Door Scholieren.com te bezoeken geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Ben je onder de 16? Zorg dan dat je toestemming van je ouders hebt om onze site te bezoeken. Lees meer over je privacy (voor het laatst bijgewerkt op 25 mei 2018). Akkoord Instellingen aanpassen
Scholieren.com krijgt een nieuw jasje! Als je het leuk vindt kun je nu al een kijkje nemen op de nieuwe site. Klikkerdeklik.

Kinderarbeid tijdens de Industriële Revolutie in Nederland

Geschiedenis

Werkstuk

Industriële revolutie

6.7 / 10
5e klas vwo
  • Lotte
  • Nederlands
  • 5333 woorden
  • 34225 keer
    124 deze maand
  • 15 april 2003
Hoe verliep de industrialisatie in Nederland?

Industrialisatie is de overgang, in de industrie, van handenarbeid naar machinearbeid. De industriële revolutie kwam tot stand door een combinatie van factoren. Deze hadden zowel met de vraag- als met de aanbodzijde van de economie te maken. Voorbeelden van factoren aan de vraagzijde waren de voorspoedige ontwikkeling van de agrarische sector, de verbetering van de infrastructuur en de bevolkingsgroei. Voorbeelden van factoren aan de aanbodzijde waren, de technische ontwikkeling en de productiecapaciteit.
Engeland was een van de eerste landen waar deze industrialisatie op gang kwam, dit gebeurde in de periode 1760-1780. De eerste gebieden op het vaste land in Europa die industrialiseerden, waren België, Noord-Frankrijk en het Roergebied in Duitsland. Buiten Europa waren de Verenigde Staten een gebied dat in de tweede helft van de negentiende eeuw snel geïndustrialiseerd werd. De industrialisatie van Nederland begon ook pas in de tweede helft van de negentiende eeuw vorm te krijgen.
Tijdens de industrialisatie ontstonden nieuwe industrieën, mede door de stoommachine. Deze stoommachines vervingen veel van het werk dat oorspronkelijk met de handen gedaan werd. Toch steeg het aantal arbeiders tijdens de industrialisatie flink. Door de industrialisatie nam het aantal grote bedrijven namelijk toe, maar er kwamen ook nog een heleboel nieuwe sectoren bij. De nieuwe machines die deze bedrijven in gebruik hadden, waren zeer kostbaar en leverden alleen bij hoge producties winst op. Het aantal arbeiders om de machines te bedienen en om de overige taken te doen, steeg in de meeste sectoren dan ook snel.
De levensomstandigheden van het grootste deel van de bevolking, de arbeiders en de armen, waren voor de industriële revolutie al uitermate bedroevend. De mensen woonden in kleine, vieze, koude “huisjes” en van hygiëne en veel voedsel was geen sprake. Men dacht dat deze omstandigheden wel zouden veranderen naarmate de industriële revolutie vorderde en de welvaart naar verwachting dus omhoog zou gaan. Dit bleek echter tegen te vallen. De economische opleving in de tweede helft van de negentiende eeuw hield de verdere uitbreiding van de armoede en de allerergste ellende misschien wel een beetje tegen, maar de omvang van de armere en minder bedeelde bevolking daalde niet. De toestand, waarin het grootste deel van de arbeidersbevolking leefde, verbeterde nog niet echt. Tevens was een nadelig gevolg van de economische opleving dat er forse prijsstijgingen kwamen. Door deze prijsstijgingen konden de (fabrieks-) arbeiders, met hun minimale loon, nog slechter in hun levensbehoeften voorzien.
Tevens waren de arbeidstijden van de arbeiders zeer lang. Het werk in de fabrieken was vaak ook ongezond en gevaarlijk. Maar om thuis toch een beetje rond te kunnen komen, hadden veel arbeiders geen andere keus dan hun kinderen ook uit werk te sturen. Toch aanvaardden de meeste arbeiders hun lot gelaten, maar dat moest vaak ook wel gezien de weinige mogelijkheden tot verbetering.
De vraag naar arbeidskrachten in steden was sinds de industriële revolutie misschien wel flink gestegen, maar de werkloosheid was, mede door de vervanging van handenarbeid door machines, erg hoog. Dit had niet alleen tot gevolg dat de lonen naar het absolute minimum daalden, maar het gaf werkgevers ook veel meer macht. De werkgevers werden ook veel meer als weldoeners gezien, die uit goedheid de armen werk gaven.
De lang verwachte industrialisatie van Nederland kwam dus pas laat op gang en voldeed vaak lang niet voldoende aan de positieve toekomstverwachtingen van de arbeiders.


Hoe was de situatie betreffende de kinderarbeid voor de industriële revolutie?

Voor de industriële revolutie was er ook zeker sprake van kinderarbeid. Het enige grote verschil is dat toen het grootste gedeelte op het land werkte. Ook toen al maakte men lange dagen en hadden de ouders, maar zeker ook de kinderen het zwaar. De mensen waren arm en weinig kinderen gingen naar school. Vaak omdat ze geen geld hadden. Ze bleven thuis werken of leerden bij een ander een vak zodat ze wat extra geld in het laatje brachten.
De kinderen moesten vroeg opstaan en maakten lange dagen, was het niet op het land dan werkten ze.
Op het platteland was sprake van veelvuldig alcohol gebruik en daar vielen dikwijls slachtoffers bij. Vooral de arme kleine boertjes woonden in huizen die je beter kunt beschrijven als ‘hutjes’. Deze waren klein en smerig. Er heerste veel ziektes zoals Pokken en tyfus, maar ook vroedvrouwenkoorts eisten veel slachtoffers. Het eten bestond grotendeels uit meelproducten, zoals brood en pudding maar ook soep. Maar genoeg kregen ze vaak niet en de kindersterfte was door al deze factoren erg hoog.
Dat mensen alleen kinderen kregen om het geld is echter niet waar. Kinderen kosten vooral geld en er was een grote kans dat ze overleden voordat ze ook maar zouden kunnen werken. En als ze als leerling uitbesteed werden, gingen ze het huis uit en brachten ze geen geld mee voor hun familie. De enige economische reden om veel kinderen te hebben was een grotere kans op een ietwat betere oude dag. De grootste reden is waarschijnlijk dat men in die tijd niet aan geboorte beperking kon en mocht (vooral van de Katholieke kerk niet) doen.
Er waren in de 17e eeuw echter al wel wat vernieuwingen in de landbouw. Nieuwe technieken maakten hogere producties zowel in de veehouderij als in de akkerbouw mogelijk. Hierdoor waren er minder boeren nodig. De genen die buiten het bootje vielen gingen in loondienst bij een andere boer die nog wel werk had, of ze zochten werk in een ander dorpje of starten een klein bedrijfje op. Een aantal kwamen terecht in de wat grotere dorpen of steden in de kleine fabrieken die er in de 1e helft van de 19e eeuw al stonden. Vaak ging het hier om steenfabriekjes, touwmakerijen, textielfabriekjes en garenspinnerijen.
De kinderen verdienden een stuk minder dan volwassenen. Zo kregen de jongens bij een katoendrukkerij in Amsterdam drie tot vier gulden per week, de meisjes anderhalf tot twee gulden. Volwassenen kregen acht tot negen gulden. En deze kinderen verdienden nog aardig veel, soms kregen ze maar veertig cent per week! En dat met een 6-daagse werk week en sommige maakten toen ook al dagen van wel 12 tot 17 uur!
Deze getallen zijn bekend na een regeringsonderzoek van 1816. Deze gaf echter onvoldoende informatie en in 1820 werd er weer een nieuwe enquête gehouden. Uit deze gegevens bleek, dat kinderarbeid algemeen was; zowel in de huisindustrie, bij de ambachten als in de fabrieken. Het totaal van werkende kinderen (onder de 12 à 14, oudere kinderen werden meestal al tot de volwassene gerekend) kwam in heel Nederland op 15.816.
De enige wetgeving op het gebied van kinderarbeid was dat kinderen in Nederland vanaf 1813 beschermd werden tegen de mijnbouw tot hun tiende jaar. In Engeland was dit bijvoorbeeld niet het geval. Dat was dan ook het enige, veel vaker werden ze misbruikt. Vooral weeskinderen waren de klos. Vaak werden ze uitbesteed aan de ambachten of kleine fabrieken, zogenaamd om een vak te leren. Vaak waren het voor de werkgevers vrijwel gratis arbeidskrachten.

Hoewel de revolutie in Nederland nog moest beginnen, staken de 1e protesten tegen kinderarbeid al de kop op. Daaronder behoorden ook een groep Katholieke geestelijken in Noord-Brabant. Het bezwaar was hier vooral gericht op dat de kinderen veelal werkten in Protestantse bedrijven. Hier regeerde volgens hen ‘de duivel’. Pas op 12 a 13-jarige leeftijd (na de 1e communie) kon men wel gaan werken, omdat de kinderen nu wel voldoende weerstand tegen deze duivel hadden opgebouwd. Dit hield veel kinderen daar uit de fabrieken, maar ze werden alsnog bij hun ouders thuis aan het werk gezet om te spinnen en te weven. Van schoolgaan was geen sprake.
Een ander vroeg protest kwam van de provinciale Commissie van Onderwijs in Overijssel. Deze commissie vestigde, in haar jaarverslag van 1834, de aandacht op de jonge kinderen die moesten werken in de textiel industrie. Voor hen zou dit werk nadelige lichamelijke en geestelijke gevolgen hebben, maar ook dat deze kinderen geen onderwijs genoten was een groot bezwaar. De gouverneur van Overijssel diende zelfs een wetsontwerp in. Daarmee wilde hij het werken van kinderen onder de tien jaar verbieden. Deze wet is, zoals bekend, verworpen.
Men maakte zich dus toen al zorgen. Voor de kerk was dit vooral om de zedelijkheid van hun kinderen. Die op hun enige dag vrij weinig zin hadden om braaf in de kerk te zitten. Maar er waren ook een aantal die vooruit keken. Zij vroegen zich hoe deze slecht gevoede, uitgewerkte en ongeschoolde kinderen er voor konden zorgen dat er een gezonde sterke industrie in Nederland zou ontstaan. Zij hebben zich niet voor niets zorgen gemaakt, want het trage op gang komen van de industrialisatie is mede hiervan het gevolg geweest. Maar ook het feit dat kinderarbeid vaak goedkoper was dan mechanisatie heeft dit in de hand geholpen.

Hoe was de politieke situatie en welk beleid voerde men?

Niet alleen op industrieel gebied veranderde er omstreeks 1850 veel, maar ook op politiek gebied. Ik 1848 had Willem II goedkeuring gegeven aan een wijziging van de grondwet. Van de macht van de koning bleef weinig over, tot grote woede van de kroonprins Willem III. Dit alles deed de koning om een revolutie, die wel in het buitenland woedde, in Nederland te voorkomen.
Deze hele nieuwe grondwet was opgesteld door Johan Rudolf Thorbecke. Hij vond dat ministers hun beleid moesten verantwoorden tegenover de volksvertegenwoordiging. Een andere wijziging was dat de Tweede Kamer direct door het volk werd gekozen. Alleen mocht niet de hele bevolking naar de stembus. Er was censuskiesrecht. Alleen een beperkt, rijk gedeelte van de mannen had stemrecht. Dit kwam neer op zo’n 81 000 personen van de 3 miljoen inwoners die ons land toen telde.
In het begin waren er ook nog geen politieke partijen. Maar het overgrote deel van de volksvertegenwoordiging bestond uit liberalen en dat betekende dat de regering zich nauwelijks bemoeide met de economie. Nederland was een ‘nachtwakersstaat’. Het grote aantal nieuwe bedrijven moest men gewoon hun gang laten gaan, zodat de economie zich volledig kon ontwikkelen. De overheid beschermd alleen de burger en zijn bezit. Het welbekende gevolg hiervan was echter dat er bijna geen beschermende wetten bestonden. Men maakte zich nauwelijks druk om de arbeiders, waarbij natuurlijk ook veel kinderen waren. Terwijl ze druk met elkaar in discussie waren in verband met de schoolstrijd, het wel of niet financieren van bijzondere scholen naast openbare, was het school verzuim zo hoog dat in 1867, 112 956 van de 451 723 kinderen tussen de 6 en 11 jaar niet naar school gingen. Dit getal lag in de zomer nog hoger.
Wel werden er door de regering enkele enquêtes gehouden. De eerst was al in 1941. De minister van binnenlandse zaken, Schimmelpennick van der Oye, gaf de gouverneurs van elke provincie opdracht tot het inwinnen van gegevens over de kinderarbeid in hun provincie en advies uit te brengen voor wettelijke voorzieningen. Met deze enquête werd verder niets gedaan.
Na 20 jaar kwam er eindelijk weer eens een regeringsonderzoek, de staats commissie van 1863. Weer wilde men weten hoe oud de kinderen waren die in de fabrieken werkten en hoeveel het er waren. Wat ze voor werk deden, hoeveel uren ze werkten, hoeveel ze verdienden en wat de invloed was op hun lichamelijk en geestelijke gezondheid. De eerste aflevering van het ‘Rapport der Commissie belast met het onderzoek naar den toestand der kinderen in fabrieken arbeidende’ Verscheen pas in 1869. De conclusie van de commissie was dat een wettelijke regeling van de kinderarbeid niet noodzakelijk was. Zo zei men dat men de kinderarbeid in de fabrieken wel kon verbieden, maar dat het kind en het gezin zo belangrijke inkomsten misliepen en dat de kinderen thuis wel aan het werk gezet zouden worden of op de straat terecht zouden komen. De situatie van het kind zou daardoor verslechteren. De enige oplossing was de ouders verplichten hun kind regelmatig naar school te sturen. Maar ook hier werd dor de regering verder niets mee gedaan.
Rond 1870 waren er echter veranderingen in zicht. Aan het einde van de eeuw begonnen de liberalen, die tot nu toe het vrijwel alleen voor het zeggen hadden gehad, terrein te verliezen. Er kwamen steeds meer geluiden om een meer invloedsrijke regering. Steeds meer mensen wilden betere verhoudingen in de samenleving en meer regels om de macht van de bedrijven in te dammen en meer sociale wetgeving.
De eerste stap wordt in 1874 gezet als Samuel van Houten als kamerlid een wetsvoorstel indient om overmatige arbeid en verwaarlozing van kinderen tegen te gaan. De wet verbood kinderen beneden de 12 jaar te werken in fabrieken. Dit was ook voor de liberalen aanvaardbaar. Het machtsverschil tussen de baas en het kind was zo groot, dat de overheid wel mocht optreden indien noodzakelijk. Echter veranderde er niet veel voor de meeste kinderen, omdat het alleen gold voor fabrieken en de controle er op erg slecht was.
In 1886 werd er door de Tweede Kamer een groot onderzoek ingesteld, mede om te kijken hoe de situatie was na het invoeren van het kinderwetje. De resultaten waren niet mis. Er was nog steeds weinig veranderd. De conclusies hadden deze keer wel grote gevolgen. In alle lagen van de samenleving besefte men dat men wat moest doen. Ook het Liberale kabinet geleidt door Pierson. De volgende belangrijke wetten werden vervolgens opgesteld
1889 Arbeidswet: Deze wet beschermde kinderen en vrouwen. Het kinderwetje werd uitgebreid. Kinderen onder de 12 jaar mochten niet meer werken, alleen kinderen in de landbouw mochten dat nog wel. Maar ook voor vrouwen en kinderen jonger dan 16 kwamen erregels, zo mochten ze niet voor 5 uur werken en niet na 7 uur.
1895 Veiligheids wet: Dit waren voorschriften die de veiligheid in de fabrieken en elders waar arbeid werd verricht moesten verhogen. Het aantal ongevallen was namelijk volgens het onderzoek in 1886 schrikbarend hoog.
1901 Woningwet De overheid kreeg het recht woningen ‘onbewoonbaar’ te verklaren en men stelde eisen voor het bouwen van nieuwbouw woningen. Woningbouw verenigingen kon men nu ook subsidiëren en grond voor sociale woningbouw kon worden onteigend
1901 Ongevallenwet Dit was een verplichte verzekering voor ongevallen op de werkvloer. Zo hoefde niet de gehele samenleving op te draaien, maar was het de werkgevers die zo’n ongeluk had moeten voorkomen. Deze gold echter nog lang niet voor iedereen.
1911 Ziektewet en Zieken of invalide mensen kregen een uitkering, die ze in staat Invaliditeitswet stelde deels voor zichzelf te kunnen blijven zorgen. Zo werd hun familie ontlast.
Het opzetten van deze wetgeving ging niet zonder slag of stoot. De te overwinnen weerstanden waren niet gering geweest. Echter waren wij niet de eersten die sociale wetgevingen kregen. Vele landen waren ons al voorgegaan.

Hoe waren de arbeidsomstandigheden tijdens de industrialisatie?

Aan het eind van de negentiende eeuw komt de industrialisatie in Nederland op gang, laat in vergelijking met andere Europese landen. Van een land waarin de mensen voornamelijk werkzaam zijn in de landbouw en in de handel, veranderd Nederland in een land waarin de mensen voornamelijk werkzaam zijn in de industrie (een groei van 24 procent in 1849 naar 32 procent in 1909).
In deze periode zijn het de liberalen die het voornamelijk voor het zeggen hebben: zij laten de samenleving over aan het vrije spel. Maar al gauw wordt duidelijk dat de overheid wel moet ingrijpen, omdat de omstandigheden in de fabrieken erbarmelijk laag zijn.

Zo komt langzaam de eerste wetgeving tot stand, namelijk het kinderwetje van Van Houten in 1874 (verbod op kinderarbeid voor kinderen onder de 12 jaar). Eigenlijk pas heel laat, want in 1841 was er al een onderzoek geweest naar de kinderarbeid in de fabrieken. Dit was ook wel nodig want uit cijfers van 1859 blijkt dat er ongeveer 450.000 kinderen tussen de 6 en 11 jaar werkzaam zijn in de industrie.
De kinderen maken daar veel te lange dagen en moeten veel te zwaar en gevaarlijk arbeid verrichten. In sommige fabrieken werden de kinderen geslagen als ze niet doorwerkten. Ook werden ze soms met hun hoofd in het water gedompeld als ze moe werden.

Maar eigenlijk veranderd er weinig voor de meeste kinderen, dit doordat er gewoon geen goede controle mogelijkheden zijn.
Het gevolg hiervan is dat in 1886 de Tweede Kamer een onderzoek gaat doen om onder andere de effecten van het kinderwetje van Van Houten te controleren (Enquête betreffende de werking en uitbreiding der wet van 19 september 1874 (staatsblad no. 130) en naar den toestand van fabrieken en werkplaatsen).
De uitkomst van deze enquête is behoorlijk schokkend: Niet alleen blijkt dat er nog steeds kinderen onder de 12 jaar in fabrieken werken, maar ook komen de ongelofelijk slechte arbeidsomstandigheden aan bod. Zo blijkt dat arbeidsdagen van langer dan 16 uur geen uitzondering zijn. Ook zijn er bedrijven waar geregeld 24 uur achterelkaar wordt doorgewerkt. Er gebeuren veel ongelukken, dit door de gevaarlijke machines die meestal niet afgeschermd zijn en doordat mensen bijvoorbeeld te val komen. Na een dergelijk ongeluk werd de arbeider gewoon naar huis gezonden, meestal zonder ondersteuning door middel van een fonds of iets dergelijks. Hier zorgden maar weinig werkgevers voor, meestal waren de slachtoffers afhankelijk van de familieleden en het armenbestuur.
In de vaak afgesloten fabrieken hangen gevaarlijke dampen en wordt er weinig aandacht besteed aan het reinigen van de fabriek. In veel van de werkplaatsen is geen licht en is het ongelofelijk vies.

Twee van de ondervraagden tijdens de enquête waren Dirk Selling (60 jaar, meubelmaker van beroep) en Johan Casper Siebenlist (37 jaar, beeldhouwer van beroep). Zij moeten onderzoek doen naar de arbeidsomstandigheden in de meubelmakerij. Zij komen tot de conclusie dat het niet meevalt om een kijkje in de bedrijven te nemen. Siebenlist:”Het is alsof men in valsche muntsers werlpaatsen moet doordringen, zoo zorgvuldig houden de meubelmakers alles geheim, soms komt men niet verder dan de woonkamer.”
In totaal hebben de heren wel een honderdtal werkplaatsen bezocht en hetgeen dat ze gezien hebben heeft ze niet vrolijk gestemd. Selling: “Ja, vertrekken de er erger uitzien dan stalen, want een stal; kan droog en licht, maar dat zijn hokken niet. Om maar eens te gewagen van mijn naaste buren op de Lindengracht. De eene maakt uitsluitend tafels, in den zomerdag soms met 5 knechts.”
Bij de vraag of de jongens lang moeten werken wordt geantwoord: “Dat verschilt nog al, maar in den regel niet meer dan 72 uren in een volle week.”

Door deze enquête beseften zowel de bevolking als het liberale kabinet Pierson, dat er nodig wat moest gebeuren. De arbeidswetten van 1889 hebben geholpen naar betere arbeidsomstandigheden. Zo verbood deze nachtarbeid voor vrouwen en jongeren. Ook komt er een arbeidsinspectie, deze bestond uit 3 inspecteurs die meteen allemaal onveilige situaties aantroffen in fabrieken. Ook komen ze tot de conclusie dat de wil om daar iets tegen te ondernemen zowel bij de werkgevers als bij de arbeiders nauwelijks aanwezig is.
Maar langzaam aan beginnen er dingen te veranderen. In 1890 komt er een tentoonstelling over de veiligheid in fabrieken en werkplaatsen dankzij het succes van de tentoonstelling wordt er n 1893 een “museum van voorwerpen ter voorkoming van ongelukken en ziekten in fabrieken en werkplaatsen” geopend.
Bovendien wordt er een Staatscommissie ingesteld die onderzoek gaat doen naar de veiligheid situaties in fabrieken. Dit leidt tot de Veiligheidswet in 1895.

In 1901 wordt de ongevallenwet aangenomen, maar deze gold alleen voor mensen die werkzaam waren in fabrieken en werkplaatsen waar gewerkt werd met stoommachines. Uiteindelijk is de meerderheid van de bevolking dus nog steeds niet verzekerd van een inkomen na een ongeval.

Ook wordt er meer aandacht besteed aan de gezondheid in de fabrieken, zo publiceert Samuel Coronel in 1861 het boek: De gezondheidsleer toegepast op de fabrieksarbeid.

Uiteindelijk verbetert aan het einde van de negentiende eeuw de algemene gezondheidstoestand van de mensen. Dit dankzij de ophoging van de lonen, hierdoor kunnen de mensen meer voedsel kopen. Door de woningwet in 1901 wordt ook de huisvesting beter. Ook worden er riolering en waterleidingen aangelegd. Bovendien wordt het vuil voortaan op gehaald door de vuilophaaldiensten.

Wie waren de voor en tegenstanders van kinderarbeid tijdens de Industriële Revolutie in Nederland en wat waren hun redenen?

Ook tijdens de Industriële Revolutie waren er al meningsverschillen over het wel of niet afschaffen van kinderarbeid. In Nederland zijn nu de meeste mensen tegen kinderarbeid, maar dat was in die tijd wel anders. Dit zijn de voor en tegenstanders met hun redenen.

Voorstanders:
De voorstanders van kinderarbeid waren zeer invloedrijke personen. Daarom duurde het ook redelijk lang voordat kinderarbeid werd afgeschaft. Maar toen er technologische vooruitgang kwam en steeds meer mensen tegen arbeid werden, bleek het voor deze mensen, ondanks moeizame pogingen om hun gelijk te behouden, toch onmogelijk om voor het voortbestaan van kinderarbeid te zorgen.
De eerste voorstander is de kerk. De kerk vond dat het tegen Gods wil was om kinderarbeid af te schaffen. Bovendien werd dit verboden door de staatsleer. De kerk was van mening dat je dit moest laten zoals het was. Ze vonden ook dat werken een zegen was en dus was het helemaal niet slecht dat kinderen daar al op jonge leeftijd aan mee mochten doen. En mensen moesten niet rekenen op een gelukkig leven, daar had volgens de kerk geen enkel mens recht op. Als je protesteerde tegen het leven dat je leidde was dit volgens de Kerk een teken van ondankbaarheid. Je moest al blij zijn dat je leefde, het leven zelf werd wel als een geschenk van God gezien. De kerk bemoeide zich niet zoveel met de kinderarbeid, God had immers te taak om kinderen op te voeden bij de ouders neergelegd en de kerk moest zich hier dus niet meer mee bemoeien als ouders besloten hun kinderen te laten werken.
Ook de liberalen waren tegen kinderarbeid. In de tijd van de Industriële Revolutie was er nog geen leerplicht en de meeste ouders konden het zich niet veroorloven om hun kinderen naar school te laten. Hierdoor hadden kinderen dus eigenlijk niets te doen als ze niet werkten en zouden ze alleen maar doelloos rondzwerven op straat. En ze konden hun werk spelenderwijs doen. Een andere manier van de liberalen om kinderarbeid goed te praten was dat werken goed was voor de opvoeding. Er bestond volgen hen een nauw verband tussen kennis deugd en arbeid en het was dus goed voor jonge kinderen om te gaan werken. Bovendien vonden de liberalen dat de regering zich er helemaal niet mee moest bemoeien of er al dan wel of niet kinderarbeid was. Zij moesten alleen zorgen voor de veiligheid van mensen en goederen en maakten zich niet zo druk om het lot van kinderen
Ook de meeste fabrikanten waren voor kinderarbeid. Zij vonden dat een verbod hen teveel zou binden, ze maakten zich zorgen om de kinderen die werkloos zouden worden door een verbod. Ook zouden in zo’n geval veel bedrijven niet voort kunnen bestaan, want voor hen was het werk van de kinderen noodzakelijk. Ze waren klein en fijn gebouwd en konden dus taken verrichten die voor volwassen niet mogelijk waren. Zo konden kinderen in de machines klimmen als deze stuk waren en ze dan repareren. Anders zou de fabrikant de machine uitelkaar moeten laten halen, of zelfs een nieuwe machine moeten kopen, wat beide natuurlijk tijd en geld kostte.
Ook de arbeidersgezinnen zelf waren voor kinderarbeid. Niet omdat ze het leuk vonden, maar het inkomen van de kinderen was voor veel gezinnen gewoon pure noodzaak. Zonder dit inkomen zouden ze niet overleven. Bovendien voedde het, zoals de liberalen ook vonden, de kinderen op. Ze raakten gewend aan orde en regels.

Tegenstanders:
Er waren ook in die tijd al tegenstanders van kinderarbeid. Deze waren helaas minder invloedrijk dan de voorstanders. Maar toen er technologische vooruitgangen kwamen en kinderarbeid eigenlijk niet meer noodzakelijk was, lukte het hen toch om hun zin door te drijven.
De Katholieke geestelijkheid in Noord-Brabant was in het begin van de negentiende eeuw tegen kinderarbeid in de wolindustrie. Niet zozeer omdat ze tegen kinderarbeid zelf waren, maar meer omdat de meeste industrie daar Noord-Brabants was. Volgens de Katholieken huisde in deze fabrieken de duivel en daar waren kinderen die hun communie nog niet hadden gedaan niet tegen bestand. Dus mocht kinderen er pas vanaf hun twaalfde of dertiende jaar werken als ze hun communie hadden gedaan. Ondanks dat de geestelijkheid zijn mening niet echt op de algemene redenen was gebaseerd, hield hun opvatting toch veel katholieke kinderen uit de fabriek.
Zo rond de jaren dertig van de negentiende eeuw kwamen er steeds meer mensen die tegen kinderarbeid waren. Deze verlangens werden bij de regering opgedrongen en de moest dus van hen maatregelen gaan nemen. Het eerste geluid kwam van een Provinciale Commissie van Onderwijs. Zij probeerden anderen ervan te overtuigen dat het voor jonge kinderen echt slecht was om in de industrie te werken, zowel lichamelijk als geestelijk. Maar zij waren vooral tegen kinderarbeid, omdat kinderen als ze werkten niet naar school konden en zij vonden onderwijs erg belangrijk

Kortom, de belangrijkste redenen van de voorstanders waren:
- Werken is een zegen en het afschaffen van kinderarbeid is tegen Gods wil
- je moest je er niet mee bemoeien of kinderen wel of niet werkten
- kinderen waren goedkope en handige werkkrachten
- de inkomens van de kinderen waren noodzakelijk
- mensen waren niet anders gewend dan dat kinderen werkten
- er was nog geen leerplicht

En de belangrijkste redenen van de tegenstanders waren:
- Katholieke kinderen moeten niet in protestantse bedrijven werken, want daar huist de duivel
- Werken in de industrie had lichamelijke en geestelijke negatieve gevolgen voor kinderen
- Kinderen konden niet naar school als ze werkten

Hoe is de situatie nu omtrent kinderarbeid in de wereld?

Hoe is de situatie nu in Nederland?


In Nederland is kinderarbeid officieel verboden, maar er zijn wel uitzonderingen. Zo mogen kinderen jonger dan 16 jaar en jongeren van 16 en 17 jaar niet zomaar werken. Hiervoor zijn strenge voorwaarden. Deze regels komen uit de arbeidsomstandighedenwet en de arbeidstijdenwet. Dit wordt gecontroleerd door een arbeidsinspectie.

Kinderen tot 7 jaar
Zij mogen uiteraard nog niet werken, wel mogen ze meedoen aan uitvoeringen (maximaal 1 per jaar)
Bij uitzonderlijke gevallen zou een kind eventueel mogen werken en vaker meedoen aan een uitvoering, maar dan gelden er wel regels voor arbeids- en rusttijden.

Kinderen van 7 tot 13 jaar
Zij mogen iets vaker meedoen aan een uitvoering en vanaf 12 jaar mag je werk verrichten in het kader van een alternatieve straf. Deze is uiteraard ook aan regels verbonden.

Kinderen van 13 en 14 jaar
Vanaf 13 jaar mag een kind beperkt werken, op een schooldag mogen ze bijvoorbeeld klusjes doen in het huis of in de buurt.
Op vrije dagen mogen de kinderen niet industriële hulparbeid van lichte aard verrichten.ook hier gelden weer regels over de arbeids- en rust tijden.

Kinderen van 15 jaar
Een kind van 15 jaar mag niet industriele arbeid van lichte aard verrichten. Vergelken met de 13 en 14 jarigen mag het meer uren werken. Voor de deelname aan uitvoeringen is geen ontheffing meer nodig.
Ook mag een 15 jarige de ochtendkrant bezorgen.

Kinderen van 16 en 17 jaar
Zij mogen zonder meer werken. Maar aangezien zij nog wel (gedeeltelijk) leerplichtig zijn, mag het werk de jongere niet verhinderen om naar schol toe te gaan. Schooluren gelden als arbeidsuren.
Voor de 16 en 17 jarigen gelden strengere regels dan voor de oudere werknemers:
· ze hebben recht op langere rustperioden
· ze mogen niet 's nachts werken
· ze mogen niet overwerken
· ze mogen geen oproepdiensten verrichten, de zogenaamde consignatiediensten.
In Nederland werkt van de kinderen tussen 13 en 15 jaar 70%. Waar bij het dus allemaal gaat om lichte arbeid (vakken vullen in een winkel, kranten bezorgen, helpen op een camping, boerderij of pretpark).

De arbeidsomstandigheden nu in Nederland
Uiteraard zijn de arbeidsomstandigheden nu veel beter als in de tijd van de industrialisatie.
Zo is er geen kinderarbeid meer in Nederland, zijn de arbeidstijden een stuk korter, zijn de lonen hoger en is de plaats waar het werk verricht wordt een stuk aangenamer.
Uit een onderzoek door de arbeidsinspectie naar de arbeid van jongeren blijkt dat er nog wel gevaren zijn op de werkplaats. Maar maar 3 % van de jongeren zag deze gevaren zelf ook als echte gevaren.
Met name de inspecteuren zagen nog wel wat gevaren en risico’s in totaal 54 %, Bij de werkgevers kwam dit aantal op 38 %.
Dit is hieronder in een tabel weergeven:

Hoe is de situatie nu in het buitenland?

Over de hele wereld verspreid zijn er maar liefst 250 miljoen kinderen onder de 14 jaar die gedwongen worden te werken. Dit is 17 procent van de totale beroepsbevolking. Per dag komen daar nog zo’n 80.000 kinderen bij.
Kinderarbeid komt vake voor bij meisjes als bij jongens, dit omdat meisjes sneller in de huishouding moeten werken en ook omdat zij dikwijls gedwongen worden om in de prostitutie te gaan.

De kinderarbeid komt in verhouding het meeste voor in Afrika. Daar werkt een op de drie kinderen. En dan met name in de landbouw.
In Azië werken relatief gezien minder kinderen, maar aangezien in Azië het grootste deel van de wereld bevolking woont, betekent dit dat daar de helft van alle kinderarbeid voorkomt.
India is het land waar de meeste kinderarbeid voorkomt, naar schatting gaat het om 17,5 miljoen kinderen. Maar volgens het IVVV (internationaal verbond van vrije vakverenigingen) is dit aantal veel hoger namelijk 50 miljoen. Deze kinderen werken met name in de tapijtindustrie.
Maar kinderarbeid komt niet alleen voor in de derde wereld landen. Ook in Europa en in Amerika worden kinderen soms nog steeds gedwongen om te werken. In Europa gebeurd dit met name in Italië, Griekenland, Spanje en Portugal.
In Italië werken de kinderen in de omgeving van Napels in de lederwarenindustrie, het gaat hier bij om tienduizenden kinderen.
In Spanje wordt dit aantal geschat op 100.000 en in Portugal tussen de 90.000 en 150.000 kinderen.

Oorzaken van deze kinderarbeid zijn:
- Armoede, ze moeten meehelpen ervoor t zorgen dat er geld binnenkomt. Maar armoede is niet alleen en oorzaak van de kinderarbeid ook is leidt het weer tot nieuwe kinderarbeid aangezien de kinderen niet naar school gaan zullen ze het nooit beter krijgen
- De bevolkingsgroei
- Er is meer vraag naar kinderen als arbeidskracht, deze zijn namelijk goedkoop. Dankzij de concurrentie strijd tussen lokale bedrijfjes moet ze zo goedkoop mogelijk produceren.
Ontbreken van goed onderwijs.

Hoe was de situatie omtrent de kinderarbeid in Nederland tijdens de Industrialisatie?

Tijdens de Industriële Revolutie trokken veel mensen van het platteland naar de steden om daar in een fabriek te gaan werken en een beter leven op te bouwen.
Ondanks dat de fabrieken op grote schaal van handenarbeid naar machinearbeid overgingen, waren er toch meer arbeiders nodig, omdat de vraag naar producten groeide. Om aan deze vraag te kunnen voldoen, moesten de fabrieken meer gaan produceren.Dus waren er meer arbeiders nodig om maximale productie te kunnen bereiken met de nieuwe machines. Door de economische opbloei hoopte men een beter bestaan te kunnen opbouwen, maar de lonen waren laag en de arbeidsomstandigheden waren slecht. Om toch te overleven als gezin moest ieder lid van de familie meehelpen om inkomen te verwerven. Kinderen werden dus op jonge leeftijd al gedwongen om te werken in de fabrieken.Voor de Industrialisatie waren er ook al veel kinderen die hun ouders hielpen op het platteland, maar het werk in de fabrieken was zowel geestelijk als lichamelijk veel zwaarder.
Ook werkgevers hadden er belang bij dat er kinderen in de fabrieken kwamen werken. Zij waren goedkope arbeidskrachten en zijn konden met hun kleine lichamen taken verrichten, die niet geschikt waren voor volwassen arbeiders.
In de tijd van de Industriële Revolutie waren de liberalen aan de macht. Zij waren wel door het volk gekozen, maar er was censuskiesrecht. Dit hield in dat alleen een klein rijk deel van de mannen mocht stemmen. De liberalen bemoeiden zich niet met de kinderarbeid. Er waren overigens überhaupt geen beschermende wetten voor arbeiders. Daardoor hoefden de werkgevers eigenlijk geen rekening te houden met hun werknemers, want die moesten wel werken om aan geld te komen. De arbeidsomstandigheden waren dan ook ontzettend slecht. Pas rond 1870 begonnen de liberalen terrein te verliezen. Steeds meer mensen wilden een regering die zich wat meer met de samenleving bemoeide. In 1874 kwam er zelfs een wet die het voor kinderen onder de twaalf jaar verbood om in een fabriek te werken, beter bekend als het kinderwetje van Houten.
Hoewel in 1874 in Nederland kinderarbeid al verboden werd, zijn er nog steeds kinderen die werken. Hier zijn dat alleen kinderen vanaf dertien jaar en de arbeidsomstandigheden zijn duidelijk beter dan tijdens de industrialisatie. Er zijn echter over de hele wereld nog ontzettend veel kinderen die gedwongen in fabrieken werken en niet alleen in arme werelddelen als Afrika of Azië, maar ook in Europese landen en in Amerika.

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

6959

reacties

Ik ben Suzanne en ik moet ook een werkstuk over de industriële revolutie maken. Uit jou werkstuk heb ik veel geleerd. Zo kan ik sommige stukjes uit jou werkstuk ook in mij werkstuk zetten. Nou ga ik weer even verder surven of ik nog wat over de vrouwenbeweging kan vinden want in mijn werkstuk moet daar ook iets over in staan. Suzanne
door Suzanne (reageren) op 28 oktober 2004 om 20:43
tks voor je werkstuk heb er vet veel info uit gehaald tanks renee
door Renée Noest (reageren) op 2 april 2005 om 12:40
Bedankt voor je werk Heeft me een 8 opgeleverd Uiteraard wel in eigen woorden gezet!
door Chrisjuh (reageren) op 14 april 2010 om 10:49
deze werkstuk is heel goed gemaakt met veel moeite en ik had er ook heel veel aan
door maria (reageren) op 31 januari 2011 om 16:04
Hoi Goede informatie kon er veel uithalen hartelijk bedankt ik kreeg een 8.7 voor mijn werkstuk heel erg bedankt. :-)
door Theresiana (reageren) op 17 juni 2011 om 20:11
ik zoek iets over kinderarbeid in de nieuwe tijden
door bok (reageren) op 18 december 2014 om 12:14
ik zoek iets over kinderarbeid in de nieuwe tijden
door bok (reageren) op 18 december 2014 om 12:14

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer