plantenresten verteerden door contact met zuurstof (oxidatie). Doordat de grond steeds lager kwam te liggen, was er geen akkerbouw meer mogelijk. En werd dat vervangen door veeteelt. Laagveen het kwam beneden NAP te liggen, er waren dan dijken nodig. Van af de 16e en 17e eeuw werd veen steeds meer gevraagd als brandstof, als brandstof bracht het ook meer op dan als ondergrond van gras. Het veen werd afgegraven en gedroogd op de overgebleven stukken grond. Het werd gesneden en vervoerd naar steden. Petgaten is waar het veen werd afgegraven, heel veel sloten

Legakkers zijn de overgebleven stukken grond, waar het veen op werd gedroogd. Tijdens stormen werden de legakkers weggeslagen. De sloten werden steeds breder, en uiteindelijk ontstonden grote plassen. Sommigen daarvan zijn drooggelegd, maar dat gebeurd nu niet meer omdat het belangrijke natuurgebieden zijn, of ze zijn voor recreatie, waterwinning of transport. Paragraaf 16: Het water in Nederland Strijd tegen het water Groot deel van Nederland ligt onder water. Sommige delen zijn dan ook wel 1 of meer keer overstroomd. Maar de strijd tegen water heeft compleet andere landschappen nagelaten. Terpen zijn vluchtheugels die na 500 na Chr. Werden gebouwd in Groningen, Friesland, Zeeland en Noord-Holland. Ook wel wierden of woerden genoemd. Eerst waren ze niet zo hoog, maar moesten steeds hoger door zeespiegelstijging. Vanaf 1000 na Chr. wilden mensen niet alleen hun woonplaats maar ook hun landbouwgrond beschermen tegen water. Ze bouwden dijken. Kwelders zijn opgeslibde buitendijkse gebieden. Dat kwam doordat de zee zand en klei afzet tegen de buitenkant van de dijk. Met vloed kwamen ze soms zelfs droog te liggen. Deze kwelders werden weer ingedijkt. Polders is een stuk land dat door dijken is omringt waarbinnen de waterstand kan worden geregeld. Zeepolders liggen in Noord- en Zuidwest-Nederland. Deze zijn tussen 1 en 2 meter boven NAP. Kans op overstroming is klein. Wel moet water kunnen worden afgevoerd. Bij eb wordt het geloosd zonder pompen, dit heet natuurlijke afwatering. Als er gemalen voor worden gebruikt heet het kunstmatige afwatering. Veenpolders liggen tussen 1 tot 2 meter beneden NAP, door inklinking. Het teveel aan water wordt hier kunstmatig geloosd. Droogmakerijen zijn er sinds de 16e eeuw, grote meren of delen van zeeën werden drooggelegd. Er moest er rondom een ringdijk. En daaromheen weer een ringvaar (kanaal). Vroeger sloegen molens het water vanuit het meer in de ringvaart. In de 19e eeuw werden stoomgemalen gebruikt en in de 20e eeuw elektrische gemalen. Deze polders liggen 3 tot 4 meter beneden NAP. Kwel is (zout) water dat door drukverschil onder de dijk door de polder binnen kan komen. Dit kan leiden tot problemen voor de landbouw. Meer ruimte voor het water Vroeger werd veel water tegen gehouden, maar door verandering van klimaat en dus zeespiegelstijging zullen sommigen gebieden onder water worden gezet. Ruimte voor de rivier Dijken worden verhoogd, maar ze kunnen niet hoger. Want dan hoopt nog meer water op. Als de dijk dan doorbreekt is er een echt groot probleem. Om overstromingen te voorkomen moet je rivieren de ruimte geven. Bijvoorbeeld door de uiterwaarden te verlagen of door een nevengeul te graven in de uiterwaarden waardoor meer water kan worden afgevoerd. Ook kunnen dijken worden verplaatst. Of gebieden kunnen worden aangewezen, die bij hoge waterstand mogen overstromen, dit zijn overloopgebieden. Duurzame kust Om te zorgen dat de kustlijn niet wordt opgeslokt is er dynamisch kustbeheer. Er wordt aangesloten op de manieren waarop zand wordt verplaatst. Zandsuppleties is extra zand opspuiten. Dat gebeurde van 1990.
Verdroging Sommige plekken in Nederland zijn verdroogd. Vooral op zandgronden en hoogveengebieden. Sommige planten zullen hier verdwijnen. Verdroging komt door verlaging van de grondwaterstand. Voor landbouw is een lage grondwaterstand goed. Er wordt veel aan waterafvoer gedaan. In droge tijden is weer irrigatie nodig. Drinkwater wordt bereid uit grond- of oppervlaktewater. Het meeste komt uit de duinen of uit zandgebieden in Hoog-Nederland. Er wordt door bevolkingstoename meer drinkwater gebruikt. Hierdoor komt de grondwaterstand nog lager. Door de asfaltering (wegen en woningen) kan het water niet de grond in zakken, het gaat naar de rivieren . Ook zal verdroging vaker voorkomen door klimaatveranderingen. Het zal vaker voorkomen dat de winters natter worden en de zomers juist droger. Het waterbeleid probeert water zolang mogelijk vast te houden.•

REACTIES

H.

H.

dit is geen samenvatting, maar gewoon precies hetzelfde als in t boek =P bij n begrip, staat 1 lang verhaal .. nou schrijf dat maar ns op de toets op.

15 jaar geleden

N.

N.

je kunt het wel raden hé
we zijn naamgenoten :l
leuktoch?
maaruhm.. leuk die samenvatting
alleen ik heb er niks aan.
houvanje <3

15 jaar geleden

K.

K.

dit is echt zooooo goed
echt bedankt veel geholpen met het leren van mijn eindtoets

12 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.