Geschreven door: | anoniem (4 vwo) |
Datum ingestuurd: | 11 juni 2003 |
Taal: |  |
Woorden: | 8.850 |
Bekeken: | 10680 keer (33 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Samenvatting:
De naam zegt het al straatkinderen zijn kinderen die geen huis hebben, en soms ook geen ouders. Voor ons is het heel gewoon eten, naar school, spelen ga zo maar door. Maar voor zo’n 100 miljoen kinderen is dat nog niet zo. Die gaan niet naar school, eten haast niet en kunnen niet spelen. Ze moeten dan werken of ze gaan stelen. Deze kinderen leven vaak in ontwikkelingslanden. Ze missen een hele boel zoals: verzorging, liefde, veiligheid om maar iets op te noemen. Gelukkig zijn er organisaties die er wat aan doen. Zo wordt hun leven heel langzaam verbeterd maar bij maar bij heel veel kinderen wordt het ook nog niet gedaan. We moeten daar iets aan doen.
De landen in midden en zuid Amerika hebben de meeste straatkinderen. In Cambodja komen jammer genoeg ook steeds meer straatkinderen. Dat is ook zo in de hoofdstad van Kenia. Daar zitten zo ongeveer de meeste straatkinderen. Ook zitten op de afvalbelt de Smoky Mountains in de Filippijnen tienduizenden straatkinderen. De Smoky Mountains is een hele grote afvalbelt daar zoeken straatkinderen tussen het afval of er nog iets eetbaars tussen zit. De omstandigheden zijn hier meestal zo slecht dat de kinderen op hun 12e al sterven. In Moskou is het ook erg. Ze leven hier voornamelijk in riolen. Er leven niet alleen straatkinderen in ontwikkelingslanden maar ook in Amsterdam, Parijs en Londen. Deze zijn dan meestal boven de 14 jaar. Zulke straatkinderen leven heel anders ze krijgen hulp van de politie en krijgen opvang. Daar krijgen ze schone kleren en eten.
Op de eerste plaats missen de straatkinderen een huis en de zorg van hun ouders. Sommige ouders van straatkinderen zijn verslaafd aan drugs of alcohol. Dat is heel moeilijk voor de kinderen en dan lopen ze vaak weg. Ze missen liefde, zorg en zekerheid in hun leven, ze missen ook sport en onderwijs. Door te leren kun je later een beroep kiezen maar zij kunnen niet leren en blijven dus vaak voor altijd zwerven. Ze hebben ook geen dokters die als ze ziek zijn even naar hen kijken. Kinderen in Nederland hebben geen zorgen. De straatkinderen wel die moeten aan eten zien te komen en zich in leven houden. Ze hebben geen veilig leventje. Ze moeten zich op vroege leeftijd al zorgen gaan maken. Als ze bijvoorbeeld op straat slapen dan kunnen ze beroofd worden of bedreigd worden. De agenten in de meeste landen beschermen ze niet ze vinden dat ze overlast bezorgen.
In de oorlogslanden leven veel kinderen op straat vaak zijn ze hun ouders kwijt geraakt of die zijn omgekomen bij de vechtpartijen. Ze hebben vaak vreselijke dingen meegemaakt. Soms moesten ze zelf ook meevechten. Het is ook vaak gebeurd dat ze hun eigen familie hebben zien dood gaan. Ook zijn er veel straatkinderen in de arme landen waar veel sloppenwijken zijn. Ze hebben dan geen zin meer om bij hun ouders te blijven. Omdat ze zo'n armmoedig leven hebben. Ze willen een nieuw bestaan opbouwen maar meestal mislukt dat. Ook zijn er veel straatkinderen gewoon weggelopen.
Veel straatkinderen horen bij straatbendes. Dat is een soort bende die elkaar steunt en helpt. Ze gaan bijvoorbeeld samen op zoek naar eten. Ze voelen zich veiliger en sterker in de bende. Ze hebben een soort gevoel van een familie. Als je er niet bent gaan ze je zoeken. Maar vaak stelen de straatbendes wel. Dat levert sneller geld op dan als ze gaan werken als schoenpoetser. Elke straatbende heeft ook zijn eigen regels. In de straatbende is er meestal een leider: de sterkste en de oudste. Ieder bendelid heeft zijn eigen taak in de bende. De één kan goed zakkenrollen de andere is snel en neemt dus de buit mee. Vaak zijn ze ook verslaafd aan drugs en drank. Ze hebben altijd messen bij zich en soms geweren. De politie probeert ze uit de weg te ruimen en slaat en schopt ze. En soms maken ze hen dood. Ze krijgen er geen straf voor, want het zijn maar straatkinderen.
In 1989 zijn er kinderrechten gekomen. Dat was het begin voor de hulp van de straatkinderen, want nu kon je er pas wat aan doen. Ieder kind heeft recht op genoeg voedsel, liefde, zorg, onderwijs en nog veel meer. Voor ons is dat heel gewoon maar voor hen niet. Alle landen van de wereld hebben beloofd om zich hier aan te houden maar dat gebeurt nog lang niet overal. Voor al niet in de 3de wereld landen. Ze hebben geen geld om scholen en ziekenhuizen te bouwen. Unicef controleert of de landen zich daar goed genoeg aan houden. En anders zeggen ze dat er meer aan gedaan moet worden. Al een groot gedeelte van de straatkinderen kan al naar school en verpleegd worden. Maar ongeveer 100 miljoen straatkinderen kunnen dat niet.
Voorwoord:
Het is zo gewoon voor ons: thuiskomen, eten, naar school gaan, slapen in een warm bed. Maar niet alle kinderen op deze wereld doen deze ‘gewone’ dingen. Zeker de ruim 100 miljoen straatkinderen op de hele wereld niet. Over straatkinderen gaat mijn werkstuk. Ik heb voor straatkinderen gekozen, omdat er redelijk veel kinderen zijn die dagelijks met zwerven te maken hebben en die moeten overleven op straat. Ik sta er nu ook bij stil dat wij het hier in Nederland maar goed hebben (ook al zijn er in Nederland zwerfjongeren), wij gaan naar school, hebben genoeg te eten, werk, hebben familie, enzovoort. Straatkinderen hebben dit meestal niet. Zij moeten elke dag vechten voor hun leven. Straatkinderen zijn blij met een heleboel kleine dingetjes, terwijl wij die heel normaal vinden en niet zonder kunnen. Eigenlijk zijn wij gewoon een beetje verwend.
Het is goed als kinderen op de basisschool al leren dat zij veel meer hebben dan straatkinderen en dat ze daar soms ook bij stil moeten staan. Zij hebben de kans om te studeren, hoeven niet de hele dag te werken, kunnen oud worden. Ze hebben een veilig leven.
Straatkinderen spelen dus een belangrijke rol in de maatschappij. Het gaat om hun toekomst, die ze eigenlijk nog niet eens hebben. Vaak hebben ze ook nog te maken met allerlei ziektes en virussen. Dat overleven ze soms niet. Het is moeilijk om hier iets aan te kunnen veranderen.
Inleiding:
Ik heb een hoofdvraag met vier deelvragen. Per deelvraag hoort een hoofdstuk, dus heb ik vier hoofdstukken. Dit vermeld ik hieronder.
Aan het eind van ieder hoofdstuk is er een samenvatting en een deelconclusie. Ook is er over het geheel een samenvatting. Ik hoop dat u mijn werkstuk leuk vindt om door te lezen en dat u er misschien ook nog wat van leert.
Hoofdvraag:
Wat zorgt ervoor dat kinderen straatkinderen worden?
Hoofdstuk 1: Straatkinderen in het algemeen.
Deelvraag: Wat zijn straatkinderen?
Hoofdstuk 2: Overleven op straat.
Deelvraag: Hoe overleven straatkinderen op straat?
Hoofdstuk 3: Straatkinderen in Nederland en in ontwikkelingslanden.
Deelvraag: Waar komen straatkinderen vaak voor?
Hoofdstuk 4: Hulp voor straatkinderen.
Deelvraag: Hoe kunnen straatkinderen worden geholpen?
Hoofdstuk 1: Straatkinderen in het algemeen.
Deelvraag: Wat zijn straatkinderen?
Er zijn miljoenen jongens en meisjes op de wereld die niet in een huis wonen. Die geen eigen kamer en een eigen bed hebben. Die niet naar school gaan en voor wie niet ’s avonds het eten thuis klaar staat. Die geen bijbaantje hebben, maar gewoon moeten werken om zichzelf in leven te houden. Deze kinderen werken de hele dag op de straat of in fabrieken. Sommigen gaan ’s avonds naar huis, anderen slapen op een stuk karton in een winkelportiek of onder een brug. Men noemt deze kinderen straatkinderen.
Straatkinderen zijn er in verschillende soorten en maten. Straatkinderen komen voor op de hele wereld. Er zijn niet alleen straatkinderen in Latijns-Amerika, in Azië en in Afrika. Er zijn ook straatkinderen in Europa. Er zijn zelfs straatkinderen in Nederland. Straatkinderen werken en leven op straat. Er zijn straatkinderen die thuis slapen, er zijn straatkinderen die op straat slapen. Er zijn straatkinderen die wel familie hebben en er zijn straatkinderen die geen familie meer hebben. Er zijn straatkinderen van vijf jaar oud en er zijn straatkinderen van vijftien jaar oud. Er zijn straatjongens en straatmeisjes.
Meisjes kunnen niet uit zoveel verschillende baantjes kiezen als jongens. De meisjes houden zich vooral bezig met de verkoop van eten en drinken, kleding, kranten of affiches. Daarnaast is werken in de prostitutie vaak de enige manier om aan geld te komen.
De straat is voor meisjes nog gevaarlijker dan voor jongens. Meisjes hebben op een dubbele manier te lijden onder het geweld op straat: als straatkind en als meisje. In het laatste geval krijgen ze vooral met seksueel geweld te maken. Veel straatmeisjes - die noodgedwongen de nacht op straat doorbrengen - worden verkracht door mannen en helaas soms door straatjongens.
Veel meisjes zoeken daarom bescherming bij een oudere jongen of man. Maar ook dan lopen de meisjes kans om seksueel uitgebuit te worden en in de prostitutie terecht te komen.
Om de gevaren van de straat te ontlopen zijn er veel meisjes die gaan werken als dienstmeisje bij een rijke familie. Ook gebeurt het regelmatig dat meisjes door hun eigen familie als dienstmeisje worden verkocht. De meisjes zelf krijgen in ruil voor hun arbeid alleen kost en inwoning. Er zijn ook behoorlijk veel straatkinderen die in de prostitutie belanden. Meestal zijn kinderen nog heel jong Ze zijn eigenlijk helemaal nog niet toe aan seks. Maar ze hebben geen keus. Soms verkopen ouders hun dochtertjes. Want voor een mooi, jong meisje wil een handelaar veel geld betalen. En dan worden sommige meisjes ook nog zwanger, dus hebben sommige op hun twaalfde al een kind.
Op de hele wereld leven naar schatting meer dan 100 miljoen kinderen op en van de straat. Ruim de helft van het aantal straatkinderen leeft in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied. Landen die in dit gebied liggen zijn onder andere Brazilië, Colombia en Venezuela. In Azië zijn straatkinderen eveneens een alledaags verschijnsel. Bijvoorbeeld in India, Bangladesh en op de Filippijnen. Ook Afrika krijgt er meer een meer mee te maken, als gevolg van onder andere (burger)oorlog, droogte, voedselgebrek en het vluchtelingenprobleem. Landen als Kenia, Zaïre, Ruanda, Zimbabwe, Ethiopië en Mozambique zien het aantal straatkinderen met de dag groter worden. Deze landen liggen allemaal in de Derde Wereld. Maar ook in westerse landen kent men het probleem van straatkinderen, zij het op veel kleinere schaal. In Nederland bijvoorbeeld leven ongeveer 7000 zwerfjongeren.
Straatkinderen verschillen van elkaar; ze hebben verschillende bezigheden en leiden vaak heel verschillende levens. We kunnen de straatkinderen in drie groepen verdelen:
1. De kinderen op de straat
Dit is de grootste groep. Het zijn kinderen die werken, maar nog wel contact met hun familie hebben. Soms gaan ze ’s morgens of ’s middags naar school. Aan het eind van de dag gaan ze meestal naar huis. Ze werken op straat om hun ouders - die te weinig verdienen om het hele gezin te kunnen onderhouden - te helpen meer inkomen te krijgen.
2. De kinderen van de straat
Voor deze groep is de straat hun ‘thuis’. Daar hebben ze werk, eten en onderdak. Ze hebben wel familie, maar daar gaan ze steeds minder vaak naar toe. Ze krijgen thuis weinig liefde en worden soms zelfs mishandeld. Ze vragen zich vaak af waarom ze eigenlijk hun moeizaam verdiende geld nog aan hun ouders afgeven.
3. Verlaten kinderen
Vele miljoenen kinderen zijn volstrekt op zichzelf aan gewezen. Ze staan er alleen voor. Geen mensen om zich heen die ze kunnen vertrouwen. De band met hun familie is volledig verbroken. Ze hebben niemand om op terug te vallen. Als het moeilijk voor ze is om aan werk te komen, gaan ze stelen, verkopen ze drugs of gaan in de prostitutie om aan geld te komen. Ze snuiven lijm om de honger niet te hoeven voelen. Steun zoeken ze bij elkaar, bijvoorbeeld in de vorm van straatbendes.
Twee straatkinderen uit Brazilië vertellen hoe hun dag eruit ziet.
Marilene (14 jaar):
“Iedere morgen sta ik om vijf uur op. De zon schijnt dan al hard. Ik pak mijn tas en het karretje en daarmee loop ik naar het centrum van de stad. Daar probeer ik zoveel mogelijk nootjes te verkopen. Ik verkoop ze voor 140.000 cruzeiro’s (= 35 cent). Meestal verkoop ik 20 zakjes. Daarvoor kan mijn moeder rijst en bonen kopen, net genoeg voor de volgende dag voor het hele gezin. Ik heb zeven broertjes en zusjes. Als ik zonder geld thuiskom, wordt mijn moeder erg boos en krijgen we de volgende dag geen eten. Soms denk ik erover weg te gaan, maar waar moet ik naartoe? Als ik weg zou gaan, is er niemand meer om voor mij te zorgen, alleen ik zelf maar…”
Henrico (11 jaar):
“Mijn hoofd doet erg zeer. De medicijnen die Antonio me gaf, waren toch wel erg zwaar, geloof ik. Ik kan er niet van slapen en ik heb het ook zo koud. Drie jongens hebben mijn karton gejat en nu heb ik
niets om onder te gaan liggen. Over een uur zal het wel licht worden. Er zijn dan nog niet zoveel mensen op straat, maar als de eerste bussen komen, kan ik wel een lift nemen naar de andere
kant van het centrum. Daar kom ik vast Galega of iemand anders tegen. Misschien hebben die wel wat te eten of anders gaan we samen naar de markt om wat bananen te jatten. Het is al lang geleden dat ik wat gegeten heb.”
Deelvraag: Wat zijn straatkinderen?
Deelconclusie:
Straatkinderen leven dag en nacht op straat. Sommigen hebben wel een thuis, maar daar zijn ze bijna nooit te vinden. Ze hebben het er slecht. Ze worden bijvoorbeeld mishandeld of krijgen niets te eten. Dan leven ze liever op straat dan thuis. Toch is het leven op straat ook erg moeilijk.
Straatkinderen hebben geen dak boven hun hoofd. Ze leven op en van de straat. Straatkinderen verschillen van elkaar. Je hebt 3 soorten straatkinderen, namelijk: de kinderen op de straat, de kinderen van de straat en de verlaten kinderen.
Er leven op straat vaak meer straatjongens als straatmeisjes. Dit komt doordat de straatmeisjes beter aan een baantje kunnen komen. Als dienstmeid bijvoorbeeld. Soms worden ze ook wel eens verkocht.
Hoofdstuk 2: Overleven op straat.
Deelvraag: Hoe overleven straatkinderen op straat?
De wereld telt ruim 100 miljoen straatkinderen onder de 18 jaar. Er zijn veel meer jongens dan meisjes bij. Dat komt doordat meisjes veel vaker werk hebben. Soms helpen ze hun moeder. Bijvoorbeeld bij het koken. Ook werken ze als dienstmeisjes voor rijke gezinnen. Daar moeten ze vaak heel hard werken. Ze krijgen daarvoor kleding en een beetje voedsel, want de mensen waarvoor ze werken willen geen smoezelig kind in huis.
Kinderen met familie komen meestal uit een sloppenwijk (krottenwijk). Hun ouders verdienen vaak niet genoeg. Daarom moeten de kinderen voor zichzelf zorgen en geld verdienen. Vaak slapen ze thuis, maar soms ook op straat.
De kinderen zonder familie hebben helemaal niets: geen huis, geen krot, geen ouders. Niemand bekommert zich om hen. Sommige kinderen weten niet eens welke geboortenaam ze hebben of wanneer ze jarig zijn.
Om te kunnen overleven moeten de straatkinderen aan geld zien te komen. Dat lukt lang niet altijd, het is echt niet gemakkelijk om een klein beetje geld te verdienen. Vooral in de sloppenwijken aan de rand van de stad kun je moeilijk geld verdienen. Daarom leven veel straatkinderen midden in de stad. Daar zijn bedrijven, daar wonen de mensen met geld. De straatkinderen poetsen schoenen, verkopen snoep, verkopen sigaretten, vodden of andere gevonden of gestolen spullen.
Sommige straatkinderen bedelen om geld. Straatkinderen leven vaak in een metropool, enorm grote steden met miljoenen inwoners. Soms wonen er evenveel mensen als in heel Nederland. Het is wel een paar uur lopen van het centrum naar de sloppenwijk. Ook daar moeten de kinderen wel op straat leven. Ze overnachten vaak in portieken, op parkeerplaatsen en op banken in het park.
Veel souvenirs uit arme landen zijn met de hand gemaakt door straatkinderen.
Wie over straatkinderen praat, heeft het ook over kinderarbeid. Straatkinderen zijn op straat om geld te verdienen. Soms als hulpje voor de familie, som om in hun eigen onderhoud te voorzien en om te kunnen overleven. Omdat straatkinderen geen schooldiploma’s hebben, kunnen ze alleen maar ongeschoold werk doen. Je hoeft er niet voor naar school te zijn geweest om het te kunnen doen.
In veel steden in derdewereldlanden zie je kinderen op straat werken. Je ziet ze echt overal. Ze verkopen groente en fruit op de markt. Ze rennen tussen de auto’s door om ongevraagd de ramen te kunnen wassen – en o wee als je niet betaalt, dan heb je zo een deuk te pakken. Ze verkopen ijsjes aan dorstige buspassagiers. Ze proberen het publiek als muzikant te boeien. Ze verkopen alles waar geld aan valt te verdienen: van bidprentjes en kranten tot cassettebandjes en sigaretten. Ze bieden zichzelf op de stoep van grote hotels als gids aan. Ze passen voor een kwartje op geparkeerde auto’s en wie niet betaalt, moet bij terugkomst niet verbaasd opkijken als zijn auto versierd wordt met een fraaie, maar o zo hinderlijke kras. Op stations schouwen straatkinderen voor een habbekrats loodzware koffers naar de trein. Sommigen zoeken op vuilnisbelten naar bruikbare spullen die ze aan opkopers doorverkopen.
Op vuilnisbelten is vaak heel wat te halen, maar het is ongezond om daar de hele dag te zijn.
In India werken duizenden kinderen in glasfabrieken, in de luciferindustrie of bij tapijtknoperijen. In Nigeria weken ze op cacaoplantages. De kinderen in Zuid-Amerika moeten de goudmijnen in. Er zijn jongetjes en meisjes van 3 jaar die de hele dag moeten werken.
Zulke kinderen werken vaak van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Soms wel 16 uur op een dag. Als ze om zes uur ’s ochtends beginnen, zijn ze om tien uur ’s avonds klaar. Een vrij weekend kennen ze niet.
Sommige kinderen komen dagen achter elkaar niet in de buitenlucht. Ze moeten steeds maar werken in de fabriek. Ze slapen er zelfs, achter slot en grendel. En ze krijgen er tussendoor nauwelijks te eten. Veel kinderen krijgen last van hun lichaam, omdat ze telkens in dezelfde houding zitten.
Straatkinderen worden vaak gedwongen om te werken als goedkope arbeidskrachten. Sommige straatkinderen zijn ontvoerd en naar een fabriek of plantage gebracht. Andere kinderen zijn door hun eigen ouders verkocht. Vaak moeten zij, door te werken, de schulden van hun ouders afbetalen.
Zo rond 1970 ontdekken westerse toeristen de Derde Wereld als goedkoop vakantiegebied. Als toeristen of ter plaatse gelegerde militairen komen westerse mannen in contact met in hun ogen exotische vrouwen. Reisbureaus spelen hierop in door in folders inlandse vrouwen en meisjes af te schilderen als aantrekkelijk, lief, gewillig en dienstbaar. Door sekstoerisme neemt de vraag naar steeds meer vrouwen toe. Uit angst voor een besmetting met aids vragen toeristen om steeds jongere vrouwen, om meisjes dus. Het sekstoerisme wordt steeds meer kindersekstoerisme. Ook pedofielen (volwassenen die alleen maar seks met kinderen willen hebben) voor wie seks met minderjarigen in eigen land moeilijk is omdat dit bij de wet verboden is, komen massaal naar derdewereldlanden. ‘Toplanden’ zijn Thailand, Brazilië, India en Vietnam.
Toeristen hebben seks met meisjes van zestien, twaalf, tien, acht en zelfs met nog jongere meisjes, die zichzelf aanbieden of die door een pooier onder dwang aan toeristen worden aangeboden.
Vaak is een pooier een oudere straatjongen die het meeste geld opstrijkt. Het meisje kan het doen met wat eten en een klein zakcentje.
Straatmeisjes zijn ook gewillige slachtoffers voor bordeelhouders. Want wie mist er een meisje dat zonder familie op straat leeft?
Maar ook jonge jongens vanaf 6 jaar worden seksueel misbruikt door vrouwen en mannen. Vooral Sri Lanka is een ‘paradijs’ voor mensen die seks willen met jongens.
Als straatkind ben je niet alleen. Vaak zijn er tientallen, honderden of zelfs duizenden straatkinderen in de stad. Om verschillende redenen verenigen straatkinderen zich in groepen. Een belangrijke reden is natuurlijk dat het niet leuk is om alles in je eentje te moeten doen. Een groep geeft een beetje gezelligheid.
Alleen zijn straatkinderen nog slechter af dan thuis. Oudere kinderen of volwassenen bestelen hen als ze slapen. Als je met een groep bent, kan er iemand om beurten de wacht houden. Om zich tegen de vijandige buitenwereld te beschermen, organiseren straatkinderen zich vaak in groepen van enkele tot tientallen kinderen. Zo’n groep bestaat vaak uit zowel jongens als meisjes. Vaak vind je er kinderen van alle leeftijden, van vijf, zes jaar tot ver in de twintig. In zo’n groep geven ze elkaar bijnamen. Soms zijn dat dierennamen als ‘Luis’, ‘Aap’ en ‘Wolf’. Vaak zijn dat namen die naar een opvallend iets van iemand verwijzen, zoals ‘Paardekop’ of ‘Blondie’. Deze bijnamen zijn niet bedoeld om iemand uit te schelden, maar worden als koosnaam gebruikt. Meestal staat de oudste en sterkste jongen aan het hoofd van zo’n groep.
Een andere reden om je aan te sluiten bij een groep is dat het je anders onmogelijk wordt gemaakt om geld te verdienen. Wie als schonenpoetser wil werken, kan niet zomaar ergens met een kistje gaan staan. Dik kans dat je door andere straatkinderen wordt weggejaagd. Om niet elke keer kans te lopen een pak slaag te krijgen, moet je je wel bij een groep aansluiten. Deze straatkinderen werken dan op vaste plaatsen in groepsverband. De groep regelt wie waar mag staan. De groep verdedigt haar plekjes tegen andere groepen. In een groep leren de straatkinderen de handigheidjes en trucjes om te overleven. Sommige groepen leggen zich vooral toe op criminele activiteiten omdat daarmee meer geld te verdienen is dan met auto’s wassen of schoenen poetsen.
Chico uit de Filippijnen zit in zo’n bende met veertig straatkinderen. “In de hele stad (= hij bedoelt de hoofdstad Manilla) is een aantal straatkinderenbendes. Ik heb me bij zo’n bende aangesloten. De bendeleiders waren twee mannen. Zij leerden mij hoe je auto’s openbreekt en zakkenrolt. Aan het eind van de dag gaf je alles af aan de leiders en kreeg je een deel van de buit. Je moet niet denken dat je buiten een bende om kunt werken. Het centrum van Manilla is verdeeld in wijken. En iedere wijk heeft zijn eigen bende. Als je daar als vreemde tussenkomt, wordt je meteen de wijk uitgewerkt. Je bent dan een concurrent voor de anderen. Bovendien ben je in een bende ook veiliger. ’s Nachts slaap je samen in een park of onder een brug. En het is gezelliger dan alleen.”
Overdag gaan de meesten uit stelen en bedelen; ’s nachts slapen de kinderen dicht op elkaar gepakt op de grond of op stukken karton. De kleintjes vinden hier bescherming bij de ouderen, maar worden tevens door hen misbruikt om uit stelen te gaan. Een aantal van die bendes zijn erg gewelddadig als ze onder invloed zijn van drugs en in het bezit zijn van wapens. Voor criminele bendes zijn zwervertjes een gemakkelijke prooi. De kinderen worden gedwongen tot het verkopen van drugs en het plegen van diefstallen.
Om de ellende en honger een beetje te vergeten gebruiken veel kinderen zelf ook drugs. Ze gebruiken onder andere benzine en verfverdunner. Het goedkoopste en gemakkelijkst te verkrijgen verdovende middel is lijm. Kleine potjes lijm worden voor dertig dollarcent door de schoenmakers op de markt verkocht. De lijm wordt in een plastic zakje gedaan en de lijmdampen worden door de mond ingeademd. Die lijmdampen zijn natuurlijk niet goed voor je gezondheid. Veel kinderen krijgen last van hun tandvlees en gebit. Tanden gaan loszitten en vallen uit. Bovendien heb je een grote kans dat je verlamd raakt omdat de lijm je zenuwstelsel aantast.
Het leven op straat is hard. Je moet elke dag maar zien dat je het weer redt. Elke dag moet je zorgen dat je te eten hebt. Er is niemand die voor je zorgt. Sterker nog, anderen zouden graag jou maaltijdje erbij hebben. Elke dag moet je je eigen plekje bevechten. Geweld is een vast onderdeel van het dagelijkse leven van straatkinderen. Elke dag weer.
Als je met bedelen of venten te weinig verdient, is de verleiding groot om het criminele pad op te gaan, waar meestal heel wat meer te verdienen is.
Dat begint met simpele akkefietjes als auto’s openbreken en zakkenrollen. Chico uit Manilla (zie hiervoor) heeft van zijn bendeleiders allerlei tips en handigheidjes geleerd. “Vooral zakkenrollen kon ik erg goed. Helemaal niet zo moeilijk als je met z’n tweeën bent. Terwijl mijn maat het slachtoffer afleidde, rolde ik zijn portemonnee.” In Caracas, de hoofdstad van Venezuela, terroriseren bendes van straatkinderen de wijken. Wie de wijk van een bende wil betreden, moet eerst wat geld betalen.
De volgende stap op het criminele pad gaat om gevaarlijkere activiteiten. Diefstal in winkels of bij rijke mensen bijvoorbeeld. Dat is gevaarlijk omdat je altijd moet oppassen voor de gewapende bewakers. Als je ze betrappen zullen ze je zonder meer neerschieten.
Meedoen met de drugshandel is ook zo’n gevaarlijkere activiteit. Je moet altijd bedacht zijn op de politie die fel tegen drugshandel door straatkinderen gekant is - soms omdat de politieagenten zelf bij de drugshandel betrokken zijn en liever de winst in eigen zak steken. Maar je moet ook oppassen voor concurrerende bendes die graag een straatkind van het (het zijn bijna altijd jongens die zich met drugshandel bezighouden) handelswaar beroven.
Sommige straatkinderen gaan wel gaan wel heel erg ver het criminele pad op. Zij houden zich bezig met geweldsmisdaden als bedreigingen, roofovervallen en schrikken zelfs niet terug voor moord. De vraag is in hoeverre je deze kinderen nog straatkinderen kunt noemen. Vaak hebben de bendes eigen ruimtes van waaruit ze opereren. De bende zorgt voor een ‘veilig’ onderkomen.
De straatkinderen zijn vies en smoezelig en ze verspreiden gemakkelijk ziektes. Sommige kinderen krijgen aids. Door dat alles zijn straatkinderen niet geliefd bij mensen uit de stad. Die zijn bang voor de bendes en vies van de kinderen. In Brazilië worden straatkinderen ‘Rathino’s’ genoemd. Dat betekent: ratten. Sommige mensen vinden zelfs dat de straatkinderen moeten worden opgeruimd, net als ratten.
De politie voert razzia’s uit op de straatkinderen. Een razzia is een jacht op mensen. De politie neemt ze gevangen en brengt ze naar tuchthuizen. Ze worden geslagen en in busjes gepropt. Ook brengen de agenten de kinderen gewoon terug naar de sloppenwijken. Daar moeten ze zichzelf maar zien te redden. Elke nacht worden er zelfs kinderen vermoord. Als je een straatkind doodt, krijg je meestal toch geen straf.
Deelvraag: Hoe overleven straatkinderen op straat?
Deelconclusie:
De wereld telt ruim 100 miljoen straatkinderen onder de 18 jaar. De straatkinderen moeten aan geld zien te komen. Ze leven in grote steden, omdat daar makkelijker aan geld is te komen.
Het is moeilijk voor straatkinderen om te overleven. Dit doen ze door in straatbendes te leven. Want samen sta je sterker. Sommige straatkinderen bedelen om geld en sommige verdienen het door allerlei spullen te verkopen die ze hebben gevonden of gestolen. Ook komen straatkinderen aan geld door drugs te verkopen en rond te brengen.
Sommige kinderen worden gedwongen om te werken. Kinderarbeid is heel gewoon in derdewereldlanden. Kinderen moeten er de hele dag hard werken en ze krijgen er bijna niets voor terug.
Straatmeisjes worden vaak gedwongen tot prostitutie. Of ze hebben geen andere keus. Hierdoor lopen ze ook ziektes op. De meisjes die in de prostitutie zitten, worden steeds jonger en jonger. Dat komt doordat die meisjes minder kans hebben dat ze aids hebben.
De straatkinderen zijn vaak vies en smoezelig. Ze verspreiden gemakkelijk ziektes.
Hoofdstuk 3: Straatkinderen in Nederland en in ontwikkelingslanden.
Deelvraag: Waar komen straatkinderen vaak voor?
Op de hele wereld leven naar schatting meer dan 100 miljoen kinderen op en van de straat. Ruim de helft van het aantal straatkinderen leeft in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied. Landen die in dit gebied liggen zijn onder andere Brazilië, Colombia en Venezuela. In Azië zijn straatkinderen eveneens een alledaags verschijnsel. Bijvoorbeeld in India, Bangladesh en op de Filippijnen. Ook Afrika krijgt er meer een meer mee te maken, als gevolg van onder andere (burger)oorlog, droogte, voedselgebrek en het vluchtelingenprobleem. Landen als Kenia, Zaïre, Ruanda, Zimbabwe, Ethiopië en Mozambique zien het aantal straatkinderen met de dag groter worden. Deze landen liggen allemaal in de Derde Wereld. Maar ook in westerse landen kent men het probleem van straatkinderen, zij het op veel kleinere schaal. In Nederland bijvoorbeeld leven ongeveer 7000 zwerfjongeren.
Elk jaar gaan honderdduizenden jongeren op vakantie. Ze pakken een rugzak of tas vol met kampeer- en logeerspulletjes. Maar ook buiten de vakantieperiode worden ieder jaar in Nederland duizenden tassen gepakt met schoon ondergoed, spaarpotten en tandenborstels. De ene helft wordt een paar uur later weer uitgepakt. De andere helft behoort aan jongeren toe die met onbekende bestemming verdwijnen. De politie krijgt per jaar veel aangiften van jongeren die met rugzak, plastic zak of weekendtas verdwenen zijn. Tachtig procent keert na kortere of langere tijd naar huis terug de rest vindt een ander onderkomen.
In Nederland leven ongeveer zevenduizend zwerfjongeren. Anders dan in veel derdewereldlanden spreken we niet over straatkinderen, omdat de jongeren die in Nederland over straat zwerven, gedwongen door het klimaat ’s avonds vaak een dak boven hun hoofd moeten zoeken. We spreken ook niet over straatkinderen, omdat de jongeren die in Nederland van huis weglopen ouder zijn (meestal tussen 14-18 jaar) dan de straatkinderen elders op de wereld.
Deze zevenduizend zwerfjongeren hebben om een of andere reden hun ouderlijk huis verlaten. Ze leven op straat, slapen bij vrienden, vage kennissen of domweg onder een brug (als het niet vriest), in een bushokje of in een zaaltje bij het Leger des Heils. Zevenduizend jongeren die als zij ’s ochtends opstaan niet weten waar ze ’s nachts slapen, waar zij iets te eten vandaan moeten halen en hoe zij aan geld komen. Zaken die voor iemand die nog thuis woont heel vanzelfsprekend zijn.
Zwerfjongeren zien er meestal niet verwaarloosd uit. Ze zijn dan ook niet te vergelijken met echte zwervers. Voor zwerfjongeren is zwerven meestal een tijdelijk probleem. Ook zijn de redenen om te gaan zwerven bij jongeren anders.
Donny:
“Mijn broer is 4 jaar ouder dan ik. Hij ging studeren, economie. Hij was zoals het hoorde. Mijn ouders verlangden van mij dat ik hem navolgde, maar ik wilde geen kantoorbaantje. Dat weigerden ze te zien. Op hun aanraden kwam ik op de MEAO terecht, maar ik wist niet hoe snel ik daar weg moest. Ze bleven me dwingen om aan hun normen te voldoen, met mijn grote broer als voorbeeld. Tijdens de kerstdagen ben ik weggelopen. De eerste keer dat ik een tasje uit de handen van een vrouw rukte, liep ik regelrecht in de armen van de politie. Dat was mijn redding. Want anders was ik verder gegaan. Ik heb me door mijn ouders vernederd gevoeld. Ze vonden mij het stoute kind. Mijn eigen persoon hebben ze afgebroken.”
Myrthe:
“Toen ik op het Lyceum zat, werd ik er agressief. Er was spanning tussen mijn ouders en ik voelde dat aan. Ik had dag en nacht ruzie met mijn ouders. Later kon ik naar een leefgemeenschap. Mijn vader
kwam naar me toe om me te vertellen dat ze gescheiden waren. Hij huilde in mijn armen. Ik ging coke gebruiken. Vanaf het eerste moment dat mijn ouders mij uit Colombia kwam ophalen, had ik al ruzie
met ze. Met mijn vriend ging ik uiteindelijk zwerven. We sliepen bij vrienden of bij een tante. Ik gebruik geen coke meer, alleen nog hasj. Daarmee wil ik stoppen.”
Zeezicht in Amsterdam was het eerste pension voor zwerfjongeren in Nederland. Zeezicht werkte met de succesformule ‘wonen-leren-werken’. Ondanks het succes is het pension uit geldgebrek inmiddels gesloten. In andere plaatsen is de formule van ‘wonen-leren-werken’ overgenomen. Rotterdam heeft Maaszicht, het pension in Heerlen heeft Mijnzicht, Haarlem doet het met Spaarnezicht. Groningen en Leeuwarden hebben afwijkende namen (respectievelijk ’t Heemskerckhuis en WLW Leeuwarden) maar wel de formule.
Als je als zwerfjongere bij een van deze pensions aanklopt, moet je voldoen aan twee criteria: je mag niet ouder zijn dan 23 jaar en je moet iets anders met je leven willen.
Zwerfjongeren mogen in het pension wonen zolang ze actief met hun toekomst bezig zijn. Ze krijgen eerst een maand de tijd om op adem te komen. Na maanden zwerven, kun je niet meteen aan een baan van 9 tot 5 uur beginnen. Na die eerste maand moeten ze actief op zoek naar een opleiding of baan. Medewerkers van het pension helpen daarbij.
De contacten tussen de pensions en het bedrijfsleven zijn zo goed dat het meestal wel lukt om zwerfjongeren aan een baan of opleiding te helpen. Voormalige zwerfjongeren hebben met hulp van de pensions en het arbeidsbureau al allerlei banen gevonden, bij een woningbouwvereniging, in een garage, restaurant enzovoort. Ook in het pension zelf kunnen jongeren aan de slag. Verscheidene jongeren zijn in de keuken door de chef-kok opgeleid.
Er werken in de pensions geen hulpverleners zoals psychologen en therapeuten. De meeste jongeren hebben slechte ervaringen met hulpverleners. De aanpak van de pensions gaat ervan uit dat jongeren het zelf moeten willen en dat werkt.
De pensions zijn 7 dagen per week, 24 uur per dag open. Er zijn een-, twee- en driepersoonskamers. Deze kamers moeten door de jongeren zelf worden schoongemaakt. Iedere jongere moet voor 10 uur ’s ochtends de kamer verlaten hebben. Er mogen geen drugs, wapens en gestolen goederen gebruikt worden. Ook racisme en seksisme zijn verboden.
De landen in Midden- en Zuid-Amerika hebben de meeste straatkinderen. De Braziliaanse steden São Paulo en Rio de Janeiro zijn bijvoorbeeld berucht om hun sloppenwijken. In Azië zijn de problemen al bijna even groot. In de Indiase steden New Delhi en Calcutta woont een groot deel van de bevolking in sloppenwijken. In Phnom-Penh, de hoofdstad van Cambodja, wonen steeds meer straatkinderen. Dat is ook zo in Naïrobi, de hoodstad van het Afrikaanse land Kenya. Manilla is de hoofdstad van de Filipijnen. Daar leven duizenden mensen op Smokey Mountain. Smokey Mountain is Engels voor rokende berg. Het is een grote, dampende vuilnisbelt. Het stinkt er vreselijk. De bewoners zoeken naar eetbare restjes tussen het rottende afval. Ze zoeken ook naar stukken ijzer een lood en naar glas en doppen. Dat alles verkopen ze op straat. De hygiënische omstandigheden zijn er zo slecht dat de helft van de kinderen sterft voor hun twaalfde.
In de Russische hoofdstad Moskou zijn geen sloppenwijken. Er is wel veel armoede. Kinderen zwerven door de stad. Bij grote kou schuilen ze vaak in de ondergrondse riolen. Nogal wat straatkinderen zitten er dag en nacht. Ze kruipen in de riolen via de putdeksels op straat. Veel van deze kinderen drinken al heel jong sterke drank en gebruiken veel drugs.
Deelvraag: Waar komen straatkinderen vaak voor?
Deelconclusie:
Er leven ongeveer 100 miljoen straatkinderen op de wereld. De meeste straatkinderen leven in ontwikkelingslanden en in Midden- en Zuid-Amerika. Ze hebben daar niet genoeg geld om straatkinderen te kunnen helpen. En als ze het geld wel hebben, steken ze het liever ergens anders in.
Maar ook in Azië en in Europa leven straatkinderen. Er leven meer straatkinderen in Oost-Europa dan in West-Europa.
De landen in Midden- en Zuid-Amerika hebben de meeste straatkinderen. De Braziliaanse steden São Paulo en Rio de Janeiro zijn bijvoorbeeld berucht om hun sloppenwijken. In Azië zijn de problemen al bijna even groot. In de Indiase steden New Delhi en Calcutta woont een groot deel van de bevolking in sloppenwijken. In Phnom-Penh, de hoofdstad van Cambodja, wonen steeds meer straatkinderen. Dat is ook zo in Naïrobi, de hoodstad van het Afrikaanse land Kenya.
In Nederland leven ongeveer 7000 zwerfjongeren. De zwerfjongeren in Nederland kunnen in een opvangtehuis terecht als ze dat willen. Er wordt in Nederland veel voor gedaan om de zwerfjongeren op te vangen. In ontwikkelingslanden en in Amerika is dat anders. Daar geven ze liever geld uit aan andere dingen, wat ze belangrijker vinden.
Hoofdstuk 4: Hulp en opvang voor straatkinderen
Deelvraag: Hoe kunnen straatkinderen worden geholpen?
De Verenigde Naties is een organisatie van politici uit een groot aantal landen van de wereld om de rechten van de mens te bewaken.
Twintig november 1989 was een belangrijke dag voor de Verenigde Naties en ook voor de kinderen van de hele wereld. Toen zeiden politici in de Verenigde Naties namelijk: “Zo kan het niet langer.” Iedereen vond dat er officiële rechten voor kinderen moesten komen. De politici zetten die rechten op papier en ze noemden het de ‘Verdrag inzake de Rechten van het Kind’. De landen die dit verdrag ondertekenen, verplichten zich artikelen uit het verdrag in hun wetgeving op te nemen en zich in te zetten voor naleving van de kinderrechten. Het verdrag is inmiddels ondertekend door Nederland, maar ook door Brazilië, het land dat verreweg de meeste straatkinderen telt: zo’n 30 miljoen van de 100 miljoen die er wereldwijd zijn.
Ieder kind heeft recht op leven, regeringen moeten zorgen dat kinderen zo goed mogelijk kunnen overleven en zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen (artikel 6)
Van een regering die toestaat dat de eigen politie en het leger straatkinderen vermoorden, kun je helaas niet verwachten dat ze goed voor kinderen zorgt. Gelukkig zijn er veel anderen, ook in Brazilië, die daar wel voor zorgen.
Ouders moeten hun kinderen goed opvoeden. De regering moe erop letten dat ouders kinderen niet mishandelen (artikel 18)
Veel kinderen worden straatkind omdat ze thuis continu ruzie hebben met hun ouders. Bij gebrek aan liefde is de stap naar een leven op straat niet zo groot. De regering van Brazilië maakt zich niet zo druk om wat er thuis met kinderen gebeurt. Er bestaat niet zoiets als een Raad voor Kinderbescherming in Brazilië.
Een kind heeft recht op (gratis) onderwijs (artikel 28)
Zoals in zovele derdewereldlanden geeft de Braziliaanse regering veel minder geld aan onderwijs uit als wenselijk is. Daarbij is het geld oneerlijk verdeeld. Scholen in wijken waar hoofdzakelijk blanken wonen, krijgen veel meer geld dan scholen in gekleurde wijken. Veel rijke, blanke Brazilianen sturen hun kinderen naar dure privé-scholen. Blanke kinderen blijven dan ook veel langer op school dan zwarte.
Kinderarbeid is verboden (artikel 32)
De Braziliaanse regering zal straatkinderen en hun ouders eerst een alternatief moeten bieden voor het verbieden van kinderarbeid. Daar werkt de regering niet aan. Op dit moment is voor veel gezinnen kinderarbeid een onmisbaar onderdeel van het gezinsinkomen.
Kinderen moeten beschermd worden tegen seksueel misbruik (artikel 34)
Onder druk van buitenland hebben enkele landen wetten aangenomen tegen kinderprostitutie. Brazilië is helaas nog niet zover. Seksualiteit is een taboe in Brazilië waar slechts mondjesmaat over gesproken kan worden. Begeleiders van opvangtehuizen weten vaak geen raad met meisjes die in de prostitutie zitten. Men doet liever alsof het probleem niet bestaat.
Kinderen die een misdaad begaan hebben, hebben recht op een eerlijk proces. Ze hebben recht op de hulp van een advocaat en mogen niet tot een schuldbekentenis gedwongen worden (artikel 40)
Straatkinderen die opgepakt worden, kunnen in Brazilië rekenen op een slecht behandeling. Agenten gebruiken veel geweld. Tijdens het verhoor worden de kinderen vaak geslagen, met de hand of vuist of met een knuppel. Soms overlijden kinderen in de cel. Uit angst en omdat er toch nooit iemand veroordeeld wordt, durven straatkinderen geen klacht tegen hun beulen in te dienen. De meeste advocaten interesseren zich niet voor straatkinderen omdat ze daar niets aan kunnen verdienen.
Al met al kun je concluderen dat de regering van Brazilië nog niet zo haar best doet om de situatie voor straatkinderen te verbeteren, laat staan proberen te voorkomen dat kinderen straatkind worden. Gelukkig denken niet alle regeringen er zo over en niet alle mensen in Brazilië.
Sinds dit verdrag hebben kinderen bijvoorbeeld officieel recht op gezond eten en schoon drinkwater. Maar ook op onderdak, medische zorg en op onderwijs. Ze hebben recht op ontspanning, op spel en op sport.
Sinds de Verdrag Inzake de Rechten van het Kind hebben alle kinderen op de wereld recht op onderwijs. Helaas kunnen lang niet alle kinderen op de wereld van dit recht profiteren.
Sommige straatkinderen worden opgevangen in opvangcentra. Daar moeten de kinderen verplicht naar school. De dag begint vroeg met werken in de tuin of op stal. Daarna gaan ze naar school. Na school is er gelegenheid voor sporten en werken op het land. Werken is een soort therapie. De kinderen moeten leren om te werken voor iets wat ze nodig hebben in plaats van het gewoon te stelen.
Toch houden niet alle straatkinderen het vol in de opvangcentra. Ze zijn de regelmaat van op tijd eten, leren en werken niet meer gewend. Regelmatig lopen er kinderen weg, en die komen niet meer terug.
Er zijn dus veel mensen hard aan het werk voor een beter leven voor de kinderen. Toch zijn er nog miljoenen straatkinderen.
Niet alle landen kunnen het probleem oplossen. Veel ontwikkelingslanden hebben bijvoorbeeld te weinig geld om scholen en ziekenhuizen te bouwen. En er zijn nog veel bedrijven in ontwikkelingslanden die kinderen voor fabriekswerk gebruiken. Die zijn goedkoop. Ze protesteren ook niet zo gauw tegen lage lonen en slechte arbeidsvoorwaarden.
Andere ontwikkelingslanden hebben wel geld, maar geven dat liever uit aan andere dingen. Bijvoorbeeld aan het leger, zodat ze oorlogen kunnen winnen.
En de rijke mensen in de ontwikkelingslanden willen ook niet altijd iets doen voor de kinderen. Ze houden hun geld liever zelf! De regering in zo’n land is niet machtig genoeg om het geld eerlijk te verdelen.
Casa de Passagem is een opvangtehuis in Recife in Brazilië. Casa de Passagem betekent Doorganshuis. Ana Vasconcelos werkte vroeger als advocate. De eerste keer dat ze met straatmeisjes in aanraking komt, is ze diep geschokt. Ze vindt de meisjes vuil, cynisch, gewelddadig en ze gebruiken de meet obscene taal die ze ooit gehoord heeft. Ze prikt daar al snel doorheen. De Braziliaanse maatschappij kijkt neer op straatmeisjes en de meisjes gaan zich daarnaar gedragen. Ana trekt zich het lot van de meisjes aan, zegt haar baan op en begint op haar veertigste een nieuw leven als leidster van een opvangtehuis.
In Casa de Passagem zitten zo’n zestig meisjes. Ze kunnen er alleen overdag terecht en alleen als ze zich houden aan de schaarse huisregels:
- geen drugs
- niet stelen
- geen geweld
Een dag in Casa de Passagem
07.00 uur De twee straatmeisjes die verantwoordelijk zijn, zetten koffie in
de keuken, dekken de tafels en maken de broodjes klaar.
07.30 uur De straatmeisjes die de hele nacht op straat zijn geweest, mogen naar binnen. De meisjes tussen 7 en 20 jaar staan dan
al in een lange rij te wachten. Ze nemen een douche en trekken
schone kleren aan, als ze die hebben.
08.15 uur De deur gaat voor de rest van de dag dicht.
08.30 uur Ontbijt.
09.00 uur In een klaslokaal begint een groepsgesprek, geleid door een psycholoog. De meisjes dragen zelf de onderwerpen aan: over wat er afgelopen nacht gebeurd is, het geweld dat ze ondervinden, de huisregels of over onderlinge ruzies.
10.00 uur Les in lezen, schrijven en rekenen.
12.00 uur Rusten. De meeste meisjes doen een dutje omdat ze de hele nacht gewerkt hebben.
13.00 uur Lunch. De schoonmaaktaken worden na het eten via loting verricht. Iedereen helpt mee.
14.00 uur De meisjes kunnen knutselen, tekenen of verven. Ze maken vaak een krant met berichten over hun eigen leven.
16.00 uur De meisjes kleden zich weer om, krijgen wat te eten en een kaartje voor de bus. Hun kleren worden onderzocht op drugs, wapens of gestolen spullen.
17.00 uur Het huis gaat dicht.
Soms maakt de leiding met de meisjes een uitstapje naar het strand of naar de dierentuin.
De meningen over Cassa de Passagem
De meisjes in het doorgangshuis zijn heel tevreden. Tijdens een interview zeggen ze:
- “Ik vind het een prima project, omdat je er eten en medische verzorging krijgt. En ze begrijpen je ook. Er is gelijkheid en respect. Die vind je op straat niet.”
- “Mijn leven is enorm veranderd. Toen ik over straat zwierf, wilde niemand wat van me weten. Ze vonden me alleen lief als ik me prostitueerde.”
- “Het doorgangshuis is voor mij een thuis, een huis, een moeder.”
- “Ik vind het leuk in het doorgangshuis. Als het niet bestond, zat ik nog in de prostitutie. En nu hoeft dat niet meer. Nu heb ik iets van het leven geleerd.”
Straatkinderen zijn vooral bezig met overleven. Ze leven van dag tot dag en hebben weinig tijd om over hun toekomst na te denken. Toch zoeken veel straatkinderen een uitweg uit hun huidige, heilloos bestaan. Vaak moet er eerst iets gebeuren dat ze doet inzien dat het leven op straat geen toekomst biedt.
In mei 1986 in de hoofdstad van Brazilië verzamelen op het keurig gemaaide grasveld van het regeringsbouw 432 kinderen zich voor een grote demonstratie. Ze pikken het niet langer meer dat ze elke dag op hun hoede moeten zijn voor politie-agenten en militairen.
Na de demonstratie besluiten de straatkinderen om door te gaan met hun protesten. Ze stichten met hulp van enkele volwassenen de Movimento Nacional de Meninos e Meninas de la Rua. Dat staat voor de Nationale Beweging van Jongens en Meisjes van de Straat.
Pater Bruno Sechi is de eerste voorzitter van de Beweging. Om de kinderen van de straat te halen, verandert hij een grote hal in een werkplaats: Republica do Pequeno Vendedor (Republiek van de Kleine Verkoper).
In de hal repareren straatkinderen afdankertjes als koelkasten, ventilatoren en meubilair. Na de reparatie worden de spullen verkocht. Ook kunnen straatkinderen in de Republiek een goedkope maaltijd krijgen.
Vakbond
Langzaamaan wordt de Beweging een grote landelijke organisatie die steeds meer taken krijgt. Zo gaat de Beweging als een soort vakbond fungeren. Ze zet zich in voor verbetering van werkomstandigheden van straatkinderen.
Kinderrechtswinkels
De Beweging sticht ook Kinderrechtswinkels. Kinderen die het slachtoffer zijn van geweld kunnen daar gratis hulp krijgen en een klacht indienen. Als het mogelijk is stappen medewerkers van de Kinderrechtswinkels naar de rechter. Alle medewerkers zijn vrijwilligers. De Kinderrechtswinkels ontvangen immers geen subsidie.
Praten over geweld
Enkele keren per week praten de straatkinderen onder leiding van ene vrijwilliger over werk, scholen het geweld van de kant van de politie. Maar ook met de politie-agenten zelf wordt nu gepraat. E Beweging organiseert discussies met agenten en regeringsleiders om te laten zien dat straatkinderen niet allemaal dieven zijn, dat ze het moeilijk hebben om op straat te overleven.
Kinderen hebben nog meer rechten. Ze hoeven geen zwaar werk te doen en ze mogen niet vechten in een leger. Ze moeten worden beschermd tegen geweld. Ze mogen bijvoorbeeld niet worden mishandeld of seksueel misbruikt worden. Als dat toch gebeurt, dan hebben alle kinderen recht op goede opvang. Alleen zo kunnen ze hun vreselijke ervaringen verwerken.
Deze rechten gelden sinds 1989 voor alle kinderen van de wereld. De regeringen van alle landen moeten ervoor zorgen dat iedereen zich houdt aan de wetten. Dat hebben ze beloofd. Dit wordt gecontroleerd door UNICEF.
UNICEF is een onderafdeling van de Verenigde Naties die zich inzet voor kinderen. Alle landen moeten af en toe aan UNICEF vertellen wat ze hebben gedaan voor de kinderrechten. Want de kinderen moeten natuurlijk krijgen waar ze recht op hebben. Het ene land pakt het wat beter aan dan het andere. Een land dat volgens UNICEF te weinig doet, moet beloven meer te gaan doen.
Toch houden veel landen steeds meer rekening met de Rechten van het Kind. UNICEF en ook andere organisaties zetten zich daarvoor in. Ze bouwen bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen. En ze betalen mensen om te werken in opvanghuizen. De organisaties zorgen ook voor speelgoed en lesmateriaal. Met maar één doel: zorgen voor een zorgeloze jeugd voor zoveel mogelijk kinderen op de wereld. Daar hebben ook kinderen recht op. Dus ook straatkinderen!
Deelvraag: Hoe kunnen straatkinderen worden geholpen?
Deelconclusie:
De Verenigde Naties is een organisatie van politici uit een groot aantal landen van de wereld om de rechten van de mens te bewaken. Iedereen vond dat er officiële rechten voor kinderen moesten komen. De politici zetten die rechten op papier en ze noemden het de ‘Verdrag inzake de Rechten van het Kind’. Dit wordt gecontroleerd door UNICEF. Die zien er op toe dat alles goed geregeld wordt.
Sommige straatkinderen worden opgevangen in opvangcentra. Daar moeten de kinderen verplicht naar school. De dag begint vroeg met werken in de tuin of op stal. Daarna gaan ze naar school. Na school is er gelegenheid voor sporten en werken op het land. Werken is een soort therapie. De kinderen moeten leren om te werken voor iets wat ze nodig hebben in plaats van het gewoon te stelen. Toch houden sommige straatkinderen dit niet vol en ze gaan weer op straat leven.
Het is behoorlijk moeilijk om straatkinderen te helpen. In 1989 zijn er rechten gekomen voor de kinderen. Dit wordt gecontroleerd door UNICEF. Toch houden veel landen steeds meer rekening met de Rechten van het Kind. UNICEF en ook andere organisaties zetten zich daarvoor in.
Ook worden er regelmatig acties gehouden voor straatkinderen, zoals een sponsorloop, een toneelstuk of iets dergelijks. Dan zamelen ze geld in en dat gaat dan naar een stichting.
Hoofdvraag: Wat zorgt ervoor dat kinderen straatkinderen worden?
Hoofdconclusie:
Er zijn ongeveer 200 landen op de wereld. Tussen die landen zijn er grote verschillen in welvaart. Iemand in Nederland verdient vaak genoeg om prettig te kunnen wonen, een kleurentelevisie of auto te kopen en naar de bioscoop te gaan als hij daar zin in heeft. Kinderen krijgen van hun ouders bijna alles wat hun hartje begeert, van Barbiepop tot een Nintendo-computerspelletje. Voor veel volwassenen en kinderen in andere landen is dat niet vanzelfsprekend. Er zijn ongeveer 120 ontwikkelingslanden.
Er zijn dus veel meer arme dan rijke landen. Ze liggen vooral in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Al die 120 landen hebben eigen volken, talen en gewoonten, die totaal verschillend kunnen zijn. Maar ook andere zaken kunnen per land verschillen. Sommige landen zijn voor een groot deel afhankelijk van één product, bijvoorbeeld cacao (Ivoorkust) of koffie (Colombia). Dalen de prijzen, dan wordt zo’n land weer een stukje armer. Andere landen beschikken over een grondstof die juist heel veel waard is, bijvoorbeeld olie (Saudi-Aribië). Er zijn ook landen die dankzij hun industrie meer welvaart hebben gekregen (Singapore, Maleisië).
Maar als de welvaart toeneemt, wil dat nog niet zeggen dat ook de armen van een land daarvan profiteren. In veel derdewereldlanden zijn de verschillen tussen arm en rijk veel groter dan in andere landen. De paar rijken die er zijn, zijn meestal meteen heel erg rijk. Het is het kleine groepje rijken dat alle macht in handen heeft, economisch en politiek. Ze bekommeren zich weinig om de armen. Deze kunnen dan ook geen aanspraak doen op sociale voorzieningen zoals in Nederland het geval is. Als je ouders hier geen werk hebben dan kunnen ze aanspraak doen op de ww (= werkloosheidswet) of bijstand. Deze uitkeringen voorzien in de kosten van het dagelijkse levensonderhoud. Je krijgt genoeg geld voor een huis, voeding en kleding. Je ouders hoeven je niet de straat op te sturen om geld te verdienen. Je kunt gewoon naar school gaan, want onderwijs in Nederland wordt door de regering gesubsidieerd. Hoe anders is dan in de meeste derdewereldlanden. Mensen die geen werk hebben, hebben ook geen inkomen.
Al tientallen jaren is er in de Derde Wereld een massale trek van het platteland naar de steden aan de gang. Kleine boeren kunnen niet meer concurreren met de moderne bedrijven van grootgrondbezitters of door zeer ongunstige pachtverhoudingen gedwongen hun land te verkopen. De enige mogelijkheid die hen nog rest, is met het hele gezin naar de stad te trekken en dar proberen een baan te vinden. De stad kan al die mensen echter niet opvangen. Er ontstaan krottenwijken en grote werkloosheid. Om te kunnen overleven moet iedereen in de familie een steentje bijdragen. Als er geen werk is, wordt er werk gemaakt. Proberen wat te verkopen op straat, van fruit of snoep tot sigaretten gemaakt van peukenresten. Veel kinderen poetsen schoenen, wassen auto’s of als het niet anders kan gaan bedelen of stelen. Als het maar geld opbrengt. Door armoede gedwongen gaan miljoenen kinderen niet of maar enkele uren per week naar school. Ze brengen de meeste tijd op straat door in de hoop wat te kunnen verdienen. Omdat de situatie thuis meestal ook niet rooskleurig is, is de stap naar het permanent leven op straat niet zo groot meer.
Armoede is kortom de belangrijkste oorzaak voor het feit dat kinderen straatkind worden.
Een andere reden waarom kinderen op straat terechtkomen is oorlog. Over de hele wereld zijn er kinderen die bijna niks anders zien dan geweld en ellende. Er zijn oorlogen tussen landen en burgeroorlogen. Vaak zijn de slachtoffers gewone burgers, mannen en vrouwen, jongens en meisjes.
Volgens UNICEF zijn er in de afgelopen tien jaar al twee miljoen kinderen door oorlogsgeweld om het leven gekomen. Ongeveer vijf miljoen kinderen raakten gehandicapt. En het wordt nog erger: twaalf miljoen kinderen zijn dakloos en meer dan één miljoen kinderen verloren de afgelopen tien jaar hun vader of moeder. Soms is hun familie zelfs voor hun eigen ogen vermoord.
In Ruanda bijvoorbeeld raakten twee volken met elkaar in oorlog: de Hutu’s en Tutsi’s. Milities (kleine groepjes gewapende mannen) drongen de huizen van onschuldige burgers binnen. Gezinnen moesten in grote haast wegvluchten. Bezittingen werden achtergelaten. In alle verwarring zijn veel kinderen hun ouders kwijtgeraakt. Soms weten deze kinderen niet of hun ouders nog leven. Ze zijn genoodzaakt om als straatkind hu kostje bij elkaar te scharrelen.
Een aantal kinderen is opgepikt door vrachtauto’s van hulporganisaties en terechtgekomen in een van de vluchtelingenkampen. Sommige kinderen hebben hun ouders weer teruggevonden in het kamp. Vaak zijn de omstandigheden in een vluchtelingenkamp slecht. Heel veel mensen zitten dicht op elkaar. Er is gebrek aan alles: eten, drinken en onderdak. Voor de kinderen betekent dit totale ellende.
Daarom heeft een aantal kinderen met of zonder familie in het kamp besloten om op de straat te gaan leven. Het straatleven trekt, het is spannend en er valt vaak meer te halen dan in het kamp.
In sommige landen worden kinderen straatkind om wel een heel bijzondere reden: aids. In Uganda bijvoorbeeld zijn veel kinderen wees geworden doordat hun ouders aan aids zijn overleden. Als ze geen familieleden hebben die voor hen kunnen of willen zorgen, komen ze vaak letterlijk op straat te staan.
De belangrijkste redenen zijn dus armoede, oorlog en aids. Maar er zijn ook andere redenen, zoals een kind wiens ouders omkomen, of door een ruzie thuis, enzovoort.
Op de muur op de achtergrond staat: schiet niet op elkaar, schiet op aids. Veel straatkinderen hebben last van geweld van andere, sterkere kinderen.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.