Zakelijke gegevens:
1. Titel: Bezonken rood.
2. Auteur: Jeroen Brouwers.
3. Uitgever: De Arbeiderspers, Amsterdam.
4. Druk: Dertiende – december 1990, (eerste druk: november 1981).
5. Aantal bladzijden: 129.
6. Genre: psychologische oorlogsroman.

Eerste reactie:
1. Na de eerste drie boeken die ik gelezen heb (Het geheim – A. Enquist, Het woeden der gehele wereld - M. ’t Hart, en Nooit meer slapen – W.F. Hermans), heb ik weer voor een psychologische roman gekozen. Dit, omdat psychologische boeken mij aanspreken.
In de les hoorde ik dat bezonken rood een prachtig boek moest zijn. Het zou zeer ingaan op de gedachten en gevoelens van de hoofdpersoon. Daarom heb ik dit boek gekozen.

2. Na de eerste bladzijden dacht ik dat het een zeer moeilijk te lezen boek zou dat mij totaal niet aan zou spreken. Maar door na te gaan denken over wat de auteur precies verteld vind ik het een fantastisch boek. Het verteld een verhaal over het leven van een moeder en haar zoon. Het boek is goed opgebouwd, zeer diepgaand en een verademing om te lezen.

Verdieping:

Samenvatting:

Korte samenvatting:
Het boek gaat over Jeroen Brouwers zelf. Hij vertelt zijn jeugdervaringen over het ‘Jappen-kampen’ Tjideng. Jeroen zat hier vast, samen met zijn zusje, moeder en oma. Tevens worden er hoofdstukken geweid aan de dood van zijn moeder en zijn liefde voor Liza.

Uitgebreide samenvatting:
De hoofdpersoon in het verhaal is Jeroen Brouwers. Zijn moeder is eind januari 1981 gestor-ven. Hij heeft haar nooit opgezocht in het bejaardentehuis. Het overlijden van zijn moeder is hem ’s ochtends telefonisch bericht. Hij was niet aanwezig op de crematie.

De hoofdpersoon lijdt aan plotselinge aanvallen, waarbij hij krankzinnig van angst wordt. De ‘angst- en emotiedempers’ die hij er tegen slikt, maken hem rustig en onverschillig, denken wordt onmogelijk en er treedt een vervreemding op van zichzelf.
Toen hij een tamelijk onevenwichtig leven leidde, zes à zeven jaar geleden, heeft hij Liza ontmoet. Hij is slechts drie dagen in haar gezelschap geweest. Toch is ze zeer belangrijk in zijn leven. Dit komt doordat hij een moederfiguur in haar ziet. Na deze korte relatie is hij getrouwd met een andere vrouw. Ze schonk hem een kind. Na de dood van zijn moeder moet hij zowel aan haar als aan Liza denken, in dezelfde hoeveelheid van liefde als van afkeer (hartstochtelijk en onhartstochtelijk). ‘Ik voel niets en ik wil niets voelen.’

Brouwers heeft samen met zijn grootmoeder, moeder en zus in het Jappenkamp Tjideng gezeten, waar Kenitji Sone de commandant was. Jeroen woonde er van zijn derde tot en met zijn vijfde leefjaar.
De ellende van het kamp is voor hem pas later realiteit geworden. Destijds heeft hij, als ‘egoïstische levenslustige kleuter’, helemaal niet geleden. Zo heeft hij geen slechte herinnering aan de psychologische foltering. Deze bestond eruit dat, van tijd tot tijd alle jongetjes afscheid van hun moeder moesten nemen omdat ze werden opgehaald met onbekende bestemming, waarna ze soms dagenlang wegbleven.
Nadat de moeder van Brouwers, door Sone persoonlijk, tot bloedens toe in het kruis is getrapt, zegt Jeroen het volgende: ‘Geboekstaafd is: “Mijn moeder was de mooiste moeder, op dat moment hield ik op van haar te houden”.’ En hij denkt: ‘nu wil ik een ander want deze is kapot’, zoals hij later, bij de geboorte van zijn dochtertje denkt: ‘nu wil ik een andere vrouw.’ Dit laatste wou hij, omdat hij vindt dat het krijgen van een kind een schending is.

Voor Jeroen was de tijd na de oorlog pas traumatisch. Zijn moeder laat hem achter in een pensionaat. Ze heeft hem verraden, zo voelt Jeroen het. Bij de afscheidszoen valt de voile van zijn moeder voor zijn lippen. “Dit ‘voorval’ is tekenend voor de rest van mijn leven: wij kussen elkaar door een traliewerk van spinnenweb”. Hij stelt zich enkele keren voor wat zijn moeder en hijzelf gedaan hebben op het moment dat ze overleed. Zo beschrijft hij uitvoerig wat er te zien was op de televisie.

Toen hij nog kampbewoner was, is zijn grootmoeder overleden. Vele kampbewoners overleden, maar hij had geen enkele gevoelens, zelfs niet toen zijn kampvriendjes overleden.

Tijdens de crematie, wil hij uit het boekje lezen waarmee zijn moeder hem heeft leren lezen. Het heet Daantje gaat op reis, van L. Roggeveen. Maar door het vele verhuizen is hij het kwijtgeraakt.

Zodoende gaat hij die middag rondrijden in zijn auto. Hij verlangt naar Liza. Hij belandt letterlijk en figuurlijk in mist, en verdwaald. Uiteindelijk stapt hij uit zijn auto en begint hij te lopen door het bos. Hij komt aan bij een zwart meer. Hier denkt hij aan zijn overleden moeder. Tevens denkt hij terug aan het kamp. Hij wilde zijn moeder wel verzorgen, maar hij kon niets meer voor haar doen, dan voorlezen uit het boek Daantje. Nu zijn moeder dood is, hoopt hij dat Liza verschijnt.
Brouwers rijdt terug naar huis en ‘ik ben aan mijn werktafel gaan zitten om zogenaamd onaangeraakt, onaangedaan, onverstoord, het werk aan mijn boek over zelfmoord in de Nederlandstalige literatuur, dat ik onder handen had, te hervatten’. Het wil echter niet vlotten. Hij begint te drinken. Hoe meer hij drinkt, hoe minder hij trilt....

Verhaaltechniek:

Ruimte,

Plaats:
Het verhaal speelt zich voornamelijk af op drie plaatsen. Deze zijn, het kamp Tjideng te Batavia op Java, het stadje waar Liza woont, en in de woning van de ik-figuur. Deze woning staat te Exel in de Achterhoek.

Tjideng was een vrouwenkamp, waar ook jongetjes tot tien jaar zaten. Het kamp was een speciaal ingerichte wijk. Er was veel te weinig ruimte voor de mensen. Men leefde met tientallen mensen in een huis. Het stadje x, is de plaats waar de ik-figuur Liza heeft ontmoet. Liza woont in een appartement boven een klokkenwinkel. Het huis van de ik-figuur, te Exel, is omgeven door mist. Verder wordt er hierover weinig verteld.

Opvallende ruimte:
Er komt opvallend veel mist voor in het boek. Deze mist symboliseert de verwarring en het isolement van de geest van de ik-figuur. De mist duidt ook op de onduidelijke relatie die hij met zijn moeder heeft. Op het einde wordt de mist door de wind (is leven) verdreven.

Tijd:
Er wordt in grote hoeveelheid gesproken over het vrouwenkamp. De ik-figuur zat daar opgesloten van ’43-’45.
Het moment waarop het boek wordt geschreven is het moment waarop de moeder van de hoofdpersoon overlijdt. Dit is aan het begin van 1981. Als er wordt verteld over Liza in haar stad, is dit ongeveer zes of zeven jaar voor het gebeuren rond de woning van de ik-figuur, rond 1974.

De vertelde tijd is ongeveer veertig jaar, 1943 tot 1981. Deze tijd wordt niet in chronologische volgorde verteld. Er zijn vele flashbacks naar het vrouwenkamp. Tevens zijn er enkele flashbacks naar de tijd die hij doorbrengt met Liza. De tijdssprongen tussen de verschillende delen zijn zeer groot, ongeveer veertig jaar.

Schrijfstijl:
De tekst is episch, want het verhaal wordt verteld. In het vertelde verhaal zitten zeer veel lyrische (emotionele) gebeurtenissen.

Hoofdpersonen:

De hoofdpersoon is Jeroen Brouwers.
Deze schrijver is voor de tweede keer getrouwd; de kinderen uit zijn eerste huwelijk ziet hij liever niet meer. De gebeurtenissen die hij als kleuter in het kamp ‘Tjideng’ heeft meegemaakt hebben een onuitwisbare stempel op de rest van zijn leven gedrukt. Hij is zijn gevoel kwijtgeraakt. Hij vindt zichzelf niet vrolijk en optimistisch, maar wel bang en asociaal.

