Leesdossier

Auteur Marga Minco
Titel De Val
Eerste jaar van uitgave 1983
Uitgeverij Bert Bakker, A'dam

Motto

‘I imagine, sometimes, that if a film could be made of one’s life, every other frame would be death. It goes so fast we’re not aware of it. Destruction and resurrection in alternate beats of being, but speed makes it seem continuous. But you see, kid, with ordinary consciousness you can’t even begin to know what’s happening.’
Saul Bellow (The Dean’s December)
Het citaat zegt hoe moeilijk het is om te begrijpen wat er in het leven van een mens gebeurt. Het gaat zo snel, dat we ons er niet bewust van lijken te zijn.

Titel

De titel staat voor twee vallen: De eerste val is de val waarin familie Borgstein in 1942 liep (en Frieda die van de trap viel); toen was Frieda de overlevende. De tweede val is de val van Frieda in de put, hetgeen haar dood tot gevolg had.
De twee vallen vertonen allerlei parallellen. De SD reed in een grijze auto; de monteurs in een grijs VW-busje. Zowel in 1942 als in 1982 was het grauw weer. In 1942 ging Frieda nog even Olga’s vest halen; in 1982 trok Frieda op aanraden van Rena nog even een warm vest aan. Kessels kwam in 1942 zes minuten te vroeg; het Zweedse bezoek, waarvan Kessels deel uitmaakte, kwam een half uur eerder dan afgesproken was. Het lijkt erop dat in dit boek de macht van het toeval wordt bezworen door de zeer hechte constructie.

Samenvatting

De Val is opgebouwd uit zestien korte, niet-genummerde hoofdstukjes.
Baltus en Verstrijen, monteurs van gemeentewerken, drinken op die donderdagochtend, voor ze naar het werk gaan, om half acht koffie in ‘de Salamander’. Het heeft die nacht hard gevroren. Op diezelfde ochtend wordt Frieda Borgstein in het bejaardentehuis ook om half acht gewekt. Vandaag treft ze de voorbereidingen voor haar verjaardag, die morgen zal worden gevierd. Baltus en Verstrijen beginnen tegenover het bejaardentehuis met de werkzaamheden in een put van de stadsverwarming. Ze hebben weinig zin in het werk. Het bejaardentehuis krijgt bezoek van twee Zweden, die geïnteresseerd zijn in de moderne bejaardenzorg in Nederland. De directrice, Rena van Straaten, en het hoofd van de huishouding Bien Hijmans, treffen daarvoor enige maatregelen.
Frieda Borgstein heeft in de oorlog een afschuwelijke ervaring gehad. Door verraad zijn haar man Jacob en twee kinderen weggevoerd. Doordat Frieda nog even een vest voor haar dochtertje is gaan halen, is ze niet door de Duitsers opgepakt. De familie Oosterveen heeft haar opgevangen, maar Jacob en de kinderen zijn nooit teruggekeerd. In het bejaardentehuis heeft Frieda geen intieme relaties. Alleen met de klusjesman Ben Abels, die in een concentratiekamp heeft gezeten, kan ze het goed vinden. Ze heeft nooit aandacht besteed aan haar verjaardag, maar morgen – als ze vijfentachtig wordt – wil ze iedereen in het tehuis trakteren op gebak. Daarom wil ze ondanks het slechte weer naar buiten om enige zaken te regelen. Het wordt haar afgeraden, maar ze zet toch door. Na de koffie verlaat ze het bejaardentehuis en steekt ze de straat over.
Baltus en Verstrijen maken weer een verwarmingsput open, maar ze plaatsen er geen hekjes omheen. Baltus gaat naar het toilet en Verstrijen zal een oogje in het zeil houden. Hij denkt aan de slechte relatie die hij met zijn vrouw heeft. Hij krijgt het koud en gaat eens kijken waar Baltus blijft. Intussen nadert Frieda de dampende put. Door de kou zijn haar ogen vochtig geworden en wellicht ziet ze de put, het deksel en de slang niet. Ze stort in de put en slaakt een kreet. Verstrijen hoort iets en rent naar de put. Hij tracht de vrouw uit het kokende water te halen, maar het lukt hem niet. De brandweer wordt gewaarschuwd en die haalt Frieda uit de put.
In het bejaardentehuis is het Gerrie die als eerste merkt dat er aan de overkant een ongeluk is gebeurd. Van Straten en Hijmans voelen het intuïtief aan dat er iets met Frieda aan de hand moet zijn. Abels spoedt zich naar buiten. Op het moment dat de bejaarde vrouw naar boven wordt gehaald, leeft ze nog, maar spoedig daarna moet ze zijn gestorven. Abels neemt haar tas mee en geeft die aan de directrice. Ze vinden onder andere een zilveren sigarettenkoker, een zilveren portretlijst en een etui met foto’s. Abels brengt de doorweekte spullen naar de containerkelder en doet ze bijna plechtig in een nieuwe asemmer. Er zijn afbeeldingen bij van mensen die hij in zijn jeugd goed gekend heeft. Hij kwam toen namelijk regelmatig bij Frieda thuis, omdat hij gek was van Borgsteins dochter Olga.
Op de dag van het ongeluk ontmoet Abels een man met dun grijs haar, die hij vaag kent. Van de directrice hoort hij dat het Hein Kessels is, een ambtenaar van de provinciale bejaardenzorg. De dag voor de begrafenis heeft Abels en gesprek met Hein. Het is voor Hein een soort biecht. In 1942 zou hij de Borgsteins naar Zwitserland brengen. ’s Avonds zou hij hen met de fiets ophalen. Toen hij bij het huis arriveerde, kwam de SD er ook, met een auto. Vader Borgstein, de beide kinderen en Hein werden in de auto gesmeten. De Duitsers zochten niet naar Frieda. Hein is verhoord en in het concentratiekamp terechtgekomen. Hij heeft niets verraden. Door onervarenheid hebben Hein en zijn vrienden waarschijnlijk een foutje in de organisatie gemaakt en dat is hun fataal geworden.
Na de oorlog is Hein in een andere plaats gaan wonen. Hij heeft de moed niet kunnen opbrengen om contact op te nemen met Frieda, die daarom nooit heeft geweten waarom de zaak is misgelopen.

Ervaringsverslag

1 a Beschrijf het karakter van de hoofdpersoon

Frieda Borgstein is een oude, krasse, joodse vrouw van bijna 85 jaar. Ze is klein en frêle. Frieda is eigenzinnig, gewend haar eigen boontjes te doppen en heeft een sterke wil. Bien Hijmans noemt haar ‘ijzerenheinig’. Ben Abels ‘had haar leren kennen als eigengereid, soms wat autoritair, maar ook hartelijk, attent, bereid om hem te helpen van zijn idiote schuchterheid af te komen.’ (pagina 65)
Frieda leeft voornamelijk in het verleden. Elke kleine aanleiding is voor haar voldoende om aan een gebeurtenis terug te denken uit de tijd dat haar man en kinderen nog leefden. (Op 21 april 1942 werden zij door de SD weggevoerd.) Na de oorlog moet Frieda alleen verder, maar ze sleept het verleden de rest van haar leven achter zich aan. Dit wordt gesymboliseerd door een beeld dat plotseling bij Abels opkomt: ‘Frieda Borgstein die met haar over de grond slepende zwarte mantel van hem wegliep.’ (pagina 91) Voor Frieda is het verleden onlosmakelijk verbonden met het heden. ‘Twee beelden zouden tot het eind van haar dagen blijven opkomen en soms over elkaar heen schuiven, zoals nu: ze stond op de drempel van een volle kamer en kon niet naar binnen – ze stond op de drempel van haar lege huis en kon niet naar buiten.’ (pagina 54)
Frieda mompelt: ‘Pijn wil zeggen dat je bestaat.’ (pagina 15) Dat gaat dus niet alleen over haar spierpijn, maar vooral over haar leven sinds 1942. Sinds die dag heeft ze haar verjaardag niet meer gevierd. Liever denkt ze terug aan haar laatste verjaardag in de familiekring.
‘Ze vierde haar verjaardag in een kamer vol mensen die geen vermoeden hadden dat ze voor het laatst bijeen waren. (…) Dit beeld was haar genoeg en jaar in jaar uit had ze de dag in stilte voorbij laten gaan. Pas nu vond ze dat wat ze bereikt had gevierd mocht worden.’ (pagina 20)
Morgen wordt ze 85. Ze vindt dit belangrijk, omdat ze het leven liefheeft. ‘Zolang zij leefde, zolang haar herinnering werkte hield ze hen aanwezig; daarmee rechtvaardigde ze haar bestaan.’ (pagina 20) Ze wil dus niet zozeer haar 85e verjaardag vieren, maar de veertigjarige herinnering aan haar verjaardag van 1942.
Frieda Borgstein heeft de stad waar ze met haar gezin heeft gewoond nooit willen verlaten. Tijdens de oorlog is ze ondergedoken geweest bij de Oosterveens, die later naar Australië zijn geëmigreerd. Ze hebben haar gevraagd daar ook naartoe te komen, maar dat wilde ze niet. ‘Haar plaats was hier. In deze stad.’ (pagina28) Na de oorlog wordt Frieda boekhouder op een groot handelskantoor. Dit werk doet ze met fanatisme, om op deze wijze haar emoties de baas te kunnen blijven. ‘Cijfers waren neutraal, koel, onbeladen; ze boden haar houvast en schermden de beelden voor haar af die ze nog niet aan kon.’ (pagina 29) Frieda zit altijd maar te rekenen. Naarmate ze veroudert, wordt ze eigenzinniger. ‘Ze was allergisch voor goede raad.’ (pagina)
Nu woont ze in een bejaardentehuis, waar ze zich weinig met de andere bewoners bemoeit. Frieda hertrouwt niet, ondanks het aanzoek van meneer Marks. Op haar wandelingen langs de rivier neemt ze het portret van Jakob mee in haar tas, een etui met familiefoto’s en een sigarettenkoker met de initialen J.B.
Het leven met de doden en haar zware verleden, maakt Frieda Borgstein toch niet tot een negatieve vrouw. Marga Minco laat dit merken aan de hand van kleine details. Over het beginnen van de dag: ‘Daar hield ze van, van het krimpend duister, het opkomen van het licht boven de stad.’ (pagina 16)
Dit is heel wat zonniger in vergelijking met het begin van dezelfde dag voor Baltus. ‘Boven het plein voor hen uit begon de lucht heel langzaam te breken, alsof de dag net zoveel moeite had om te beginnen als zij.’ (pagina 13)

b Is er sprake van een verandering van het karakter?

Nee, we leren Frieda maar even kennen en in die korte tijd verandert haar karakter niet.

c Beschrijf kort enkele minder belangrijke personen.

De verscheidenheid aan bijfiguren geeft aan hoeveel verschillende mogelijke verklaringen er zijn voor een gebeurtenis. Ieders handelingen zijn begrijpelijk, bij niemand kan de schuld worden gelegd, in 1942 niet en in 1982 niet.

Ben Abels is een eenvoudige, hartelijke man die als klusjesman in het bejaardentehuis werkt. Hij is de enige persoon aan wie Frieda haar vertrouwen schenkt. De enige die haar helpt en echt begrijpt.
In 1938 kwam Ben als zeventienjarige jongen bij Jakob Borgstein op kantoor en werd verliefd op Olga, Jakobs en Frieda’s dochter. Hij kwam in een concentratiekamp terecht, overleefde dit en vluchtte de hele wereld over. Totdat hij ergens zijn kampbeul tegenkwam en naar Nederland besloot terug te keren.
In het tehuis ontmoette hij mevrouw Borgstein, van wie hij niet beter wist of ook zij was vergast.
Ben Abels kan net als Frieda niet loskomen van zijn oorlogsverleden. Maar in tegenstelling tot haar zoekt hij niet meer naar verklaringen. Abels’ opvattingen lijken dicht bij die van de auctoriale vertelinstantie te staan; die een verklaring voor Frieda’s val in de put zoekt (blijkens de rapportagetoon), maar zich er net als Abels bij neer legt. De juiste toedracht zal nooit vast komen te staan.

Hein Kessels is een korte, gezette man. Hij is een beetje afwezig en naïef. In 1942 zou hij als jongeman het gezin Borgstein naar Zwitserland brengen. Maar toen hij aan hun deur verscheen, stonden de Duitsers naast hem – die waren hem gevolgd.
Het verbaast Ben Abels dat hij in die uitgezakte man de dandy-achtige jongen met de snelle motoriek heeft teruggevonden. Kessels heeft het gebeurde nooit kunnen vergeten en had er tot dan toe nooit over gepraat. Nu probeert hij de raadsels op te lossen en vertelt zijn verhaal aan Abels.
Vlak voordat Kessels aanbelde, ging Frieda nog even naar boven. Ze wilde nog snel even een vest halen voor haar dochter Olga, die een kou gevat had. Frieda treuzelde een minuut, hoorde mannenstemmen op de gang, holde naar beneden, struikelde en viel. Toen ze in de gang kwam, was de buitendeur al dicht en haar gezin verdwenen. De val (het toeval) had haar van man en kinderen beroofd. Veertig jaar later vertelt Hein Kessels de waarschijnlijke toedracht, maar hij kan niet alles verklaren. Het hoeft ook niet. Frieda Borgstein is er toch niet meer om het te horen. Maar ten opzichte van haar heeft hij zich wel heel laf gedragen.

Baltus is volgens Carla ‘een onverschillige bul, voornamelijk geïnteresseerd in zijn natje en zijn droogje.’ (pagina 67) Baltus is monteur voor gemeentewerken, maar hij heeft weinig verantwoordelijkheidsgevoel. Hij is een kletsmajoor die aan iedereen zijn verhaal kwijt wil en op alles kankert. In de klus met de put voor gemeentewerken heeft hij erg weinig zin.

Verstrijen is een man van midden dertig. Hij is de collega van Baltus, samen werken ze aan een klus met de stadsverwarming in de Uiterwaardenstraat. Verstrijen heeft meer hart voor de zaak, maar ligt vaak overhoop met zijn vrouw. Carla, de mooie bediende van de Salamander is verliefd op hem. Verstrijen vindt het leuk als aantrekkelijke vrouwen belangstelling voor hem hebben.

Rena van Straten is de directrice van het bejaardentehuis. Ze is een zeer verzorgde (ijdele) dame met gevoel voor orde. Rena geeft goed leiding en is een vitale vrouw, ze heeft hart voor de bejaarden. Met haar effen temperament is zij de tegenpool van Bien Hijmans.

Bien Hijmans is het hoofd van de huishouding in het bejaardentehuis. Ze is nonchalant en spontaan. Ook zij is een vitale vrouw, maar erg emotioneel. Ze maakt gauw een scène, haar driftbuien zorgen nogal eens voor opschudding. Bien heeft altijd haast. Over de ongeluksdag had ze al een somber voorgevoel.

Meneer Marks is een heel attente man, die ook in het bejaardentehuis woont. Frieda gaat niet in op zijn huwelijksverzoek, hij ervaart tot zijn verdriet hoe ze zich steeds meer van hem verwijdert.
De Stadpostjongen rijdt op zijn brommer door de stad. Hij scheurt langs de hoofdgebeurtenissen in het boek.

Carla is het meisje uit de koffieshop dat verliefd is op Verstrijen.

d Herken je bepaalde karaktertrekken of bepaald gedrag van jezelf in personen in het verhaal?

Amper. Ik heb qua karakter niet veel gemeen met de personen die je echt een beetje leert kennen, zoals Frieda en Ben Abels. Ze zijn echter wel erg herkenbaar en ik kan me goed in hun situaties verplaatsen. Zo begrijp ik de schuld die Frieda tegenover haar omgekomen familie voelt. En de vragen waar ze mee achter blijft zou ik ook hebben, als ik in haar schoenen stond. Waarom ben ik niet opgepakt? Waarom is het zo gegaan? Maar ik zou me niet afsluiten van de mensen om me heen, ik zou de rest van mijn leven niet eenzaam willen doorbrengen. Ook ben ik niet zo ‘ijzerenheinig’ als Frieda. (omschrijving die Bien gebruikt) In Ben Abels kan ik me iets beter verplaatsen. Hij is een aardige, sympathieke man die niet te beroerd is iemand te helpen. Ook hij heeft de oorlog meegemaakt en zal altijd aan die tijd herinnerd blijven worden. Maar hij gaat er heel anders mee om dan Frieda, kan er makkelijker afstand van nemen.
De andere personen die in het verhaal voorkomen blijven een stuk vager, en van hen is het dus helemaal moeilijk om uit te maken of ik karaktertrekken / bepaald gedrag van mezelf herken.

2 a Beschrijf de belangrijkste relaties

Frieda Borgstein bemoeit zich weinig met de mensen die in het bejaardentehuis wonen en werken. Ze heeft geen echte contacten met genoemde personen, behalve met Ben Abels. De enige relatie die het waard is beschreven te worden.

Frieda Borgstein en Ben Abels

Frieda en Ben kennen elkaar van vroeger. In 1938 kwam Ben als zeventienjarige jongens bij Frieda’s man op kantoor werken. Hij werd verliefd op Olga, haar dochter, en kwam zo dus regelmatig over de vloer.
Beiden hebben de oorlog meegemaakt, en overleefd. Later in het bejaardentehuis kruisen hun levens elkaar weer, wanneer Ben er als klusjesman komt werken en Frieda er gaat wonen. Ben wist niet anders of Frieda was ook vergast… De relatie loopt als het ware via hun doden, maar over de oorlog praten ze weinig. Frieda en Ben zijn erg aan elkaar gehecht, ook al wordt dat niet uitgesproken. Ben is zelfs de enige aan wie Frieda haar vertrouwen schenkt, de enige die haar helpt en begrijpt.
‘Hij wist nog hoe ze – klein en frêle, maar dominerend aanwezig in de met gasten gevulde suite van het huis aan de Zuidkade – zich had losgemaakt uit een groepje toen ze hem onhandig met zijn bosje bloemen bij de deur zag staan. ‘Kom toch verder, Ben. We vieren het niet op de gang.’ (…) Een verwarrend aroma van wijn, sigarenrook, sinaasappels en noten kwam op een golf warmte naar hem toe terwijl ze hem bij de hand nam en een plaats gaf aan tafel, pal tegenover Olga die hem zo geamuseerd zat op te nemen dat hij tot onder zijn haren rood werd. Werktuigelijk bezig met de alweer zoemende motor, vroeg hij zich af tot wie hij zich in die tijd het meest aangetrokken had gevoeld, tot Frieda of tot haar dochter.’ (pagina 66)

b + c Is er sprake van een verandering in deze relatie?

Nee, er is geen sprake van een verandering in deze relatie. De verhouding blijft onveranderd, maar misschien zijn de personen zelf wel in de loop der jaren veranderd. Toch lijkt de relatie die ze hebben, wanneer ze elkaar in het bejaardentehuis toevallig tegenkomen, hetzelfde gebleven. Nog net zo hecht als voorheen.

d Geef jouw mening over deze relaties.

Ik vind de relatie die Frieda en Ben hebben heel mooi. Twee totaal andere mensen (de een met een sterke wil, de ander meer afwachtend) hechten zich aan elkaar en vormen een troostende steun, na lange jaren van ellende. Hun relatie gaat ook lang terug in de tijd, en zonder het te hoeven uitspreken weten ze wat ze aan elkaar hebben.

3 a Vanuit welke persoon vertelt de schrijver het verhaal?

Een auctoriale vertelinstantie geeft de gebeurtenissen weer. Dit is vooral merkbaar in de passages die op een ‘rapportagetoon’ worden verteld. Het verhaal heeft het karakter van een poging het gebeurde te reconstrueren. Dit brengt een zekere afstandelijkheid met zich mee. Zo luidt de openingszin van het boek:
‘Het staat vast dat de twee monteurs van gemeentewerken zich die donderdagochtend niet als anders regelrecht van het centraal ketelhuis naar hun werk begaven, maar onderweg eerst aanlegden bij De Salamander.’ (pagina 9)
De auctoriale vertelinstantie geeft feitelijke informatie, bijvoorbeeld over het leegpompen van de putten. De meer persoonlijke informatie komt van de personages zelf. Dit persoonlijke, meer emotionele element wordt sterker aan het eind van het boek. Vooral in de ‘biecht’ van Hein Kessels is dit te merken. De vertelinstantie trekt zich dan terug op de achtergrond en de lezer lijkt direct de gedachten en gevoelens van de personages te vernemen (vision dedans).
Het perspectief ligt meestal bij Frieda; zo verneemt de lezer rechtstreeks haar vele herinneringen aan de oorlog. De laatste twee hoofdstukken zijn belangrijk voor de thematiek. Zo is het elfde hoofdstuk door middel van witregels in zes korte scènes verdeeld, die verteld worden vanuit Frieda, de stadpostjongen, Bien, Abels, Carla en Verstrijen.
Het tijdperspectief is vision par derrière: de auctoriale vertelinstantie weet wat er is gebeurd die donderdagochtend en probeert alle feiten te reconstrueren. Dit blijkt uit de rapportagetoon; deze passages zijn in de tegenwoordige tijd geschreven. ‘Het is niet precies vast te stellen wie van de bewoners het eerst ontdekte dat er in de straat iets was gebeurd. Later schijnt er nog onenigheid te zijn ontstaan (…)’ (pagina 72) In de gedeelten die worden verteld vanuit de personages is de gebruikte werkwoordsvorm de verleden tijd. Ook al weten de personages zelf niet dat er een ongeluk zal gebeuren en vertelt de vertelinstantie niet wat er precies is gebeurd, is meteen vanaf de eerste bladzijde voelbaar dat er iets noodlottigs zal plaatsvinden. Dit komt, naast de rapportagetoon, door de vele vooruitwijzingen. Bien Hijmans heeft een angstig voorgevoel als Rena van Straten haar vertelt dat Frieda die dag op stap gaat om voorbereidingen voor haar verjaardag te treffen. Rena denkt daarna: ‘Niemand was ernstig ziek geworden en in geen maanden hadden ze een sterfgeval gehad. De bezoekers kregen een schoolvoorbeeld van progressieve bejaardenzorg te zien.’ (pagina 26-27) Daarna ziet ze terloops de grijze auto van de monteurs. Baltus vindt het niet nodig om hekken om de put te zetten: ‘‘Wie kruipt daar nou langs? Met de wagen ervoor is er praktisch geen ruimte, dat ziet een kind.’’ (pagina 60) Het herhalen van allerlei elementen wekt ook spanning: de grijze auto, het vest. De val in de put wordt onder andere voorbereid door de gewaarwording van gelijktijdige hitte en kou, die Verstrijen heeft (zie pagina 34,61 en 71).

4 a Wanneer speelt het verhaal zich af?

Het verhaal speelt zich af in de winter van 1982. Frieda heeft haar verjaardag voor het laatst veertig jaar geleden gevierd; dat is heel waarschijnlijk de winter voorafgaande aan 21 april geweest.
De herinneringen die Frieda heeft aan de tijd waarin haar man en kinderen nog leefden gaan terug naar 1942.
Het verhaal beschrijft slechts enkele dagen: de dag van het ongeluk tot en met de dag van de begrafenis. De eerste veertien hoofdstukken beschrijven de donderdagochtend van het ongeluk. De tijdsaanduiding is zeer nauwkeurig, wat past bij de rapportagetoon: ‘het was even over half acht’ (pagina 10), ‘Toen ze weer in de auto zaten was er een halfuur verstreken’ (pagina 13), ‘De torenklok wees kwart voor elf’ (pagina 61). De laatste twee hoofdstukken gaan over de begrafenis.

b Van welk belang is dit moment/deze periode voor het verhaal?

De Tweede Wereldoorlog is een heel belangrijk gegeven, eigenlijk de basis waarop dit verhaal is gebouwd. Tijdens de Duitse bezetting worden de man en kinderen van Frieda opgepakt, in een andere periode had dit niet gekund. En zeker omdat Frieda deze geschiedenis haar hele leven met zich meesleept, is de oorlogsperiode van groot belang.

c Is het verhaal chronologisch, dan wel niet-chronologisch verteld?

Het verhaal is niet chronologisch verteld. Er zijn heel veel flashbacks.
Vooral bij Frieda schuiven heden en verleden constant door elkaar. De kleinste aanleiding is voor haar voldoende om terug te denken aan haar gezin en aan de fatale gebeurtenis op 21 april 1942.
Ook Abels denkt vaak terug aan het verleden. In het laatste hoofdstuk denkt hij tijdens de begrafenis terug aan het gesprek dat hij de dag daarvoor met Kessels had. Daarin krijgt Abels de gebeurtenissen van 21 april 1942 van een andere kant te horen.
Het laatste hoofdstuk, over de begrafenis van Frieda en de bekentenis van Hein Kessels, is als het ware een epiloog. Door flashbacks brengt de schrijfster ons op de hoogte van hetgeen er eerder in het leven van Frieda is gebeurd. Dit maakt het verhaal heel levendig. Er zijn ook veel vooruitwijzingen naar naderend onheil.

5 a Waar speelt het verhaal zich af?

In een stad aan een rivier. Eerst woont Frieda in een woning aan de Zuidkade, later in het bejaardentehuis. De andere plaatsen van handeling zijn het café De Salamander, een ander café, een begraafplaats en de cabine van het VW-busje.

b Van welk belang is deze plaats voor het verhaal?

De plaats zelf is van weinig belang, er wordt geen enkele naam genoemd. Maar er zijn wel plekken in de stad die vorm geven aan het verhaal.
Vroeger woonde Frieda met haar gezin aan de Zuidkade, waar zij en Jakob elke ochtend naar de rivier keken. Ze openden de dag met een soort ritueel door telkens dezelfde zinnen te zeggen. Frieda gaat nog vaak naar de rivier om te kijken ‘naar de schepen die voorbijvoeren, stroomop- en afwaarts, in een statig ritme, een trek die er altijd was geweest en altijd zou blijven. Zo had ze het gevoel dat ook Jakob deel bleef hebben aan wat ze zo lang samen vanuit die bovenramen hadden gezien.’ (pagina 52) In de oorlog lagen tegenover het huis aan de Zuidkade patrouilleboten van de Duitsers.
Frieda Borgstein woont in een particulier bejaardentehuis, dat bekend staat om zijn geavanceerde architectuur en de manier waarop het wordt geleid (progressieve bejaardenzorg). Het tehuis ligt te midden van gemeentekantoren.

6 Formuleer in één zin wat het thema is van het verhaal, in de vorm van een bewering.

De macht van het toeval is onverklaarbaar.
(of: De mens raakt nooit los van zijn verleden.)

Hein Kessels zegt: ‘Dat bedoel ik nou, wat het toeval met je doet, de absurde dingen, die geen mens van je wil aannemen.’ (pagina 92) Het was toeval dat Frieda in 1942 niet werd meegenomen door de SD. Het was toeval dat Frieda in 1982 in de verwarmingsput viel. Het toeval bepaalt de levensloop van de mens, en een verklaring voor dit toeval is niet te vinden. ‘De juiste toedracht zal nooit komen vast te staan.’ (pagina 70) Ben Abels heeft zich neergelegd bij de macht van het toeval. Hij beseft dat het levenslot niet te begrijpen is (zie pagina 41). Nadat hij Kessels’ verhaal heeft gehoord en hij Frieda ten grave draagt, denkt hij: ‘Er hoefde niets meer bewezen te worden (…) niets verklaard.’ (pagina 92-93)
Frieda Borgstein heeft zich er echter nooit bij neer kunnen leggen; zij is zich altijd blijven afvragen waarom ze niet werd opgehaald door de SD. Waarom het is gegaan zoals het is gegaan.
Haar voorliefde voor rekenen heeft hiermee te maken. Het lijkt erop of Frieda – haast op mystieke wijze – het waarom van haar levenslot wil uitrekenen. Ze is er nooit achtergekomen. Ze sterft, terwijl ze nooit heeft geweten dat Kessels hen niet had verraden. Maar al had ze Kessels verhaal wel gehoord, een afdoende verklaring van de rampzalige gebeurtenis in 1942 zou het niet zijn geweest.

7 Noem drie motieven en geef aan hoe ze verbonden zijn met het thema.

Vallen

Op het belangrijkste moment van het verhaal, als Frieda in de put valt, zijn alle beschreven personen aanwezig. Sommige door hun functie, de meeste door het toeval. In het centrale thema van het boek speelt twee keer een val een grote rol. Eerst in 1942: de struikeling over de traproede, waardoor Frieda losgerukt wordt van haar gezin. Uit deze val vloeit alles voort.
‘‘Wacht toch, wacht toch op mij!’ riep ze.
Ze stormde de trappen af, maar struikelde op een van de onderste treden over een losliggende roe. Terwijl ze viel hoorde ze het dichtklappen van autoportieren. Ze sprong op en struikelde opnieuw, over een citybag die midden in de gang stond. Met het vest tegen zich aan geklemd hinkte ze naar de deur.
De natte, schemerige kade afkijkend zag ze nog net hoe ter hoogte van het Bolwerk een grijze auto vaart minderde en om de hoek verdween.’ (pagina 32)
Veertig jaar later is het opnieuw ‘t afschuwelijke toeval dat Frieda in de hete put doet vallen. Naar deze tweede val werkt alles heen.
‘Misschien heeft ze zich op de ruimte verkeken. Misschien lag het aan haar ogen, die ze niet droog had kunnen krijgen. De mogelijkheid bestaat dat ze struikelde over de slang die naast de put lag, of over het deksel. Een combinatie van deze oorzaken is niet uitgesloten. De juiste toedracht zal nooit komen vast te staan. In ieder geval heeft ze niet meer dan twee, drie stappen gedaan voor ze de grond onder haar voeten voelde verdwijnen.’ (pagina 70)
Het verhaal beweegt zich van val naar val en daarbij bestaat maar één leidende factor: het toeval.

(Over)bezorgdheid

Bezorgdheid heeft een fataal gevolg in De Val.
Een warm vest speelt hierbij een belangrijke rol. Eerst als de familie Borgstein klaar staat voor het vertrek:
‘‘Heb je je dikke vest niet aan?’
‘Ik kon het zo gauw niet vinden.’
‘Wacht maar, ik pak het wel voor je.’
‘Blijf hier,’ zei Jakob. ‘Hij zal meteen weg willen.’
‘We hebben nog vijf minuten. Ik ben zo terug.’’ (pagina 31)
Frieda kwam inderdaad terug, met het vest voor haar dochter Olga. Maar toen ze bij de voordeur kwam waren haar man en kinderen al door de Duitsers opgepakt. De deur was voor haar neus dichtgeslagen, en zo werd ze op een gruwelijke manier gescheiden van haar gezin.
Later in het bejaardentehuis als Frieda naar buiten wil om boodschappen te doen, keert ‘het vest’ bij toeval terug. ‘‘Kleedt u zich in ieder geval warm aan,’ adviseerde de directrice, ‘met nog een vest over uw jurk.’’ (pagina 50)

De dubbele ondergang

De familie Borgstein gaat twee keer ten onder: in het concentratiekamp en door Frieda’s sterfte.
Met Frieda’s dood verdwijnen haar familieleden definitief. Frieda had hen altijd door middel van haar herinneringen levend gehouden; dat rechtvaardigde haar bestaan. Ze droeg de foto’s van haar man en kinderen altijd in haar tasje. Als Frieda uit de put wordt gehaald, neemt Abels het doorweekte tasje mee naar het bejaardentehuis. Rena wrijft met haar vinger over de foto van Jacob: ‘de emulsie gaf mee, er ontstond een grauwe vlek’ (pagina 83) Alsof het een ceremonie betreft, brengt Abels de foto’s naar de containerkelder. ‘Om zich heen kijkend zag hij in een hoek een nieuwe, blinkende asemmer staan. Hij liep er naartoe, legde het pak op de bodem en sloot zacht, bijna plechtig, de klep.’ (pagina 83) De val van Frieda vormt de definitieve afrekening met het verleden. Frieda had dat zelf willen doen door haar verjaardag na veertig jaar weer te vieren. Het toeval is haar echter voor op het moment dat de doorweekte foto’s in de asemmer worden gelegd.

De kleur grijs

De herhaling van elementen als de kleur grijs versterkt het gevoel van naderend onheil, bouwt zo een spanning op. Ook verstevigt het de constructie van het verhaal.
De wolken zijn grauw, net als de regen. De auto van de SD en de auto van de monteurs is grijs. Ook de familiefoto’s die Frieda altijd bij zich heeft gehouden zijn grijs geworden.

8 Wat valt je op aan de stijl (het taalgebruik bijvoorbeeld)?

De stijl van Marga Minco is heel sterk en strak. Haar taalgebruik is eenvoudig en sober, maar heel efficiënt. Ze gebruikt geen woord te veel. De zinnen zijn kort, met nauwelijks een moeilijk woord. Er is sprake van een harmonische afwisseling van terugblik en handeling in het heden. De dialogen doen zeer natuurlijk aan en de personages zijn herkenbaar.
Het verhaalverloop in De Val wordt sterk door het toeval bepaald: zo is het wel heel toevallig dat op de dag dat Frieda in de put valt, Hein Kessels als vervanger van Rietveld naar het tehuis gaat. Omdat de afspraak toevallig een half uur eerder is, ziet hij Frieda’s ongeluk. Tegelijk herkent Abels, die ook aan het werk is in het tehuis, Kessels bij toeval.
Aan de andere kant zit het verhaal hecht in elkaar: niets wordt aan het toeval overgelaten. Alle elementen hebben zin, verwijzen naar iets. De verschillende verhaallijnen (Frieda, monteurs, Zweeds bezoek) lijken aanvankelijk niets met elkaar te maken te hebben, maar door allerlei onopvallende elementen worden ze met elkaar in verband gebracht. Zo ziet Rena bijvoorbeeld terloops de grijze auto van de monteurs en praten Baltus en Verstrijen even over het bejaardentehuis. Meneer Marks maakt Frieda attent op de bezigheden bij de putten, maar Frieda antwoordt minzaam: "Ik kijk daar overheen." (pagina 45) Frieda leest een krantenkop: "In de bouw wordt met mensen gesold." Zeven woorden, achtentwintig letters, als ze die van elkaar aftrok kwam ze op eenentwintig. Het klopte. Het was de avond van de eenentwintigste geweest.’ (pagina 54) Hier worden de verhaallijnen van de monteurs en van Frieda’s verleden op een onheilspellende manier met elkaar in verband gebracht. Zo hebben alle zinnen in het boek betekenis. Het herhalen van allerlei elementen verstevigt de constructie van het verhaal: hitte/kou; de verjaardag; de kleur grijs.
Kortom: de stijl van Marga Minco is ijzersterk.

9 Bij welke stroming hoort dit literaire werk?

De Val behoort tot de literatuur die sterk door de Tweede Wereldoorlog beïnvloed is. Het boek is autobiografisch getint, maar niet tot een specifieke stroming toe te rekenen.

10 Welke informatie over de auteur en het literaire werk bevat de literatuurmethode die je in de lessen gebruikt?

Kort na de oorlog verscheen er een groot aantal boeken waarin teruggekeken werd op de vijf zware jaren. Vele daarvan hebben tegenwoordig slechts als historisch document nog waarde. Een aantal echter wordt nog steeds gelezen. (…) Sterk autobiografisch gekleurd is Het bittere kruid (1957) van Marga Minco.
De Tweede Wereldoorlog speelt tot op de dag van vandaag een belangrijke rol in de literatuur, niet alleen bij schrijvers die de oorlog nog bewust hebben meegemaakt, maar ook bij jongere auteurs.
(Dautzenberg)
Dit is alles wat er over Marga Minco wordt genoemd of wat betrekking op haar heeft.

11 Extra informatie over Marga Minco

Sara Minco is geboren te Nieuw-Ginneken (thans een deel van Breda) in een orthodox-joods milieu. Ze begon haar loopbaan als journaliste bij de Bredasche Courant.
Tijdens de Duitse bezetting dook zij onder in Amsterdam; haar gehele familie werd gedeporteerd en kwam om. De tragische ervaringen in de oorlog zullen haar werk bepalen. Ook is de problematiek van ‘teruggekeerde joden’ een belangrijk thema in haar boeken. In haar debuut Het bittere kruid (1957, in vele talen vertaald en bekroond met de Vijverbergprijs van de Jan Campert-stichting) geeft ze een ‘kleine kroniek’ van haar persoonlijke ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Verder schreef ze o.a. nog de verhalenbundel De andere kant (1959), Meneer Frits en andere verhalen uit de vijftiger jaren (1974) en de romans Een leeg huis (1966) en De val (1983). Veel korte verhalen zijn in 1982 samengevoegd in Verzamelde verhalen. In 1986 verscheen de novelle De glazen brug. Behalve verhalen schreef Marga Minco ook nog het jeugdboek Kijk n’s in de la (1963) en de tv-spelen De Hutkoffer (1970) en Daniël de Barrios (1975).
In Bulkboek nr. 46, dat de titel draagt ‘Je mag van geluk spreken’, zijn drie fragmenten uit Het bittere kruid opgenomen, alsmede een fragment uit Een leeg huis, enkele korte verhalen, biografische gegevens over Marga Minco en een interview dat haar werd afgenomen door Ischa Meijer.
Het bittere kruid is verfilmd in 1985. Marga Minco heeft zich niet kunnen verenigen met de inhoud van deze film.
In 1986 was het boekenweekgeschenk een novelle van Marga Minco, getiteld De glazen brug.
Over De Val: het boek gaat over Frieda Borgstein. Haar familie is uitgeroeid in de Tweede Wereldoorlog. Steeds vraagt zij zich af waarom nu juist zij door stom toeval is blijven leven. Ze voelt zich hierdoor ook schuldig.

3 Verdiepingsopdracht

Een vergelijking van de recensie ‘Een uitgestelde val’ door Jaap Goedegebuure (uit De Haagse Post van 21 mei 1983) met mijn eigen mening over het boek.
Marga Minco heeft over De Val bijna alleen positieve recensies gekregen, zo ook deze recensie door Goedegebuure. Ik kòn niet eens een negatieve recensie vinden, waar ik tegenin zou kunnen gaan met argumenten die mijn (postitieve!) mening verdedigen..

De recensie van Jaap Goedegebuure is heel helder geschreven, de recensent geeft een duidelijk beeld van het boek – en natuurlijk zijn eigen mening hierover.
Hij begint met een logische vergelijking met Het bittere kruid, Marga Minco’s debuut. Ook in Het bittere kruid blijkt de hoofdpersoon na afloop van de oorlog de enige overlevende van de familie te zijn. In De Val lijkt Minco nog steeds ‘gefascineerd door de macht van het toeval dat tegenover de ondergang van vele duizenden de redding van slechts een enkeling heeft bewerkstelligd.’ Een goed getrokken conclusie. Minco’s overtuiging van het toeval spreekt me persoonlijk erg aan. Het is iets heel herkenbaars, maar tegelijk ook wonderbaarlijk.
Vervolgens beschrijft Goedegebuure de verhaallijnen van het boek. Sterk vereenvoudigd, maar zeker duidelijk genoeg. Ook haalt hij meteen het belangrijkste naar voren: ‘Veertig jaar later grijpt het toeval voor een tweede maal in. Door de loop die de gebeurtenissen dit keer nemen lijkt het wel alsof de geschiedenis de vergissing recht moet zetten die gemaakt werd toen zij als enige van haar familie aan de uitroeiing onttrokken werd. De val die haar in de armen van haar beulen had moeten doen belanden, maar voortijdig werd afgebroken, wordt alsnog voltooid.’ Het is duidelijk dat Jaap Goedgebuure het boek goed heeft bestudeerd en helemaal doorziet.
‘De diepgang die erin schuilt kan alleen tot stand gebracht worden door lezers die suggestibel zijn voor Marga Minco’s sobere schrijftrant, bij een minimum van middelen berekend op een maximum aan effect. Bij slechte verstaanders blijft elk effect achterwege (...).’
Hier sluit ik me helemaal bij aan. Er spreekt een zekere kracht uit het boek, maar je moet wel in staat zijn om de diepgang te ontdekken. Anders mis je de helft van de boodschap die het boek ons brengt. Gelukkig was ik zelf (deels) in staat om ook te begrijpen wat er tussen de regels door wordt verteld. En ik ben erg onder de indruk van het boek.
‘Het verhaal dat in De Val verteld wordt, is in stilistisch opzicht buitengewoon gevarieerd.’ Jaap heeft het over de stijl van Minco, een structuur die bijzonder strak in elkaar zit..
‘Dat Marga Minco zich op een virtuoze wijze van deze flash back-techniek weet te bedienen bleek al eerder uit de verhalenbundel De andere kant (1959) en de roman Een leeg huis (1966). Net als in die twee eerdere boeken dient de kunstgreep om te benadrukken dat het verleden voor de oorlogsslachtoffers en hun familieleden nooit echt voorbijgaat, maar een alles beheersende macht blijft die het heden domineert. Wat gebeurd is màg trouwens niet in de vergetelheid raken, want in de persoon van die ene overlevende blijft iets van de weggevoerde en vermoorde joden aanwezig.’
Goedegebuure noemt ook de rapportage-toon, en omschrijft de stijl van Marga Minco vrijwel op dezelfde manier als ik bij vraag 8 gedaan heb. Over deze rapportagetoon laat hij trouwens geen mening naar voren komen. Persoonlijk vind ik die schrijfinstantie heel knap uitgewerkt, de zakelijke reconstructies geven het verhaal een stevige samenhang. Maar in mijn ogen neigde deze manier van schrijven af en toe een beetje naar het saaie. Er ontstaat een zekere afstandelijkheid, waar expres voor gekozen is, maar die mijn betrokkenheid bij het boek een stuk verminderde.
‘Het toeval zorgt dat de wegen van deze mensen met hun grote en kleine drama’s elkaar op één dag kruisen, en door onderling zo uiteenlopende lotgevallen samen te weven tot één verhaal maakt de schrijfster iets duidelijk over haar visie op het leven als ondeelbaar geheel, dat alleen als absurd en zinloos voorkomt aan degenen die per se willen verklaren en begrijpen.’
Het toeval staat centraal in De Val, vormt het hoofdthema. De gebeurtenissen in het boek zijn allemaal vrijwel afhankelijk van het toeval. Het is het toeval dat de verschillende verhaallijnen - die niks met elkaar te maken lijken te hebben – in een samenhangend geheel laat eindigen.
Jaap Goedegebuure sluit zijn recensie af met de volgende regels:
‘(...) haar vroegere werk vormde al zo’n sterke eenheid, dat het moeilijk viel in te zien hoe daar nog een kroon op gezet kon worden. Dat het haar toch gelukt is (...) zegt veel over haar gedisciplineerde zelfbeperking en profileert haar als een van de meest authentieke auteurs die onze literatuur rijk is.’
Het verhaal van De Val is heel krachtig geschreven. Ik ben er erg van onder de indruk. Het boek telt 93 bladzijden maar zegt meer dan menig boek van een paar honderd pagina’s...

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

B.

B.

Erg goed verslag!

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

I.

I.

staat in de samenvatting dat Frieda de put niet ziet->Door de kou zijn haar ogen vochtig geworden en wellicht ziet ze de put, het deksel en de slang niet, maar ze ziet de put wel en er nog een halve meter naast. Ze denkt dat ze daar nog wel langs kan maar glijd uit zo de put in!

12 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast