H.1 t/m 3

Beoordeling 8.2
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • 4e klas vwo | 1531 woorden
  • 5 augustus 2008
  • 6 keer beoordeeld
Cijfer 8.2
6 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Maak jij weleens gebruik van de achteraf betalen-optie bij een webshop?

Voor veel jongeren is het de normaalste zaak van de wereld, maar het kan ook risico’s met zich meebrengen. Zo belandde Maura in de schulden: 'Wat begon met achteraf betalen eindigde met een schuld van zo’n 3.000 euro.'

Lees nu het interview
Hoofdstuk 1:

Amfitheater theater of stadion met een ronde of ovaalvormige plattegrond. Rond een speelveld, de arena, zijn de zitplaatsen trapsgewijs aangebracht, zoals bij een tribune. Bouwtype voor het eerst door Romeinen.
Architraaf horizontale balk die rust op 2 zuilen in de klassieke bouwkunst en hiervan afgeleide bouwstijlen.
Aulos blaasinstrument gemaakt van hout, ivoor of metaal en heeft een dubbelriet (als de hobo). Men blies vaak op 2 auloi tegelijk. De aulos heeft een schrille, doordringende klank en werd gebruikt bij het zingen van dithyrambische poëzie in de verering van Dionysus
Consonant een samenklank die niet om een oplossing vraagt, met Als gevolg rust en ontspanning. In tegenstelling tot : dissonant.

Corinthische orde bouworde toegepast door de Grieken maar vooral Populair bij de latere Romeinse bouwkunst. Kenmerkend zijn gladde zuilen, zonder cannalures of groeven, en kapiteeldecoraties gebaseerd op bladeren.
Dissonant een samenklank die ‘scherp’ klinkt. Er is zoveel spanning tussen de tonen, dat de samenklank om een oplossing vraagt. In tegenstelling tot: consonant.
Dithyrambe gezongen en gedanst loflief op Dionysus, de god van de extatische bevrijding, de alcoholische roes en de wijn.
Dorische orde een van de oudste en meest voorkomende bouworden In de Griekse bouwkunst en hiervan afgeleidde bouwkunst. Kenmerkt zich door zware zuilen met cannalures en een eenvoudig kapiteel zonder decoraties.
Epos heldendicht

Halfzuil halve zuil die tegen een dragende pijler of muur is aangebouwd, half verzonken in muurvlak en wordt voortgezet in de ribben van het gewelf. Voornamelijk decoratieve functie.
Ionische orde bouworde toegepast door de Grieken en daarvan afgeleidde bouwkunst. Kenmerkend zijn slanke sierlijke zuilen en een kapiteel met aan 2 kanten spiraalvormige decoraties.
Kapiteel kopstuk van een zuil, pijler of pilaster. De verbreding van de zuil door het kapiteel heeft als functie het dragen van dwarsbalken of architraven.
Komedie vorm van drama dat zich vooral van de tragedie onderscheidt door een zekere toegeeflijke glimlach. Kenmerken: een lichtere intrige, een oppervlakkige
karaktertekening en een goede afloop.

Lier snaarinstrument bestaande uit een schild met geitenhoorns, een dwarsjurk en 5 tot 7 snaren. Solo-instrument en begeleidingsinstrument bij het zingen of voordragen van epische poëzie. Behoort tot de Apollo-cultus.

Muze benaming van de Griekse godinnen van de kunsten en wetenschappen: Clio (geschiedenis) Euterpe (lierdichter) Thalia (blijspel) Melpomene (treurspel) Terpsischore (dans en koorzang) Erato (minnedicht en mimiek) Polyhymnia (hymnen) Calliope (heldendicht) Urania (sterrenkunde)
Orchestra ronde open plaats voor het podium in een Grieks theater waar het koor zingt en danst.
Pantomime uitbeelden van een dramatische handeling uitsluitend door gebaren en mimiek, veelal ondersteund door muziek en vaak gecombineerd met dans en ballet.
Pilaster platte decoratieve toevoeging aan muurvlak ontleend aan de vorm van een zuil.
Scaena klein bouwwerk ter afsluiting van het toneel in de Griekse openluchttheaters.

Tragedie toneelspel met ernstige inhoud ontstaan in het midden van de 6e eeuw voor Christus in Athene. Bestaat uit een proloog gevolgd door 3 tot 5 bedrijven. Inhoud mythologisch. Vaste regels, zoals de eenheid in tijd, plaats en handeling. De tragedie als theatervorm is door de eeuwen heen altijd blijven bestaan, al dan niet in aangepaste vorm.
Zuil vrijstaande, verticale en cilindervormige ondersteuning. Soms ook als vrijstaand monument.

Hoofdstuk 2:


Altaar liturgische offertafel, centrale plaats van de eucharistieviering in de katholieke kerken.
Apocalyps laatste Bijbelboek met het visioen van Johannes. Het Laatste Oordeel is een onderdeel van dit visioen en is een bekend thema in de schilder en beeldhouwkunst.
Apsis overwelfde, halfronde nis of uitbouw waarmee het koos aan de oostzijde van de kerk wordt afgesloten.
Cisterciënzers kloosterorde gesticht eind 11e eeuw in Citeaux. Soberheid, in navolging van Christus, is kenmerkend voor leefwijze. Liturgie en de bouwstijl van de orde.
Cluniacenzers kloosterorde gesticht in Cluny. Invloedrijk in de 10e en 11e eeuw. Luxe en rijkdom, ter ere van God, is kenmerkend voor de leefwijze, liturgie en bouwstijl van de orde.

Dormitorium slaapzaal in een klooster.
Dwarsschip dwars op de lengte-as geplaatst gedeelte van de kerk. Het Kruispunt van het midden en dwarsschip heet de viering.
Evangelisten schrijvers van de 4 evangeliën.
Getijden officiële gebeden van de katholieke kerk die op vaste tijden de dag vullen.
Gregoriaans Liturgie het geheel van voorschriften en ceremonieën voor inrichting van de eredienst; de gebeden en zangen van de dienst. In de Middeleeuwen geheel gezongen.
Halfzuilen halve zuil die tegen een dragende pijler of muur is aangebouwd, half verzonken in de ribben van het gewelf. Voornamelijk decoratieve functie.
Kapellen deel van de kerk, toegevoegd aan kooromgang of zijbeuken, gewijd aan een heilige of ter nagedachtenis aan een bepaald persoon.

Koor in kerkelijke bouwkunst de benaming voor de ruimte tussen de viering en de apsis. Hier vindt de christelijke liturgie plaats en staat het altaar.
Kooromgang een rond het koor lopende gang in het verlengde van de zijbeuken. Langs de gang treffen we vaak straalkapellen aan. Vooral te vinden in bedevaartskerken.
Middenschip gedeelte van de kerk waar de gemeente zich verzamelt, geflankeerd door de zijbeuken.
Miniatuur oorspronkelijk schildering met omtrekslijnen aangegeven in rode verfstof. Illustratie in handschriften. Ook wel gebruikt als term voor een klein schilderijtje.
Narthex portaal of voorhal van een kerk.
Pelgrimages bedevaart. Tocht naar plaatsen waar heiligen worden vereerd of waar het goddelijke zich heeft geopenbaard. Het ondernemen van een pelgrimstocht is vaak een vorm van boetedoening: door de – vaak moeizame – tocht te ondernemen en bij het heiligdom te bidden, worden zonden vergeven.
Pijlers kolom. Al naar gelang de positie en type van de pijler wordt onder meer een onderscheid gemaakt tussen muurpijlers, hoekpijlers en dubbele pijlers.

Psalmen lied opgenomen in het Oude Testament en/of zoals het vertaald berijmd wordt gezongen in de christelijke kerk.
Scriptorium schrijfkamer, ruimte waar boeken worden gekopieerd in het klooster.
Solmisatie in de muziek toegepast hulpmiddel waarbij melodieën op de lettergrepen do-re-mi-fa-so-la-ti-do worden gezongen. De lettergrepen geven een relatieve toonhoogte aan.
Timpaan driehoekige ruimte ingesloten door de lijst van een fronton. Vaak voorzien van reliëfs.
Transept zelfde als dwarsschip.

Zijbeuken deel van een kerk of vergelijkbare ruimte, evenwijdig aan het middenschip en ervan gescheiden door een zuilenrij of in sommige gevallen door een wand.

Hoofdstuk 3:


Annunciatie Boodschap van aartsengel Gabriël aan Maria dat zij de heilige Geest zal ontvangen en moeder zal worden van Christus.
Ballate in de Middeleeuwen een soort verhalend danslied met volksliedkarakter, met coupletten en refrein.
Bedelorde religieuze orde waarvan de leden leven van giften van de burgerij in ruil voor diensten zoals het geven van onderwijs of het verzorgen van zieken: franciscanen, dominicanen, kapucijnen.
Bouwloge organisatie van ambachtslieden, architecten en bestuurders bij de middeleeuwse kerkbouw.
Cantus firmus een meestal bestaande, aan het gregoriaanse ontleende hoofdmelodie die als uitgangspunt gebruikt wordt in de polyfone compositietechniek.

Contratenor letterlijk: stem tegenover de tenor, toegevoegd aan de tenor.
Fresco muur of plafondschildering op een vers aangebrachte vochtige kalkondergrond met behulp van met water aangemaakte pigmenten.
Gewelf gebogen bovenste afsluiting van een ruimte; wordt meestal geconstrueerd uit stenen die zijdelings tegen elkaar steunen.
Hoofse liefde - benamingvoor de cultus ontstaan in het Frankrijk van de late middeleeuwen waarin de vrouw wordt aanbeden en bezongen
Kapelmeester leider van de kapel, dirigent.
Kathedraal kerk van de bisschopszetel.

Latijnse kruis kruisvormen komen als symbool of ornament in verschillende culturen voor. Plattegronden van kerken zijn vaak gebaseerd op kruisvormen.
Lijnperspectief wetmatige aanduiding van de ruimte, waarbij de regelmatige verkleining naar een verdwijnpunt op de horizon uitgangspunt is. Toegepast vanaf de
Renaissance.
Liturgisch drama uitbreiding van de liturgie met dialogen en andere theatrale middelen.
Luchtboog constructie in de vorm van een boog of een halve boog met de bedoeling de druk van gewelven en kapconstructie naar buiten af te leiden.
Madrigaal vocale compositie op wereldlijke tekst, meestal over De liefde, met polyfone en homofone passages. Geschreven in de landstaal, vooral Italiaans en Engels. Vaak a-capella gezongen
Martelaar iemand die gelden heeft omwille van het geloof. Ten tijde van de christenvervolging in het Romeinse Rijk was dit een eretitel.

Minnesänger benaming in Duitsland, ontstaan in de 12e en 13e eeuw voor zangers en muzikanten aan het hof die vooral de hoofse lieden bezingen - troubadours.
Mirakelspel middeleeuws theatergenre verwant met het liturgisch drama. Menselijke drama’s krijgen een ontknoping door tussenkomst van Maria of andere heiligen.
Motet vocale compositie op vooral geestelijke tekst, vaak polyfoon of a-capella.
Musica humana de muziek van de mens: met de menselijke stem voortgebracht.

Musica mundana hemelse muziek die een afspiegeling is van wetmatige verhoudingen en bewegingen in de kosmos of de schepping.
Passiespel spel, vooral in de late Middeleeuwen en vroege Renaissance, waarin het leiden van Christus het Hoofdthema is, voortzetting in de volkstaal van de Paas-liturgie.
Pinakels versierd element in de gotische architectuur in de vorm van een smalle, met piramide bekroonde schacht.

Polyfonie letterlijk: meerstemmigheid. Meerstemmige compositietechniek waarbij elke stem zich zelfstandig voortbeweegt en dus een zelfstandige melodie vormt. De harmonie is ondergeschikt aan het verloop van de stemmen.
Roosvenster rond venster in west- of transeptportaal vaak voorzien van gebrandschilderde ramen.
Skeletbouw constructiewijze waarbij alle dragende functies op een Geraamte worden overgedragen.
Spitsbogen boog gevormd door 2 elkaar snijdende cirkelsegmenten met gelijke straal: kenmerk van de gotiek.
Straalkapel kapel aan de kooromgang.
Troubadours benaming voor hoofse dichters in Frankrijk tussen het einde van de 11e eeuw en het begin van de 14e eeuw. Ze zijn letterlijk de makers van tekst en
melodie en trekken langs de hoven om hun gedichten en liederen ten gehore te brengen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.