De komende twee weken zijn 'seksweken' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


ADVERTENTIE
Geslaagd? Doneer je verslagen We zijn heel trots op je, supergoed gedaan. Waarschijnlijk ga je Scholieren.com nu voorgoed verlaten. Wil je ons nog bedanken voor 4, 5 of 6 jaar trouwe dienst? Upload dan nu al je verslagen en samenvattingen voor de generaties scholieren die na jou strijden voor dat diploma.

Nu uploaden

Mijnheer Ibrahim en de bloemen van de Koran:

 Dit boek heb ik voor Frans moeten lezen en samen met mijn vader naar het Nederlands vertaalt. 

Pg.5

Toen ik elf was brak ik mijn spaarvarken en ging ik naar de hoeren kijken. Mijn varken is een geverniste porseleinen spaarpot met een gleuf die het muntje wel erin laat maar niet eruit. Mijn vader had hem uitgezocht, deze unieke spaarpot waar je alleen geld in kan doen, omdat dat overeen komt met zijn opvatting van het leven: geld is gemaakt om te bewaken, niet om uit te geven. Er zat tweehonderd franc in het binnenste van het varken, vier maandlonen. Op een middag, voor het naar school gaan, zei mijn vader tegen mij: “Mozes, ik begrijp het niet… Er mist geld. Voortaan schijf je in het keukenschrift alles wat je uitgeeft wanneer je boodschappen doet.” Dan, alsof het nog niet genoeg is om me te laten uitschelden op school, evenals thuis, de afwas, leren, koken, boodschappen doen, niet genoeg om alleen te leven in een groot zwart, leeg liefdeloos appartement, om meer slaaf te zijn dan de zoon van een advocaat zonder vrouw of relatie, moet ik ook nog doorgaan voor een dief! Omdat ik toch al werd beschuldigd van stelen kon ik het net zo goed ook doen. Er zaten dus tweehonderd franc in het spaarvarken, tweehonderd franc. Dat is de prijs van een meisje in de Rue de Paradis. Het is de prijs om een man te worden. De eersten vroegen me om mijn i.d. kaart ondanks mijn stem, ondanks mijn gewicht (ik ben groot als een zak uit de suikerfabriek), twijfelden ze eraan dat ik zestien jaar was zoals ik beweerde. Ze hadden me steeds groter zien worden de afgelopen jaren als ik langsliep, me vastklampend aan mijn groentenet.

 

Pg.6

Aan het eind van de straat op de stoep was er een nieuwelinge, ze was rond, mooi als een schilderij. Ik toonde haar mijn geld. Zij lachte. “Je bent zestien jaar, jij?” “Jawel, sinds deze maand.” Het word opgezet. Ik kon het nauwelijks geloven, ze was tweeëntwintig jaar, ze was een oudje en ze was helemaal voor mij. Ze had me uitgelegd waar ik me kon wassen, waarna we de liefde hadden bedreven. Natuurlijk wist ik dat al maar ik liet het me zeggen zodat ze zich op haar gemak voelde omdat ik van haar stem hield, een beetje pruilerig, een beetje bedroefd. Tenslotte viel ik bijna flauw. Op het eind streelde ze zacht mijn haren en zei: “je moet terugkomen en me een cadeautje geven.” Het verpestte bijna mijn blijdschap: ik was het cadeautje vergeten. Dit was het, ik was een man geworden. Ik was gedoopt tussen de dijen van een vrouw. Ik kwam moeizaam op mijn voeten omdat mijn benen nog trilden, en de ellende begon, ik was het beroemde cadeautje vergeten. Ik keerde terug naar het appartement, stormde mijn kamer binnen, keek om me heen of ik iets kostbaars zag om te geven waarna ik vliegensvlug terugging naar de Rue de Paradis. Het meisje stond nog op de stoep. Ik gaf haar mijn pluche beer.

Het was rond dezelfde tijd dat ik mijnheer Ibrahim leerde kennen. Mijnheer Ibrahim was altijd al oud geweest. In de herinneringen van iedereen in de blauwe straat en de Rue du Faaubourg-Poisonnière had men altijd mijnheer Ibrahim in zijn kruidenierszaak gezien van acht uur ’s ochtens tot middernacht, zittend te praten tussen zijn kassa en de producten, met één been op de straat en één been onder de dozen. Een grijze bloes over een wit hemd, ivoorwitte tanden onder een zandkleurige snor en groenbruine ogen, lichter dan zijn bruine huid, bevlekt door wijsheid.

 

Pg.7

Want mijnheer Ibrahim ging volgens ieders mening door voor een wijze man. Ongetwijfeld omdat hij al minstens veertig jaar Arabier was in een joodse straat. Ongetwijfeld omdat hij veel lachte en weinig sprak. Ongetwijfeld omdat hij leek te ontsnappen aan de drukte van de gewone stervelingen, vooral de parijse stervelingen, noot van zijn plek komend, net een tak die voortsproot uit de kruk taboeret nooit zijn waren opruimend voor zover iemand wist en verdwijnend naar niemand weet waar tussen middernacht en acht uur ’s ochtens. Toch elke dag deed ik boodschappen voor het eten. Ik kocht alleen blikgroenten. Dat ik ze elke dag kocht was niet om ze vers te hebben, nee, maar omdat mijn vader me niet meer geld gaf dan voor één dag, en omdat ze makkelijker klaar te maken waren. Toen ik begon te stelen van mijn vader om hem te bestraffen dat hij mij had verdacht, begon ik ook te stelen van mijnheer Ibrahim. Ik schaamde me een beetje, maar om me te verzetten tegen mijn schaamte dacht ik op het moment van betalen heel sterk: Het was tenslotte maar een Arabier. Ik ben geen Arabier, Momo, ik kom van de gouden maan. Ik verzamelde mijn aankopen en vertrok onthutst uit de straat. Mijnheer Ibrahim hoorde me denken! Dus, als hij me hoorde denken wist hij misschien ook dat ik hem belazerde. De volgende dag verborg ik geen enkel blik maar vroeg ik hem: “Wat is de gouden maan?” Ik moet bekennen dat ik me de hele nacht mijnheer Ibrahim had voorgesteld zittend op de punt van een gouden maan en sturend door een lucht vol sterren. “Dat is een regio die loopt van Anatolië tot aan Perzië, Momo” De volgende dag voegde ik hem tijdens het sorteren van mijn portemonnee toe: “Ik heet geen Momo, maar Mozus.”

 

Pg.8

“Ik weet dat je Mozus heet, daarom noem ik je ook Momo, dat is minder indrukwekkend.” De volgende dag vroeg ik terwijl ik mijn geld telde: ”Wat kan dat voor u betekenen? Mozes is joods, niet Arabisch.” “Ik ben geen Arabier, Momo, ik ben een mazelman.” “Waarom zegt de hele straat dan dat u Arabisch bent als u dat niet bent?” “Arabisch, Momo, betekend bij kruideniers: open van 8 uur ’s ochtens tot middernacht en zelfs op zondag.” Zo verliep het gesprek. één zin per dag. We hadden de tijd. Hij omdat hij oud was, ik omdat ik jong was. En om de andere dag stal ik een blik groente. Ik denk dat we een jaar of twee over een enkel gesprek hadden gedaan als we Brigitte Bardot niet hadden ontmoet. Grote drukte in de blauwe straat. Het verkeer stond stil. De straat afgesloten. Men draaide een film. Alle sexen in blauw straat. Vlinderstraat en Faaubourg-Poissonière waren allert. De vrouwen wilden zien of zij zo mooi was als werd gezegd, de mannen dachten niet, zij spraken een taal die verborgen zat achter hun gulp. Brigitte Bardot was er, de echt Brigitte Bardot. Ik, ik ging bij het raam zitten. Ik keek naar haar en ze deed me denken aan de kat van de buren op de vierde verdieping, een mooie kleine kat die graag op ’t balkon in de zon zat en niet leek te leven, te ademen, niet met de ogen knipperde, behalve om bewondering uit te lokken. Bij nadere overweging ontdekte ik ook dat ze waarlijk leek op de hoeren van de Rue Paradis, zonder me echt te realiseren dat in feite het die hoeren waren die zich als Brigitte Bardot vermomden om klanten te trekken. Tenslotte, als toppunt van ontzetting, ontdekte ik dat mijnheer Ibrahim was verdwenen van zijn plaats in de deur. Voor het eerst in mijn bestaan tenminste, had hij zijn krukje verlaten.

Het boekverslag gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

 

Pg.9

Na het kleine dier te hebben bekeken rekte Bardot zich uit voor de camera’s, terwijl ik dacht aan de mooie blondine die mijn beer had, besloot ik af te dalen naar mijnheer Ibrahim en te profiteren van zijn onoplettendheid door enkele blikken groente achterover te drukken. Ellende! Hij was teruggekeerd achter zijn kassa. Zijn spottende ogen sloegen Bardot gade vanachter de zeepjes en het keukengoed. Ik had hem nog nooit zo gezien. “Bent u getrouwd mijnheer Ibrahim?” “Ja, natuurlijk ben ik getrouwd.” Hij was er nog niet aan gewend dat men hem vragen stelde. Op dat moment daar had ik durven zweren dat mijnheer Ibrahim niet zo oud was als iedereen dacht. “Mijnheer Ibrahim, stelt u zich voor dat u in een boot zit met u vrouw en Brigitte Bardot. U boot zinkt. Wat doet u?” “Ik denk dat mijn kan zwemmen.” Ik had nog nooit ogen zo zien lachen, ze lachten bijna hoorbaar die ogen, ze maakten een helse herrie. Plotseling was er opschudding. Mijnheer Ibrahim werd voorzichtig, Brigitte Bardot kwam de winkel binnen. “Goedendag mijnheer, heeft u ook water?” “Natuurlijk mejuffrouw.” En toen gebeurde er iets ongelofelijks mijnheer Ibrahim zocht zelf een fles water op en bracht die naar haar. “Bedankt mijnheer, wat ben ik u schuldig?” “Veertien francs mevrouw.” Brigitte reageerde geschrokken. Ik ook. Een fles water was twee euro waard in die tijd, geen veertien! “Ik wist niet dat water hier zo zeldzaam is.” “Het is niet het water dat zeldzaam is mejuffrouw, het zijn de ware sterren.” Hij zei dit met veel charme, met zo’n onweerstaanbare lach Dat Brigitte Bardot, lichtblozend, veertien franc betaalde en vertrok. Ze kwam niet meer terug. “Nou zeg, u hebt lef mijnheer Ibrahim.”

 

Pg.10

“Nou, mijn kleine Momo, ik moet toch al die blikken terugverdienen die jij van me jat.” Op die dag werden we vrienden. Het is waar dat toen ik daar vertrok ik al daarvoor mijn blikken had laten verdwijnen, maar mijnheer Ibrahim liet me zweren: “Momo, als je moet blijven stelen, kom dan bij mij spelen.” En in de dagen erna leende mijnheer Ibrahim me voldoende trucs om mijn vader geld te ontfutselen zonder dat hij het merkte. Hem oud brood van de vorige dag, of de dag daarvoor, voorzetten, steeds meer namaakkoffie toevoegen aan zijn koffie, theezakjes hergebruiken, zijn gewoonlijke beaujolais mengen met wijn van drie franc en als klapstuk, het idee, echt waar, dat wat mijnheer Ibrahim een expert maakte in de kunt van het bedriegen van de wereld, het verwisselen van eenden paté door hondenvoer. Dankzij de tussenkomst van mijnheer Ibrahim, was de wereld van de volwassenen gespleten, hij bood niet dezelfde een vormige muur waar ik me tegen aanstootte, één hand reikte door een spleet. Ik had opnieuw tweehonderd francs gespaard, dus kon ik me opnieuw als man bewijzen. Rue de Paradis, ik liep rechtsaf over de stoep in de richting waarin zich de nieuwe eigenares van mijn beer bevond. Ik had een schelp bij me voor haar die ik gekregen had. Een echte schelp die uit de zee kwam, de echte zee. Het meisje schonk me een glimlach. Op datzelfde moment dook een man in de straat die er ratachtig uitzag, achternagezeten door een hoer die riep: “Houd de dief, mijn tas! Houd de dief.” Zonder een seconde te aarzelen stak ik mijn been uit. De dief ging een paar meter verder gestrekt. Ik sprong boven op hem. De dief bekeek me. Hij had gezien dat ik niet meer dan een kind was. Hij lachte, klaar om me een pak slaag te geven, maar omdat het meisje steeds harder schreeuwend aan kwam zetten kwam hij overeind en ging ervandoor. Gelukkig hadden de kreten van de hoer me sterk gemaakt.

 

Pg.11

Ze naderde wankelend op haar hoge hakken. Ik gaf haar de tas, die ze snel vastklemde tegen haar weelderige boezem en slaakte een zucht.  “Bedankt kleintje. Wat kan ik voor je doen? Zal ik je een beurt geven?” Ze was oud. Ruim dertig. Maar mijnheer Ibrahim had me altijd gezegd: “Je mag nooit een vrouw beledigen.” “O.K.” En we gingen weg. De eigenares van mijn beer was razend dat haar collega me van haar stal. Toen we haar passeerden kneep ze me in m’n oor. “Kom morgen. Ik doe het gratis voor je. Ik wachtte niet tot de volgende dag. Mijnheer Ibrahim en de hoeren maakten het leven met mijn vader nog moeilijker. Ik was begonnen met een vreselijke duizelingwekkende truc: vergelijkingen. Ik had het altijd koud als ik bij mijn vader was. Bij mijnheer Ibrahim en de hoeren was het warmer, lichter. Ik bekeek de hoogte en diepte van de geërde bibliotheek. Al haar geachte boeken bevatten het beste van de menselijke geest: een inventaris van de wet, de subtiliteiten van de filosofie. Ik bekeek ze vanuit het duister, Mozes, sluit de luiken, het licht verslond de schittering. Daarna bekeek ik mijn vader, lezend in zijn stoel, alleen in de cirkel lamplicht die als een geel schijnsel op de pagina’s viel. Hij werd omgeven door de muren van wetenschap, hij besteedde niet meer aandacht aan mij dan aan een hond. Trouwens, hij haatte honden. Hij probeerde zelfs niet me het bot van zijn kennis toe te werpen. Misschien als ik een beetje geluid maakte. “Oh pardon.” “Mozus stil! Ik lees. Ik ben aan het werk.” Werken, dat was een groot woord, de absolute recht vaardiging. “Sorry pappa.” “Ah, gelukkig is jouw broer Popol niet zo.” Popol, dat was de andere naam voor mijn onbeduidendheid. Mijn vader wierp me altijd de herinneringen aan mijn oudere broer Popol voor de voeten als ik iets fouts deed.

 

Pg.12

Popol was er ijverig op school, Popel hield van wiskunde, hij maakte nooit de badkuip vies, pieste nooit naast de wc. Popel hield zelfs van vaders boeken. Eigenlijk was het niet slecht dat mijn moeder met Popel was vertrokken. Vlak na mijn geboorte, want het was al moeilijk genoeg om tegen de herinnering te vechten, maar leven naast een perfect wezen als Popol was teveel voor mij geweest. “Papa, denk je dat Popol van mij zou hebben gehouden?” Mijn vader keek me aan, of beter, probeerde me verschrikt te ontcijferen. “Wat een vraag!” was mijn antwoord: wat een vraag! Ik had geleerd de mensen door ogen van mijn vader te bezien. Met wantrouwen en misprijzen. Praten met Arabische kruidenier, zelfs als hij niet Arabisch was (Want Arabisch betekende open van acht uur ‘s ochtens tot middernacht), naar de hoeren gaan, het waren dingen die ik verstopte ik een verborgen laatje van mijn geest, het maakte officieel geen uit van mijn leven. “Waarom lach je nooit Momo” vroeg mijnheer Ibrahim aan me. Dat was een echte stomp in de maag, een gemene streek, waar ik niet op was voorbereid. “Lachen is iets voor rijke mensen, mijnheer Ibrahim, Ik kan het niet.” Om me op te jutten begon hij juist te lachen. “Waarom denk je dat ik rijk ben?” “U hebt altijd geld in de kassa. Ik ken niemand die zoveel bankbiljetten voor zich ziet elke dag.” “Maar dat geld dient om mijn handelswaren te betalen en ook de winkel. En aan het eind van de maand houd ik maar weinig over moet je weten.” En hij lachte nogmaals als om mij te ergeren. “Mijnheer Ibrahim, als ik zeg dat lachen een rijkeluistruc is wil ik daarmee zeggen dat het een truc is voor gelukkige mensen.”

 

Pg.13

“Aha, daar vergis je je. Lachen maakt gelukkig.” “Onzin.” “Probeer het.” “Onzin zeg ik.” “Je bent toch beleefd Momo?” “Natuurlijk, anders krijg ik klappen.” “Beleefd is goed. Aardig zijn is beter. Probeer te lachen, snap je?” Goed, na alles, zo vriendelijk gevraagd door mijnheer Ibrahim, die me heimelijk een bakje uitstekende zuurkool toestopte, probeerde ik het. De volgende dag gedroeg ik me alsof ik ’s nachts door een ziekte was besmet: Ik lachte naar iedereen. “Nee mevrouw, ik heb mijn wiskunde huiswerk niet begrepen.” Klets: Lachen! “Oke Mozes, ik zal het je nog eens uitleggen.” Dat had ik nog nooit meegemaakt. Geen gescheld, geen standje, niks! In de eetzaal… “Mag ik nog een beetje kastanje puree?” Klets: lachen! “Ja, met witte kaas.” En ik kreeg het! Bij gym, ik beken dat ik mijn tennisschoenen ben vergeten. Klets: Lachen! “Maar ik was op dreef meneer.” De leraar lachte en gaf me een schouderklopje. Het leek wel dronkenschap. Niemand kon me weerstaan. Mijnheer Ibrahim had me het absolute wapen in handen gegeven. Ik bestookte de hele wereld met mijn lach. Men behandelde me niet meer als aangeschoten wild.

 

Pg.14

Op de terugweg van school liep ik door Rue de Paradis. Ik vroeg aan de mooiste hoer, een grote negering die me altijd geweigerd had. “He.” Klets: glimlach! “Zullen we naar mijn kamer gaan?” “Ben jij zestien?” “Tuurlijk ben ik zestien, als sinds tijden.” Klets: glimlach! Dat ik wilde dat ze me een beetje over haar leven vertelde, als ze zou willen. “Is het echt waar dat je journalist ben?” Klets: glimlach! “Nou, oke, leerling journalist.” Ze praatte met me. Ik zag haar borsten zachtjes trillen terwijl ze vertelde. Ik kon het niet geloven. Een vrouw praatte tegen me! Een vrouw. Glimlach. Ze praatte. Glimlach. Ze praatte. Die avond toen mijn pa terugkwam hielp ik hem zoals gewoonlijk uit zijn jas en schoof voor hem in het licht om zeker te zijn dat hij me zag. Het eten is klaar. Klets: Glimlach! Hij keek me verbaasd aan. Ik bleef lachen. Vermoeiend aan het eind van de dag maar ik hield vol. “Jij hebt vast rottigheid uitgehaald!” Toen verdween mijn glimlach maar ik wanhoopte niet. Bij het toetje probeerde ik het opnieuw. Klets: Glimlach! Hij keek me ongemakkelijk aan. Kom eens hier zei hij. Ik voelde dat mijn glimlach bezig was het te winnen. Hop, een nieuw slachtoffer.

 

 

Pg.15

Ik kwam dichterbij. Misschien wilde hij me omhelzen? Hij had me eens verteld dat Popol van omhelzen hield omdat hij een aanhalige jongen was. Misschien omdat Popel de lachtruc snapte vanaf zijn geboorte. Of omdat mijn moeder het hem had geleerd. Ik ben vlak bij mijn vader, tegen zijn schouder. Zijn ogen knipperden. Ik, ik lachte hartverscheurend. “Je hebt een beugel nodig. Ik heb nooit gemerkt dat je vooruitstekende tanden hebt.” Die avond begon ik de gewoonte mijnheer Ibrahim ’s nachts op te zoeken nadat vader naar bed ging. “Het was mijn fout, als ik als Popel was geweest had vader gemakkelijker van mij gehouden.” “Hoe weet je dat? Popel is vertrokken.” “En dan?” “Misschien omdat hij je vader niet stemde.” “Denk je?” “Hij is vertrokken. Dat bewijst het.” Mijnheer Ibrahim gaf me zijn papiergeld zodat ik er rolletjes van kon maken. Dat kalmeerde me een beetje. “Heeft u Popel gekend. Mijnheer Ibrahim, heeft u hem gekend? Wat dacht u van hem?” Hij keek met een zenuwtrekje naar zijn kassa alsof hij haar uitnodigde te praten. “Momo, ik moet je iets zeggen, ik heb je honderd, nee duizend keer liever als Popel.” “Oh?” Ik was erg tevreden maar wilde het niet laten zien. Ik sloot mijn ogen en liet mijn tanden een beetje zien. Je moet je familie verdedigen. “Pas op, ik laat niet toe dat je kwaadspreekt over mijn broer. Wat hebt u tegen Popol?” “Hij is prima, Popol, Heel goed. Sorry maar ik heb liever Momo.” Goedhartig vergaf ik hem.

 

Pg.16

Een week later nam mijnheer Ibrahim me mee naar een vriend, een tandarts in de vlinderstraat. Hij had duidelijk veel invloed, mijnheer Ibrahim. De volgende dag zei hij: “Momo, glimlach minder, dat is genoeg. Nee, dat is een grap. Mijn vriend heeft me verzekerd dat je geen beugel nodig hebt.” Hij gaf me een schuine blik met lachende ogen. “Stel je voor, Rue de Paradis, met ijzer in je mond. Wie wil je nog wijsmaken dat je zestien bent?” Daar had hij een gevoelig punt aangeroerd. Uiteindelijk was ik het die hem geld vroeg om me moed te geven. “Hoe weet u dat allemaal mijnheer Ibrahim?” “Ik weet niets, alleen wat er in mijn Koran staat.” Ik maakte nog wat rolletjes. “Momo, het is heel goed om naar professionals te gaan. De eerste keer moet je altijd naar professionals gaan, vrouwen die hun vak kennen. Later, als je complicaties en gevoelens meeneemt kun je je met amateurs tevreden stellen.” Ik voelde me ietsje beter. “Ben jij er soms heengegaan, naar Rue de Paradis?” “Het paradijs is open voor iedereen.” “Oh, u overdrijft mijnheer Ibrahim. U wilt toch niet zeggen dat u er nog heengaat, op uw leeftijd?” “Hoezo is dat alleen voor minderjarigen?” Toen wist ik dat ik iets stoms had gezegd. “Momo, wat zou je zeggen van een wandelingetje met mij?” “Goed, wandelt u vaak mijnheer Ibrahim? En weer wist ik dat ik iets stoms had gezegd. Ik voegde er een grote glimlach aan toe. “Nee kan ik wel zeggen, ik zie je altijd op je krukje.”

 

Pg.17

Vergeet niet ik ben harstikke tevreden. De volgende dag nam mijnheer Ibrahim me mee naar Parijs, het vrolijke Parijs, dat van de foto’s, van touristen. We wandelden langs de Seine, die niet echt recht is. “Kijk Momo, de Seine houdt van de bruggen, net als een vrouw dol is op armbanden.” Daarna liepen we door de tuinen van de Champs-Elysees, tussen de theaters en de poppenkast. Daarna Rue de Faubourg-Saint-Honorée waar er veel winkels waren met namen van merken als Lanvin, Hermès, Saint laurent, Cardin… dat was grappig, die enorme lege winkels tegenover de winkel van mijnheer Ibrahim, die niet groter was dan een badkamertje maar die geen enkel haartje onbezet had, waar men laag voor laag tot aan het plafond opgestapeld van alles en nog wat aan onnodige spullen kon vinden. “Het is gek, mijnheer Ibrahim, dat de vitrines van rijken arm zijn. Er staat niks in.” “Dat is luxe Momo, niks in de vitrine, niks in het magazijn, alles in de prijs.” Ze eindigden in de geheime tuinen van het koninklijk paleis waar mijnheer Ibrahim een uitgeperste citroen voor me kocht en zijn bewegingsloosheid hervond op een barkruk, langzaam een anijsdrankje drinkend. “Het moet leuk zijn om in Parijs te wonen” “Maar je woont in Parijs Momo.””Nee, ik woon in de blauwe straat.” Ik zag hem genieten van zijn anijsborreltje. “Ik dacht dat muzelmannen niet dronken.” “Ja, maar ik ben aan hanger van ’t soefisme.” Oke, ik wist dat ik indiscreet was, dat mijnheer Ibrahim niet met me over zijn ziekte wilde praten. Dat was tenslotte zijn goed recht, ik zweeg tot we terug waren in de blauwe straat. ’s Avonds opende ik de Laurosse van mijn vader. Ik was echt ongerust over mijnheer Ibrahim, want echt, ik had het duidelijk gezocht in het woordenboek.

 

Pg.18

Soefisme: mystieke Islamstroming ontstaan in de achtste eeuw tegengesteld aan het legalisme legt het zijn accent op de innerlijke religie. Kijk nog eens. Woordenboeken leggen alleen die woorden goed uit die je al kent. Enfin, het soefisme is geen ziekte, wat me al een beetje geruststelde, het was een manier van denken, hoewel er manieren van denken zijn die ook een ziekte zijn, zei mijnheer Ibrahim vaak. Waarna ik me in een “speelbaar” stortte om te proberen alle woorden van de definitie te begrijpen. Uiteindelijk kwam het er op neer dat mijnheer Ibrahim met zijn anijsborrel geloofde in God op de muselmanmanier, maar op een manier die op het randje van illegaal was, want tegengesteld aan legalisme, en dat stelde me voor een probleem, want als legalisme de bezorgdheid over het minutieus respecteren van de was zoals het woordenboek zei, dan wilde dat grofweg kwetsende dingen zeggen over mijnheer Ibrahim. Hij was oneerlijk, dus mijn bezoekjes aan hem waren niet respectabel. Maar tegelijkertijd, als de wet respecteerde, was advocaat zijn, zoals mijn vader was, een grijs gebied en met zoveel triestheid in huis gaf ik er de voorkeur aan tegen gezagsgetrouwheid te zijn met mijnheer Ibrahim. En vervolgens werd door de mensen van het woordenboek toegevoegd dat het soefisme twee eeuwen geleden is gecreëerd. Al-Halladj en Al-Ghazali hadden de naam te wonen in de zolder kamers in de van het hart, in het geval van de blauwe straat, en ze specificeerden dat een interne religie was en monsieur Ibrahim met betrekking tot alle joden in de straat was hij discreet. Gedurende de maaltijd kan ik mezelf niet beletten mijn vader te ondervragen, die bezig was een ganzen paté te eten genaamd Royal Canin. “Papa, geloof jij in God.” Hij keek me aan. Toen zei hij langzaam: “Je wordt een man zo te zien.” Ik zag het niet. Eén moment zelfs vroeg ik me af of iemand hem had verteld dat ik meisjes in Rue de Paradis bezocht. Maar hij vervolgde: “Nee, het is me nooit gelukt in God te geloven.”

 

Pg.19

“Nooit gelukt?” “Waarom, niet genoeg moeite gedaan?” Hij bezag het schemerige appartement rondom zich. “Geloven dat alles een zin heeft? Ja, dat kost enorm veel moeite.” “Maar papa, wij zijn joden!” “Ja” “En jood zijn, heeft dat niets met God te maken?” “Voor mij niet. Jood zijn is gewoon herinneringen hebben. Slechte herinneringen.” En toen trok hij een gezicht als van iemand die meer aspirines nodig had. Misschien omdat hij had gepraat, één keer is nog geen gewoonte. Hij kwam overeind en ging meteen naar bed. Enkele dagen later kwam hij nog bleker thuis dan anders. Ik begon me schuldig te voelen. Ik zei tegen mezelf dat ik door hem troep te laten eten hem misschien van zijn verstand had beroofd. Hij ging zitten en beduidde me dat hij me iets wilde vertellen. Maar hij had er wel tien minuten over gedaan om hier te komen. “Ik ben ontslagen Mozes. Men wil me niet meer op de zaak.” Eerlijk gezegd verbaasde dit me niet, want werken met mijn vader is niet iets om jaloers op te zijn. Hij kan boven sterk deprimeren, maar tegelijkertijd had ik me nooit kunnen bedenken dat een advocaat zou beletten advocaat te zijn. “Ik moet op zoek naar werk. Dus we moeten de broekriem aanhalen mijn kleintje.” Toen ging hij slapen. Het interesseerde hem duidelijk niet hoe ik erover dacht. “Wat doet u om gelukkig te zijn mijnheer Ibrahim.” “Ik weet wat er in mijn Koran staat.” “Misschien pak ik hem op een dag van je af, je Koran. Zelfs als dat eigenlijk niet kan als je je jood bent.”

 

 

Pg.20

“Bah, wat wil dat voor jou zeggen Momo, dat je jood bent?” “Ik weet het niet. Voor mijn vader betekend het ongelukkig zijn, de hele dag. Voor mij… Is het alleen een truc die me belet iets anders te zijn.” Meneer Ibrahim gooide me een pinda toe. “Je hebt geen goede schoenen Momo, morgen gaan we schoenen kopen.” “Ja, maar…” “Een man brengt zijn leven in twee plaatsen door, in bed en in zijn schoenen.” “Ik heb geen geld mijnheer Ibrahim.” “Ik geef ze je. Het is mijn cadeau. Momo, je hebt maar één paar voeten, daar moet je goed voor zorgen. Als je schoenen knellen moet je ze vervangen. Voeten kun je niet vervangen.” De volgende dag toen ik terugkwam van school vond ik een bericht in stof in onze donkere hal. Ik weet niet waarom maar bij het zien van het handschrift van mijn vader begon mijn hard wild te kloppen. “Mozes, sorry maar ik ben weg. Ik heb niks meer in me dat me een vader maakt. Popo… en dat was doorgestreept. Hij had ongetwijfeld iets willen schrijven over Popol. Zoiets als: Met Popol was ik er doorgekomen, maar met jou… of beter: Popel, hij gaf me de kracht om een vader te zijn, maar jij niet. Kortom een gemeenheid waarvoor hij zich schaamde die op te schrijven. Goed, ik snapte de bedoeling, bedankt! “Misschien ontmoeten we elkaar later eens als je volwassen bent. Als ik me niet meer schaam en jij me hebt vergeven. Vaarwel.” Dat was het, vaarwel.

 

Pg.21

“P.S. ik heb al het geld wat ik nog had op tafel laten liggen voor je. Met een lijst van mensen die je moet laten weten dat ik vertrokken ben. Zij zorgen verder voor jou.” Gevolgd door een lijst met vier namen die ik niet kende. Mijn beslissing was gemaakt. Ik ging doen alsof. Het stond buiten twijfel dat ik toe moest geven verlaten te zijn. Tweemaal verlaten, één keer na mijn geboorte door mijn moeder, de tweede keer in mijn puberteit door mijn vader. Wie dat wist gaf me geen kans. Waarom overkwam me zoiets vreselijks? Maar was ik het dan niet die de liefde onmogelijk maakte? Mijn besluit stond vast, ik zou doen alsof mijn vader er nog was. Ik zou iedereen laten geloven dat hij hier woonde, hier at, dat hij zijn lange avonden samen met mij doorbracht. Ik aarzelde geen seconde en ging naar de kruidenierszaak. “Mijnheer Ibrahim, mijn vader heeft last van zijn spijsvertering. Wat kan ik hem het beste geven?” “Een drankje tegen maagpijn Momo. Kijk, ik heb hier een proefflesje.” “Bedankt, ik laat het hem meteen innemen.” Met het geld dat vader me had achtergelaten kon ik het een maand uithouden. Ik leerde zijn handtekening om de nodige papieren in te vullen voor school. Ik bleef voor twee personen koken, elke avond dekte ik de tafel ook voor hem en aan het eind van de maaltijd gooide ik zijn portie door de gootsteen. Enkele nachten per maand ging ik voor de overburen in zijn stoel zitten en probeerde ik in de nieuwe Koran te lezen die meneer Ibrahim had gegeven omdat ik erom had gevraagd. Op school zei ik tegen mezelf dat ik geen moment te verliezen had. Ik moest verliefd worden. Ik had niet veel keus aangezien het een gemengde school was. Iedereen was verliefd op de dochter van de conciërge, Myriam, die ondanks haar dertien jaar al snel had begrepen dat ze heerste over driehonderd smachtende pubers. Ik maakte haar dronken hartstocht het hof.

 

Pg.22

Klets: Glimlach! Ik kon mezelf bewijzen dat men van mij kon houden, ik zou het de hele wereld laten weten zodat niemand ontdekken zou dat zelf mijn ouders, de enige die me verplicht moesten verdragen, liever gevlucht waren. Ik vertelde mijnheer Ibrahim over mijn verovering van Myriam. Hij luistert met dat kleine glimlachje van iemand die de afloop al kent, maar ik deed alsof ik dat niet zag. “En hoe is je vader?” Ik heb hem al een poos niet gezien.” “Gisteren… Hij heeft het heel druk. Hij moet heel vroeg weg voor zijn nieuwe werk.” “Aha, en is hij niet woedend dat jij de Koran leest?” “Ik verberg me, en trouwens… Ik begrijp er niet veel van.” “Als je iets wil leren moet je geen boek pakken. Je moet erover praten met iemand. Ik geloof niet in boeken.” “Maar mijnheer Ibrahim u zegt toch zelf altijd dat…” “Ja dat ik weet wat er in de Koran staat... Momo, ik heb zin om de zee te zien. Ga je mee als ik naar Normandië ga?” “Oh, echt waar?” “Als het mag van je pa natuurlijk.” “Die vindt het wel goed.” “Weet je het zeker?” “Ik zeg je dat hij het goed zal vinden.” Toen we aan kwamen in de hal van het Grand Hotel de Cabourg werd het me teveel. Ik begon te huilen. Ik huilde twee, drie uur lang, het lukte me niet me te beheersen mijnheer Ibrahim zag me huilen. Hij wachtte geduldig tot ik sprak, uiteindelijk wist ik iets uit te brengen. “Het is mooi hier mijnheer Ibrahim. Dat is niks voor mij. Ik verdien dit niet.” Mijnheer Ibrahim lachte. “Schoonheid, Momo, is overal. Waar je maar kijkt. Dat staat in de Koran.”

 

Pg.23

Daarna liepen we langs de zee. “Weetje Momo, de mens aan wie God zich niet direct in zijn leven openbaard, er is geen boek hem dat dan kan onthullen.” Ik praatte met hem over Myriam, ik praatte er veel over omdat ik wilde vermijden om over mijn vader te spreken. Voordat ze me toeliet tot haar hofhouding van aanbidders begon Myriam me eerst af te wijzen als ongeschikte kandidaat. “Dat geeft niet.” Zei mijnheer Ibrahim, “Jou liefde voor haar is van jou. Die behoort jou toe. Zelfs als zij hem weigert kan ze dat niet veranderen. Ze profiteert er alleen niet van, dat is alles. Wat jij geeft, Momo, dat is voor altijd van jou snap je, dat is nooit verloren.” “Maar u, u hebt een vrouw?” “Ja.” “En waarom is zij niet hier met u?” Hij wees met zijn vinger naar de zee. “Het is echt een Engelse zee hier, groen en grijs, dat zijn geen normale kleuren voor water, je zou denken dat ze dat wist.” “U heeft niet geantwoord mijnheer Ibrahim, voor uw vrouw, uw vrouw?” “Momo, geen antwoord is ook een antwoord.” Elke morgen stond mijnheer Ibrahim als eerste op. Hij ging naar het raam, snoof de lucht op en deed langzaam zijn ochtendoefeningen. Elke morgen, heel zijn leven ochtendgymnastiek. Hij was ongelofelijk lenig en vanaf mijn kussen door mijn halfgesloten ogen zag ik nog de jonge nonchalante man die hij lang geleden was geweest. Mijn grootste verassing was dat ik op een dag in de badkamer ontdekte dat mijnheer Ibrahim besneden was. “U ook mijnheer Ibrahim?” “Muzelmannen net zo goed als joden Momo. Dat is het offer van Abraham, hij gaf zijn kind aan God en zei Hem dat hij hem mocht hebben. Het kleine stukje huid dat wij missen is het kenmerk van Abrahams offer.” 

 

Pg.24

Met mijnheer Ibrahim besefte ik dat de joden, de muzelmannen en zelfs de christenen, ze hadden veel grote mannen gemeenschappelijk in hun geschiedenis voordat ze met elkaar slaags raakten. Ik realiseerde het me niet, maar het deed me veel goed. Na onze terugkeer uit Normandië, toen ik terugkwam in het donkere lege appartement voelde ik me niet anders. Nee, ik dacht dat de wereld kon veranderen. Ik zei tegen mezelf dat ik de vensters kon openen, dat de muren lichter konden zijn. Ik zei tegen mezelf dat ik misschien niet de oude meubels hoefde te houden die naar het verleden roken, niet het mooie verleden, nee, het oude verleden, de mufheid als van een oude dweil. Ik had geen geld meer. Ik begon boeken te verkopen in partijen aan de boekenwinkels op de oevers van de Seine die mijnheer Ibrahim me had laten zien op onze wandelingen. Elke keer als ik een boek verkocht voelde ik me vrijer. Het was nu al drie maand geleden dat mijn vader was verdwenen. Ik leidde nog altijd iedereen om de tuin, kookte voor twee en vreemd genoeg vroeg mijnheer Ibrahim steeds minder naar hem. Mijn verhouding met Myriam verslechterde, maar ze was een goed gespreksonderwerp voor mijn avonden met mijnheer Ibrahim. Op sommige avonden had ik het even te kwaad. Dan dacht ik aan Popol. Natuurlijk nu mijn vader er niet meer was had ik Popol graag willen kennen. Natuurlijk verdroeg ik het idee nu beter omdat hij niet altijd meer werd voorgesteld als het tegenovergestelde van mijn waardeloosheid. Ik ging vaak slapen denkend aan wat hij nu aan het doen was, ergens op de wereld, mijn mooie perfecte broer die ik niet kende maar misschien ooit zou ontmoeten. Op een middag klopte de politie aan de deur. Ze schreeuwden als in een film: “Doe open, politie!” Ik zei tegen me zelf: “dit is het, het is afgelopen, ik heb teveel gelogen, ze komen me arresteren.” Ik deed een badjas aan en ontgrendelde alle sloten.

 

Pg.25

Ze waren veel minder boos dan ik dacht en vroegen zelf beleefd of ze binnen mochten komen. Ik wilde me ook liever aankleden voor ik naar de gevangenis ging. In de kamer pakte de inspecteur mijn hand en zei zachtjes tegen me: “Mijn jongen, we hebben slecht nieuws voor je. Je vader is dood.” Ik weet niet wat me het meest verbaasde, de dood van mijn vader of de beleefdheid van de agent. In elk geval liet ik me in de stoel vallen. “Hij is bij Marseille voor de trein gesprongen.” Ook dat was vreemd, om dat in Marseille te doen. Overal zijn treinen. Er zijn er net zoveel, misschien meer zelf in Parijs. Ik begreep echt niets van mijn vader. Alles wijst erop dat je vader wanhopig was en vrijwillig een eind aan zijn leven heeft gemaakt. Een vader die zelfmoord pleegt hielp niet om me mezelf beter te laten voelen. Uiteindelijk vroeg ik me af of ik niet liever een vader had die me verlaten had, dan kon ik tenminste denken dat hij verteerd werd door verdriet. De politiemensen leken mijn stilzwijgen te begrijpen. Ze zagen de lege bibliotheek, het sinistere appartement ronden hen en dachten: “Oef, over een paar minuten zijn we hier weg.” “Wie moeten we waarschuwen jongen.” “Toen had ik eindelijk een adequate reactie. Ik stond op en zocht het lijstje met de vier namen die hij bij zijn vertrek had achtergelaten. De inspecteur stak het in zijn zak. “We zullen je aan de gemeentelijke hulpdienst toevertrouwen.” Hij kwam naar me toe, kijkend als een geslagen hond en toen voelde ik dat hij een rotstreek met me ging uithalen. “Nu moet ik je iets moeilijks vragen, je moet het lichaam identificeren.” Dat was mijn alarmsignaal. Ik begon te brullen alsof ze op een knop drukten.

 

Pg.26

De politiemensen schoven om me heen, probeerden me te stoppen. Geen kans, ik kan me niet meer inhouden. Mijnheer Ibrahim was perfect. Hij hoorde mijn kreten en kwam boven begreep meteen de situatie en zei dat hij naar Marseille zou gaan om het lichaam te identificeren. Eerst aarzelden de politie omdat hij Arabisch was, maar toen ik opnieuw begon te brullen accepteerden ze mijnheer Ibrahims voorstel. Na de begrafenis vroeg ik aan mijnheer Ibrahim: “Hoe lang heeft u er over gedaan om mijn vader te begrijpen?” “Sinds Cabourg maar Momo, je hoeft dat niet te willen bij je vader.” “Ohja, waarom. Een vader die me het leven bedierf, me verliet en zelfmoord pleegde, dat is een schat van vertrouwen voor het leven. En nu hoef ik hem ook niet te willen?” “Je vader was geen voorbeeld voor zichzelf. Hij verloor zijn ouders doordat ze in kampen door de nazi’s werden vermoord toen hij nog heel jong was. Hij kon zich daar niet overheen zetten. Misschien voelde hij zich schuldig dat hij nog leefde. Hij eindigde niet voor niets voor een trein.” “Oh, waarom dan?” “Zijn ouders werden op de trein gezet om te sterven. Misschien heeft hij altijd naar zijn eigen trein gezocht. Dat hij niet de kracht had om te leven kwam dat niet door jou Momo, maar door alles wat wel en niet gebeurd voor jou tijd.” Daarna stopte mijnheer Ibrahim wat geld in mijn zak. “Hier, ga naar Rue de Paradis. De meisjes vragen of zich af waar jouw boek voor hen is.” Ik veranderde het hele appartement in de blauwe straat. Mijnheer Ibrahim gaf me verf en kwasten. Hij gaf me ook adviezen om de sociale hulpverlening gek te maken en zo tijd te winnen. Op een middag toen ik de ramen had opengezet om de  verflucht kwijt te raken kwam er een vrouw de kamer binnen.

 

Pg.27

Ik wist niet waarom, maar door haar geremdheid, haar aarzelingen en de manier waarop ze niet tussen de krukjes door durfde te lopen en vlekken probeerde te vermijden had ik meteen door wie zij was. Ik deed alsof ik druk aan het werk was. Ze schraapte zacht haar keel. Ik speelde verbazing. “Wat zoekt u?” “Ik zoek Mozes.” Zei mijn moeder. Het was raar dat ze moeite had mijn naam uit te spreken, alsof ze het niet uit haar kreeg. Ik permitteerde me de luxe haar te kwetsen. “Wie bent u?” “Ik ben zijn moeder.” Die arme vrouw, ik had medelijden met haar. Ze was in verlegenheid. Ze had zichzelf vast geweld moeten aandoen om hier te verschijnen. Ze keek me intens aan, proberend mijn trekken te herkennen. Ze was, heel bang. “En jij, wie ben jij?” “Ik?” Ik had zin om me rot te lachen. Ze had geen idee hoe ze zich moest gedragen na dertien jaar. “Ik, ik heet Momo.” Haar gezicht spleet. Ik voegde er voor de lol aan toe: “Dat is een afkorting voor Mohammed.” Ze werd nog bleker van kleur dan de plinten. “Oh, dus jij bent niet Mozes?” “Oh nee, vergis u niet mevrouw. Ik ben Mohammed.” Ze slikte. Eigenlijk was ze niet ontevreden. “Maar is hier geen jongen die Mozes heet?” Ik had zin om te antwoorden: “Ik weet het niet, u bent zijn moeder, u zou het moeten weten.” Maar op het laatste moment hield ik me in omdat de arme vrouw niet erg vast op haar benen leek te staan.

 

Pg.28

In plaats hiervan vertelde ik haar een leugentje om bestwil. “Mozes is vertrokken mevrouw. Hij was het hier zat, hij had geen fijne herinneringen.” “Oh?” Ik vroeg me af of ze me geloofde. Ze leek me niet overtuigd. Misschien was ze toch niet zo stom als ze eruit zag. “En wanneer komt hij terug?” “Geen idee, toen hij vertrok zei hij dat hij zijn broer ging zoeken.” “Zijn broer?” “Ja, Mozes had een broer.” “Oh ja?” Ze zag er onthuts uit. “Ja, zijn broer Popol.” “Popol?” “Ja mevrouw, Popol is zijn oudere broer.” Ik vroeg me af of ze me voor de gek hield. Of dat ze echt dacht dat ik Mohammed was. “Maar ik heb nooit een kind gehad voor Mozes. Ik heb nog nooit over een Popol gehoord.” Toen begon ik me ineens slecht te voelen. Ze merkte het, ze wankelde zo erg dat ze op een stoel moest gaan zitten en ik deed hetzelfde aan mijn kant. We bekeken elkaar zwijgend zittend in de verf lucht. Ze bestudeerde me. Er was niet aan mij dat haar ontging. “Zeg eens Momo… Mohammed. Zeg eens Mohammed. Zal je Mozes weerzien?” “Misschien.” Ik zei het heel neutraal. Ze bekeek me onderzoekend door haar wimpers. Ze kon me onder de loep nemen wat ze wou, ze zou niets uit mijn loskrijgen, ik was erg zelfverzekerd.

 

Pg.29

“Als je Mozes op een dag terugziet, zeg hem dan dat ik erg jong was toen ik met zijn vader trouwde, dat ik alleen met hem trouwde om thuis weg te komen. Ik heb nooit van Mozes vader gehouden. Maar ik ben er wel klaar voor om van Mozes te houden. Alleen heb ik nu een andere man. Je vader…” “Pardon?” “Ik bedoel Mozes vader heeft tegen me gezegd: “Ga en laat Mozes bij mij anders…” Ik ben vertrokken. Ik wilde liever een ander leven, een gelukkig leven.” “Dat is zeker beter.” Ze liet haar oogleden zakken. Ze naderde me. Ik voelde dat ze me wilde omhelzen, maar deed alsof ik het niet begreep. Ze vroeg me met smekende stemmetje: “Zal je het Mozes zeggen?” “Als ik kan.” Dezelfde avond ging ik opnieuw naar mijnheer Ibrahim en zei ik spotten: “Nou, wanneer gaat u me adopteren?” Hij antwoordde net zo spottend: “Vanaf morgen als je wilt Momo.” We hebben hard moeten vechten. De officiële wereld, die van de stempels, de goedkeuringen, de functionarissen die boos werden als je ze wekte, niemand wilde iets met ons te maken hebben. Maar niets ontmoedigde mijnheer Ibrahim. “Nee hebben we Momo, ja kunnen we krijgen.” Mijn moeder, met behulp van de maatschappelijk werkster, accepteerden uiteindelijk de aanpak van mijnheer Ibrahim.

 

Pg.30

“En uw eigen vrouw mijnheer Ibrahim, vind zij het goed?” “Mijn vrouw is teruggegaan naar ons thuisland goed lang geleden. Ik doe wat ik wil ik wil. Maar als je wilt kunnen we haar komende zomer opzoeken.” De dag dat we de papieren kregen die betekenden dat ik voortaan de zoon van de vader die ik had uitgekozen was besloot mijnheer Ibrahim dat we een auto gingen kopen om het te vieren. “We gaan reisjes maken Momo, en deze zomer gaan we samen naar de gouden croissant. Ik laat je de zee zien waar ik vandaan kom.” “Hoeven we daar niet met een vliegend tapijt heen?” “Pak een catalogus en zoek een auto uit.” “Goed pappa.” Het is raar hoe je met dezelfde woorden verschillende gevoelens kan hebben. Toen ik pappa zei tegen mijnheer Ibrahim werd mijn hart vrolijk, ik kreeg weer moed. De toekomst glansde. We zijn naar de garage gegaan. “Ik wil dit model kopen. Mijn zoon heeft hem uitgezocht.” Mijnheer Ibrahim was nog erger dan ik. Hij gebruikte “mijn zoon” in elke zin alsof hij zojuist het vaderschap had uitgevonden. De verkoper begon ons de technische gegevens van de motor uit te leggen. “Doe geen moeite, ik zeg u dat ik deze wil hebben.” “Hebt u een rijbewijs mijnheer?” “Natuurlijk.” En mijnheer Ibrahim haalde uit zijn portemonnee een Marokkaans document dat op zijn minst uit de tijd van Egyptenaren stamde. De verkoper bekeek het papiertje angstig, ten eerste omdat de meeste letters uitgewist waren, vervolgens omdat het in een taal was die hij niet kende. “Is dit een rijbewijs?” “Kan u dat niet zien?” “Goed. Welnu, u kunt in meerdere termijnen betalen. Bijvoorbeeld gedurende drie jaar, u moet dan…” “Als ik u zeg, dat ik een auto wil kopen dan is dat precies wat ik wil. Ik betaal contant.”

 

Pg.31

Hij was erg geërgerd, mijnheer Ibrahim. De verkoper beging blunder na blunder. “Goed, schrijf ons een cheque voor…” “Nu is het genoeg. Ik zei u dat ik contant betaal. Met geld... echt geld.” En hij legde bundels geld op tafel. Prachtige bundels oude biljetten in plastic zakjes. De verkoper stikte bijna. “Maar… Maar…. Niemand betaald met geld… Dat… Dat kan niet.” “Hoezo, is dit hier geen geld? Ik heb het wel aangenomen voor mijn kassa, waarom u dan niet? Momo, zijn we wel de goede zaak binnengegaan?” “Goed, dan doen we het zo. Over vijftien dagen staat de auto tot u beschikking.” “vijftien dagen? Maar dat is onmogelijk, dan kan ik wel dood zijn.” Twee dagen later werd de auto bij de kruidenierszaak afgeleverd, hij was sterk, mijnheer Ibrahim. Nadat hij was ingestapt raakte mijnheer Ibrahim zachtjes alle knopjes aan met zijn lange vingers. Toen veegde hij over zijn voorhoofd, hij zag wat groen. “Ik weet het niet Momo.” “Maar u hebt toch les gehad?” “Ja, heel lang geleden met mijn vriend Abdullah, maar…” “Maar?” “Maar de auto’s waren toen nog heel anders. Hij had echt moeite om te ademen, mijnheer Ibrahim. “Mijnheer Ibrahim zeg eens, de auto’s waarin u leste werden die soms getrokken door paarden?” “Nee kleine Momo, door ezels.” “En u rijbewijs laatst, wat was dat dan?” “Eh, een oude brief van mijn vriend Abdullah die me vertelde hoe de oogst was geweest.”

 

Pg.31

“Goed, das geen probleem.” “Wat je zegt Momo.” “Staat er geen truc in uw Koran, zoals gewoonlijk, die dit kan oplossen.” “Wat denk je Momo, de Koran is geen mechanisch handboek! Het is bedoeld voor geestelijke zaken, niet voor schroot. En trouwens, in de Koran reisden ze per kameel.” “Maak u zich niet druk mijnheer Ibrahim.” Uiteindelijk besloot mijnheer Ibrahim dat we samen lessen zouden nemen. Omdat ik nog niet oud genoeg was nam hij officieel les terwijl ik op de achterbank zat zonder iets te missen van de instructies van de leraar. Zo gauw de lessen waren afgelopen vertrokken we naar onze auto en gin ik op de bestuurdersplaats zitten. We reden door nachtelijk Parijs om het drukke verkeer te vermijden. Ik kreeg het steeds beter onder de knie. Eindelijk werd het zomer en gingen we op weg, duizenden kilometers. We kruisten door heel Zuid-Europa met open ramen. We gingen naar het Midden-Oosten. Het was ongelofelijk hoe interessant het universum was als je met mijnheer Ibrahim reisde. Terwijl ik me aan het stuur vastklemde en me concentreerde op het rijden beschreef hij me het landschap, de lucht, de wolken, de dorpen en de bewoners. Het gebabbel van mijnheer Ibrahim, zijn stem dun als vloeipapier, het gekruide accent, zijn beelden, zijn uitroepen, de verassingen gevolgd door de meest duivelse gewiekstheden, was voor mij de weg die leidde van Parijs naar Istanbul. Ik had Europa niet gezien, ik had het gehoord. “Oh, kijk Momo, we zijn bij de rijken, kijk, er zijn vuilnisbakken.” “Hoezo vuilnisbakken?” “Als je wilt zien of je naar een rijke of arme omgeving bent kijk je naar vuilnisbakken. Als je geen vuilnis en geen vuilnisbakken ziet is het een heel rijke buurt. Zie je geen vuilnis maar wel vuilnisbakken dan is het een rijke buurt. Zie je vuilnis naast de vuilnisbakken dan is het rijk noch arm, maar toeristisch.    

 

Pg.33

Als je vuilnis ziet zonder bakken dan is het er arm. En als mensen in het vuilnis leven is het er heel arm. Hier is het rijk. “Klopt, dit is Zwitserland.” “Ah nee, niet via de snelweg Momo. Snelweg wil zeggen: erlangs rijden en niets zien. Dat is voor imbecielen die alleen maar zo snel mogelijk van A naar B willen. Wij doen niet aan geometrie, wij reizen! Vind voor mij de kleine weggetjes die goed laten zien wat er te zien is.” “Je kunt wel zien dat u zelf niet rijdt mijnheer Ibrahim.” “Luister Momo, als je niks wilt zien neem je het vliegtuig zoals de rest van de wereld.” “Is het hier arm mijnheer Ibrahim.” “Ja, dit is Albanië.” “En daar?” “Stop de auto! Voel je het? Je voelt het geluk, dat is Griekenland. De mensen staan stil, ze nemen de tijd ons langs te zien rijden, ze leven. Weetje Momo, ik heb mijn leven lang veel  gewerkt, maar ik heb rustig aan gewerkt, goed de tijd genomen. Ik wilde geen omzet draaien of rijen klanten zien. Traagheid, dat is het geheim van geluk. Wat wil je later doen?” “Ik weet het niet mijnheer Ibrahim. Iets met in- en export.” “in- en export?” Daar had ik een punt gemaakt, ik had een toverwoord gevonden. “Import-export” Mijnheer Ibrahim stond met de mond vol tanden. Het was een serieus woord en tegelijkertijd avontuurlijk. Een woord dat vertelde van reizen, boten, verpakken, zakelijke statistieken, een woord even zwaar als de lettergrepen, die het lieten horen “import-export”. “Ik stel u voor aan mijn zoon Momo die ooit in de import en export gaat werken.” We hadden veel lol. Hij liet me religieuze monumenten binnengaan met een blindoek voor om me de juiste religie te laten raden aan de hand van de geuren.

 

Pg.34

“Hier ruikt het naar kaarsen, dat is katholiek.” “Juist, Sint Antonius.” “Hier ruik ik wierook, orthodox.” “Dat is waar, dit is Saint Sophie.” “En hier ruikt het naar voeten, dat is muzelman, nee echt, dit stinkt vreselijk.” “Wat! Dit is de blauwe moskee. Een omgeving die naar lichamen ruikt, is dat te min voor jou? Een plaats van gebed die ruikt naar mensen, gemaakt voor mensen met mensen erin, walg je daarvan? Jij hebt Parijse ideeën jij. De lucht van sokken stelt mij juist verrast. Het zegt me dat ik niet meer ben dan mijn buurman. Ik ruik mezelf, ik ruik ons allemaal, dus voel ik mezelf al beter.” Bij vertrek uit Istanbul sprak mijnheer Ibrahim weinig. Hij was ontroerd. “Binnenkort komen we bij de zee waar ik vandaan kom.” Elke dag wilde hij dat we langzamer reden. Hij wilde genieten. Hij was ook bang. “Waar is de zee waar u vandaan komt mijnheer Ibrahim? Laat het me zien op de kaart.” “Ach, verveel me niet met je kaarten Momo, we zitten hier niet in school.” We stopten in een bergdorpje. “Ik ben blij Momo. Jij bent hier en ik weet wat er in mijn Koran staat. Nu neem ik je mee dansen.” “Dansen mijnheer Ibrahim?” “Dat moet. Beslist. Het hart van de mens is als een vogel in de kooi van het lichaam. Als je danst zingt het als een vogel die versmelt met God. Kom we gaan naar de tekké” “hoezo?” “Grappig, een dansing!” zei ik terwijl we over de drempel stapten. “Een tekké is geen dancing, het is een klooster. Momo, trek je schoenen uit.” En daar, voor de eerste keer, zag ik de draaiende mannen.

 

Pg.35

De rondtollende monniken droegen witte zware, soepele gewaden. En de monniken veranderden in tollen. “Zie je Momo, ze draaien om zichzelf heen, draaien om hun hart heen waar de zetel van God is. Het is een gebed.” “Noemt u dat een gebed?” “Natuurlijk Momo. Ze verliezen al hun aardse banden, die zwaartekracht die evenwicht wordt genoemd, ze zijn fakkels die branden in een groot vuur. Probeer het Momo, volg mij.” En we begonnen te tollen. Tijdens de eerste draaien zei ik bij mezelf: Ik wil niet meer gescheiden worden van mijn vader. Op het eind dacht ik: Trouwens, mijn moeder had eigenlijk geen keus toen ze…” “En Momo, voel je je goed?” “Ja, ongelofelijk.” Mijn haatgevoelens vloeiden weg. Als de trommels niet waren gestopt had ik misschien de zaak met mijn moeder opgelost. “Het was echt fijn om te bidden, mijnheer Ibrahim, zelf als ik liever bad met mijn gympen aan.” Hoe zwaarder lichaam werd, hoe lichter de geest. Vanaf die dag stopten we vaak om in tekkés te dansen die mijnheer Ibrahim wist te staan. Hij draaide soms niet, hij hield het bij het drinken van een thee die je sibieel liet zien, maar ik, ik tolde als een bezeten. ’s Avonds op de dorpspleinen probeerde ik wat met de meisjes te praten. Ik deed erg mijn best maar het lukte slecht, terwijl mijnheer Ibrahim, die niest deed behalve lachend een anijsborrel drinken, met zijn rustige voorkomen binnen een uur iedereen rondom zich had. “Je verplaatst je teveel Momo. Als je vrienden wilt moet je niet te veel rondzwerven.” “Mijnheer Ibrahim, vindt u mij knap?”

 

Pg.36

“Heel knap Momo.” “Nee, dat is niet wat ik bedoel. Denkt u dat ik aantrekkelijk genoeg ben voor meisjes zonder te hoeven betalen?” “Over een paar jaar betalen ze voor jou!” “Want… Momenteel… Is de markt wat slapjes.” “Tuurlijk Momo, heb je door hoe je je gedraagt? Je lijkt te zeggen: “Heb je gezien hoe knap ik ben?” Dan lachen ze je uit. Je moet ze aankijken alsof je zegt: “Ik heb nog nooit iemand zo mooi als jij gezien”  Voor een normale man als jij en ik, ik bedoel geen Alain Delou of M arlon Brando. Het is door haar schoonheid te zien dat je een vrouw vindt.” We keken naar de zon tussen de bergen die de lucht paars kleurde. Pappa staarde naar de nachtster. “Er is een ladder voor ons gezet om te ontsnappen Momo. De mens was eerst een stof, toen een plant, toen een dier (dat moet je niet vergeten, je kunt dat zo opnieuw worden.) en daarna is hij mens geworden door kennis, verstand en geloof. Stel je de weg die je gister over stak voor! Toen werd je meer dan een mens, je zult een engel worden. Je was los van de aarde. Als je danst voel je je ook zo. Maar in elk geval herinner ik me niets.” “Weet u nog dat u een plant was mijnheer Ibrahim?” “Waarom denk je dat ik uren stil kan zitten op mijn krukje voor de winkel?” Later kwam de beroemde dag dat mijnheer Ibrahim aankondigde dat we Abdullah zouden ontmoeten. Hij was helemaal van streek, als een klein jongetje, hij wilde eerst alleen zijn en vroeg me te wachten onder een olijfboor. Het was rustuur, ik wiel in slaap onder de boom. Toen ik wakker werd was de dag al bijna om. Ik had mijnheer Ibrahim om middernacht verwacht.

 

Pg.37

Ik liep tot aan het volgende dorp. Toen ik op het dorpsplein aankwam kwamen de mensen op me afgerend. Ik verstond hen niet, maar ze praatten snel tegen me en leken me te kennen. Ze namen me mee naar een groot huis. Ik doorkruiste eerst een grote zaal waar groepjes vrouwen gehurkt zaten te jammeren. Toen brachten ze me bij mijnheer Ibrahim. Hij zat helemaal onder het bloed, wonden en blauwe plekken. De auto stond tegen de muur. Hij zag er erg zwak uit. Ik wierp me op hem. Hij opende zijn ogen lachte. “Momo, de reis eindigt hier.” “Maar nee, we zijn nog niet bij uw geboorte zee.” “Ik ben er aangekomen, alle takken van de rivier stromen in dezelfde zee. De enige zee.” Dat maakte me bang. “Momo. Ik weet wat er in mijn Koran staat.” Dat had hij niet moeten zeggen. Die zin herinnerde me teveel aan goede herinneringen en ik begon opnieuw te snikken. “Momo, je huilt om jezelf, niet om mij. Ik, ik heb geleefd, lang geleefd. Ik heb een vrouw gehad die allang dood is maar van wie ik nog steeds heel veel houd. Ik heb mijn vriend Abdullah gehad, die jij van mij moet groeten. Mijn kleine winkeltje liep goed. De blauwe straat was een mooie straat, zelfs al was hij niet blauw. En toen kwam jij...” Om hem een plezier te doen slikte ik mijn tranen in. Ik deed moeten en klets: Glimlach! Hij was tevreden. Alsof hij ineens minder pijn had. Klets: Glimlach! Hij sloot zachtjes zijn ogen. “Mijnheer Ibrahim!” Stilte. “Maak je geen zorgen. Ik ga niet dood Momo, ik ga naar het oneindige.”

 

 

Pg.38

Afgelopen.. Ik bleef daar een poosje. Met zijn vriend Abdullah praatte ik veel over pappa. Ik tolde ook veel rond. Mijnheer Abdullah was net als mijnheer Ibrahim, maar dan een geletterde mijnheer Ibrahim vol vreemde woorden, met gedichten in zijn hart, een mijnheer Ibrahim die meer tijd had doorgebracht met lezen dan met het regelen van de kassa. De uren dat we rondtolden in de Tekké, hij noemde het de chemie van de dans, de dans die koper in goud veranderde. Hij citeerde vaak Rumi. Hij zei: “Goud heeft de steen der wijzen niet nodig, maar koper wel. Verbeter jezelf. Wat levend is, laat het sterven. Het is je lichaam wat dood is, maak dat weer levend. Het is je hart wat er is, gooit het weg. Het is van de wereld nu wat er niet is, laat het komen. Het toekomstige leven wat bestaat, vernietig dat. Het is de passie wat niet bestaat, maak het. Het is de bedoeling.” Dus, ook vandaag als het niet mis gaat draai ik rond. Ik draai één hand naar de hemel en ik draai. De hemel draait boven met me mee. Ik ben niet meer mezelf maar een atoom dat draait in de lengte alom. Zoals mijnheer Ibrahim zei: “Je intelligentie zit in je enkels en je enkels gebruiken is een manier van diep nadenken.” Ik kwam terug om te stoppen. Ik had me teruggeven aan God zoals mijnheer Ibrahim zei als hij met de zwervers praatte: “Ik  bedelde en ik sliep buiten en ook dat was een mooi cadeau” Ik wilde de biljetten niet uitgeven die mijnheer Ibrahim in mijn zak had gestopt toen hij me omhelsde vlak voordat hij vertrok. Terug in Parijs ontdekte ik dat mijnheer Ibrahim alles al had voorzien.

 

Pg.39

Hij had me meerderjarig gemaakt dus was ik vrij. Ik erfde al zijn geld, zijn winkel en zijn Koran. De notaris gaf me een grijze enveloppe en ik haalde voorzichtig het oude boek eruit. Eindelijk zou ik weten wat er in zijn Koran stond. In zijn Koran zaten twee gedroogde bloemen en een brief van zijn vriend Abdullah. Tegenwoordig ben ik Momo, iedereen in de straat kent mij. Uiteindelijk ben ik niet in- en export in gegaan, dat had ik alleen gezegd om mijnheer Ibrahim een beetje te imponeren. Mijn moeder komt me af en toe bezoeken. Ze noemt me Mohammed om me niet boos te maken en vraagt om nieuws over Mozes. Dat geef ik haar. Uiteindelijk heb ik haar verteld dat Mozes zijn broer Popol heeft teruggevonden en dat ze samen op reis zijn gegaan. En dat ik dacht dat ik ze niet snel terug zou zien. Misschien was het zelfs beter er niet meer over te praten. En na goed te hebben nagedacht… Ze is nog altijd voorzichtig met mij… Daarna fluisterde ze zacht: “Misschien is dat niet zo heel er. Je moet je kinderjaren achterlaten, de kinderjaren waarvan je moet genezen.” Ik zei haar dat ik geen verstand had van psychologie, wel van kruidenierswinkels. “Ik zou je graag eens voor het avondeten uitnodigen Mohammed. Mijn man wil je ook graag leren kennen.” “Wat voor werk doet hij?” “Leraar Engels.” “En u?” “Leraar Spaans.” “En welke taal spreken jullie onder het eten? Nee, ik maak een grapje. Ik vind het goed.” Ze bloosde van genoegen dat ik haar accepteerde. Echt waar, het was mooi om te zien: Het was alsof ik stromend water bij hen had geïnstalleerd. “Dus, het is waar? Je komt?” “Ja, ja.”

Hij had me meerderjarig gemaakt dus was ik vrij. Ik erfde al zijn geld, zijn winkel en zijn Koran. De notaris gaf me een grijze enveloppe en ik haalde voorzichtig het oude boek eruit. Eindelijk zou ik weten wat er in zijn Koran stond. In zijn Koran zaten twee gedroogde bloemen en een brief van zijn vriend Abdullah. Tegenwoordig ben ik Momo, iedereen in de straat kent mij. Uiteindelijk ben ik niet in- en export in gegaan, dat had ik alleen gezegd om mijnheer Ibrahim een beetje te imponeren. Mijn moeder komt me af en toe bezoeken. Ze noemt me Mohammed om me niet boos te maken en vraagt om nieuws over Mozes. Dat geef ik haar. Uiteindelijk heb ik haar verteld dat Mozes zijn broer Popol heeft teruggevonden en dat ze samen op reis zijn gegaan. En dat ik dacht dat ik ze niet snel terug zou zien. Misschien was het zelfs beter er niet meer over te praten. En na goed te hebben nagedacht… Ze is nog altijd voorzichtig met mij… Daarna fluisterde ze zacht: “Misschien is dat niet zo heel er. Je moet je kinderjaren achterlaten, de kinderjaren waarvan je moet genezen.” Ik zei haar dat ik geen verstand had van psychologie, wel van kruidenierswinkels. “Ik zou je graag eens voor het avondeten uitnodigen Mohammed. Mijn man wil je ook graag leren kennen.” “Wat voor werk doet hij?” “Leraar Engels.” “En u?” “Leraar Spaans.” “En welke taal spreken jullie onder het eten? Nee, ik maak een grapje. Ik vind het goed.” Ze bloosde van genoegen dat ik haar accepteerde. Echt waar, het was mooi om te zien: Het was alsof ik stromend water bij hen had geïnstalleerd. “Dus, het is waar? Je komt?” “Ja, ja.”

 

Pg.40

Het was een beetje bizar dat twee leraren van de rijks educatie afspraken met Mohammed de kruidenier maar afijn, ik was geen racist. En nu… Het is een gewoonte geworden. Elke maandag ga ik naar hen toe met mijn vrouw en kinderen. Als ze lief zijn, mijn kinderen, noemen ze haar oma, de leraar Spaans, dat vindt ze geweldig; dat zie je. Soms is ze zo tevreden dat ze stiekem vraagt of ik dat niet raar vindt. Ik antwoord van niet, ik zie er de lol wel van in. Kijk, vandaag ben ik Momo die een kruidenierszaak runt in de blauwe straat die niet blauw is. Voor iedereen kom ik uit de Arabische hoek. Arabisch, dat wil zeggen. ’s Nachts en zondags geopend in de kruideniers business.

 

EINDE

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Anna

Anna

REDDER

1 maand geleden

Antwoorden

gast

gast

Henk

Henk

fking slecht, zelfs mijn zusje van 6 kan dit beter

2 maanden geleden

Antwoorden

gast

gast

Selena

Selena

Heel erg bedankt. Dit heeft me echt geholpen!

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Anoniem

Anoniem

Ik heb een enorme hulp gehad aan dit verslag. Ik moest het boekje lezen voor Frans, maar verstond er niet veel van. Daarom ben ik gaan zoeken naar een vertaling. Zo kon ik pagina's die ik niet begreep even nalezen in het Nederlands.

Wel stonden er af en toe wat schrijffouten in het verslag. Maar dat geeft niet, ik wou er gewoon even op wijzen.

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Frans suckt

Frans suckt

Not all heroes wear capes

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Tussiz

Tussiz

A M A Z I N G
HERO

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Rik Dilissen

Rik Dilissen

Super bedankt om dit te willen doen!

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

V.

V.

Er staat ergens op blz 8 volgensmij "mazelman". Ik neem aan dat dit vertaald is vanuit het franse "musulman". Het betekend moslim, mazelman zegt me niks.

3 jaar geleden

Antwoorden

Marcel

Marcel

ja klopt

2 dagen geleden

gast

gast

I.

I.

super! dankjewel!

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

K.

K.

Super handig! Bedankt!

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

vet bewdankt ik heb hier vele leuke aconden aan beleeft dus nogmaals velen malen dnalk

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

S.

S.

Is dit het hele boekje?

4 jaar geleden

Antwoorden

C.

C.

Ja :)

3 jaar geleden

gast

gast

K.

K.

supperr!!!!! Dankjewel ik heb vandaag de toets dus echt handig!!!

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

T.

T.

Awesome, echt heel handig!
Het is waar dat het boek er is in het nederlands, maar als je geen tijd meer hebt om het te kopen omdat je morgen de toets erover hebt (slim van me hè) of als je er simpelweg het geld niet voor hebt of voor wilt betalen is dit super handig!
Dankjewel!

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

Dit boekje is er ook gewoon in het Nederlands, veel makkelijker xD wel opletten dat de namen in het Frans soms wat anders zijn dan in het Nederlands.

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast