Door Scholieren.com te bezoeken geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Ben je onder de 16? Zorg dan dat je toestemming van je ouders hebt om onze site te bezoeken. Lees meer over je privacy (voor het laatst bijgewerkt op 25 mei 2018). Akkoord Instellingen aanpassen
Onderzoeksbureau Markteffect doet een landelijk onderzoek naar studiekeuze. Alle Nederlandse scholieren kunnen meedoen. Als je 'm invult, verdien je gegarandeerd 2 euro. Klik hier!

Max Havelaar

Multatuli

1860

328

4 uit 5

6.3 / 10
5e klas vwo
  • Quinty
  • Nederlands
  • 5410 woorden
  • 3024 keer
    23 deze maand
  • 18 februari 2014

Hoofdstuk 1

Batavus Droogstoppel is hier aan het woord. Hij is een makelaar in koffie; Last&Co, Lauriergracht, no.37 (dit herhaalt hij heel vaak). Hij vertelt eerst een heel verhaal dat hij er niet mee eens is met toneelstukken enzovoort, want dat zijn allemaal leugens en dat klopt niet met de werkelijkheid. Hij zegt dat hij zelf deugdzaam is en daar niets voor vraagt. Hij sluit dit hoofdstuk af met de mededeling dat hij naar de beurs gaat.

Hoofdstuk 2

Batavus vertelt dat de beurs tegenviel. Dan vertelt hij hoe hij een oude vriend herkende toen hij in de Kalverstraat liep. Hij heeft hem ontmoet toen hij in elkaar werd geslagen door een Griek op de markt (hij was toen 16 jaar en de Griekse dochter 19 jaar), die vriend was toen nog maar 13 jaar. Die vriend van hem begint te praten en Batavus vindt het helemaal niet interessant. Die vriend, ‘Sjaalman’, wil hem om een gunst vragen. Batavus wil afslaan in de Kapelsteeg (ugh..) om hem te ontwijken.

Hoofdstuk 3

Hij komt erachter dan Sjaalman dichter en schrijver is, op zijn kantoor ontvangt hij een bericht met werken van Sjaalman. Hij is te arm om naar een uitgever te gaan en hij vraagt of Batavus hem wil financieren.  

Hoofdstuk 4

Hij kijkt de werken van Sjaalman door en ontdekt dat het niet alleen maar gedichten zijn. Er zijn veel boeken over veel verschillende onderwerpen. Batavus begrijpt niet alles en snapt niet waarom  Sjaalman over die dingen schrijft, zoals ‘Over Béranger als wijsgeer’. Hij weet niet wat hij met het pak aan moet. Hij kan het niet terugsturen, want hij weet het adres van Sjaalman niet. Hij kan ook niet zeggen dat het hem niet heeft geïnteresseerd, want sommige werken gaan over koffie. Hij kan het pak ook niet opnieuw dichtmaken hoe het aangekomen was. Batavus verwijdt hemzelf dat hij zomaar is afgeslagen in de Kapelsteeg.

Batavus overweegt Sjaalman in dienst te nemen in plaats van iemand anders. Hij krijgt zijn adres van Sjaalmans werkplek. Het huis is best wel armmoedig en Batavus wil daar zo snel mogelijk weg, want Sjaalman is niet eens thuis. Zijn kinderen vindt Batavus niet goed opgevoegd, want zijn zoon zegt niet eens ‘u’, maar ‘jij’, ook tegen de moeder.

Dan kondigt Batavus aan dat de volgende hoofdstukken van zijn boek heel saai zijn.

Hoofdstuk 5

De ikpersoon wordt in het begin nog niet genoemd, maar waarschijnlijk is dit Stern. Hij beschrijft de gebouwen en de omgeving van Java. Vervolgens beschrijft hij het bestuur. De meeste inwoners van Batavia zijn arbeiders, onderdanen aan de Nederlandse regenten daar. Het Nederlandse rechtssysteem geldt daar ook. Hij vertelt ook over hertogen en graven etc. Het klinkt allemaal best sarcastisch. Hij vindt dat er geen gelijkheid is. De opvolgers van de Regenten zijn meestal familieleden, maar dit is niet wettelijk vastgezet. Het was eerst een gunst en daarna een gewoonte geworden. De Regent in Azië heeft niet zoveel inkomen, want hij moet veel mensen onderhouden. Hij woont wel in een vorstelijk huis. Op blz.61 2e helft laat hij al merken dat hij het niet eens is met het cultuurstelsel. blz. 65 eind alinea: hij noemt een voorbeeld van misbruik. Er is ook een Nederlandse eed die je moet afleggen als ‘leider’, waarin staat dat je de inlandse bevolking moet beschermen tegen uitzuiging en knevelarij. Zie p.66: deze wordt vaak overschreden en Regenten worden nauwelijks aangeklaagd.

Hoofdstuk 6

Dit hoofdstuk gaat over de controleur Verbrugge. Hij is in ‘gesprek’ met de Regent van Lebak: Radhen Adhipatti Karta Natta Ngara. Het gesprek verloopt moeizaam, maar dan komt Duclari, een commandant van het kleine garnizoen te Rangkas-Betoeng. Hij is bevriend met Verbrugge. Het gesprek tussen de twee vrienden is in het Nederlands en de Regent verstaat dit dus niet.

Het blijkt dus dat de controleur Verbrugge en de assistent-resident Havelaar kent en dat is ongewoonlijk. Duclari vindt hem een rare gast, terwijl Verbrugge meent dat Havelaar een goed hart heeft. Dan komt er een koets aan, daarin zitten Max Havelaar, zijn vrouw en kinderen en nog een paar mensen, waarvan één man de vrouw helpt om uit te stappen. De schrijver beschrijft de vrouw als niet beeldschoon, maar ook niet het tegendeel. Ze hoorde wel in de hogere klassen thuis, maar ze bekommerde zich uit om uiterlijk.

Blz. 74/75/76 gaan over Max Havelaar en zijn vrouw hoe zij er fysiek uitzien. Max Havelaar is geduldig, soms naïef, snel van begrip, hij heeft veel kennis van verschillende wetenschappen en hij kan overal over praten, hij is eerlijk. Zie p.78 voor meer details.

Hoofdstuk 7

De assistent-resident Max Havelaar, de controleur, de resident en de Regent praten iets. Daarna wordt Havelaar met zijn familie naar de nieuwe woning gebracht, die twee maanden leegstond. Het was een woning waar de vorige assistent-resident woonde, die toen overleed. De controleur, Verbrugge, mocht toen daar intrekken maar dat deed hij niet in het geval hij weer snel weg moest.

Nadat ze zijn omgekleed in officiële kleding, wordt een plechtigheid gehouden, waar Havelaar een eed moet afleggen.

Tine (vrouw van Havelaar) en Havelaar hebben schulden gemaakt in Europa door zijn vrijgevigheid. Ze moeten dus heel erg zuinig doen met het geld en soms ziet dat voor anderen dat erg armmoedig uit. Havelaar hoopt lang in Lebak te blijven. Het was ook een klein beetje Tine’s schuld, want zij stemde overal mee in, zie blz.95. Het paar is gelukkig met hun nieuwe huis. Toen zij elkaar ontmoette, was Tine een wees en had ze bijna niets geërfd van haar ouders, Havelaar kwam erachter dat de ouders heel rijk zijn geweest.

Het hoofdstuk eindigt met een vooruitwijzing. ‘We zullen zien hoe ’t eenvoudige, schijnbaar onbewogen Lebak Havelaar meer kostte dan alle vorige uitspattingen van zijn hart tezamen genomen. Maar dit wisten zij niet! …’ Blz. 98

Hoofdstuk 8

Havelaar opent een vergadering. Hij houdt een verbluffende toepspraak in het Maleis. Hij gebruikt veel stijlfiguren in zijn praatje. Hij begint eerst met het groeten van alle personen. Dan zegt hij dat hij blij is dat hij in Lebak mocht werken, want het land is arm en dan kan hij veel doen. Hij vraagt aan zijn publiek of zij het erg vinden dat mensen die hier zijn geboren, liever ergens anders worden begraven, of zij het erg vinden dat er bijna niemand meer woont. Hij gebruikt ook vaak de naam Allah. Dan maakt hij even een pauze.

Zijn zoon Max komt ook even, maar die moet weer weg, want Havelaar wil verder met zijn toespraak. Vervolgens begint hij over rechtvaardigheid, over de eed die alle bestuurders hebben afgelegd, over de koning die het onrecht niet overal kan zien, omdat hij mijlen ver weg is, over dat hij echt recht wil schieden, zodat na zijn dood voorbijgangers en andere hem zullen herinneren als een rechtvaardig man. Weer neemt hij een pauze. Hij sluit de vergadering af met het verzoek hem als een vriend te zien, die onrecht wil bestrijden met hun hulp en bedankt ze dan. Dan gaan ze naar huis.

Havelaar ‘betrapt’ Verbrugge dat hij niets heeft gezegd over de schulden van de Regent en over allerlei andere verkeerde dingen. Havelaar verwijdt hem dat hij dat niet heeft gezegd, want hij is de controleur en hij is ook assistent-resident geweest. Verbrugge zei niets, omdat hij bang was dat hij de enige was. Maar de heer Slotering (vorige assistent-resident), had dezelfde mening als Havelaar en hij durfde wel initiatief te nemen. Havelaar zei dat Verbrugge bij hem aan moest sluiten.

Als er dan een onderzoek kwam naar het misbruik van de Regent, ontkende hij alles en niemand durfde tegen hem in te gaan.

Hoofdstuk 9

De schrijver, SJaalman, kondigt aan dat we nu een heel mooi hoofdstuk gaan lezen. Ook verwijst hij naar een figuur uit een ander boek, Sara Burgerhart.

Dit hoofdstuk speelt zich nu weer af bij Batavus Droogstoppel, hij is niet tevreden met het boek wat Stern ervan heeft gemaakt. Ook is hij teleurgesteld, omdat er op Lebak geen koffie wordt verbouwd.

Hij is ook een beetje boos op zijn zoon Frits. Zijn gedrag is niet hoe Batavus het wil. Hij herhaalt drie keer dat hij goed moet doen hoe hij het zegt, want anders eindigt hij als Sjaalman, die bijna niets heeft omdat hij zich slecht heeft gedragen in zijn jeugd o.a. (door een Griek te slaan) en omdat hij niet weet hoe laat het is (een teken van armoede?).

Blz.120-124 zijn nogal vaag. Het komt erop neer dat de Nederlanders denken dat ze de mensen in Nederlands-Indië moeten helpen, zodat ze later niet in de hel komen. Zij denken dat het goed is wat zij doen.  Zo denkt Batavus ook.

Hoofdstuk 10

Batavus is dus niet blij hoe Stern schrijft. Hij geeft in dit hoofdstuk commentaar op een paar gedichten/verhalen. Dat er sommige plekken waar je naar toe moet gaan alleen daar staan, omdat ze rijmen, dat Stern niets degelijks schrijft over de koffie in het boek, dat door Batavus Stern goed terecht is gekomen (Sterns vader is heel rijk).

Hoofdstuk 11 (vage verhalen, lees opnieuw)

Het diner met Verbrugge en Duclari verloopt moeizaam. Havelaar vertelt zijn reisverhalen en zegt dat hij nooit meer watervallen wil zien, ze hebben geen geschiedenis (of zoiets, zoek op).

Ook stelt hij rare vragen aan Duclari met een verhaal erbij: Als je in een kamer zit gevangen, en er is een opening waar je door heen wil kijken, maar hij is net te hoog. Je pakt een tafel met daarop een stoel met slechts drie poten. Je gaat op de stoel staan en je roept ‘Oh God’ en vervolgens val je. Havelaar vraagt waarom Duclari dan valt. Hij antwoordt dat de stoel maar drie poten heeft. Havelaar denkt juist andersom. De poot van de stoel is gebroken omdat je gevallen bent. Door de opening zag je een vrouw die op het moment stond onthoofd te worden, je ‘moest’ wel vallen.

Hij gaat verder: Als je voor een schilderij staat met dezelfde vrouw en dezelfde beul. Je krijgt medelijden met de vrouw, maar ook de beul. Je krijgt pijn aan je rechterarm want de beul blijft die bijl vasthouden. Ook voel je me met de vrouw, want zij staat al heel lang te wachten totdat ze onthoofd wordt, maar er gebeurt niets, want het is een schilderij.

Lees dit stuk nog en keer, vooral over Arles?

Dan vertelt Havelaar over een meisje. Blz.138 verder.

Vanaf. 143 een verhaal over een man die nooit tevreden is. Hij wenst eerst rijk te zijn, dan koning, dan de zon, dan een wolk, dan een rots, dan een beeldhouwer. Hij is dan waar hij eerst was. Telkens wilde hij iets anders zijn, omdat die meer macht had (dacht hij). Op het einde is hij tevreden.

Hoofdstuk 12

Havelaar is elke keer aan het woord geweest en Verbrugge wil dan een verhaal vertellen over de gestolen kalkoen, maar H. kent het einde al. Dan had Tine aan de bediende nog gevraagd om iets klaar te maken, maar dat hoeft niet meer. Havelaar vraagt dan aan Verbrugge en Duclari of ze een aandeel in het omelet willen of een historie. Ze kunnen niet goed kiezen.

Havelaar begint dan het verhaal te vertellen dat hij een kalkoen had gestolen toen hij op Padang werkte (hij is daar nu geschorst), omdat de leider daar te veel onrechtvaardig had verkregen.

Blz. 149-152 opnieuw.

Hoofdstuk 13

Duclari vraagt nu de echte rede waarom Havelaar geschorst was van Padang. Eerst werkte Havelaar in Natal, maar door fouten werd hij overgeplaatst naar Padang. Daar wilde hij naar de Gouverneur, maar die zei dat hij later terug moest komen. Havelaar kende bijna niemand in de plaats en vroeg aan een paar of ze hem onderdak of geld wilde lenen. Allen weigerde aan de controleur. Het bleek dus dat ze allemaal op de hoogte waren van de fouten die hij in Natal heeft gemaakt en hem dus niet meer vertrouwen. Een paar dagen later ontving hij ook een brief van de secretarie van de Gouverneur dat hij verdacht werd van ontrouwheid. Havelaar geeft een verklaring voor een paar, maar hij gaat op ‘onderzoek’ uit hoe dit eigenlijk tot stand is gekomen. Hij schrijft een brief terug met daarin een verzoek om hem te vergeven. Hij krijgt er een terug met als antwoordt dat hij geschorst is. Toen was Havelaar 23 jaar oud. Hij blijft nog 9 maanden in Padang (hij had geen geld en geen dak). Dan moet hij naar Batavia. Hij krijgt geld van Tine en betaalt een deel van zijn ‘schuld’ aan Natal.

Nu even is de schrijver aan het woord. Hij gaat iets vertellen over het huis van Havelaar.

De meeste huizen in Indië hebben geen verdiepingen. Dit is ook logischer dan in Nederland, want als je meer ruimte nodig hebt, zet je een kamer ernaast en niet er bovenop. Sjaalman beschrijft het huis van Havelaar als een plattegrond. Een langwerpige rechthoek met 21 ‘hokjes’, 3 breed en 7 lang. Zie blz.164. Bij het huis lag een ravijn (droge rivierbedding).

Havelaar wilde nog een bezoek brengen aan mevrouw Slotering, maar Tine had dat al gedaan. Mevrouw Slotering is erg bescheiden en spreekt alleen Maleis. Ze weigert deel te nemen aan de gezamenlijke maaltijden en dat ze ook geen gebruik wilde maken in Havelaars keuken om de spijzen gereed te doen maken wat onzin was, want de keuken was groot genoeg.

Hoofdstuk 14

Over Jang di Pertoean: http://multatuli-museum.nl/index.php?id=museumkenniscentrum-documentatie-multatuliencyclopedie-j

Kort: Volgens een verhaal zou Jang di Pertoean – Si Pamaga de opdracht hebben gegegeven om Soetan Salim (de controleur) te vermoorden. Waarom hij dit deed, antwoordde hij dat hij was omgekocht door Soetan Adam.

Uit een onderzoek/rechtszaak blijkt dat Si Pamaga helemal niet heeft geprobeerd iemand te vermoorden en dat hij ook helemaal geen Soetan Adam of Jang di pertoean heeft gekend. Dus dat betekent ook dat  Toeankoe van Natal niet uit het venster gevlucht was.

Havelaar was hierop ingegaan en heeft zich tegen die onnauwkeurigheid verzet. Daarom werd hij geschorst.

Ze praten nog iets verder over duelleren, totdat de zoon van Havelaar, Max een vlinder heeft gevangen. Havelaar zegt dat hij de vlinder vrij moet laten, want hij heeft een moeilijk leven doorstaan (als larve enz.). Dan gaan de gasten weg.

Verbrugge komt de volgend dag bij Havelaar op het kantoor, maar hij wist niet dat Havelaar na de gesprekken van de dag daarvoor naar Parang-Koedjang was gegaan, het district der ‘verregaande misbruiken’. Die ochtend was Havelaar nog teruggekeerd.

Het leven ging door en Max Havelaar was overdag vaak uit en werkte de halve nacht door op zijn bureau. Tine deed het huishouden en hield goed in de gaten wie er in de buurt van het huis kwam. De meubels uit Batavia waren eindelijk aangekomen. Ze moesten nog wel spaarzaam blijven leven.

Er was wel een ongeval, kleine Max durfde niet meer in de tuin te spelen, want er waren slangen. Havelaar loonde een beloning aan elk person die een slang ving. Op een gegeven moment moest hij daarmee stoppen, omdat hij te veel premie gaf. Max moest dus in de voorgalerij spelen. Tine was wel bang, want soms komen slangen ’s avonds het huis binnen voor de warmte.

Dan volgen er een paar bladzijden over de regering en hoe alles eigenlijk is in Indië en in Nederland. Dat de verslagen die zij moeten leveren aan de Regering heel simpel en ‘optimistisch zijn’. De controleurs en assistent-resident ontvangen alleen ‘positieven’ berichten die zij kunnen doorsturen aan de resident en de Regent. De Regering in Nederland denkt dus dan dat alles goed gaat.

Blz.183: Als er iets misgaat, is dat ‘nooit’ de schuld van wanbestuur.

De schrijver geeft nog een voorbeeld over optimisme, zie pblz.184 over Java: De hoeveelheid rijst die vanuit Java wordt verstuurd naar andere gebieden, blijkt veel groter te zijn dan de hoeveelheid die de gebieden ontvangen. De schrijver heeft als conclusie: Er is op Java meer rijst dan er rijst is.

Er wordt weinig gedaan aan dit probleem. De Regering geeft beloningen als de controleurs en residenten positieven berichten sturen.

De schrijver beschrijft Havelaar als een goed mens, te goed zelfs. Hij vindt het alleen jammer dat iedereen die zijn mening niet begrijpt hem raar vindt.

Dan komen er een paar Duitse regels.

Hoofdstuk 15

Havelaar wil alle problemen ‘oplossen’ met zachtheid. Hij stuurt daarom ook geen officieel rapport met een aanklacht naar de Regering, omdat hij medelijden heeft met de Regent, die telkens in de schulden zit. Hij leent hem ook geld, ook al zit hij zelf krap bij kas.

Als Havelaar in zijn kamer zit te werken, komt Verbrugge binnen met de mededeling dat er een moeilijke zaak is. Vooraf: Er worden gebouwen gebouwd door beambten die veel waard zijn, maar voor veel minder geld aan betaald is, door ‘gratis’ mankracht in te huren. Er kwam een regel die dat verbood, maar het is niet zeker of daar aan gehouden wordt. Havelaar had aan de controleur Verbrugge de prijzen gevraagd voor de bouw van een ander gebouw. De prijzen moesten naar waarheid worden gegeven. De prijzen die Verbrugge gaf, kwamen niet overeen met de prijzen van een paar jaar geleden. Een antwoord geven was moeilijk.

Havelaar stuurt Verbrugge een brief met het verzoek nu wel de goede prijzen te geven, want hij heeft al vaker gewaarschuwd voor de halve waarheid en half werk, dat eigenlijk niets voorstelt.

Havelaar zit in een tweestrijd: de Adhipatti aanklagen of hem juist beschermen. Hij had medelijden met de leider, maar ook met het volk.

Vanaf blz.201 is het nogal raar.

Hoofdstuk 16

Havelaar kreeg een brief van de Regent van Tjanjor, die op bezoek wilde komen. Voor de Adhipati kwam dat slecht uit, want dan zouden ze zien dat hij arm was.

’s Avonds kwamen soms slachtoffers van het misbruik van de hogere stand bij Havelaar (na zijn toespraak aan de Hoofden die nauwelijks indruk had gemaakt) om een klacht in te dienen, vervolgens ging Havelaar vaak naar die plek om onderzoek te doen. Als hij dan met de Regent sprak, gebeurde er weinig. Hij werd hier bedroefd van dat hij weer niet ‘recht kon schieden’.

Nu wordt het verhaal van Saïdjah op Java verteld.

In Lebak werden er te veel buffels gevraagd aan de mensen voor de Regent. In Indië vooral, werd er ook teveel arbeid gevraagd dan eigenlijk toegestaan was. De bevolking zelf kan dit niet weten, want zij weten niet van andere gebieden hoeveel zij hebben gewerkt hebben.

Vaak wordt ‘Javanen’ vernoemd, dit is niet helemaal juist, want niet alle gebieden in Indië liggen in Java. Een stuk van dit hoofdstuk gaat er ook over dat er veel verschillen zijn tussen de volkeren op Java zelf (het bergvolk in West-Java bijvoorbeeld)

Het is nu best vaag wie er nu aan het woord is als er staat ‘ik’. Na blz.210 is dat volgens mij weer Batavus Droogstoppel.

Batavus vindt dat het boek nog steeds nergens op slaat en dat hij de bedoeling er niet van snapt. Hij vindt Stern ook typisch luthers. Batavus vindt het raar dat ze op Indië veel waarde hechtte aan buffels. Hijzelf heeft er nooit één gehad en is ook tevreden met zijn leven. Hij vindt dat de mens altijd te klagen heeft. Batavus heeft ook kritiek op het pak van Sjaalman, omdat zijn zoon Frits het Schrift niet meer aanneemt, maar vragen erover gaat stellen. Het rest van het hoofdstuk is nog meer geklaag van Batavus. Dat het zijn of haar eigen schuld is dat hij of zij arm is of het slecht gaat met hem, want dat is Gods keuze. De mensen op Java zijn arm, want dat zijn heidenen.

Hoofdstuk 17 (Begin van het verhaal van Saïdjah)

De vader van Saïdjah had een buffel, maar die moest hij afgeven. Hij had een erfstuk verkocht van zijn vader voor 24. Daarvan kocht hij een nieuwe buffel. Saïdjah verzorgde en bewaakte hem en sloot snel vriendschap. Twee jaar later, toen Saïdjah 9 jaar oud was, werd de buffel weer afgepakt. Weer verkocht zijn vader spullen. Voor 18 gulden kocht hij een nieuwe buffel. Naast het erf, woonde Adinda, zij is 3 jaar jonger dan Saidjah, die zeer bedroefd was. Hij had in twee jaar een goede band opgebouwd met de buffel en hij kwam erachter dat die geslacht werd.

Deze buffel heeft Saïdjah beschermd toen er een leeuw kwam door hem te doden. Deze buffel werd ook geslacht uiteindelijk, toen was Saïdjah 12 jaar. Toen deze laatste buffel werd gestraft, was het hele gezin bedroefd. Zijn moeder ook, zijn vader vluchtte het land uit zonder pas en werd gevangen genomen, kort daarna stierf hij. Hij vluchtte omdat hij bang was, want hij kon de belasting niet meer betalen. Hij had niets meer om te verkopen. Zijn ouders waren arm geweest en hadden hem weinig nagelaten.

Saidjah gaat als 15 jarige jongen de stad in, om een baan te zoeken. Het beeld dat hij binnen 3 jaar twee buffels kan kopen maakt hem blij. Hij en Adinda spreken af om te trouwen. Zie blz.223 onderaan voor de conversatie. Saïdjah vraagt aan Adinda om na elke nieuwe maan een streep te zetten, na drie keer 12 manen moet zij op een bepaalde plek staan, waar Saïdjah zal aankomen.

Saïdjah begint zijn reis, de eerste dag gaat best snel, maar hij voelt zich wel eenzaam. De tweede dag gaat langzamer, maar hij is minder verdrietig omdat hij denkt aan zijn terugkomst. Soms heeft hij eraan gedacht terug te keren. Ook denkt hij aan een ruzie die hij had voor zijn vertrekt met Adinda.

Hij vond een baan en leerde snel Maleis. Hij deed zijn werk zo goed bij zijn baas dat hij gepromoveerd was tot huisbediende. Hij kreeg opslag en veel geschenken. Na drie jaar nam hij ontslag en had hij genoeg om drie buffels te kopen. Als hij op de ontmoetingsplek komt, ziet hij Adinda niet en is een beetje getreurd. Hij wil zelf naar het dorp lopen, maar dan zou hij twijfelen aan haar trouw. Hij wacht en wacht, maar hij ziet niemand op het pad naar de boom. Hij ziet wel het huis waar Adinda slaapt, er brandt licht (denkt hij). Uiteindelijk rent hij naar het dorp (Badoer). Iedereen herkent hem, maar hij zoekt het huis van Adinda. Hij is er een paar keer langsgelopen. De mensen daar wisten dat er geen huis van Adinda meer was. Hij was verward.  Het bleek dus dat de moede van Adinda gestorven is van verdriet doordat hun laatste buffel is geslacht. Toen nam haar vader het gezin mee om te vluchten. Hij had het verhaal gehoord van Saïdjah’s vader, die in de gevangenis terecht kwam. Dus hij ging ergens anders naar toe, samen met de mensen die ook bang waren.

Saïdjah vroeg naar de steen waar Adinda had gewoond (zie hierna). Op de steen ziet hij 32 strepen. Na 2,5 jaar is Adinda dus vertrokken. Dan koopt hij een buffel en vertrekt hij. Een paar dagen later komt hij in de Lampongs aan. Daar sluit hij zich aan bij het verzet tegen het Nederlands gezag.

Op een dag toen er een drop verwoest was, dwaalde hij daar rond. Hij ziet daar de lijken liggen van het hele gezin van Adinda (vader, broers en haarzelf). Er zijn nog  een paar soldaten die de laatste opstandelingen in het vuur drongen. Saïdjah stormt op hen af om hen terug te drijven en sterft daarna.

Het verhaal van Saïdjah en Adinda is niet zeker, zegt de schrijver. Maar dat is de bedoeling ook niet.

Zie blz. 239 onderaan.

Hoofdstuk 18

Mevrouw Slotering komt het erf van Havelaar oplopen, als zij een vreemde ziet stuurt zij die meteen weg. Havelaar vraagt scherp waarom ze dat doet, want misschien had die man wel een goede bedoeling. Dan biecht ze het verhaal op, dat haar man, meneer Slotering, dezelfde mening deelde als Havelaar en dat hij had gedreigd om naar de Gouverneur-Generaal te gaan als bij het einde van het jaar niet alles was gerechtvaardigd en die november stierf hij door vergiftiging, meent mevrouw Slotering. Havelaar laat dan de controleur Verbrugge komen en stelt hem vragen. Deze kan hij moeilijk beantwoorden en sommige durft hij niet te beantwoorden. Wel zegt hij dat als meneer Slotering langer zou blijven vergiftigd zou worden. Al zijn antwoorden moest hij van Havelaar opschrijven.

Dan zegt hij tegen Tine dat zij en hun zoon naar Batavia moeten gaan, want Havelaar gaat de Regent aanklagen. Hij schrijft een brief naar de Regent van Bantam. Waarin letterlijk staat dat hij de Regent aanklaagt met naam en uitleg. Vervolgens krijgt hij een brief terug van meneer Slijmering, een particulier. Dat hij helemaal geen tijd heeft voor zulke dingen en dat hij druk bezig is.

Batavus is nu aan het woord: Hij gaat naar Sjaalmans huis, waar zijn vrouw Batavus hem niet meer herkend. Hij wil zo snel mogelijk weg, want hij mag de vrouw niet, want zij is nooit tevreden volgens hem. De vrouw van Sjaalman wil niet de trappen weer oplopen en Batavus moet zelf kijken. Hij vindt allerlei rotzooi, maar ook de Bijbel en allerlei andere literatuur met aantekeningen. Dit had hij niet verwacht van Sjaalman. Hij vindt ook een brief aan de vrouw van Sjaalman, waarin blijkt dat zij van een goede familie is en een waarschuwing dat zij moet scheiden van hem.

Batavus komt op de beslissing dat hij Sjaalman niet in dienst wil nemen en Bastiaans nog houdt, want hij kan nu geen bediende missen.

Vervolgens gaat hij, naar veel overwegen, naar Drie Bergen met zijn vrouw en Marie, naar zijn vader. Hij vertrok zaterdagmiddag en zaterdagavond bleek zijn vader een uitnodiging te hebben ontvangen van een voormalig Resident in het Oost. Batavus begint het gesprek over koffie. De oud-Resident vertelt dat het juist goed ging in het Oost en dat Sjaalman altijd te klagen had. Batavus is hier tevreden mee dat hij gelijk had. De oud-Resident vertelt nog een paar verhalen toen hij nog die functie had. Hij vertelt allemaal positieve verhalen, dat de Regering thee kocht van de Javanen voor een hogere prijs, want dat zou hen aanmoedigen tot meer arbeid. De volgende dag kwam hij bij hen op visite en vroeg welke trein zij namen naar Amsterdam. Daar had hij vervoeg klaargezet voor hen.

Onderweg naar huis ziet Batavus nog Sjaalman en zijn vrouw.

Hoofdstuk 19

In de brief stond dat de meneer Slijmering toch naar Rangkas-Betoeng zou komen, ondanks zijn drukke bezigheden, om te overleggen wat er gedaan moest worden. Havelaar wist wat dit betekende en stuurt een brief aan de resident.

In de brief vraagt Havelaar aan de resident om de schuldige, de Regent niet in bescherming te nemen en hij vertelt ook nog een keer zijn mening over vrijheid enz. Hij nodigt de resident ook uit om te komen.

De volgende dag komt hij aan in Rangkas-Betoeng en brengt eerst een bezoek bij de Regent. Hij vraagt eerst wat hij kon inbrengen tegen de assistent-resident, waarop hij antwoordt ‘niets, dat kan ik bezweren!’. De tweede vraag is of hij geld nodig had (de Regent), waarop hij antwoordt ja en de resident geeft hem een paar bankbriefjes, die hij had meegebracht. Dit alles gebeurde buiten Havelaar om.

Resident Slijmering kwam bij Havelaar aan. De Resident vroeg ook aan Verbrugge wat hij van de beslissing van Havelaar vond en deze antwoordde dat hij niet wist dat hij die brief had geschreven. Verbrugge was wel eerlijk en vertelde de waarheid. De Resident van Bantam leest de brieven aan Verbrugge voor en zegt dat hij het liefst wil dat deze werden beschouwd als niet gelezen, maar dat wordt geweigerd. Er moest een onderzoek komen, waarin Havelaar getuigen op moest roepen en dat zou zeker Verbrugge o.a. zijn.

Havelaar zegt dat hij geen spijt ervan heeft, de Resident probeert hem van het idee te brengen maar dat werkt niet. Het onderhoud duurde lang, de Resident moest toevoegen en Havelaar dreigde de brieven aan de Regering te sturen. De zitting werd opgeheven. De Resident bezocht daarna de Adhipatti en daarna keert hij terug naar Serang, omdat hij het zo druk had. Havelaar krijgt de volgende dag een brief van de resident van Bantam. De inhoud is onbekend, maar we lezen wel de brief die Havelaar stuurt als antwoord.

Dan komt Verbrugge, heel erg bleek, bij Havelaar. Havelaar geeft zijn woord dat hij het niet verder zal vertellen, daarin vertelt hij over de omkoperij van de Regent om iets in te brengen tegen de assistent-resident. De gebeurtenissen die zich hier afspelen, hebben nu al langer dan drie jaar geduurd.

Hoofdstuk 20

Havelaar weet niet wat hij moet doen, hij voelt zich schuldig dat hij de arbeiders nog niet heeft geholpen. De Regent heeft nu ook vrouwen, zwanger of met kinderen, opgeroepen om te komen en voor hem te werken, zij moeten op straat slapen en zand eten. Tine zegt dat alles wel goed komt als hij  Gouverneur-Generaal wordt, Havelaar krijgt dan een woede uitbarsting. Zo lang kon hij niet wachten! Hij ziet voor zich hoe de mensen daar op straat hem zien als iemand die zich niet aan zijn woord heeft gehouden. Zijn zoon Max barst dan in tranen uit, Tine brengt hem dan naar bed.

Dan komen Verbrugge en Duclari binnen. Ze zijn in gesprek over de Regering. Er komt dan een brief van de Gouverneur-Generaal binnen voor Havelaar.

In de brief staat dat Havelaar zich ongepast heeft gedragen en van zijn ambt moet treden als assistent-resident in Bangkas-Betoeng, hij wordt verplaatst naar Ngawi. De plek daar in Ngawi was niet eens vrij, die is voor hem open gemaakt. Ngawi was een ‘schooonbroder van den vorigen resident van Bantam’. Ook, de Gouverneur-Generaal zal snel aftreden en Havelaar kent de volgende en hij weet dat er van hem niets verwachten is. Hij moest dus nu nog met de oude Gouverneur-Generaal praten. Hij schrijft aan hem een korte brief, waarin staat dat hij ontslag neemt.

Het ontslag kwam enkele dagen later aan. Het duurde wel lang voordat de nieuwe assistent-resident kwam, want hij moest helemaal uit de andere hoek van Java komen.

Havelaar schrijft nog een brief aan Verbrugge. Hij zit nog steeds te wachten op de vervanger en tot die tijd wilde hij nog zijn functie beoefenen. Helaas kan hij dat niet, als er een hulpnodige van een ander dorp naar hem komt, geeft hij telkens hetzelfde antwoord.

Dan vertrekt hij met zijn vrouw en kind uit Bangkas-Betoeng. Onderweg stopt hij in Serang bij de resident, de familie wordt met gastvrijheid ontvangen. Maar Havelaar wil naar Batavia naar de Gouverneur-Generaal. Het verzoek werd hem geweigerd (om hem te ontmoeten). Deze Gouverneur-Generaal heeft het blijkbaar zo druk dat hij de Directeur-Generaal van Financiën niet eens kon ontvangen. Voor de 3e keer dient Havelaar een verzoek in na lange tijd wachten, weer wordt die geweigerd. En de dag daarna, was hij al afgetreden en de nieuwe G-G was er. Havelaar heeft nog een brief aan de oude G-G gestuurd. In deze brief staat dat hij alleen zijn plicht heeft proberen te volbrengen en dat hij wenst nog één keer te spreken, ook al is het maar een half uur (dat is voldoende zegt hij). Hij kreeg geen antwoord. Hij werd arm en hij had geen huis. Verlaten dolde hij rond.

Nu is niet meer Stern aan het woord, maar de schrijver zelf, Multatuli. Hij bedankt Stern voor het schrijven, maar hij zegt dat hij niet gekomen is om de geschiedenis van Havelaar te beschrijven. Aan Sjaalman en zijn vrouw vertelt hij niet zulke aardige woorden: ‘Halt, ellendig product van vuile geldzucht en godslasterlijke femelarij! Ik heb u geschapen… ge zijt opgegroeid tot een monster onder mijn pen… ik walg van mijn eigen maaksel: stik in koffie en verdwijn!’

Multatuli zegt dat zijn boek twee doelen heeft. 1: ‘Ik wilde in de eerste plaats het aanzijn geven aan iets dat als heilige poesaka zal kunnen bewaard worden door kleinen Max en zijn zusje, als hun ouders zullen zijn omgekomen van ellende.’

En als tweede wil hij gelezen worden, door iedereen. Door letterkundigen, door staatslieden, door handelaren (vooral van koffieveilingen), door kameniers (die me huren voor weinige centen), door Gouverneurs-Generaal in ruste, door Ministers in bezigheid. Hij wil gehoord worden, het was niet het doel om en goed boek te schrijven. Hoe groter de afkeuring van het boek is, hoe meer tevreden hij zal wezen, want dan is de kans groter om gehoord te worden. Multatuli klaagt ook over de ministers en de Gouverneur-Generaal. Overgetypt:

‘Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het nodig zal wezen …

God geve dat het niet nodig zij!

Neen, ’t zal niet nodig zijn! Want aan U draag ik mijn boek op, Willem den Derden, Koning, Groothertog, Prins … meer dan Prins, Groothertog en Koning … Keizer van ’t prachtig rijk van Insulinde dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd …

Aan u durf ik met vertrouwen vragen of ’t uw keizerlijke wil is: Dat Havelaar wordt bespat met den modder van Slijmeringen en Droogstoppels? En dat daarginds Uw meer dan dertig miljoenen onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in Uwen naam?

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

7681

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer
Hou ervan

Hoge waardering

Andr van Bel 7.9
Remco 5e klas vwo7.8
Erik 6e klas vwo7.6
Marloes Sijbenga 6e klas vwo7.0
anoniem5e klas vwo6.9
Meer verslagen ›