Zijn vader is in 1964 gestorven. Zijn moeder overleed in 1981. Toch voelde Brouwers na het kamp niets meer voor haar. Hij hield op van haar te houden. Dit kwam door de mishandeling die beschreven is op bladzijde twee, alinea twee, regel negen. Zijn verdere leven is hij opzoek geweest naar een moederfiguur. Door de kampervaringen heeft hij last van angstaanvallen en schuldgevoelens gekregen.

Hij heeft het gevoel dat hij zich moet haasten, want ‘alles wat nog bij het Brouwersdom plaatsvindt, is, dat er gestorven wordt’.
Hij heeft een heftige relatie gehad met Liza. Deze was echter kort van duur: drie dagen. De herinnering aan Liza, en zijn nieuwe verliefdheidgevoelens voor haar, vallen samen met de rouwgevoelens om de dood van zijn moeder. Enerzijds wekken deze gevoelens zijn weerzin op, hij heeft geen zin meer in nieuwe drama’s en het liefst wil hij met rust gelaten worden, sterven desnoods. Anderzijds merkt hij dat deze gevoelens, toch een zekere betekenis voor hem hebben: ze kunnen de instrumenten zijn die hem helpen te ontsnappen aan de toestand van onbeweeglijkheid. Aan het eind van het boek smeekt de hoofdfiguur ‘Maak het eelt zacht dat mijn lichaam overwoekert’, waarmee hij aangeeft dat hij niet meer terughoudend staat ten opzichte van zijn gevoelens.

De bijfiguren zijn Liza en de moeder van Brouwers.

Omdat je meeleeft met de gevoelens en gedachten van de hoofdpersoon wordt er weinig verteld over de andere personages in het boek. Toch heb ik geprobeerd een goed beeld van de bijfiguren te geven.

Liza is een vrome vrouw die aan een Maria-processie deelneemt. Ze is een onderwijzeres die in een onbekend plaatsje woont. Zes of zeven jaar geleden had ze een korte relatie met de hoofdpersoon. Deze duurde drie dagen.

Liza doet mij denken aan de Heilige maagd Maria. Liza heeft vaak blauwe kleding aan, de kleur van Maria. Tevens loopt Liza mee in een Maria-processie. Maria heeft de bijnaam Troosteres der bedroefden en Eerwaardige maagd. Liza probeert de ik-figuur te troosten tijdens hun ontmoetingen, en als Liza met de ik-figuur gaat vrijen, is ze nog maagd. Tijdens het vrijen spreken ze over de Toren van David en Ivoren Toren, wat met de Bijbel te maken heeft.

Mevrouw Brouwers is eind januari 1981 gestorven. Haar werkelijke naam is Henriette Maria Elisabeth van Maaren. Ze leed aan de ziekte van Parkison. Ze was volgens haar zoon, de hoofdpersoon, de mooiste vrouw op de wereld. Maar nadat ze in elkaar was geschopt door Sone, de hoofdcommandant, hield haar zoon op van haar te houden.

Situaties:

Beginsituatie: Het boek begint met een soort proloog over de wind. Verrassende situaties: Telkens opnieuw stond ik er verbaast van wat de hoofdpersoon dacht. Steeds opnieuw doet hij een andere en verrassende handeling of geeft hij een gedachten vrij. Een voorbeeld hiervan is het opbellen naar zijn moeder.
Slotsituatie: Brouwers eindigt in zijn eigen huis op de dag van de crematie. Hij komt terug van zijn rondrit.

Vertelwijze:
Het verhaal wordt op de “ik-perspectief vertelwijze” verteld gedurende het hele boek. Alleen wordt er een brief weergegeven die de moeder aan de vader van de hoofdpersoon schrijft.

Thematiek:
Het thema is de relatie tussen Henriette van Maaren en Brouwers.
Henriette was een ideaalbeeld voor de Brouwers. In het kamp is hij sterk aangewezen op zijn moeder, zijn vader is afwezig. Het ideaalbeeld dat hij van zijn moeder heeft, blijft hij houden totdat ze door de Japanners wordt mishandeld. Vanaf dat moment is hij ‘verdwaalt’, hij wil niet zien hoe zijn liefde en de schoonheid die hij koestert, worden verwoest of beschadigd.
Na het verraad van zijn moeder, als hij in pensionaten wordt gestopt, slaat zijn liefde om in haat: ‘Waarom heeft men haar in het Jappenkamp niet doodgeslagen?’.

Zijn verdere leven blijft Brouwers op zoek naar het verloren ideaalbeeld (moederschap), maar hij is bang dat, dat beeld opnieuw verloren zal gaan, of dat het beschadigd zal worden. Zo wordt de schoonheid van de vrouw volgens hem beschadigd wanneer ze een kind krijgt; daarom wil hij niet bij de geboorte van zijn kind aanwezig zijn. Dit is tevens de reden waarom hij een nieuwe vrouw wil. Ook wil hij de aftakeling van zijn moeder niet meemaken; het liefst denkt hij terug aan zijn moeder van voor de mishandeling, toen ze nog de mooiste was.

Het ideale beeld van een moeder vindt hij ook niet bij Liza. Toch haalt hij haar steeds samen met zijn moeder voor de geest. Hij vergelijkt ze.

De motieven bij het thema zijn dood, liefde en angst. Dood, omdat iedereen in de omgeving van de ik overlijdt. Zijn moeder, vader, oma, etc. overlijden allemaal.
Liefde omdat hij telkens een moederfiguur zoekt die hem liefde en bescherming kan bieden. Deze liefde komt ook weer terug met Liza. Het is zijn liefde voor drie dagen.
Angst is een motief omdat hij bang is om weer zijn moederfiguur kwijt te raken.

Motto:

Het eerste motto,

Er aber, in seiner gewöhnlichen Art, hüllte sich in Geheimnisse, indem er ich met grossen Augen anblickte und mir die Worte wiederholte: die Mütter! Mütter! 's klingt so wunderlich!

Hij echter, op zijn gewone manier, hulde zich in geheimzinnigheid, doordat hij mij met de grote
ogen aankeek en mij de woorden herhaalde: Moeder! Moeder! Het klinkt zo wonderlijk!

Het tweede motto,
Zoek mij terwijl ik er ben. Leer mij kennen, omdat ik er ben. Ik ben er immers. En toch is zeker dat ik er niet ben.

Deze twee motto's hebben betrekking op zijn moeder. Omdat hij haar niet meer kent, sinds hij niets meer voor haar voelt. Hij kent haar dus helemaal niet meer. Het laatste motto geeft aan dat hij haar gaat zoeken (zij is nog in zijn gedachten) ondanks ze er niet meer is.

Het eerste motto geeft aan hoever hij van zijn moeder verwijdert was tijdens haar leven. Iemand die om zijn moeder riep vond hij verwonderlijk en vreemd, want dat deed hij immers nooit.

Titelverklaring:
Bezonken rood staat in verband met een aantal zaken,

- De rode stip in de Japanse vlag. Het is het teken van bloed, voor de schrijver.

- Het bloed dat in het Jappenkamp vergoten werd.

- Het bezinken van de oorlogsjaren. Tevens wil de schrijver alles laten bezinken door te gaan drinken. Het leven vaagt op deze manier weg.

Plaats in de literatuurgeschiedenis:
Jeroen Brouwers is op 30 april 1940 geboren te Batavia, de hoofdstad van de toenmalige Nederlandse kolonie Oost-Indië. Zijn vader, Jacques Brouwers, was boekhouder bij een architectenbureau in Batavia. Zijn moeder, Henriette Maria Elisabeth van Maaren, was de dochter van de componist, violist en dirigent Leo van Maaren.

Door de Japanse bezetting werd Jeroen gescheiden van zijn vader en samen met zijn moeder en zus opgesloten in het kamp ‘Tjideng’ (1943-1945). Als tienjarige jongen kwam Brouwers terecht in een internaat te Zeist, St. Josef van de Fraters van Utrecht. Zijn middelbare studies begon hij in het jongenspensionaat Sint-Maria ter Engelen te Bleijerheide, maar hij voltooide zijn opleiding niet. In 1964 trouwde hij en werd hij secretaris van uitgeefster Angèle Manteau. Met zijn vrouw en twee zonen ging hij in Brussel wonen. In 1976 nam hij ontslag en schreef hij een verbitterd afscheid (‘J. Weverbergh en ergher’, opgenomen in Mijn Vlaamse jaren). Zijn huwelijk liep op de klippen.
Hij kocht een afgelegen hoeve in de buurtschap Exel. Vanaf dat moment werd hij schrijver.
Uit zijn tweede huwelijk werd in juli een dochter, Anne, geboren, maar later zou ook dit huwelijk mislukken.
In 1991 vestigde Brouwers zich op een woonboot in Uitgeest. Sinds augustus 1993 woont hij in het Belgisch-Limburgse Zutendaal, vlak over de grens bij Maastricht.

Brouwers schrijft veel autobiografische romans, zo zegt hij. Deze roman viel daar volgens velen niet onder, want de kampgebeurtenissen die hij schrijft zouden niet kloppen.

Brouwers debuteerde in het najaar van 1960 met het verhaal ‘De ring’, dat verscheen in het tijdschrift Kentering. Verder publiceerde hij verhalen, essays en polemieken in Komma, Soma, Tirade, De Revisor, Maatstaf, Nieuw Wereldtijdschrift en De Vlaamse Gids. Hij werkte mee aan De Volkskrant, NRC Handelsblad en De Morgen. Tevens verschenen in Vrij Nederland, De Tijd en Haagse Post bijdragen van Brouwers. In 1967 ontving Brouwers de Vijverbergprijs voor ‘Joris Ockeloen en het wachten’. In 1980 ontving hij de Multatuliprijs voor ‘Het verzonkene’. In ‘81 de Dr. Wijnaendts Franckenprijs voor ‘Kladboek’ en in 1989 de F. Bordewijkprijs voor ‘De zondvloed’. Om het hele lijstje compleet te maken ontving hij in 1993 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.

Het boek ‘Bezonken rood’ valt onder de Moderne Nederlandse literatuur, met surrealistische en symbolistische invloeden.

Enkele werken van Brouwers zijn:

1964 Het mes op de keel
1967 Joris Ockeloen en het wachten (Vijverbergprijs)
1968 De toteltuin
1969 Groetjes uit Brussel
1975 Zachtjes knetteren de letteren
1978 Mijn Vlaamse jaren
1979 Kladboek (Dr. Wijnaendts Franckenprijs)
1979 Het verzonkene (Multatuliprijs)
1981 Bezonken rood
1988 Sire, er zijn geen Belgen (Boekenweekessay)
1988 De zondvloed
1990 Zomervlucht
1993 Verwoeste levens
1996 Het aardigste volk ter wereld: Willem Frederik Hermans in Brussel. Bijdrage aan zijn biografie

Bronvermelding:

Ik heb voor extra informatie gekeken op de volgende pagina’s:

www.Internetcollege.nl
www.Altavista.com (trefwoord: Bezonken rood)
www.schrijversnet.nl (trefwoord: Brouwers, Jeroen)
Beoordeling:

“Een boek dat de lezer op geen enkele manier onberoerd kan laten”.
Wim Sanders – Het Parool.

“Het is het eenzaamste, gruwelijkste, het beklemmendste, het is het mooiste boek sinds jaren”.
Wim Vogel – Haarlems Dagblad.

De bovenstaande citaten zijn perfect om mijn mening mee te beginnen. Ze sluiten namelijk volkomen bij mijn mening aan. Ik wil met bovenstaande citaten duidelijk maken dat ik niet de enige ben die ‘Bezonken rood’ een zeer bijzonder verhaal vind. Het is een boek waarin de schrijver mij in een eenzame, treurige en woedende stemming brengt. Natuurlijk ben ik vaak geëmotioneerd geweest door een boek. Maar dit boek sprak mij zéér aan. Ik heb er dan ook nog lang over nagedacht.

“Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt” en “hoe komt het dat ik ben wat ik ben?” zijn prachtige filosofische zinnen. Ze maken het leuk het boek te lezen, doordat je gaat nadenken over wat de auteur bedoeld.

Sommige passages choqueerden mij verschrikkelijk. Elke keer wanneer het woord concentratiekamp valt in het dagelijks leven denk ik, na het lezen van het boek, aan de beelden die ik kreeg bij de hieronder staande passages.

“Een naakte vrouw moet op handen en knieën door de straten kruipen, ze heeft een touw om haar nek dat door de Jap, die achter haar loopt, wordt vastgehouden. Als zij uitwerpselen tegenkomt wordt zij gedwongen daar als een hond aan te ruiken. De Jap slaat haar met een stok op haar rug en daar waar zij vroeger billen moet hebben gehad....”

“Dan gaat de Jap met zijn laarzen op haar maag staan dansen. De vloeistof die haar uit al haar lichaamsopeningen ontsnapt heeft alle denkbare kleuren en komt op alle denkbare wijzen uit haar te voorschijn: spattend, kabbelend, druppelend, als braaksel, als bloed, als pap”.

Over veel fantastische passages lees je zeer gemakkelijk heen. Dit komt doordat ik niet stil wou staan bij elk woord dat op papier staat. Je begrijpt het boek dan beter, maar om dit te doen ben je zeer veel tijd kwijt. Ik vind het zeer jammer dat ik hiervoor niet de tijd heb. Het is namelijk prachtig om dit soort boeken te lezen.
Toch wordt het boek op den duur langdradig. Dit komt doordat je vrijwel telkens hetzelfde leest. Doordat ik niet meer bij elke bladzijde stilstond snapte ik op een gegeven moment het verhaal niet meer. Ik moest het stuk dan ook opnieuw lezen. Ik ging weer nadenken over wat de auteur wilde vertellen, en las het boek zeer gemakkelijk uit.

Terwijl ik het boek las had ik het idee dat ik alles snapte wat Brouwers vertelde. Toch kwam ik er later achter dat dit niet zo was. Ik snapte de hoofdlijnen wel, maar van enkele passages snapte ik niet wat Brouwers bedoelde.

De gevoelens en bewegingen van de auteur zijn zeer realistisch. Ze zijn goed voor te stellen. Toch is het moeilijk om een samenvatting over de gevoelens te schrijven. Ik kreeg namelijk het gevoel dat ik moest proberen om het leven van Brouwers in enkele regels samen te vatten.

In het boek zijn alleen de meningen en gebeurtenissen te lezen zoals Brouwers ze zag en ziet. Hierdoor wordt de wereld van de bijfiguren verdoezeld. Je krijgt enkele passages over hen te lezen, verder niets. Ik vond het dan ook een aangename afwisseling en verrassing om de brief te lezen die de moeder aan de vader van de auteur schrijft. Toch heb ik niet het gevoel dat de waarde van het boek hierdoor daalt. Ik denk juist dat het een extra waarde geeft aan het boek.

Ik heb normaal gesproken een hekel aan boeken waarin je alleen door de ogen van de auteur kijkt. Ik heb nu ontdekt waarom ik dat vind. In de meeste boeken treed er verveling op. Dit komt door de zwakke en makkelijk te lezen verhalen. Maar in dit boek moet ik blijven denken over de verschillende situaties. Dit maakt het boek uniek en prachtig om te lezen.

In tegenstelling tot ‘Het geheim’ van Anna Enquist en ‘Het woeden der gehele wereld’ van Maarten ‘t Hart, kan ik de situaties niet in mijn eigen leven terug vinden. In ‘Het geheim’ zijn de muzieksituaties voor mij zeer herkenbaar, ditzelfde geld voor ‘Het woeden der gehele wereld’.

Alhoewel je telkens na moet denken over datgene wat de schrijver zegt, is het een prachtig boek dat ik zeker aan wil raden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

die "rode stip" in de Japanse vlag is de zon die daar als allereerst in de wereld op komt.........dus niet zomaar een stip

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Lotte

Lotte

Lekker belangrijk dat er spelfouten in de samenvatting zitten -_-
Heb echt heel veel aan deze samenvatting gehad, echt super! Snapte niks van het boek dus dan is een samenvatting altijd fijn.

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

B.

B.

wat een hoop dt-fouten
het verteld? :O

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

hee jantje, aangezien je havo 5 doet kun je ECHT toch wel goed typen?

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

wat een !@$@#% boek. Ik snapte er geen hol van. Niks word chronologisch verteld. Bedankt! je verslag heeft me egt geholpen!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

R.

R.

echt bedankt!

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

L.

L.

Wat een mooi verhaal. door deze samenvatting wil ik zeker het boek lezen!

Gr,
Lison

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

ik vond het een beetje moelijke om te begripen de verhaal.jij had het heel goed gemaakt en een groote samenvatting.groetjes ariana

16 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

V.

V.

Ik heb er echt veel aangehad!

Hoe lang ben je er wel niet mee bezig geweest?

Onzettend bedankt!

17 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

S.

S.

ik vond hem echt heel goed. ik wil je ook heel erg bedanken!

17 jaar geleden

Antwoorden

T.

T.

ik ook meid!

4 jaar geleden

gast

gast