ADVERTENTIE
Zo verlaag je jouw stress voor een toetsweek!

Deze week is natuurweek. Samen met hogeschool Van Hall Larenstein laten we zien wat jij kunt studeren waarmee je een bijdrage kunt leveren aan het behoud van de natuur. Reporter Isa zocht uit hoe het beste kunt ontspannen als je stress hebt. Op de landingspagina lees je nog veel meer over natuurstudies.

Alles over natuur

Titel: Au pair



Geschreven door: Hermans, Willem Frederik Auteursinformatie

Jaar: 1989

Taal: Nederlands

Vorm: Roman

Periode: 1980-

Thema: Au pair, Parijs

Bron: Memoreeks: Sande, Jef van de; Willem Frederik Hermans, Au pair, 1995

Uitgever: Walvaboek



I. Biografie

Willem Frederik Hermans werd op 1 september 1921 geboren in Amsterdam. Hij was het tweede en laatste kind van de hoofdonderwijzer Johannes Hermans (geb. 1879) en Hendrika Hillegonda Eggelte (geb. 1884), die voor haar huwelijk ook in het onderwijs gewerkt had. Het eerste kind, Cornelia Geertruida, was op 4 december 1918 geboren. In zijn Fotobiografie (1969) merkt Hermans op: 'Onze jeugd was niet vrolijk. Dit had allerlei oorzaken, algemene zoals crisistijd, waardoor mijn vaders salaris achteruitging, bijzondere, zoals het grote leeftijdsverschil tussen mijn ouders en hun kinderen.' Over de verhouding tot zijn zuster zegt hij: 'Ik mag er geen geheim van maken, dat ik, op mijn herinnering afgaande, slecht met mijn zusje kon opschieten. Zij werd mij door mijn ouders altijd ten voorbeeld gesteld. Haar rapportcijfers waren ook veel beter dan de mijne en zij ging elk jaar "cum laude'' over, wat toen nog bestond op het gymnasium.'

Beide kinderen bezochten het Barlaeusgymnasium, Willem Frederik vanaf 1933. In 1938 werd hij lid van de letterkundige vereniging D.V.S. en kreeg de eerste prijs in een opstellenwedstrijd. In deze periode las hij Multatuli, Slauerhoff, Nietsche, Kafka, Freud en Céline. In 1940 ging hij, op aandrang van zijn vader, maar tegen zijn zin, sociografie studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Een jaar later koos hij fysische geografie, een studie die meer overeenstemde met zijn belangstelling voor exacte wetenschapsbeoefening. In 1943 deed hij kandidaatsexamen.



Intussen had hij gedichten, verhalen en een roman (Conserve ) geschreven, en vanaf ongeveer 1944 slaagde hij erin min of meer regelmatig te publiceren (zie de bibliografie). Vanaf 1946 was hij redacteur van het tijdschrift Criterium, in 1950 van Podium. In dat jaar legde hij het doctoraal examen af. Naar aanleiding van de voorpublikatie van een fragment van zijn roman Ik heb altijd gelijk in Podium, jrg. 7, no. 3, juni 1951, werd er het jaar daarop een proces tegen hem gevoerd: één passage uit deze roman zou de strekking hebben gehad het rooms-katholieke volksdeel te beledigen. In dat proces werd hij vrijgesproken. In 1955 promoveerde hij cum laude op de resultaten van een bodemonderzoek in Luxemburg. Daarna werkte hij als fysisch geograaf o.a. in Scandinavië en in 1957 volgde zijn benoeming tot lector aan de Groningse Universiteit.

In datzelfde jaar verscheen de eerste druk van De donkere kamer van Damokles. Deze roman, waaraan hij vanaf 1952 had gewerkt, werd door vele critici een literair meesterwerk genoemd, al lieten sommigen hun literaire waardering van morele bedenkingen vergezeld gaan. De publieke belangstelling was groot: in 1959 verschenen al twee door Hermans herziene drukken. De vierde druk, in 1962, bracht Hermans in conflict met zijn uitgever Van Oorschot, omdat deze, in strijd met de waarheid, deze druk (...) spoedig gevolgd door andere (...) als 'herzien' liet verschijnen. Pas in 1970 werd dit conflict ten gunste van Hermans opgelost. Maar na 1962 liet hij zijn nieuwe werk bij De Bezige Bij verschijnen.

Een hoogtepunt na De donkere kamer van Damokles was de roman Nooit meer slapen uit 1966, waarvoor hem de Vijverbergprijs werd toegekend. Als principieel tegenstander van literaire prijzen wilde hij die echter niet accepteren. Het bedrag van de prijs liet hij overmaken aan de actie 'Eten voor India'. In 1957 had hij ook al de Prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945 geweigerd, die men hem had toegekend voor zijn verdiensten op het gebied van het korte verhaal. Zelfs de P.C. Hooftprijs, waarmee men hem in 1972 wilde vereren, wees hij van de hand. Wel aanvaardde hij, tot veler verwondering, in 1977 de 'Grote Prijs der Nederlandse Letteren', die hem in Brussel door koning Boudewijn werd uitgereikt. Hermans woonde toen al enkele jaren in Parijs. Na een conflict had hij in 1973 ontslag genomen als lector aan de Groningse Universiteit. Zijn literaire publikaties, o.a. novellen, romans, polemische stukken en kritieken, bleven echter met grote regelmaat in Nederland verschijnen en vonden een groot lezerspubliek. In de romans uit zijn Parijse tijd krijgt een satirische visie op het menselijk bestaan de overhand, o.a. in Onder professoren (1975) en Uit talloos veel miljoenen (1981), waarin de Nederlandse universitaire wereld het moet ontgelden. In dit Memodeeltje zullen we zien, dat die satirische lijn in Au pair (1989) wordt voortgezet.

Hermans heeft ook naam gemaakt als amateurfotograaf (foto's spelen een belangrijke rol in zijn romans en verhalen, o.a. in De donkere kamer van Damokles en in Nooit meer slapen ). In 1986 richtte het Stedelijk Museum in Amsterdam een expositie in van zijn foto's. De Amsterdamse gemeenteraad had die expositie willen verijdelen, omdat Hermans' naam zou voorkomen op een zwarte lijst van de Verenigde Naties naar aanleiding van zijn lezingentournee door Zuid-Afrika in 1983. Vanaf die tijd ondervond hij bij optredens in Nederland veel tegenstand: in 1987 moest een lezing in De Balie te Amsterdam vanwege een bommelding afgebroken worden.

In de wereld van de literatuur bleef men echter de betekenis van zijn literaire werk erkennen. In 1988 werd zijn roman Een heilige van de horlogerie genomineerd voor de AKO literatuurprijs. In 1990 ontving hij het Eredoctoraat Letteren en Wijsbegeerte aan de Universiteit van Luik vanwege zijn bijzondere verdiensten voor de Nederlandse literatuur. En in 1992 werd zijn roman Au pair genomineerd voor de Europese Literatuurprijs.

Toen de apartheidspolitiek in Zuid-Afrika werd verlaten en als gevolg daarvan eind 1992 de culturele boycot tegen dat land werd opgeheven, ontving Hermans een brief van de Amsterdamse burgemeester E. van Thijn, waaruit bleek, dat hij niet langer 'persona non grata' was in de hoofdstad. In 1993 werd Hermans' verhaal In de mist van het schimmenrijk uitgegeven als geschenk voor de boekenweek. Met een oplage van 582.000 exemplaren haalde hij de grootste eerste druk die in Nederland ooit verschenen is. De presentatie, waarbij Hermans was uitgenodigd, vond echter veiligheidshalve niet, zoals was aangekondigd, plaats in de Amstelkerk, maar in het Amstelhotel: men wilde niet wéér het risico lopen van een bommelding. Hermans woont nu sinds enkele jaren met zijn vrouw (...) hij is getrouwd en heeft één zoon (...) in Brussel.

In de literaire kritiek en in de literatuurwetenschap heeft Hermans' werk zeer veel aandacht gekregen. Het aantal recensies en artikelen in dag- en weekbladen en literaire tijdschriften loopt in de honderden. En sinds het eind van de jaren zeventig zijn er een zestal proefschriften over diverse aspecten van zijn werk verschenen, zowel in Nederland en België, als in Zuid-Afrika. Enkele van zijn meest bekende romans werden vertaald, bijvoorbeeld Nooit meer slapen in het Noors en Duits en Onder professoren in het Duits. De filmregisseur Fons Rademaker maakte onder de titel Als twee druppels water een film die geïnspireerd is op De donkere kamer van Damokles. Ook de novellen Paranoia, De blinde fotograaf en De elektriseermachine van Wimshurst werden verfilmd. De toneelstukken Periander en King Kong beleefden een televisie-opvoering. Door omvang, verscheidenheid en niveau van zijn werk kan W.F. Hermans nog steeds gelden als een van de grootste nog levende Nederlandse auteurs. Zijn streven is met heel wat meer succes bekroond dan dat van de hoofdpersonen uit zijn boeken!



Samenvatting



II. Samenvatting

Au pair telt 96 met Arabische cijfers genummerde hoofdstukken van zeer ongelijke lengte. Het twintigste hoofdstuk vormt een zeer duidelijke cesuur in het verhaal (zie III.1 en III.4) Daarom is de nu volgende samenvatting in twee delen opgezet.

Hoofdstuk 96 fungeert als een soort epiloog (zie III.4).



Hoofdstuk 1 tot en met 20



De negentienjarige Paulina, dochter van de gemeentesecretaris van Vlissingen, wil na haar eindexamen gymnasium in Parijs Frans en kunstgeschiedenis gaan studeren. Voor haar vader is studeren in Parijs een onvervulde jeugddroom gebleven. Daarom krijgt Paulina van hem vrij gemakkelijk toestemming. Waar zou je immers beter Frans en kunstgeschiedenis kunnen studeren dan in de Franse hoofdstad met haar vele musea? Natuurlijk is het wel duurder dan studeren in Nederland. Daarom zal ze 'au pair' gaan bij een Franse familie.

In Parijs wordt ze door bemiddeling van een bureau dat adressen verstrekt aan buitenlandse studenten geplaatst bij het advocatenechtpaar Pauchard in de rue Verniquet. Ze krijgt een piepklein bediendenkamertje op de zevende etage van het appartement. Met haar lengte - ze meet 1.92 - kan ze daar nauwelijks haar benen strekken als ze op bed ligt. Ze wordt uit de slaap gehouden door de muziek van de Arabieren aan wie de andere bediendenkamertjes zijn verhuurd. En dan huist er nog een zwarte huurder die haar lastig valt. Bovendien gedraagt mevrouw Pauchard zich zo onbeschaamd en arrogant tegenover haar, dat ze het er maar een paar dagen uithoudt. Ze vraagt het bureau om een ander adres. De gedistingeerde dame die haar te woord staat, toont begrip voor haar moeilijkheden. Ze zal haar onderbrengen bij echte aristocraten, die haar niet als voetveeg zullen behandelen. Zo krijgt ze het adres van de gepensioneerde generaal de Lune, die in een luxueus flatgebouw woont, op de hoek van de rue Guynemer en de rue Vaugirard, tegenover het Parc de Luxembourg. Daar is ze van harte welkom, laat de butler haar door de telefoon weten. Op weg er naar toe raakt ze in gesprek met een oudere, Nederlands sprekende heer, die haar voorspelt dat van nu af aan alles beter zal gaan met haar.



