Samenvatting bio h11.1-4 nectar

Beoordeling 0
Foto van Chelsy
  • Samenvatting door Chelsy
  • 2e klas vwo | 1102 woorden
  • 12 juni 2022
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!

11.1


In de puberteit maakt een jongen zaadcellen aan, dat zijn de voortplantingscellen van een man. Productie komt op gang door de hormonen uit de hypofyse, die komen via bloed bij de zaadballen. De zaadballen gaan zaadcellen maken, vanaf dat moment is een jongen vruchtbaar. Ze maken ook testosteron aan, hierdoor ontstaan secundaire geslachtskenmerken. Zaadcellen worden opgeslagen in de bijballen, die liggen samen met de zaadballen in de balzak. Als een jongen opgewonden wordt krijgt hij een erectie, de penis wordt stijf omdat er bloed naar de zwellichamen gaat. Als hij klaarkomt trekken spiertjes in de bijballen samen en persen zaadcellen de zaadleiders in. Daarna bereiken ze de zaadblaasjes en prostaat die zaadvocht aan de zaadcellen toevoegen, dan wordt het sperma. Vanaf de prostaat komt het sperma in de urinebuis en verlaat het de penis. Een spiertje knijpt de urinebuis dicht tijdens een zaadlozing zodat er geen urine in het sperma komt.


Een meisje is vruchtbaar als de eicellen in de eierstokken rijp worden. Hormonen uit de hypofyse geven een seintje aan de eierstokken, ze merkt het als ze voor het eerst ongesteld is. In de eierstokken wordt oestrogeen geproduceerd, daardoor ontstaan secundaire geslachtskenmerken bij een meisje. Eens in de maand is een meisje ongesteld, dit heet de menstruatiecyclus. De eicel ligt in de follikel, hij groeit. Als de eicel begint te rijpen wordt het baarmoederslijmvlies dikker om een kind te dragen. Na 14 dagen is de eicelrijp, de follikel barst open en de eicel komt in de eileider. Dit heet de eisprong of ovulatie. Hij blijft 12-24 uur in de eileider leven en gaat richting de baarmoeder, de eicel wordt dus bevrucht in de eileider. Als er geen bevruchting plaats vindt sterft de eicel, het baarmoederslijmvlies laat dan 2 weken later los en komt samen met bloed en vocht uit de vagina. De vrouw is dan ongesteld. 4 hormonen regelen de menstruatiecyclus, 2 komen van de hypofyse en de andere 2 van de follikel. De hypofyse geeft FSH (follikel stimulerend hormoon) af, en LH (luteïniserend hormoon) waardoor de ovulatie optreedt. De follikel maakt voor de ovulatie vooral oestrogeen, het remt FSH maar stimuleert de groei van het baarmoederslijmvlies. Na de ovulatie groeit de lege follikel in de eierstok en neemt geel vet op door LH. Het heet nu het gele lichaam. Het gele lichaam maakt nu progestron, dat stimuleert het baarmoederslijmvlies. Als de productie gestopt is komt de menstruatie op gang.


11.2


Het versmelten van de zaadcelkern en de eicelkern heet de bevruchting. De bevruchte cel begint te delen, uiteindelijk bestaat er een bolletje van cellen (embryo) dat naar de baarmoeder toegaat. Het  embryo zet zich vast in het baarmoederslijmvlies, dat is de innesteling. Daarna is de vrouw zwanger. In het bolletje cellen zit de kiemschijf en hieruit ontstaat het embryo. De buitenste cellen vormen vlokken die voedingstoffen opnemen, die worden later de placenta. Tussen de vlokken en kiemschijf ontstaat een steel, dat later de navelstreng wordt. De vlokken maken HCG aan, dat zorgt ervoor dat er geen nieuwe eicel gaat rijpen en dat het baarmoederslijmvlies niet afstoot. Een zwangerschapstest kijkt of er HCG in de urine is. Om niet zwanger te raken kan je voorbehoedsmiddelen gebruiken. Zoals een condoom, die voorkomt dat ze zaadcellen bij de eicel kunnen komen. De pil, waar oestrogeen en progesteron inzit dat voorkomt dat de eicellen rijpen. Een staafje, dat de eiersprong voorkomt en een spiraaltje dat in de baarmoeder wordt geplaats en voorkomt dat de eicel zich innestelt. Ook kun je je laten steriliseren, dan wordt de zaad- of eileider doorgeknipt waardoor je definitief geen kinderen meer kunt krijgen. Als er geen voorbehoedsmiddelen zijn gebruikt kan de vrouw de morning-after pil nemen tot 72 uur na seks, of een abortus nemen waar de embryo uit de baarmoeder wordt gehaald.


11.3


De eerste 12 weken ontstaan de organen van het kind, dit heet de embryonale fase. Daarna ziet de embryo eruit als een echt kind en groeit het alleen nog maar, dan heet het een foetus. Progesteron stimuleert de groei van melkklieren in de borsten, zodat de vrouw borstvoeding kan geven. De foetus zit in vruchtwater wat hem beschermt tegen stoten, ook groeit de placenta. Hij is met de navelstreng verbonden aan de placenta, waardoor hij voedingstoffen opneemt en afvalstoffen afstoot. Er kan in de eerste 12 weken een miskraam gebeuren, dan wordt de embryo afgestoten en heeft de vrouw veel pijn. De eerste weeën zijn indalingsweeën waar het kindje draait zodat zijn hoofd bij de baarmoedermond ligt. Door de weeën gaat de baarmoedermond open en ontstaat ontsluiting. Voor of tijdens breken de vruchtvliezen en stroomt het vruchtwater via de vagina naarbuiten. De uitdrijving begint als er genoeg ontsluiting is en persweeën drijven de baby naarbuiten. Als de baby geboren is gebeurt de nageborte, de placenta en resten van de navelstreng komen uit de vagina. Soms gaat de indaling niet goed en is er een dwars- of stuitligging. Dan moet er een keizersnede gedaan worden. Een eeneiige tweeling ontstaat uit een eicel die zichzelf deelt en allebei nestelen in het baarmoederslijmvlies, dan heeft de tweeling hetzelfde dna. Een twee-eiige tweeling ontstaat als er in allebei de eileiders een bevruchting plaatsvindt. Hier hebben ze niet hetzelfde dna.


11.4


Chromosomen bestaan voor een groot deel uit dna, de bouwbeschrijving van je lichaam. Elke cel heeft 23 chromosomenparen, dus 46 chromosomen. Alle chromosomen samen noem je het genoom. Vrouwen hebben twee dezelfde geslachtschromosomen, XX. Mannen hebben verschillende, XY. De Y chromosoom is korter dan de X. Een stukje DNA met info voor een eigenschap heet een gen. Elk chromosoom bevat een lang DNA molecuul in de kern. Een gen heeft veel verschillende varianten, een allel. In de eicel en zaadcel zitten allebei 23 chromosomen, als deze samensmelten worden het 46 chromosomen en ben je dus een mix van je vader en moeder. Of je een jongen of meisje bent bepaalt de zaadcel, alleen de vader kan het Y-chromosoom doorgeven. De moeder heeft altijd het X chromosoom. De info die je op je genen hebt heet het genotype, en wat je ziet van een eigenschap heet het fenotype. Aangeboren aandoeningen kunnen ontstaan door schadelijke stoffen tijdens de zwangerschap, een fout in het aantal chromosomen, zoals dat downsyndroom ontstaat door een chromosoom teveel of door een fout in de structuur van een chromosoom, als er teveel dna of te weinig in een chromosoom zit kan je kleurenblind geboren worden. Downsyndroom kunnen door prenataal onderzoek al worden ontdekt. Ze maken dan een echo, waarbij je naar het hart kan luisteren en het kind zichtbaar is op een scherm. Of vruchtwaterpunctie, waar ze vruchtwater uit de baarmoeder halen onderzoeken. Of een vlokkentest waar ze cellen uit de placenta zuigen en onderzoeken op aandoeningen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Chelsy