Hoofdstuk 21 tot en met 96



Generaal de Lune woont op de tweede etage van het flatgebouw. Zijn butler brengt Paulina naar een luxueus ingerichte zit-slaapkamer, met een badkamer waarvan de muren en de plafonds bestaan uit in smalle gouden lijsten gevatte spiegels. Er is een uiterst hoffelijk gestelde welkomstbrief van de generaal. Hij hoopt dat ze tijd zal vinden kennis met hem te maken. Over haar taak als 'au pair' geen woord. De huishoudster, mevrouw Le Dantec, maakt haar attent op de tekeningen aan de wand van een zekere Constantin Guys. Ze veronderstelt dat Paulina hem wel zal kennen omdat hij in Vlissingen geboren is. De generaal is een hartstochtelijk bewonderaar en verzamelaar van zijn werk. Paulina heeft nog nooit van Guys gehoord en raadpleegt later een encyclopedie. Hij blijkt een Franse tekenaar te zijn die inderdaad in 1805 in Vlissingen geboren is. Voor kranten en tijdschriften reisde hij door Europa om actuele gebeurtenissen in schetsen vast te leggen. Zo maakte hij voor 'Illustrated London News' situatieschetsen van de Krimoorlog (tussen Rusland en Turkije, van 1853 tot 1856). Die schetsen gaven een beter beeld van de oorlogswerkelijkheid dan de foto's die toen gemaakt konden worden. Later vestigde Guys zich in Parijs en werd 'le peintre de la vie moderne', zoals Charles Baudelaire hem in een essay heeft genoemd. Paulina vraagt zich nu af, of het soms haar taak als 'au pair' is de generaal te helpen bij het catalogiseren van zijn verzameling. Ze studeert immers kunstgeschiedenis en bovendien komt ze uit Vlissingen. Maar als ze kennis maakt met de generaal, merkt ze, dat alles al keurig geordend is. Is het dan soms de bedoeling, dat zij als gewillig oor fungeert bij de eindeloze monologen van de generaal over Guys?

Intussen maakt Paulina ook kennis met twee zoons van de generaal die ook in het flatgebouw wonen. Armand, de oudste, een opmerkelijk lange man, is een mislukte dichter en poëziecriticus. Hij woont met zijn vrouw Jacqueline op de vijfde etage. Ze zijn alle twee aan de drank geraakt en gaan er prat op, dat ze altijd de volle waarheid spreken. Ze hebben een zoon, Edouard, die zich haast nooit laat zien. Paulina krijgt de indruk, dat Armand en zijn vrouw in haar een geschikte huwelijkspartner voor Edouard zien, omdat ze bijna zo lang is als hij. Op de tweede etage woont de tweede zoon van de generaal, Michel, die ook al opvalt door zijn lengte. Hij is een mislukte pianist, groot bewonderaar van de componist Alkan (1818-1888), die zeer moeilijke pianomuziek heeft geschreven. Ondanks jarenlang oefenen slaagt Michel er niet in deze muziek foutloos te spelen.

Met Edouard maakt Paulina kennis tijdens een feestje, gegeven door zijn ouders. Edouard is de enige in de familie die zich niet schaamt voor zijn rijkdom en er rond voor uitkomt, dat geld verdienen zijn hoogste levensdoel is. Hij is dan ook een uiterst bekwaam beursspeculant. Als hij hoort, dat zijn grootvader tot nu toe met Paulina bijna uitsluitend over Guys gepraat heeft, voorspelt hij haar dat dit nu gauw zal veranderen. Hij vertelt haar dan, dat de generaal het beheer heeft over een kapitaal waarvan de eigenaars al lang dood zijn. Ze hadden geen kinderen. Er zijn wel erfgenamen, familieleden in het buitenland, die misschien van het bestaan van het kapitaal op de hoogte zijn. De generaal heeft hen nooit ingelicht en het geld niet overgedragen. Daar had hij goede redenen voor. Maar intussen is het oorspronkelijke kapitaal met zo veel succes belegd, dat het vertwaalfvoudigd is. In de laatste twaalf jaren heeft Edouard die beleggingen voor zijn grootvader geregeld. Het geld is nooit opgegeven aan de belasting en er is dus geen vermogensbelasting voor betaald. Als de erfgenaam in het buitenland het geld nu zou opeisen, zou dat grote moeilijkheden geven.

Wanneer Paulina twee dagen later de generaal weer bezoekt in zijn studeerkamer, begint hij inderdaad over die zaak. Het kapitaal was eigendom van het Joodse echtpaar Crémieux, zijn buren bij het begin van de tweede wereldoorlog. Bij hun vlucht voor de Duitsers naar Spanje, in 1942, hebben ze hem een koffer met geld en waardepapieren toevertrouwd. Na een briefkaart uit Biarritz heeft hij nooit meer iets van hen gehoord. Na de oorlog heeft hij informaties ingewonnen bij het Rode Kruis. Daaruit bleek, dat mevrouw Crémieux, een half-joodse van Duitse afkomst, op 22 november 1944 in het ziekenhuis van een vrouwengevangenis in Zuid-Duitsland is overleden. Over het lot van mijnheer Crémieux is nooit iets bekend geworden. Maar men kan gevoeglijk aannemen, dat ook hij al lang geleden is gestorven, want als hij nog zou leven, zou hij nu 114 jaar oud zijn. De generaal bekent Paulina in bedekte termen, dat hij al jaren in gewetensnood verkeert, omdat hij niet weet wat hij met het geld moet doen. Als hij het aan de nog levende wettige erfgenaam zou afstaan, zou dat in zijn ogen moreel even verwerpelijk zijn als het geld te behouden. Terwijl hij over die erfgenaam spreekt, windt hij zich zo op, dat hij bijna stikt in een hartaanval. Wekenlang moet de generaal nu het bed houden, zodat Paulina hem niet meer te spreken krijgt.

Ze belt Edouard op, maar die is blijkbaar vrijwel nooit thuis. Maar op een avond komt ze hem in de stad tegen en dan neemt hij haar mee uit eten. Hij vertelt haar, dat de wettige erfgenaam, Müller, de niet-joodse halfbroer van mevrouw Crémieux is. Tijdens de oorlog is hij betrokken geweest bij de jodenvervolging en na de oorlog heeft hij daarvoor vier jaar in de gevangenis gezeten. Daarom wil de generaal het geld niet aan hem geven. Maar daardoor maakt hij zich schuldig aan wetsovertreding. Bovendien heeft hij het geld nooit opgegeven aan de belasting. Edouard acht het niet uitgesloten, dat Müller er intussen achter is gekomen, dat er nog geld moet zijn en waar zich dat bevindt. Hij vertelt haar, dat ze nu het plan hebben opgevat het geld te schenken aan een joodse organisatie voor kinderbescherming in Israël. Daartoe zou het geld naar Zwitserland gesmokkeld moeten worden. Paulina biedt zich dan aan om dit op zich te nemen. Ze heeft hierdoor de gelegenheid iets terug te doen voor de weldaden waarmee de generaal haar heeft overladen. Edouard accepteert haar aanbod en stelt haar voor naar notaris Corde te gaan om de zaak te regelen. De notaris noteert haar antecedenten en vraagt haar daarna nog even in de wachtkamer te gaan, omdat hij iets met Edouard te bespreken heeft. Daar ontmoet Paulina madame Pauchard. Ze vraagt zich af, of het bezoek van deze dame iets te maken heeft met haar eigen aanwezigheid.

Ruim een week ziet of hoort ze niets meer van Edouard. Dan maakt hij een afspraak en vertelt haar, hoe alles in zijn werk zal gaan. Ze moet het geld naar een adres in Zwitserland brengen. Op de dag van vertrek moet ze een koffer met geld afhalen bij het kantoor van notaris Corde. Ze zal dan met de trein naar Basel gaan, daar de koffer afleveren en de volgende dag terugkeren naar Parijs. Ze moet haar missie voor iedereen geheim houden. Mevrouw Le Dantec moet ze wijs maken, dat ze voor een paar dagen naar Nederland gaat. De avond voor de dag dat ze naar Basel zal vertrekken, nodigt Michel haar uit voor een voorstelling van de opera 'Orphée et Euridyce' van C.W. von Gluck. Na de voorstelling drinken ze nog wat in de bar van het Ritzhotel. Michel blijkt te weten wat er de volgende dag staat te gebeuren. Hij vertelt haar ook, dat er al twee Duitse 'au pairs' met de koffer op stap zijn geweest. Omdat Edouard hen niet vertrouwde, had hij, buiten medeweten van de generaal, de koffer vol krantepapier laten stoppen. Het eerste meisje voerde braaf haar opdracht uit en keerde na een dag terug. Edouard stuurde haar met 'een leuke fooi' naar huis en maakte zijn grootvader wijs, dat ze op het laatste moment niet had gedurfd. Het tweede meisje keerde nooit terug. Aan de generaal werd verteld, dat ze met de noorderzon vertrokken was, zonder de koffer. Michel vraagt haar mee te gaan naar zijn flat. Hij laat haar twee bandopnames beluisteren die hij, met een maand tussenpauze, heeft gemaakt van zijn pianospel om vast te kunnen stellen of hij in die tijd vooruit gegaan is. Paulina heeft medelijden met hem, maar ook met zichzelf, omdat ze niet in staat is verliefd op hem te worden. Op Edouard zou ze verliefd kunnen worden, overdenkt ze bij zichzelf. Maar die geeft niets om kunst, denkt alleen maar aan geld.

De volgende dag staat ze om zes uur op. Edouard brengt haar naar het kantoor van notaris Corde, maar zegt geen tijd te hebben om haar naar het station te brengen. Dat stelt Paulina wel teleur. Ze laat hem merken, dat ze weet dat er al twee au pairs met een koffer vol oude kranten op pad zijn gestuurd. Edouard spreekt dit niet tegen; die twee vorigen vertrouwden ze niet, haar wel. Paulina neemt zich in stilte voor de inhoud van de koffer te inspecteren, voor ze ermee vertrekt. Bij het kantoor neemt Edouard afscheid van haar. Ze wordt ontvangen door de secretaresse van de notaris, een kleine vrouw met een sterk Duits accent. Ze geeft Paulina een enveloppe met vijftig reischeques van honderd dollar elk en laat haar het ontvangstbewijs van de koffer tekenen. Dan verschijnt de notaris op het toneel. Paulina vraagt hem de inhoud van de koffer te mogen inspecteren. De notaris geeft haar het sleuteltje, maar ook een stapeltje Belgische bankbiljetten en een treinkaartje naar Luxemburg. Paulina is zo verbouwereerd dat ze nu plotseling naar Luxemburg moet in plaats van naar Basel, dat ze vergeet de koffer te inspecteren. Ook de secretaresse is er verbaasd over. Maar intussen is haast geboden. De taxi's staken die dag en daarom wordt Paulina door de chauffeur van de generaal naar het station gebracht. Voor ze instapt in de trein naar Luxemburg, wordt Paulina aangesproken door een kleine man met een sterk Duits accent. Hij vraagt haar, of dit de trein naar Basel is. Later merkt Paulina dat hij toch is ingestapt in haar trein. Bij de Frans-Luxemburgse grens staat ze doodsangsten uit, als de douane haar bagage - gelukkig alleen de koffer met haar kleren - inspecteert. In Luxemburg is er een hotel voor haar besproken. Ze wordt daar afgehaald door een employé van de bank waar ze de koffer moet afleveren. In het bankgebouw wordt ze alleen gelaten in een sombere wachtkamer. Het enige raam in dit vertrek vertoont in glas-in-lood de voorstelling van een roofvogel die een wimpeltje in zijn bek draagt met de raadselachtige Latijnse tekst: ABSTULIT QUI DEDIT. Het wachten duurt lang. Het lijkt Paulina, of ze hier zit te wachten op de uitslag van haar eindexamen en dat ze zal zakken, als ze die tekst niet kan vertalen. Na veel gepuzzel komt ze er uit: 'Wie gegeven heeft, heeft genomen'. Na meer dan een uur wordt ze binnengelaten in een ander vertrek. Daar wordt de koffer, in het bijzijn van enkele bankemployés, in ontvangst genomen door een oude, invalide man, die door de andere met 'Herr Doctor' wordt aangesproken. Als de inhoud van de koffer voor de overdracht gecontroleerd moet worden, blijkt het sleuteltje dat Paulina van de notaris gekregen heeft, niet te passen. Een aanwezige dame heeft een sleuteltje dat wél past. Maar bij het openen blijkt de koffer toch geen krantepapier, maar wel degelijk stapels bankbiljetten en effecten te bevatten. Na het ontvangen van de voor akkoord getekende inventarislijst, kan Paulina vertrekken: haar missie is volbracht.

Terug in haar hotel, wil ze op het terras nog een ansichtkaart aan haar ouders schrijven. Van een naburig tafeltje reikt het mannetje dat haar op het perron in Parijs ook al aangesproken had haar zijn ballpoint. Er ontstaat een gesprek, waarin het mannetje zich bekend maakt als de broer van de secretaresse van notaris Corde. Hij blijkt te weten dat haar oorspronkelijke reisdoel Basel was en verklaart, dat hij haar op het perron in Parijs duidelijk wilde maken dat ze in de verkeerde trein stapte. Dan stapt hij op en laat Paulina in de grootste verwarring achter. Plotseling ziet ze van de overkant Michel op zich afkomen. Hij is haar met de auto achterna gereisd. Hij vertelt haar, dat pas op het allerlaatste moment de beslissing genomen is, dat ze naar Luxemburg moest in plaats van naar Basel. De kleine man met het Duitse accent is met haar meegestuurd om haar te schaduwen en in te grijpen als er iets zou gebeuren. Michel heeft een kamer in het hotel naast het hare. 's Avonds gaan ze samen eten. De volgende morgen belt Paulina Edouard op om hem te vertellen dat haar missie geslaagd is. Hij reageert erg koel. Als ze hem laat merken, dat ze verliefd op hem is, wordt hij zelfs beledigend.

Als Michel haar voorstelt naar Boulogne te rijden en daar de blaasboot naar Engeland te nemen voor een bezoek van een paar dagen aan Londen, stemt ze toe. In Boulogne belt hij met Parijs; daarna is hij opvallend stil. In Londen nemen ze één kamer in het Dorchester-hotel aan Park Lane. Pauline maakt zich op voor haar eerste liefdesnacht, hoewel ze gehoopt had dat ze die met een andere man zou doorbrengen. Maar Michel blijkt niet in de juiste stemming te zijn. Hij vertelt haar, wat hem door de telefoon is meegedeeld. Het gaat erg slecht met zijn vader en ook zijn moeder is in het ziekenhuis opgenomen. Hij onthult bovendien, dat ze de koffer niet heeft overgedragen aan een vertegenwoordiger van de joodse vereniging Beth-abara, maar aan Müller, zwager van Crémieux en voormalig officier bij de S.S. Notaris Corde was van mening, dat wat de generaal wilde hem in grote moeilijkheden zou brengen. Daarom heeft hij, buiten medeweten van de generaal en waarschijnlijk in overleg met Edouard, een andere beslissing genomen.

Paulina voelt zich beetgenomen en misbruikt. Ze wil niets meer van die hele familie weten, ook niet van Michel, die toch te goeder trouw is. Midden in de nacht vertrekt Michel naar Parijs, met achterlating van een brief waarin hij zich excuseert. Hij hoopt zijn moeder nog bij bewustzijn aan te treffen. De betaling van het hotel is door hem geregeld. Paulina blijft nog een paar dagen in Londen. Op de terugweg ontmoet ze een schoolvriendin. Die vertelt haar het verhaal van een Duitse au pair die door een schatrijke oude man overladen is met weldaden, maar later tot de ontdekking kwam dat ze door hem was bespied door de half-doorzichtige spiegels van haar luxueuze badkamer.

In Parijs huurt Paulina nu een kleine, maar peperdure studio en zet haar studie voort. Op de televisie ziet ze beelden van de begrafenis van de oude generaal. Op een dag ontmoet ze Armand, die haar vraagt nog eens op bezoek te komen. Van Armand en Jacqueline, die altijd de volle waarheid spreken, hoort ze dat Edouard degene is geweest die besloten heeft, dat het geld overgemaakt moest worden aan Müller. Die was immers in het bezit van een holografisch testament, waarin het kapitaal aan hem vermaakt was, als beloning voor het feit, dat hij het echtpaar Crémieux had geholpen bij hun vlucht. De vereniging in Israël was door Edouard verzonnen als zoethoudertje voor de generaal, die het geld niet aan Müller wilde afstaan en evenmin zelf wilde houden. Edouard heeft er overigens een leuke duit aan verdiend, die nu ook voor de belasting in veiligheid is gebracht.

Enkele dagen later worden Paulina's bezittingen, die ze in het huis van de generaal had achtergelaten, aan haar adres bezorgd, met een brief erbij van Armand. Ze besluit zich nu helemaal op haar studie te concentreren. Dat het haar ernst is, blijkt uit het gesprek met de geheimzinnige, Nederlands-sprekende heer in het laatste hoofdstuk (zie hierover III.4).



Interpretatie



III. Analyse



1. Opbouw

De opbouw van Au pair is heel eenvoudig. De gebeurtenissen worden in chronologische volgorde verteld, zonder flash-backs. Soms is er tussen twee hoofdstukken een tijdsprong, maar vaker sluiten ze wat de tijd betreft naadloos op elkaar aan. Dan is er alleen sprake van een situatieverandering, bijvoorbeeld doordat het volgende hoofdstuk zich in een andere ruimte afspeelt (zie bijvoorbeeld de overgang tussen de hoofdstukken 9 en 10).

Deze rechtlijnige opzet is in overeenstemming met Hermans' opvattingen over de opbouw van een roman. Die heeft hij uiteengezet in zijn essay 'Experimentele romans' uit de essaybundel Het sadistische universum (zie de bibliografie). Uit dat essay blijkt, dat hij niets moet hebben van ingewikkelde romanexperimenten, waarin gegoocheld wordt met tijd, ruimte en perspectief. Hij houdt een pleidooi voor wat hij de 'klassieke roman' noemt. Daaronder verstaat hij een roman die in hoge mate eenheid van handeling vertoont:

een roman waarin het thema volledig is verwerkt in een verhaal, waarin een idee uitgedrukt wordt door middel van handelingen, een roman waarin alles wat gebeurt en alles wat beschreven wordt, doelgericht is; waarin bij wijze van spreken geen mus van het dak valt, zonder dat het een gevolg heeft.

In Hermans' romans wordt het verloop van het verhaal inderdaad bepaald door 'handelingen'. Onder 'handeling' verstaan we dan niet alleen wat er gebeurt, maar ook wat er door de personages gezegd en gedacht wordt. Al die handelingselementen functioneren volgens de wet van oorzaak en gevolg in het grote geheel. En in dat grote geheel krijgt het thema van het verhaal gestalte. Dat is ook in Au pair het geval. Wie deze roman goed leest, komt tot de ontdekking, dat hij een hecht samenhangend handelingsverloop vertoont en weinig details bevat die van de hoofdlijn afleiden.

De Parijse avonturen van Paulina verlopen in twee fasen . In de hoofdstukken 1 tot en met 19 wordt haar verblijf in huize Pauchard verteld, waar ze slecht behandeld wordt. De rest van de roman handelt over haar belevenissen met de familie van generaal de Lune, die haar met weldaden overlaadt. Het twintigste hoofdstuk fungeert als overgang tussen deze twee delen. In dat hoofdstuk is ze op weg naar het huis van generaal de Lune. Ze ontmoet dan een wat oudere, Nederlands sprekende heer. Hij doorziet haar situatie en zegt haar gedachten te kunnen lezen. Hij voorspelt haar, dat het van nu af aan beter met haar zal gaan en dat hij daar zijn best voor zal doen. 'Misschien worden jouw gedachten je wel ingeblazen door mij,' zegt hij (p. 74). Daaruit kunnen we opmaken, dat hier de verteller-auteur aan het woord is, die als verhaalpersonage zijn eigen roman is binnengestapt. In dat laatste hoofdstuk heeft Paulina weer een ontmoeting met hem. Wat de betekenis is van dit optreden van de verteller-auteur als romanpersonage, zullen we zien in de paragraaf over het perspectief.



2. Plaats

Au pair speelt zich grotendeels af in Parijs, waar Hermans lange tijd gewoond heeft. Er worden veel straten, pleinen, parken en andere bekende plaatsen genoemd, zodat de lezer aan de hand van de plattegrond van Parijs de plaats van handeling telkens kan vaststellen. Ook de interieurbeschrijving van de huizen en de appartementen waarin het verhaal zich afspeelt, en van allerlei andere elementen die de sfeer van Parijs oproepen, is vrij nauwkeurig. Die nauwkeurigheid heeft tot doel de waarschijnlijkheidssuggestie van dit soms fantastische verhaal te vergroten.



3. Tijd

De tijd van handeling van Au pair is 1984. Dat valt op te maken uit een constatering van generaal de Lune in een gesprek met Paulina: 'We schrijven nu 1984.' (p. 235). De vertelde tijd omvat enkele maanden: Paulina vertrekt naar Parijs als het tegen de herfst loopt en wil met kerstmis naar huis gaan. In de periode daarvoor speelt het verhaal zich af. De tijd van handeling valt in de periode waarin de roman geschreven is. Dat blijkt uit de datering aan het einde: Parijs, 27 augustus '83 - 29 januari '89.



4. Vertelwijze, perspectief

In Au pair heeft W.F. Hermans de zogenaamde auctoriële vertelwijze toegepast. Dat is een manier van vertellen waarbij de verteller zich duidelijk kenbaar maakt, doordat hij het verhaal af en toe vooziet van commentaar waarin hij zijn eigen meningen en opvattingen geeft. Dat is in Au pair ook zo. Het eerste hoofstuk bijvoorbeeld begint met de volgende passage:

Het eerste waar Nederlanders aan denken, als ze iets willen verkrijgen dat hun eigen land niet oplevert, is niet het zelf te gaan maken, maar het te gaan zoeken in den vreemde. En de Zeeuwen onder hen doen dit misschien nog eerder dan de anderen. Het kwam hun goed van pas in het koloniale tijdperk, dat nu voorbij is. Maar de neiging naar elders te vertrekken, leeft nog altijd. (p. 5)

Pas hierna begint het eigenlijke verhaal met de mededeling, dat Paulina na haar eindexamen besloot in Parijs Frans en kunstgeschiedenis te gaan studeren. Lezers die meer van Hermans gelezen hebben - niet alleen zijn romans, maar ook zijn essays en kritieken - zullen in bovenstaand commentaar zijn kritische kijk op het Nederlandse volk herkennen. Het vertellerscommentaar heeft dus o.a. de functie van een herkenningsteken voor trouwe lezers van Hermans.

In het bovenstaande voorbeeld wordt het commentaar de verteller zelf in de mond gelegd, die daarmee zijn verhaal inleidt. Maar ook romanpersonages worden in Au pair gebruikt als spreekbuis voor meningen of opvattingen die te herkennen zijn als afkomstig van de auteur Hermans. Zo op p. 47, waar Paulina nadenkt over het onbeschaamde gedrag van mevrouw Pauchard dat haar heeft geschokt. Ze tracht zichzelf dan gerust te stellen door te bedenken, dat dit ook als een blijk van vertrouwen kan worden opgevat. Ze overweegt:

Jazeker, zo en niet anders moest het worden geëvalueerd! Geëvalueerd. Een term waarmee, had ze al lang begrepen, allerlei misstanden in een ander perspectief werden geplaatst, zodat je ermee kon leven, mits het geen rechtse misstanden waren, dus bijvoorbeeld de dictaturen in zwarte Afrikaanse landen wel, maar de apartheid in Zuid-Afrika niet.

Wie Hermans' opvattingen kent, weet dat Paulina's gedachten hier Hermans' kritiek vertolken op het jargon en de politieke vooroordelen van links-georiënteerde, door Hermans verafschuwde 'maatschappijwetenschappers'. Volgens hem kunnen die wel 'leven met' linkse, maar niet met rechtse dictaturen.

In bovenstaande passage worden de gedachten van Paulina weergegeven. Zij is het enige romanpersonage, dat door de verteller zowel 'van buitenaf' als 'van binnenuit' beschreven wordt. Doordat zij de hoofdpersoon is, wordt de lezer in een groot deel van de roman in haar belevingswereld verplaatst. Daardoor wordt hij in staat gesteld met Paulina mee te leven. Maar intussen wordt hij door het Hermans-commentaar dat door haar gedachten spookt, van tijd tot tijd eraan herinnerd, dat Paulina een creatie is van de auteur Hermans die in de auctoriële verteller schuilgaat.

Maar met de auctoriële verteller in Au pair is nog iets speciaals aan de hand. Een auctoriële verteller neemt gewoonlijk een 'external point of view' in, d.w.z.: hij vertelt de gebeurtenissen als iemand die zelf buiten het verhaal staat en daardoor alles van een zekere afstand kan bekijken. Maar in Au pair stapt de auctoriële verteller - en met hem de auteur Hermans - tot tweemaal toe zijn eigen verhaal binnen. In de paragraaf over de opbouw hebben we al gezien, dat Paulina in het twintigste hoofdstuk een ontmoeting met hem heeft, zonder dat ze weet wie ze voor zich heeft. In het laatste hoofdstuk van de roman ontmoet ze hem weer. Ze zit dan op een terrasje te lezen in de beroemde roman Madame Bovary van de Franse schrijver Gustave Flaubert. Een bejaarde heer, in wie de lezer de heer uit hoofdstuk twintig en dus de verteller-auteur kan herkennen, is tegenover haar neergestreken en begint met haar, in het Nederlands, een gesprek over Madame Bovary. Hij noemt het een mooi, tragisch boek. Emma Bovary, die, evenals Paulina, niet erg gelukkig is in de liefde, pleegt immers suïcide aan het einde van de roman. Maar volgens de verteller had het niet zo af hoeven lopen. Flaubert had haar kunnen redden door als verteller zijn eigen verhaal binnen te stappen en een verhouding met haar te beginnen. Maar Flaubert wilde zijn zoals de Schepper zelf: alom aanwezig en toch machteloos. Daardoor heeft hij verzuimd Emma te redden. Paulina zegt dan, dat ze Flaubert niet zou moeten, zelfs als hij haar kwam redden. Zo laat ze haar eigen verteller weten, dat ze geen behoefte heeft aan zijn reddingspoging. Door haar ervaringen met mannen wijs geworden, ziet ze in haar verteller alleen maar de zoveelste bedrieger. Ze wil nu alleen haar studie afmaken en anders niets. Waarom heeft Hermans dit rendez-vous tussen zijn hoofdpersoon en haar verteller geënsceneerd? Zo kan hij aan het einde van zijn roman iets kwijt over zijn opvatting met betrekking tot de verhouding tussen werkelijkheid en fictie in een roman. Hij staat kritisch tegenover de waarheidspretentie van naturalistische auteurs, zoals Flaubert, de schrijver van Madame Bovary. De naturalisten wilden 'de' werkelijkheid zo objectief en waarheidsgetrouw mogelijk beschrijven. Daartoe maakten ze omvangrijke sociologische en psychologische voorstudies over hun onderwerp. Hun romans kregen daardoor een wetenschappelijk tintje. In overeenstemming met dit streven naar wetenschappelijke objectiviteit wilden naturalistische auteurs zich in hun romans zo neutraal mogelijk opstellen. Daarom voerden zij een alwetende, maar onzichtbare verteller in. Zo'n verteller kent alle personages van binnen en van buiten, maar blijft zelf onzichtbaar door zich te onthouden van persoonlijk commentaar. De roman vertelt als het ware zichzelf.

In zijn essay 'Experimentele romans' keert Hermans zich tegen de wetenschappelijke waarheidspretentie van de naturalisten. Hij zegt, dat zij het slachtoffer waren van de illusie, dat je in een roman 'de' werkelijkheid zou kunnen beschrijven. De roman moet, volgens Hermans, niet streven naar waarheid. Het is immers een fictief werk. Het is voldoende, als de romanschrijver ernaar streeft een zo groot mogelijke graad van waarschijnlijkheid te geven aan zijn verhaal. Het beste middel daartoe is: de eenheid van handeling zo sterk mogelijk te maken.

Door nu de verteller tot twee keer toe als verhaalpersonage op te laten treden in Au pair onderstreept Hermans het fictieve karakter van zijn roman. Een schrijver kan in een roman alles laten gebeuren, maar het is en blijft fictie. Maar tegelijkertijd geeft hij aan Au pair de suggestie van waarschijnlijkheid door de beschrijving van het Parijse decor en door aan zijn verhaal een zo hecht mogelijke samenhang te geven.

Hermans kritiseert nog iets anders in naturalistische romans. Dat is de opvatting van naturalisten, dat in de werkelijkheid het menselijk leven verloopt volgens een wetmatig, achterhaalbaar plan, waarbij omstandigheden van tijd en milieu en de erfelijke aanleg van personen een beslissende rol spelen (determinisme ). In hun romans wilden de naturalisten het gedetermineerd zijn van hun personages laten zien. Volgens Hermans echter is het determinisme veel minder belangrijk voor de bepaling van de loop van het menselijk leven dan het blinde toeval. Daarom deelt hij aan het toeval ook een beslissender rol toe in het handelingsverloop van zijn romans. En daarom laat hij aan het einde van Au pair de verteller-auteur kritiek uitoefenen op het feit, dat Flaubert zijn roman Madame Bovary slecht laat aflopen voor de hoofdpersoon Emma Bovary. Het had toch even goed anders kunnen gaan!

Zo brengt Hermans in een schijnbaar zo luchtige roman als Au pair toch zijn opvattingen over romankunst naar voren.



5. Spanning

De eerste 19 hoofdstukken, waarin Paulina's vertrek naar Parijs en haar verblijf bij de Pauchards worden beschreven, vormen een amusant en afwisselend relaas, maar de spanning ontbreekt nog. Die ontstaat pas geleidelijk na haar ontmoeting met de geheimzinnige heer in het twintigste hoofdstuk, die haar betere tijden belooft. Van dan af raakt zij verwikkeld in een steeds gecompliceerder netwerk van gebeurtenissen. De dubbelzinnigheid daarvan doet bij haar én bij de lezer steeds meer onzekerheden rijzen, zodat de spanning naar het einde toe groter wordt. Ook in dit opzicht vormt hoofdstuk 20 dus een cesuur in het verhaal.



6. Personages

Hermans geeft in zijn romans geen breed uitgewerkte karakterbeschrijving van de personages, ook in Au pair niet. Dit houdt verband met de belangrijke plaats die de 'handeling' in zijn romans inneemt (zie III.1). In zijn al eerder geciteerde essay 'Experimentele romans' zegt hij:

Een roman verkrijgt waarschijnlijkheid door gebeurtenissen en personen te rangschikken in een verband. Dit verband kan in de meest wilde, meest experimentele roman niet gemist worden. De beschrijving van complete persoonlijkheden moet er zonder schijnheiligheid aan worden opgeofferd. Voor wie weet dat hij zelfs de personen in zijn naaste omgeving niet compleet kent, voor wie ervan overtuigd is dat het zelfs niet mogelijk is een levende persoon compleet te kennen, is dit offer niet al te zwaar.

Hermans wijst uitvoerige psychologische portrettering van romanpersonages dus af. Die afwijzing vloeit voort uit zijn opvatting, dat de volledige werkelijkheid, ook die van de menselijke psyche, onkenbaar is. In zijn romans fungeren de personages alleen bij de gratie van het gebeuren. Hij zegt: 'Alleen die gedeelten van hen tellen mee, die een rol spelen in de handeling.' Daarom heeft hij ook geen bezwaar tegen de als oppervlakkig geldende zwart-wit-tekening van personages, 'als het maar met smaak wordt gedaan'. Ook in Au pair zijn de personages geen 'round characters', eerder enigszins karikaturaal getekende 'typen'. Maar die typering wordt gekenmerkt door een milde humor, die we in de vroegere romans van Hermans (bv. De donkere kamer van Damokles ) niet aantreffen. En zijn hoofdpersoon, Paulina, beschrijft hij met onmiskenbare sympathie en soms zelfs met vertedering. Niet voor niets nodigt de verteller-auteur haar in het laatste hoofdstuk op verkapte wijze uit een relatie met hem aan te gaan! Hier volgen korte karakterbeschrijvingen van de belangrijkste personages.



Paulina



Verwijst Paulina naar het 'Zeeuwse meisje' van de televisiereclamespot voor een bekend margarinemerk? Ze komt uit Vlissingen en wordt in het begin van de roman voorgesteld als het onbedorven, gezonde natuurkind dat nog geheel onkundig is van de slechtheid die de grote stad herbergt. Naïef als ze nog is, koestert ze min of meer onbestemde illusies over haar toekomst. Ze heeft een knap gezicht en een prachtig figuur. Maar omdat ze zo lang is, heeft ze een vage angst nooit een man te zullen vinden die bij haar past. Daarom heeft ze zich op schoolfeestjes altijd geremd gevoeld. Ze was bang verliefd te worden op de verkeerde jongen. Gelukkig is dat nog nooit gebeurd. Voorlopig wil ze niet aan trouwen denken en heeft ze al haar ambities gezet op de studie van haar keuze: Franse letteren en kunstgeschiedenis. Daarom wil ze naar Parijs, de kunst- en cultuur-stad bij uitstek. Behalve ambitie heeft deze Vlissingse Diana dus ook wel durf om iets te ondernemen. Maar in Parijs gebeurt, waar ze al bang voor was. Ze wordt verliefd op Edouard en dat blijkt een 'verkeerde jongen' te zijn. Qua lichaamslengte past hij uitstekend bij haar, maar het woord 'liefde' komt in zijn vocabulaire niet voor. Alleen geld is voor hem belangrijk. Bovendien gebruikt hij haar voor het vervullen van een gevaarlijke opdracht, waar ze nooit aan had willen meewerken, als ze geweten had wat die inhield. Door al die ervaringen is ze aan het einde van de roman wel een paar illusies armer, maar ook weerbaarder, waakzamer en minder kwetsbaar geworden. Ze blijkt geen madame Bovary te zijn, die altijd van Parijs droomde, maar er nooit heen ging en die ten slotte in de provincie aan haar liefdesavonturen ten onder ging. Paulina is aan het einde van de roman extra op haar hoede voor de avances van mannen - ook voor die van de verteller-auteur - en is vast besloten zich voorlopig op haar studie te concentreren. Zo blijft ze de kuise Diana die ze aan het begin van de roman ook al was. Maar ze staat nu met beide benen op de grond en de toekomst ziet er voor haar niet slecht uit.



Generaal de Lune



Hij is het type van de ouderwetse Franse officier: formeel en hoffelijk, een man van eer. Hij heeft hoge morele opvattingen: van de teruggave van het door hem beheerde geld maakt hij een gewetenskwestie. Toch wordt er in de roman ook twijfel gezaaid aan zijn onberispelijkheid. Is hij heimelijk een voyeur? Is zijn belangstelling voor de tekenkunst van Guys niet vooral gewekt door diens afbeeldingen van verleidelijke vrouwen? Zou hij Paulina bespied hebben door de half-doorzichtige spiegels van haar badkamer?



Armand de Lune



Armand had ooit het ideaal dichter te worden. Maar noch als dichter, noch als essayist en criticus heeft hij het gered. Hij heeft daardoor een zeer negatief beeld van zichzelf en is, samen met zijn vrouw, aan de drank geraakt. Daardoor wordt zijn zelfbeeld natuurlijk nog meer aangetast. Hij is een figuur, zoals er vele voorkomen in de romans van Hermans: iemand die bedrogen is uitgekomen in de te hoge verwachtingen die hij van zichzelf had.



Michel de Lune



Ook Michel is zo'n figuur: een pianist die streeft naar de perfectie die hij nooit bereikt. Evenals zijn broer Armand is hij erg onzeker en twijfelt hij voortdurend aan zichzelf. Ook als man die Paulina zal inwijden in de geheimen van de liefde, mislukt hij. Hij heeft een sterke moederbinding (zijn vrouw is bij hem weggelopen en sindsdien woont hij samen met een tandeloze gouvernante). Op het beslissende moment laat hij het afweten: hij verlaat 's nachts het bed dat hij met Paulina deelt om naar zijn zieke moeder te gaan.



Edouard



Als reactie op de verzamelwoede van zijn kunstlievende grootvader en op de artistieke mislukkingen van zijn vader en zijn oom, heeft Edouard zich, en met succes, bekwaamd in de geldhandel (zie p. 205). Hij, met zijn gierenkop, is de enige de Lune die zich niet schaamt voor zijn rijkdom. Tegenover Paulina komt hij er rond voor uit, dat nog meer geld verdienen voor hem het belangrijkste is dat er bestaat. En juist op hém wordt Paulina, die haar leven in dienst van de kunst wil stellen, verliefd.



7. Genre

Tot welke romansoort is Au pair te rekenen? Het verhaal als geheel heeft nog het meest van een zogenaamde Bildungsroman . Dat is een roman waarin de hoofdpersoon een jonge man of vrouw is, die, aan het begin van de volwassenheid, een 'inwijdingsproef' moet doorstaan. Het oudste voorbeeld van deze romansoort in de Nederlandse literatuur is de middelnederlandse ridderroman Ferguut. De hoofdpersoon, een boerenzoon, wordt in een reeks van hachelijke avonturen gevormd tot een waardig ridder. Ook Paulina raakt tijdens haar Parijse avontuur verwikkeld in een aantal niet ongevaarlijke situaties, waaruit zij 'sadder but wiser', maar tamelijk ongeschonden te voorschijn komt. Ze is nu beter gewapend tegen de listen en lagen van de boze wereld.

Met de avonturenroman heeft Au pair de levendige afwisseling in de elkaar opvolgende situaties en de vlotte verteltrant gemeen. En in het gedeelte waarin Paulina haar opdracht uitvoert, krijgt het verhaal iets van een spannende thriller .

In Au pair worden nogal wat misstanden in de moderne samenleving beschreven. Daardoor heeft de roman ook min of meer het karakter van een satirische zedenroman . Zo wordt in het eerste deel het cynisme getoond waarmee in een grote stad als Parijs misbruik wordt gemaakt van au pairs als goedkope hulp in de huishouding. Het chauvinisme van de Fransen en hun laatdunkende houding tegenover buitenlanders worden meer dan eens gesignaleerd, evenals de uitbuiting van gastarbeiders. Materialisme en corruptie (bv. belastingontduiking) worden onverbloemd weergegeven. Ten slotte wordt in de vermakelijke dialoog tussen Armand en Jacquline de commerciële instelling van literaire uitgevers, die de literaire kritiek naar hun hand zetten als reclame voor hun eigen fonds, aan de kaak gesteld (p. 104-108).

Dit alles wordt opgedist in een amusant verhaal, waardoor Au pair ook iets heeft van een entertainment .



8. Taalgebruik

Het satirische karakter van Au pair komt ook tot uiting in parodiërend taalgebruik . In paragraaf 4. over de vertelwijze is daar al een voorbeeld van gegeven. Mooi is ook de parodie op de reclameclichés waarmee de verkoopster van schoonheidsmiddelen Paulina tracht in te palmen in hoofdstuk 40 (p. 192): 'Overhaast u niet. Dat is niet nodig. Ik weet zeker dat u nog eindeloos veel jaren kunt nadenken, zonder gedwongen te zijn tot deze middelen uw toevlucht te nemen.'

In hoofdstuk 84, waarin het erop lijkt, dat Paulina met Michel haar eerste liefdesnacht zal doorbrengen, wordt de voorspelbaarheid van een liefdesdialoog uit een Boeketreeksroman geparodieerd:

Hij legde zijn hand op haar schouder. 'Vind je ze (de rozen) mooi?' Wat moest hij anders zeggen? Wat kon zij er anders op antwoorden dan haar armen om hem heen te slaan en hem een zoen te geven, dicht bij zijn mond, maar niet helemaal erop. Hij leek haast even verlegen als zij was. Zo stonden zij een ogenblik tegenover elkaar. 'Ga jij maar eerst naar de badkamer,' zei hij ten slotte, 'ik kleed me hier wel uit.' 'Tot straks.' (p. 373)

Dit parodiërend taalgebruik accentueert de tegenstelling tussen illusie en werkelijkheid en is dus functioneel m.b.t. de thematiek van Au pair.



9. Thematiek en wereldbeeld

Is Au pair méér dan een onderhoudende roman? Is de eenheid van handeling wel zo hecht als in III.1 wordt beweerd? Wat is dan de functie van al die gesprekken over kunst, literatuur, muziek en moraal in het tweede deel? Zijn dit geen niet ter zake doende uitweidingen? Ogenschijnlijk wel, maar bij nadere beschouwing blijken deze passages wel degelijk in het grote verband te passen.

Een enkel voorbeeld om dit duidelijk te maken. In hoofdstuk 31 heeft generaal de Lune in een tafelgesprek met zijn vrouw Germaine en Paulina weer eens uitgeweid over de tekenkunst van de door hem zo mateloos bewonderde Guys. In dat verband brengt hij dan een verhandeling ter sprake die de dichter en essayist Baudelaire aan Guys gewijd heeft: 'Le peintre de la vie moderne'. Germaine, die eerder in het gesprek al heeft opgemerkt, dat Guys ook een heleboel mooie en verleidelijke vrouwen heeft geschilderd, vraagt dan: 'Heeft Baudelaire ook niet een heel hoofdstuk volgeschreven over opmaak?' De generaal moet dit beamen. Hij zegt:

Als je Baudelaire mag geloven werd het opschilderen toen, zo omstreeks 1860, al verbazend veel bedreven en men deed het, volgens hem, om de onvolmaakte mens meer te doen lijken op een volmaakt standbeeld: een goddelijk, hoger wezen.

Dit heeft Paulina, die zich nooit opmaakt, nieuwsgierig gemaakt. In haar luxueuze badkamer heeft ze ook al een hele verzameling schoonheidsmiddelen gevonden, waarom ze niet heeft gevraagd en waar ze tot nu toe ook niet naar heeft getaald. In hoofdstuk 39 koopt ze het boek waarin Baudelaires verhandeling over Guys is opgenomen. Ze zoekt dan onmiddellijk het hoofdstuk over opmaak op en begint het te lezen. Onder de titel 'Eloge du maquillage' zingt Baudelaire daarin de lof van vrouwen die zich mooi maken door het dragen van sieraden en het gebruik van schoonheidsmiddelen.

Veel later, in hoofdstuk 89, wordt deze draad weer opgepakt. Door het verhaal van Ada Langmuur is dan bij Paulina de gedachte gewekt, dat de generaal haar misschien, net als de Duitse au pair uit Ada's verhaal, wel in dienst heeft genomen om haar in haar badkamer te kunnen bespieden. Was hij misschien voornamelijk in Guys' werk geïnteresseerd vanwege diens tekeningen van verleidelijke, mondain geklede vrouwen? Ze herinnert zich nu het gesprek over Baudelaire's essay en dat komt nu voor haar in een heel ander licht te staan. In hoofdstuk 94 komt dit als volgt naar voren:

Maar als ze 's nachts de slaap niet kon vatten, schoof ze de dekens van zich af en fantaseerde ze dat er een spiegel tegen het plafond zat en dat daardoorheen een sater, uit een hoge boom, haar schoonheid bespiedde. 't Verhaal van Ada geloofde ze eigenlijk niet, toch waren er momenten waarop ze zich wijsmaakte het wel te geloven. Als je er goed over nadacht, waren die gesprekken over Baudelaire veelbetekenend geweest. Zou de Duitse zich misschien van top tot teen met groene crème ingesmeerd hebben om op een standbeeld te lijken? Of had ze dit juist niet gedaan en was ze daarom met een koffer vol kranten op reis gestuurd??

De weergave van Baudelaire's essay in hoofdstuk 39 heeft dus wel degelijk een functie in het verhaal. Bovendien staat de theorie die in dat essay verkondigd wordt in verband met de thematiek van de roman. Baudelaire baseert zijn lofdicht op het gebruik van schoonheidsmiddelen namelijk op zijn opvatting, dat de mens van nature slecht is, maar tegelijkertijd de behoefte heeft zich mooier voor te doen dan hij is. Past men deze theorie toe op generaal de Lune, dan komt diens artistieke belangstelling en morele onkreukbaarheid onder verdenking te staan van schijnheiligheid.

Er wordt in Au pair nog een ander essay geciteerd, waardoor de morele onkreukbaarheid van de generaal ter discussie wordt gesteld. In hoofdstuk 47 (p. 219 en 220) leest Edouard aan Paulina een fragment voor uit een essay van de Duitse filosoof Immanuel Kant (1742-1804). Dit essay gaat over het vraagstuk van het zedelijk handelen. In het betreffende fragment stelt Kant, bij wijze van voorbeeld, een concreet geval aan de orde waarin iemand moet kiezen tussen wat formeel-juridisch zijn plicht is en wat hij, zonder anderen te benadelen, voor het bereiken van een, op zichzelf genomen, goed doel óók zou kunnen doen. Volgens Kant moet in zo'n geval het besef van plicht de voorrang hebben. Edouard vertelt Paulina, dat zijn grootvader al jaren door de inhoud van dit fragment geobsedeerd wordt, omdat hij er iets in meent te herkennen van het morele dilemma waarvoor hij zelf is geplaatst. Moet hij het hem toevertrouwde kapitaal van het joodse echtpaar overdragen aan de wettige erfgenaam, de gewezen S.S.-er en jodervervolger Müller? Formeel-juridisch is dat zijn plicht, maar voor zijn gevoel is het moreel verwerpelijk. Hij mag het geld ook niet als zijn eigendom beschouwen.

De cynische Edouard maakt Paulina nu duidelijk, dat de zaak nog heel wat ingewikkelder is. Door het geld eerst zelf en daarna door Edouard lucratief te beleggen, heeft de generaal weliswaar de financiële belangen van het joodse echtpaar naar beste weten behartigd, maar daardoor nu ook die van de door hem zo verfoeide, onwaardige erfgenaam! Als hij het inmiddels vertwaalfvoudigde bedrag zelf houdt, handelt hij niet alleen onwettig, maar komt hij bovendien in een moeilijk parket. Hij heeft het geld namelijk clandestien belegd en later ook niet voor vermogensbelasting opgegeven en is dus strafbaar voor de Franse wet. Wat hij ook doet, hij maakt zich altijd op de een of andere manier schuldig. Het geld clandestien aan een joodse instelling overmaken, lijkt hem, moreel gezien, nog de beste oplossing.

Maar uiteindelijk verijdelt Edouard dit nobele plan: het is te riskant en ook te weinig voordelig. Zo komt het geld, of althans een deel ervan, toch in handen van Müller, dankzij de hulp van de niets kwaads vermoedende Paulina.

De geciteerde essays van Baudelaire en Kant verwijzen dus naar het hoofdthema dat in Au pair gestalte krijgt: de tegenstelling tussen de schone schijn en de minder mooie werkelijkheid die daardoor gemaskeerd wordt. Goed beschouwd komt dat thema pas in het tweede deel van de roman echt aan de orde. In het eerste deel wordt Paulina geconfronteerd met het schaamteloze egoïsme, de geldzucht en de gierigheid van mevrouw Pauchard. Juist doordat die zo onverholen naar voren komen, kan Paulina zich er op tijd aan onttrekken. Maar ook aan de sprookjesachtige luxe en de verwennerij waarmee ze door de familie de Lune wordt omringd, blijkt een banale geldkwestie ten grondslag te liggen, waarvoor Paulina uiteindelijk door hen wordt misbruikt. Een van de eerste geschenken die ze van de generaal ontvangt, is een stel gloednieuwe koffers die haar later bij het vervullen van haar opdracht uitstekend van pas zullen komen! Zo beschouwd zijn alle hooggestemde gesprekken over kunst, literatuur en muziek die de de Lune's met Paulina voeren, slechts afleidingsmanoeuvres waardoor ze niet in de gaten heeft, waar het nu eigenlijk allemaal om begonnen is. Eigenlijk is de cynische Edouard, die rond voor zijn materialistische instelling uitkomt, nog de meest ondubbelzinnige persoon in het hele de Lune-gezelschap. Hij misbruikt Paulina weliswaar voor zijn materialistische doeleinden, maar wat hem betreft had ze gewaarschuwd kunnen zijn. Ook Paulina zelf, in deze roman toch het symbool van onbedorven natuurlijkheid, doet zich soms mooier voor dan ze is, met name tegenover Edouard. Ze liegt hem voor, dat ze in Nederland een minnaar heeft, alleen om indruk op hem te maken. Zo komt in deze schijnbaar zo luchtige roman toch weer Hermans' weinig opwekkende wereldbeeld naar voren. De 'boodschap' van Au pair lijkt te zijn: In de wereld draait alles om eigenbelang, om geld, macht en prestige. Mensen zijn van nature slecht, maar ze hebben de schone schijn nodig om hun werkelijke bedoelingen voor anderen te verbergen en misschien ook voor zichzelf. Ze zien zichzelf toch liever als mooier, deugdzamer en idealistischer dan ze in werkelijkheid zijn.

In een interview met Fons Elders (opgenomen in Scheppend nihilisme, p. 132 e.v.) heeft Hermans gezegd: 'Ik geloof dat het voor de gezondheid van de menselijke psyche noodzakelijk is dat hij zich met grote regelmaat overgeeft aan wensdromen, drogredenen enz.'

Als dit waar is, is het een levensbehoefte van de mens niet alleen anderen, maar ook zichzelf voortdurend te bedriegen met schone schijn. Dan leeft hij niet alleen naar buiten, maar ook naar binnen in een wereld waar schijn en werkelijkheid zo door elkaar heen lopen, dat ze niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Dé werkelijkheid, zowel die van de buitenwereld als die van de eigen psyche, kan hij zo nooit leren kennen.

In hoofstuk 58 komt een passage voor, waarin de auctoriële verteller deze visie onder woorden brengt in een context, waarin Paulina in de grootste onzekerheid verkeert over wat men met haar voor heeft. In de wachtkamer van notaris Corde heeft ze mevrouw Pauchard ontmoet. Ze durft niet te geloven dat dit toeval is, maar vindt het bijna vanzelfsprekend, dat dit te maken heeft met haar opdracht. De auctoriële verteller overweegt dan:

Vanzelf? Wat spreekt vanzelf? De werkelijkheid zwijgt. Zij toont alleen wat wij zien, en spreken doet zij helemaal niet. Zij geeft op onze vragen alleen antwoorden die we zelf onder woorden brengen - en ook die grotendeels niet overeenkomstig de waarheid. (p. 278)

Het dooreenlopen van schijn en werkelijkheid wordt in Au pair grotendeels getoond vanuit het gezichtspunt van Paulina, de enige romanfiguur die niet alleen 'van buitenaf', maar ook 'van binnenuit' beschreven wordt. Niet alleen de ondoorzichtige en verwarrende situaties die ze overdag beleeft, worden beschreven, maar ook wat ze als reactie daarop 's nachts droomt. Meestal zijn het angstdromen . Soms bevindt ze zich dan met Armand of Michel in reusachtige ruimtes, waarin ze ondanks hun lengte bijna verdrinken (p. 127-129 en p. 302-303). Of ze heeft een auto besteld en dan komt er een reuzegrote Cadillac voorrijden die bestuurd wordt door een dwerg (p. 149-150). Maar de droom die haar het meest uit haar evenwicht brengt, volgt op een etentje met Michel in een restaurant, genaamd 'Le mange-tout' (hoofdstuk 36). In de nacht daarop, droomt Paulina dat ze met Michel dineert in een restaurant met de naam 'Je mange tout'. Michel, tegenover haar, ziet er afschuwelijk uit: zijn gezicht paarsrood opgezwollen. En de ober dient hem een afzichtelijke rat op, opengesneden, in een plas bloed. Dan wordt ze wakker van misselijkheid en kan nog net de badkamer bereiken om haar bedorven maag te ledigen (hoofdstuk 38). Waarschijnlijk is deze droom dus alleen maar het gevolg van een te copieus, of niet goed klaargemaakt diner. Maar later gaat Paulina zich toch verbeelden, dat die afschuwelijke droom tot uitdrukking brengt wat ze werkelijk voelt voor Michel, die ze overdag toch heel aardig had gevonden: 'Deze droom leek haar tot het bewustzijn te hebben gebracht van wat de waarheid was, had haar geopenbaard dat ze walgde van Michel en daardoor van het eten dat hij liet opdienen' (p. 188). Maar tegelijkertijd verontrust het haar, dat ze zo veel betekenis begint toe te kennen aan dromen: 'Hoe moest ze verder leven als wat ze 's nachts gedroomd had invloed zou krijgen op wat ze overdag beleefde?' (p. 188)

Al deze benauwde dromen accentueren de innerlijke onzekerheid die zich van Paulina dreigt meester te maken, als gevolg van de onwerkelijke situatie waarin ze bij de de Lune's terecht is gekomen. De onduidelijkheid van haar situatie opent haar de ogen voor de dubbelzinnigheid van het menselijke handelen. Alles wat mensen doen, lijkt haar voor meer dan één uitleg vatbaar: een mooie, maar daaronder een veel minder mooie. Dat komt bijvoorbeeld naar voren in hoofdstuk 60. Aan de vooravond van haar vertrek naar Basel heeft Michel haar uitgenodigd voor een uitvoering van Gluck's opera 'Orpheus en Euridice'. Het tragische einde van dit ontroerende zangspel geeft Paulina te denken. Waarom keek Orpheus bij de tocht uit de onderwereld, tegen het uitdrukkelijke verbod, tóch om? Hij wist toch dat hij daardoor Euridice's terugkeer naar de aarde voorgoed onmogelijk zou maken? Was het om zijn liefde te bewijzen voor Euridice die haar twijfel uitte aan zijn liefde, omdat hij niet naar haar omkeek? Of was hij eigenlijk niet gelukkig met haar wederopstanding en maakte hij daarom gebruik van het eenvoudigste middel om die onmogelijk te maken?

In een wereld vol schijn en zelfbedrog, zoals Hermans die ziet, is een ondubbelzinnige, oprechte liefdesrelatie tussen twee mensen even onwerkelijk als een sprookje met een happy end. Sprookjes kunnen in de romans van Hermans dan ook nooit een happy end krijgen. En hij had Paulina in het 20e hoofdstuk nog wel zo beloofd, dat hij er zijn best voor zou doen om te zorgen, dat het vanaf dat ogenblik beter met haar zou gaan! Maar hoe aardig hij haar ook vindt, Paulina is een creatie van hemzelf, haar gedachten worden haar door hem ingeblazen. Daardoor gaat zij zijn visie op de wereld en de mensen delen, of zij dat nu leuk vindt of niet. En daarom is zij in het laatste hoofdstuk niet gelukkiger, maar wel meer op haar hoede en daardoor minder kwetsbaar dan in het twintigste. De verteller-auteur had het graag anders gezien. Vandaar zijn excuus aan haar:

Schrijvers zijn net als andere mensen machteloos ten opzichte van de dingen die er in de wereld gebeuren. Maar soms vragen ze zich af, of ze ook machteloos moeten toezien bij wat er gebeurt in de boeken die ze zelf verzinnen. (p. 414)



10. Literaire verwijzingen

Uit het voorgaande is al gebleken, dat Hermans in Au pair soms verwijst naar bekende werken uit de Europese literatuur: de roman Madame Bovary van Gustave Flaubert, essays van de dichter Charles Baudelaire. Wat meer verhuld, maar toch duidelijk herkenbaar, is de overeenkomst tussen Paulina's avonturen en die van Alice uit Alice in Wonderland van de Engelse schrijver Lewis Carroll. In dat sprookjesachtige verhaal komt Alice in Wonderland terecht, nadat ze door een spiegel is gestapt. In dat spiegelland beleeft ze dan allerlei bizarre avonturen, waarbij ze beurtelings kleiner en groter is dan in werkelijkheid. In het tweede deel van Au pair bevindt ook Paulina zich in een spiegelland : behalve de spiegels in haar badkamer komen er in dit deel opmerkelijk veel spiegels voor, bijvoorbeeld in het restaurant 'Le mange-tout' (hoofstuk 36). En evenals Alice beleeft zij allerlei bizarre avonturen, waarbij ze, althans in haar dromen, dan weer kleiner en dan weer groter is dan ze werkelijk is (zie vorige paragraaf).

Er is ook overeenkomst tussen Au pair en Gulliver's travels van de Engelse auteur Jonathan Swift. In het eerste deel van dit fantastische avonturenverhaal komt Gulliver terecht op het eiland Lilliput, waar alles twaalf maal zo klein is als in zijn eigen wereld. In het tweede deel bevindt hij zich in Brobdingnag, het land van de reuzen. In het eerste deel van Au pair, met name in hoofdstuk 4, komt naar voren, dat Paulina in Parijs, waar lange mensen veel zeldzamer zijn dan in Zeeland, extra opvalt door haar lengte, vooral bij de overwegend kleine Franse mannen:

Als Fransen een opmerking maakten over haar gestalte, kwam het erop neer dat ze echt een godin uit het Noorden was. En die kleine Franse mannetjes, voelend dat ze aan haar zijde enigszins een belachelijk figuur zouden slaan, zagen niet alleen met eerbied en begeerte naar haar op, maar ook met een zekere angst, die alras de overhand nam op hun andere emoties (p. 10).

In hoofdstuk 11 wordt ze aangesproken door een kleine, maar dappere Japanner. Die zou haar wel willen opeten, maar zou daar natuurlijk een veel te grote kluif aan hebben (p. 39-40). Vlak daarvoor heeft Paulina zich in stilte beklaagd over haar lengte, waardoor ze voor iedereen onbereikbaar is. Ze overdenkt dan: 'Het enige paradijs waarnaar zij kon verlangen was een land van reuzen.' (p. 39) Door de hulp van de auteur komt ze dan in het tweede deel in dat land van reuzen terecht. De de Lune's zijn immers allemaal even groot als of zelfs nog iets groter dan zij. Maar een paradijs blijkt het niet te zijn. Een andere overeenkomst tussen Gulliver's travels en Au pair is het satirische karakter . Jonathan Swift stelde in zijn boek de zeden en gewoonten van de maatschappij van zijn tijd aan de kaak. Hetzelfde doet Hermans in Au pair. In III.7 hebben we al gezien, dat zijn boek wel iets heeft van een satirische zedenroman.

In Au pair komt ook een verwijzing voor naar de klassieke mythologie , en wel naar de verhalen over de godin Diana. Paulina wordt, vanwege haar mooie figuur, herhaaldelijk met deze godin vergeleken. Diana is de Romeinse beschermgodin van de jacht en van de kuisheid. Ze bewaarde haar maagdelijkheid dan ook ongerept. De jager Aktaion die haar, per ongeluk nog wel, naakt had gezien, toen ze met haar nimfen een bad nam, werd daarvoor ongenadig door haar gestraft: ze veranderde hem in een hert. Ook Paulina komt, wat haar maagdelijkheid betreft, ongerept uit de strijd met de de Lune's te voorschijn. En aan het einde geeft ze aan de verteller-auteur duidelijk te kennen dat ze het zo wil houden. Of zij, evenals Diana, bij het baden door een man, en dan niet per ongeluk, gadegeslagen is? Dat weet ze niet zeker. Maar de generaal, die daarvan verdacht kan worden, heet de Lune ('lune' is Frans voor 'maan'). Nu werd Diana óók vereerd als maangodin. Dan geeft de naam de Lune toch wel te denken!



IV. Hermans' plaats in de Nederlandse literatuur

Hermans beschouwt de mens als een wezen dat leeft in een geestelijk isolement, een eigen wereld. Zelf gedraagt hij zich in zijn optreden naar buiten dan ook als een rasechte individualist. Hij rekent zichzelf niet tot een literaire stroming, een groep van met elkaar verwante schrijvers. In een interview met Raymond J. Benders (in het Hermans-nummer van het tijdschrift Tirade, december 1981) noemt hij zichzelf: 'de enige Nederlandse dissident'. Daarmee doelt hij op zijn voortdurende behoefte zich af te zetten tegen alles wat met Nederland en de Nederlandse literaire wereld te maken heeft. Die behoefte komt het duidelijkst naar voren in zijn polemieken, bijvoorbeeld Mandarijnen op zwavelzuur (1964) en Boze brieven van Bijkaart (1977).

Hermans wil dus nergens bij horen of nergens toe gerekend worden. Daarom heeft hij zich ook altijd verzet tegen de opvatting van sommige critici, dat hij een 'erfgenaam van Forum ' zou zijn, met name van Menno ter Braak. Forum was een invloedrijk tijdschrift in de jaren dertig. De belangrijkste redacteur, de schrijver Menno ter Braak, stelde aan schrijvers de eis dat ze zich in hun werk lieten kennen als 'sterke persoonlijkheden', met een uitgesproken eigen standpunt en een eigen stijl. Hermans is van oordeel, dat de ideeën van Ter Braak na de tweede wereldoorlog achterhaald waren. Maar in de Nederlandse literaire wereld bleven ze hun invloed doen gelden. Het gevolg daarvan was, aldus Hermans, dat het eigene van de naoorlogse schrijversgeneratie niet werd gezien. In het ontmaskeren van gevestigde opvattingen gaat Hermans inderdaad veel verder dan Ter Braak kon of wilde gaan. Ter Braak geloofde uiteindelijk toch nog in de zedelijke norm van de 'menselijke waardigheid'. Hermans daarentegen is een volstrekte nihilist; volgens hem zijn er geen vaststaande zedelijke normen.

Niet alleen ten opzichte van voorgangers, maar ook ten opzichte van generatiegenoten neemt Hermans afstand. Hij is nogal eens in één adem genoemd met Gerard Reve en Harry Mulisch, omdat de oorlogsjaren ook in sommige van hun eerste werken de achtergrond vormen. Hermans beschouwt Reve als een zeer begaafd auteur, die echter na zijn overgang tot de Katholieke Kerk zijn talent geëxploiteerd heeft ter wille van de verkoopcijfers van zijn boeken. Tegenover Mulisch staat Hermans zeer kritisch, vooral tegenover de politieke en maatschappelijke betrokkenheid die Mulisch in de jaren zestig toonde in sommige van zijn boeken, bijvoorbeeld Het woord bij de daad (1968). Mulisch gaf daarin duidelijk te kennen, dat hij geloofde in de mogelijkheid om via de politiek de wereld te veranderen en te verbeteren. Hermans stelt daar zijn volstrekte ongeloof in de politiek tegenover. Hij gelooft niet in het vermogen van de mens om de geschiedenis in een door hem gewilde richting te sturen. Hermans' positie tegenover Reve en Mulisch is sterk, doordat hij in zijn literaire werk consequent gestalte heeft gegeven aan een samenhangende ideeënwereld.

Toch zijn er in de Nederlandse literatuur wel figuren met wie Hermans zich min of meer verwant voelt. Het tegendraadse en eigenzinnige in de persoonlijkheid en het werk van Multatuli spreken hem aan. Hij heeft over leven en werk van deze schrijver dan ook een boek geschreven: De raadselachtige Multatuli (1976). Met J. Slauerhoff deelt hij de openlijk beleden afkeer van Holland op z'n smalst. Het pessimisme van Marcellus Emants en J. van Oudshoorn vertoont trekken van verwantschap met dat van hemzelf. En met F. Bordewijk heeft hij een zekere voorkeur voor het beschrijven van het demonische in de mens gemeen.

Belangrijker zijn de raakpunten met een aantal buitenlandse auteurs. In zijn werk is de invloed van de psycho-analyticus Sigmund Freud aanwijsbaar. Zijn belangstelling voor het werk van de markies De Sade komt voort uit diens amoralisme, waarin hij iets van zijn eigen opvattingen herkent. Evenals Franz Kafka beeldt Hermans de mens uit als een wezen dat in een ondoorgrondelijke wereld vergeefs op zoek is naar een houvast of naar een rechtvaardiging van zijn bestaan. Met de Franse schrijver Céline heeft hij het cynisme gemeen. En zijn belangstelling voor de filosoof Wittgenstein, over wie hij een essay schreef (zie de bibliografie), berust op diens grondstelling, dat men geen uitspraak kan doen over de zin van ons bestaan.

Hermans' wereld- en mensbeeld vertoont dus wel trekken van verwantschap met dat van andere auteurs. Maar de wijze waarop hij het in zijn symbolische verhalen gestalte geeft, is volstrekt uniek.



V. De plaats van Au pair in het werk van W.F. Hermans

W.F. Hermans heeft meer dan eens gezegd, dat zijn romans en verhalen moeten dienen om zijn visie op het bestaan te verduidelijken. Zoals we in III.9 al gezien hebben, is het kernpunt van die visie, dat de mens de werkelijkheid waarin hij leeft niet kan kennen. Daarvoor is de werkelijkheid te ingewikkeld, te chaotisch en dubbelzinnig. Toch heeft de mens behoefte aan zekerheid, orde, overzicht. Daarom stelt hij zichzelf een subjectief beeld van de werkelijkheid voor. Dat neemt hij aan als waarheid, maar intussen blijft het een drogbeeld, een illusie. In het contact met anderen, die hun eigen subjectieve werkelijkheidsbeeld als waarheid koesteren, ontstaat er vaak misverstand : de werkelijkheidsbeelden kloppen niet met elkaar. Of mensen verstaan elkaar niet of verkeerd, doordat de taal een te gebrekkig communicatiemiddel is om de complexe werkelijkheid onder woorden te brengen. Daar komt dan nog vaak moedwil bij, opzettelijke misleiding door leugens, bedrog, huichelarij en corruptie. Zo kan de mens nooit zeker weten, waar hij met anderen aan toe is. Ook zichzelf kan hij nooit volledig doorgronden, omdat hij vaak handelt uit onderbewuste motieven. In feite leeft elk individu dus in zijn eigen 'donkere kamer', waar hij in het duister tast omtrent de werkelijkheid. In vredestijd is er wel een schijnbare maatschappelijke orde en zijn er morele voorschriften en gedragsregels, waardoor het verkeer tussen de mensen min of meer ordelijk verloopt. Maar in een oorlogssituatie blijkt, dat onder die schijnbare orde de chaos heeft gehuisd. Dan worden die gedragsregels geschonden en geldt het recht van de sterkste of de slimste. Daarom spelen sommige van Hermans' eerste romans zich dan ook af tijdens de tweede wereldoorlog, bijv. De tranen der acacia's (1949), Het behouden huis (1951) en De donkere kamer van Damokles (1958).

In zijn romans en verhalen demonstreert Hermans zijn visie op het menselijk bestaan door de hoofdpersonen te laten ervaren, dat alle zekerheid slechts schijn is. Die hoofdpersonen zijn dan soms jonge mensen die juist op zoek zijn naar de waarheid omtrent zichzelf en hun plaats in de wereld. Ze willen zich waar maken in eigen ogen of die van anderen. Maar ze moeten tot de ontdekking komen, dat dit niet mogelijk is. Voorbeelden hiervan zijn Osewoudt uit De donkere kamer van Damokles en Alfred Issendorf uit Nooit meer slapen. Beide romans kunnen gerekend worden tot het genre van de Bildungsroman , een roman waarin een jeugdige hoofdpersoon de wereld in trekt en zo ingewijd wordt in het volle leven. In hoofdstuk III.7 hebben we gezien, dat ook Au pair tot dit genre gerekend kan worden. We kunnen deze drie romans uit drie verschillende periodes van Hermans' schrijverschap dus met elkaar vergelijken.

Dan blijkt Paulina toch een heel andere hoofdpersoon te zijn dan Osewoudt en Alfred Issendorf. Deze twee jongemannen hebben een veel sterkere drang om zich waar te maken. Osewoudt wil zichzelf bewijzen als verzetsheld, Alfred Issendorf wil beroemd worden door een belangrijke wetenschappelijke ontdekking. Omdat zij hun doel zo hoog gesteld hebben, is de teleurstelling om de mislukking des te groter. Bij beiden worden die sterke ambities gevoed door innerlijke onzekerheid en gebrek aan zelfvertrouwen, die om compensatie vragen. Hun innerlijke onzekerheid projecteren zij ook op de buitenwereld: ze vertrouwen anderen evenmin als zichzelf. Daardoor worden ze nog onzekerder dan ze al zijn. De oorzaak van hun mislukking ligt dus even goed bij henzelf als bij anderen.

Dit alles is bij Paulina veel minder sterk aanwezig. Ook zij heeft wel ambities: Frans en kunstgeschiedenis studeren in Parijs (een typische 'meisjesstudie'!). Maar ze is lang niet zo bezeten van carrière maken als Alfred Issendorf. Ook zij voelt zich wel wat onzeker, vanwege haar lengte en haar iets afstaande oren. Maar als ze voor de spiegel staat, kan ze zelf constateren, dat ze er verder bijna volmaakt uitziet. Osewoudt daarentegen vindt zichzelf afschuwelijk lelijk en Alfred Issendorf vindt zijn spiegelbeeld nog niet lijken op wie hij zou willen zijn. Paulina geeft door haar kordaat en besluitvaardig optreden in moeilijke situaties en door haar vaak rake antwoorden ook blijk van een gezond zelfvertrouwen. En ze is ook argelozer, staat met veel minder wantrouwen tegenover anderen. Je zou zelfs kunnen zeggen, dat Hermans haar iets meer 'gezond wantrouwen' tegenover de buitenwereld heeft willen bijbrengen door haar al die avonturen te laten meemaken. Aan het einde van de roman is ze in de werkelijke zin van het woord 'volwassener' geworden dan ze was in het begin. Haar inwijding in het volle leven is niet uitgelopen op een totale mislukking.

Het lijkt er dus op, dat Hermans in Au pair werkelijk zijn best heeft gedaan om het leven en de mens iets positiever te bekijken. Daartoe heeft hij een hoofdpersoon gecreëerd die veel 'normaler' en geestelijk gezonder aan de start verschijnt dan Osewoudt, en die veel minder geneigd is tot gepieker en twijfel aan zichzelf dan Alfred Issendorf. Daardoor heeft ze ook meer kansen om zich staande te houden in de boze wereld.

In het algemeen kunnen we zeggen, dat Hermans zijn weinig opbeurende visie op het menselijk bestaan in Au pair met veel meer relativeringsvermogen opdist dan in De donkere kamer van Damokles en in Nooit meer slapen. In overeenstemming daarmee is de toon ook veel milder. Sarcasme en cynisme hebben plaats gemaakt voor ironie en humor. De gebeurtenissen zijn ook veel minder schokkend dan in De donkere kamer van Damokles. In die roman wordt de confrontatie tussen de hoofdpersoon en de andere romanpersonages gekenmerkt door achterdocht en agressie. In Au pair (trouwens ook al in Nooit meer slapen ) is de dialoog tussen de personages en de innerlijke monoloog van de hoofdpersoon veel belangrijker voor het verloop van de handeling. In Au pair, en in mindere mate ook in Nooit meer slapen, is het beschouwelijk element minstens zo belangrijk voor het verloop van de handeling als de actie . In De donkere kamer van Damokles daarentegen overheerst de actie.

Hermans wil zijn visie op het bestaan ook laten ervaren door de lezer. Hij doet dat door bemiddeling van de hoofdpersoon. Wat die ervaart, moet ook de lezer ervaren. Daartoe legt hij het perspectief uitsluitend of voornamelijk bij de hoofdpersoon. In De donkere kamer van Damokles en in Nooit meer slapen wordt het hele verhaal verteld vanuit het gezichtspunt van respectievelijk Osewoudt en Alfred Issendorf. Hierdoor wordt de lezer als het ware gedwongen hun visie op de gebeurtenissen over te nemen. Daardoor komt hij in dezelfde verwarring en onzekerheid te verkeren als deze hoofdpersonen. Weliswaar worden de gebeurtenissen in Au pair ook voornamelijk gezien vanuit het gezichtspunt van Paulina. Maar, zoals we al gezien hebben in III.4, is er in deze roman een auctoriële verteller aan het woord, die het verloop van de handeling af en toe onderbreekt met herkenbaar Hermans-commentaar. In de hoofdstukken 20 en 96 stapt hij zelfs als romanpersonage zijn eigen verhaal binnen. Daardoor wordt het fictieve karakter van het verhaal onderstreept en ervaart de lezer de identificatie met de hoofdpersoon Paulina als veel minder dwingend en beklemmend.

Het zal trouwens niemand moeilijk vallen zich met Paulina te identificeren. Door haar argeloosheid en haar prille, nog wat onhandige charme wint zij ieders sympathie. Zij staat ver af van de diep gefrustreerde en totaal geïsoleerde Osewoudt en toch ook van de zichzelf kwellende streber Alfred Issendorf. Het is vredestijd in Au pair ! Wat Hermans betreft, mag Paulina zich af en toe illusies maken. Die maken het onzekere en wisselvallige bestaan draaglijker, voor haar én voor hem.



Reacties



VI. Waardering

De eerste druk van Au pair verscheen in september 1989. Tot nu toe (oktober '94) waren er acht herdrukken nodig. Blijkbaar kan Hermans nog steeds op een groot lezerspubliek rekenen.

De recensenten waren allerminst eenstemmig in hun oordeel. In Trouw van 7 september 1989 noemt Tom van Deel Au pair 'een superieur ontworpen labyrinth, een imposant boek over de onkenbaarheid van de werkelijkheid.' Hij wijst erop, 'dat het schrijven zelf in deze roman voortdurend verdubbeld wordt: er is Hermans die een werkelijkheid maakt waarin de werkelijkheid van zijn hoofdpersoon voortdurend door anderen wordt bepaald.' Au pair is volgens Van Deel alleen ogenschijnlijk een realistisch verhaal. In werkelijkheid is dit realisme zinnebeeldig voor de idee die in de roman gestalte krijgt: de onkenbaarheid van de werkelijkheid. Au pair lijkt hem in dit genre 'een van Hermans' beste romans te zijn.' Een uitgesproken positief oordeel dus.

Arnold Heumakers toont zich in De Volkskrant van 8 september 1989 heel wat minder enthousiast. Tot aan het twintigse hoofdstuk leek het verhaal hem veel te beloven: 'een satirische zedenschets met ironische moraal, in de trant van Onder professoren.' Maar daarna wordt het, volgens hem, 'een uitgesponnen groteske, vol schoolse uitweidingen en slepende dialogen'. Heumakers vraagt zich dan af, 'waarom een schrijver van het formaat van W.F. Hermans zo'n teleurstellende roman heeft geschreven'. Zijn antwoord op deze vraag is, dat niet generaal de Lune, maar Hemans zélf in Au pair optreedt als voyeur. 'Meer dan 400 bladzijden lang heeft hij Paulina met verliefde blik kunnen gadeslaan. Helaas heeft hij hier kennelijk zoveel plezier aan beleefd, dat de aandacht voor de rest van de roman er een beetje bij is ingeschoten.'

Veel positiever is Carel Peeters in Vrij Nederland van 9 september 1989. Aan het slot van zijn uitvoerige recensie noemt hij Au pair : 'evenals Een heilige van de horlogerie een hoogst amusante, maar geen grootse roman.' Het amusement schuilt volgens Peeters vooral in de spanning die bij de lezer gewekt wordt door de vraag, of Hermans deze keer waar zal maken wat hij in het twintigse hoofdstuk aan Paulina, voor wie hij kennelijk veel sympathie heeft, heeft beloofd. Zal het in deze Hermans-roman eindelijk eens goed aflopen met de hoofdpersoon? Maar volgens Peeters is dit alleen een 'tactische spanning (de romanschrijver speelt met de verwachtingen van de lezer) en geen inhoudelijke: spanning die voortkomt uit psychologische en morele situaties, zoals in Hermans' vroegere romans.'

Ronduit negatief is de korte, oppervlakkig geschreven recensie van Jaap Goedegebuure in Haagse Post van 16 september 1989. Hij hekelt 'de wrakke compositie van dit lijvige boek, dat als een zedenroman begint, dan honderden pagina's lang gevuld is met discussies over kunst en cultuur, om tenslotte aan de eigenlijke intrige te beginnen. Maar voor het zover is, heeft de verveling al menigmaal genadeloos toegeslagen.' Goedegebuure gaat ervan uit, dat de oudere heer die Paulina in het laatste hoofdstuk aanspreekt, niet, evenals in hoofdstuk twintig, de schrijver Hermans zélf is, maar een lezer. Hoe hij tot die opvatting komt, licht hij niet toe, evenmin als zijn oordeel over de 'wrakke compositie'. Misschien baseert hij zijn opvatting op het feit, dat in het twintigste hoofdstuk de onbekende heer aangeduid wordt als 'een niet zo jonge meneer', terwijl er in het laatste hoofdstuk sprake is van 'een bejaarde meneer'. Er wordt dus een verschil in leeftijd gesuggereerd, maar dat verschil in leeftijd is verklaarbaar. Blijkens de datering aan het einde van de roman, heeft Hermans immers van 27 augustus 1983 tot 29 januari 1989 aan Au pair gewerkt, dat is ruim vijfenhalf jaar. We mogen veronderstellen, dat het veel kortere en minder ingewikkelde eerste deel (tot hoofdstuk twintig) hem veel minder tijd gekost heeft dan het tweede. In vijf jaar tijd kan een 'niet zo jonge meneer' van om en nabij 62 jaar er wel een stukje ouder uit gaan zien, zodat hij dan kan worden aangduid als een 'bejaarde meneer'.

Wat is waarheid, bij zo veel verschil in waardering? De recensies van Tom van Deel en Carel Peeters maken de meest betrouwbare indruk, omdat ze gebaseerd zijn op een gedegen analyse van de besproken roman.

In De Groene Amsterdammer van 5 juni 1991 geven Jaap van der Does en Hans Swart weer een heel andere kijk op Au pair. Zij zien er een sleutelroman in over de geschiedenis van de Nederlandse literatuur, waarin Paulina de 'argeloze Nederlandse taal' personifieert. Au pair zou dan gaan 'over de contacten met mensen als Multatuli, Nijhoff, Du Perron, Ter Braak en Marsman, en de polemische eenheid Weinreb-Rubinstein'. Hier en daar zijn de verbanden die zij aanwijzen verrassend, maar als geheel lijkt hun visie toch wat ver gezocht.



Voor wie meer wil weten



VII. Bibliografie



1. Werken van W.F. Hermans

1944 Kussen door een rag van woorden (gedichten)

1946 Horror Coeli (en andere gedichten)

1947 Conserve (roman)

1948 Hypnodrome (gedichten)

1948 Moedwil en misverstand (verhalen)

1949 De tranen der acacia's (roman)

1951 Ik heb altijd gelijk (roman)

1952 Het behouden huis (novelle)

1953 Paranoia (verhalen)

1955 Het geweten van de Groene Amsterdammer of volg het spoor omhoog (essay)

1956 De god Denkbaar Denkbaar de god (roman)



1957 Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen (verhalen)

1958 De donkere kamer van Damokles (roman)

1962 Drie drama's (toneel)

1962 De woeste wandeling (filmscenario)

1964 Mandarijnen op zwavelzuur (essays en polemieken)

1964 Het sadistische universum (essays en polemieken)

1966 Nooit meer slapen (roman)

1967 Wittgenstein in de mode en Kazemier niet (essay)

1967 Een wonderkind of een total loss (novellen)

1968 Overgebleven gedichten (gedichten)

1969 Fotobiografie (autobiografisch fotoboek met bijschriften)

1969 De laatste resten tropisch Nederland (reisjournaal)

1970 Hollywood (reisnotities)

1970 Van Wittgenstein tot Weinreb (essays en polemieken)

1971 Herinneringen van een engelbewaarder (roman)

1972 King Kong gevolgd door Wat Nederland niet op de televisie mocht zien (toneel)

1973 Het evangelie van O. Dapper Dapper (roman)

1974 Periander (televisiespel)

1975 Onder professoren (roman)

1976 De raadselachtige Multatuli (biografie)

1977 Boze brieven van Bijkaart (polemische bijdragen aan Het Parool )

1979 Houten leeuwen en leeuwen van goud (polemieken)

1979 Ik draag geen helm met vederbos (polemieken en essays)

1980 Homme's hoest (novelle)

1980 Filip's sonatine (novelle)

1981 Uit talloos veel miljoenen (roman)

1982 Geyerstein's dynamiek (novelle)

1983 Mandarijnen op zwavelzuur; Supplement (essays en polemieken)

1983 Klaas kwam niet (essays en polemieken)

1983 Waarom schrijven? (essay)

1984 De zegelring (novelle)

1985 De liefde tussen mens en kat (essay)

1985 Relikwieën en documenten; Een toespraak (essay)

1986 Cascaden en riolen (romanfragment 1943)

1986 Het boek der boeken bij uitstek (essay)

1986 Koningin Eenoog (fotoboek met een inleiding van W.F. Hermans)

1987 Mondelinge mededelingen (essays en polemieken)

1987 Een heilige van de horlogerie (roman)

1988 Dinky Toys (aforismen)

1988 Door gevaarlijke gekken omringd (essays en polemieken)

1989 Au pair (roman)

1991 De laatste roker (verhalenbundel)

1993 In de mist van het schimmenrijk (novelle, boekenweekgeschenk)



2. Literatuur over W.F. Hermans

Alleen artikelen en boeken over W.F. Hermans waarvan in dit Memodeeltje gebruik is gemaakt, worden genoemd. Zie voor een volledige bibliografie over W.F. Hermans Kritisch lexicon van de Nederlandstalige literatuur na 1945.

Willem Glaudemans: W.F. Hermans, in: Kritisch lexicon van de Nederlandstalige literatuur na 1945, uitg. Samson, Alphen aan den Rijn-Brussel.



Scheppend nihilisme. interviews met Willem Frederik Hermans, samengesteld door Frans A. Janssen, uitgeverij Loeb & van der Velden, Amsterdam, 1979.

Jef van de Sande: W.F. Hermans Nooit meer slapen, in de Memoreeks, uitg. Walvaboek, Apeldoorn, 1983.

Anneke Juffer: W.F. Hermans De donkere kamer van Damokles, in de Memoreeks, uitg. Walvaboek, Apeldoorn, 1986.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

niet slecht

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

K.

K.

uitstekend stuk over au pair !!



moeite waard om te lezen, misschien moet je het maar op wikipedia zetten

14 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

6.

6.

Goed verslag! Vooral de samenvatting is erg fijn, daar heb ik veel aan gehad!

9 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

wat voor beoordeling had je voor dit verslag?

9 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

Echt heel goed geschreven, leuk om jouw opvattingen te lezen

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

L.

L.

Dit is gwn de memoreeks. helemaal niet zelf geschreven ofzo. wel handig, allen als je de memoreeks al hebt, kan je het niet vergelijken...

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast