Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
Open Dag = online ontdekken en ontmoeten

Bezoek onze Online Open Dag dit jaar vanaf je bank! Ontdek bijzondere verhalen van onze studenten en docenten. Stel je vragen. Én luister naar onze gezellige radioshow! Klaar voor een toekomst als student in het hbo? 

Meld je dan nu aan!

Feitelijke gegevens

  • 1e druk, 1996
  • 656 pagina's

Flaptekst

Een wereld op zich, in de vorm van een opeenvolging van briljante woordschilderingen, waarin ervaringen en sensaties tegelijk worden verhevigd en doorgelicht, in een poging de magische waarheid achter het bestaan bloot te leggen. Een majestueuze ingreep van een scheppend auteur op de wetten van de werkelijkheid: een vertraging, een verbreding van de passie om voluit te leven in een grootse literaire creatie.

Eerste zin

Als Europa, wat wel gezegd wordt, de kaap van Azië is, dan is Holland de kut van Europa, vertel mij wat.

Samenvatting

Omdat in het boek verschillende verhaallijnen op onduidelijke wijze door elkaar lopen en hoofdstukken steeds een ander vertelperspectief hebben, is deze samenvatting opgebouwd aan de hand van de verhaallijnen van de verschillende personages. De verhaallijnen zijn zoveel mogelijk in chronologische volgorde gezet.

Albert Egberts
Albert reist met zijn ouders op 4 oktober 1976 van Geldrop naar Nijmegen. Daar doet hij zijn kandidaatsexamen filosofie, waarna hij naar Amsterdam gaat. Aan de Grote Wittenburgstraat woont hij met Flix samen in een kraakpand. 20 oktober 1976 ontmoet hij Zwanet die op straat met katjes aan het spelen is. Ze wordt door één van de beestjes in haar oog gekrabd en hij loopt met haar mee naar het ziekenhuis, waarna ze koffie gaan drinken. Kort na hun ontmoeting komt Albert bij het werk van Zwanet langs voor een baantje. Ze geeft hem een koeriersklus, waar hij Gesù Porporà leert kennen. In mei 1977 solliciteert hij als journalist bij RABBIT. Hij heeft het idee dat als hij aangenomen wordt hij zijn leven gaat beteren, maar daar komt niets van terecht. Tegen juli krijgt hij een baan als enquêteur bij het Bureau van Statistiek van Amsterdam, hij moet bewoners van de Bijlmermeer ondervragen over het gebruik van het OV in verband met de metro die aangelegd zal gaan worden. De zomer van ’77 is voor Albert en Zwanet een gelukzalige zomer samen. Op de avond van 21 september ’77 loopt alles echter in de soep. Albert komt in café Ferdy de dichter/pooier Krijn tegen, die hem cocaïne geeft en op sleeptouw neemt. Ze gaan van kroeg naar discotheek naar massagestudio/bordeel, etc. en gebruiken herhaaldelijk cocaïne. Albert vergeet zijn afspraak met Zwanet die avond en denkt pas aan het eind van de sneeuwnacht, in de vroegen uren van 22 september, weer aan de afspraak.

Gesù Porporà
Gesù is een mensenhandelaar die we in dit boek leren kennen als handelaar in baby’s en jonge kinderen. Hij verkoopt Italiaanse baby’s en kinderen die voortgekomen zijn uit ongewenste zwangerschappen aan rijke, kinderloze gezinnen in het Westen, die niet voor legale adoptie en dat soort zaken in aanmerking komen of deze weg niet wilden volgen. Op 4 oktober 1976 gaat hij op stap met een van zijn klanten, een kinderloze Amerikaanse officier die in Italië gestationeerd is. De man leidt hem rond op het schip de USS Lyndon B. Johnson. Later, op 23 juli 1980 denkt hij aan zijn handel, Nederland (een van zijn grotere afzetgebieden) en hoe Europa te vergelijken is met het menselijk lichaam (waarbij hij Holland de kut van Europa noemt, p. 17). In ditzelfde jaar vertrekt hij uit Italië, maar waarom is niet helemaal duidelijk.

Thjum Schwantje
Op 4 oktober 1976, de eerste keer dat Thjum in dit deel van “De tandeloze tijd” de verteller is, woont hij in Amsterdam. Hij loopt door de stad en volgt bloedsporen op trottoirs. Hij probeert zich voor te stellen wat hij aan het eind van zo’n spoor zal vinden: “[Het ‘lezen’ van een bloedspoor] bezorgde hem een onbehaaglijke lectuur, waaraan hij verslaafd raakte. Hij zette het ene been voor het andere en las, met neerwaarts gerichte blik, de lange zin tot aan het eind van het verhaal.” (p. 41) Tijdens het volgen van een bloedspoor komt hij Flix tegen die in een telefooncel aan het bellen is. Ze zijn in juni dat jaar met elkaar naar bed geweest, en Thjum zit eigenlijk niet heel erg te wachten op een herhaling daarvan, maar toch blijft hij langslopen tot Flix hem ziet en een praatje komt maken. Flix gaat met Thjum mee naar huis en ze praten over Flix onderzoek naar gipsverband. Later die dag gaan ze toch weer met elkaar naar bed.

Flix Boezaardt
Flix bezoekt op 4 oktober 1976 het Stedelijk Museum Amsterdam, waar hij het werk “The Beanery” van Kienholz ziet. Hij vindt het idee van het in gips ‘vangen’ van de bewegingen van levende modellen een zeer aansprekend concept en besluit zelf ook iets dergelijks te gaan doen. Hij wil echter de bewegingen nog echter laten zien dan Kienholz gedaan heeft, dus gaat hij op zoek naar soepel gipsverband. Als hij in een telefooncel een zaak met medische artikelen belt ziet hij Thjum langskomen. Samen gaan ze naar Thjums huis en bespreken ze Flix’ nieuwe idee. Later gaan ze met elkaar naar bed.
Begin januari 1977 kraakt Flix een pand in de Pijp aan de Grote Wittenburgstraat (nummer 209) met instemming van de weinige andere bewoners in de wijk. De afspraak is dat Flix en Albert er mogen wonen als deze buurtbewoners op nummer 209 (het enige pand dat nog stromend water heeft) mogen komen douchen, zodat ze niet meer naar het badhuis hoeven. Deze regeling houdt stand tot eind februari van dat jaar, als er lekkage ontstaat en de onderbuurman klaagt dat zijn gitaar ervan beschadigt.
Boven de etage van Flix en Albert woont een oude dame, mevrouw De Hoogh-Stey. Flix maakt op 26 april ‘77 met haar kennis als zij hem in het trappenhuis aanspreekt. Ze verteld hem over haar grote liefde in de oorlog, een soldaat die getrouwd bleek en zijn ring aan een vriend in bewaring gegeven had. Deze vriend werd later mevrouws echtgenoot, hoewel het geen heel gelukkig huwelijk was. In eerste instantie gaat het allemaal prima met mevrouw De Hoogh-Stey, maar later steelt ze de Volkskrant van Flix en Albert om er haar behoefte op te doen. Langzaam maar zeker wordt ze dement. Begin september 1977 loopt ze weg uit het verzorgingstehuis waar haar kinderen haar hebben ondergebracht en komt ze kijken hoe nummer 209 erbij staat, in de volle overtuiging dat dit niet haar laatste maar haar voorlaatste woning is. Als ze ontdekt dat alle spullen nog op hun plek staan trekt ze er weer in. Langzaam raakt ze steeds verder weg en dwaalt soms hele dagen vol blijde verwondering door de stad op zoek naar haar huis of Helmond of een andere plaats uit haar herinnering, maar op de een of andere manier weet ze toch steeds de weg naar Groten Wittenburg 209 terug te vinden.

Zwanet Vrauwdeunt
Zwanet ontmoet Albert op 20 oktober 1976 als ze door een zwerfkatje in haar oog gekrabd wordt en hij met haar meeloopt naar het ziekenhuis. (pp. 269 - 281). Twee dagen later komt hij langs op haar werk en geeft ze hem een koeriersklus voor Gesù Porporà, zonder te weten over wat voor pakketjes het gaat. Zwanet en Albert blijven contact houden en worden een soort van stelletje, al noemen ze het zelf niet zo. Op 21 september 1977 gaat Zwanet zoals de gewoonte is uit in studenten discotheek Dogshit City, waar ze met Albert heeft afgesproken. In verband met de onbekende man met een motorhelm op die haar stalkt besluit ze een andere route te fietsen als ze die avond naar huis gaat. In Dogshit City komt ze de advocaat Ernst Quispel tegen, een vriend van Albert. Hij verteld haar dat Albert die avond niet komt omdat hij met een cocaïnedealer op stap is die Dogshit City niet in mag. Ze geloofd hem niet. Op de weg naar huis vergeet ze haar voornemen een andere route te fietsen. In het vondelpark sleurt de gehelmde onbekende haar met fiets en al tegen de grond en verkracht haar. Omdat Albert niet thuis is en ze verder ook nergens terecht kan, gaat ze naar Quispel. Hij denkt dat het verhaal van de verkrachting een smoes is om met hem naar bed te kunnen en heeft seks met haar, wat Zwanet totaal verdoofd laat gebeuren. In de vroege ochtend van de 22e doet ze aangifte van de verkrachting door de onbekende in het park. Albert is nog niet boven water.

Hennie Plaggemars-Avezaath
Omstreeks 1962 is de oude meneer Avezaath overleden. Drie jaar later wordt zijn lichaam opgegraven en blijkt het een grote hoeveelheid landbouwgif te bevatten. Hennie wordt verdacht van de moord, maar wordt door gebrek aan bewijs vrijgesproken. Zeven jaar later, op 7 april 1972, wordt de oude mevrouw Avezaath dood gevonden in haar huis. Gedurende de eerste dagen geeft Hennie tegenstrijdige verklaringen aan de politie, liegt over allerlei dingen en spreekt zichzelf herhaaldelijk tegen. (Hieronder de meest waarschijnlijke gang van zaken, aan het einde aangevuld met een aantal punten waar Hennie zichzelf tegenspreekt.)
Op 7 april 1972 gaat Hennie wat later van huis weg dan anders, omdat haar echtgenoot wat later naar zijn werk moet. Ze helpt de kinderen naar school, met uitzondering van haar oudste die zegt vrije uren te hebben maar in werkelijkheid spijbelt. Ongeveer 08:30 gaat ze van huis en loopt met de fiets aan de hand naar haar moeders (“Momke” in het boek) huis. Ze passeert mevrouw Van de Kerkhof, de overbuurvrouw van Momke. Momke doet haar open. Om onduidelijke reden slaat Hennie haar moeder in de keuken met een zwaar voorwerp, mogelijk een Engelse sleutel, verscheidene malen op het hoofd. Omdat Momke dit overleefd wurgt Hennie haar. Daarna doet ze de deur op het nachtslot en gooit de sleutels op de mat. Ze fietst langs huis, wisselt haar kleding (waar bloedvlekken op zitten) en fiets naar de bushalte, waar ze de bus van 9:15 naar haar werk neemt. Ze werkt tot even voor de lunch bij twee oude zussen in Nijmegen als schoonmaakster en gaat ’s middags naar huis. Ze luncht samen met de kinderen en besluit daarna even langs Momke te gaan omdat die niet langs is geweest, wat ze anders altijd wel doet. Ze loopt nog even langs de bakker om een halfje zoutloos voor haar moeder te kopen en vindt bij Momke de deur op slot. Omdat ze geen antwoord krijgt, niemand ziet en de haak waarmee ze de deur altijd open maakt kapot gemaakt is loopt ze naar Momkes buren om te vragen of zij haar die dag gezien hebben. Dat hebben ze niet, waarna Hennie naar huis loopt en haar oudste zoon (degene die spijbelde) langs het politiebureau stuurt om te zeggen dat er bij Momke iets niet goed is. Twee agenten komen langs en maken een raam open, waardoor ze naar binnen gaan. Hennie mag niet mee. De agent vindt Momke dood in de keuken. Hennie wordt naar huis gestuurd. Later komt de politie bij haar langs. Ze nemen de ijzeren haak waarmee Momkes deur geopend kan worden en een vuilniszak uit Hennies huis mee, filmen Momkes huis, verhoren buren van Momke en nemen ‘s avonds Hennie mee naar het politiebureau. Hennie brengt de nacht van 7 op 8 april in de cel van het politiebureau in Nijmegen door. ’s Ochtends wordt ze overgebracht naar het bureau in Arnhem, waar ze verhoord wordt door De Caluwe en Van de Vijver. De Caluwe is de man die haar zeven jaar eerder, toen ze verdacht werd van de moord op haar vader, ook verhoord heeft maar haar vanwege gebrek aan bewijs moest laten gaan. Vanaf het begin laat hij merken dat dit hem deze keer niet zal gebeuren. In de periode van 7 tot 11 april wordt Hennie verscheidene malen verhoord door De Caluwe en Van de Vijver, en later ook door Warmenhoven, de officier van justitie. Op 26 juli 1972 wordt ze voorgeleid in de rechtbank in Arnhem. De aanklacht is moord. Na de veroordeling gaat Hennie in 1973 nog in hoger beroep, waarna ze twaalf jaar in de vrouwengevangenis in Rotterdam krijgt. Op 30 april 1980 komt ze vervroegd vrij. Albert ziet haar die dag in de Brederodestraat in Amsterdam.
Tijdens de verschillende verklaringen die Hennie gedurende het verhaal aflegt beweert ze afwisselend dat Momke haar die ochtend wel en niet heeft opengedaan, dat ze Momke wel en niet in leven heeft gezien voor ze naar haar werk ging, dat ze die dag niet de met bloed besmeurde outfit aan heeft gehad die de politie bij haar thuis gevonden heeft, dat ze het hondje van Momke bij binnenkomst al gezien had of ’s middags bij de huiszoeking pas, etc. Het meest houdt ze vast aan het idee dat Momke van de trap gevallen is en dat Hennie haar daar aangetroffen heeft. Later beweert ze echter dat Momke op de vliering was toen ze binnen kwam en de was daar ophing.

Dit verslag gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

Personages

Theo Schwantje (Thjum)

Thjum is een van de zoontjes van de rijke familie Schwantje. Hij heeft een groot deel van zijn schooltijd intern doorgebracht bij een Jezuïetenorde. Als wraak hiervoor jat hij in een eerder boek de sandalen van de heilige Cansius, maar dat valt niemand op. In dit boek speelt hij slechts een kleine rol.

Felix Boezaardt (Flix)

Flix is kunstenaar. Nadat hij in het Stedelijk museum in Amsterdam een werk van Kienholz heeft gezien, waarin gipsen beelden van mensen een rol spelen vat hij het idee op om bewegingen van mensen in gips te vangen. Hiervoor gaat hij samen met een bevriende scheikundestudent op zoek naar een soepel gipsverband, waarin bewegingen zo natuurgetrouw mogelijk weergegeven kunnen worden. Evenals Thjum speelt hij in dit boek slechts een kleine rol.

Ernst Quispel

Ernst is de advocaat van Hennie A. als zij verdacht wordt van de moord op haar moeder. Albert en Ernst zijn bevriend en gedurende de jaren helpt Ernst Albert verschillende keren uit de (juridische) nesten. Hij heeft een oogje op Zwanet.

Gesù Porporà

Gesù is een kinderhandelaar die voornamelijk werkt vanuit Italië. Hij is een flat character; in het boek wordt erg weinig over hem duidelijk.

Quotes

"“Albert zag het aan, keek pas weer van het tafereel weg toen hij de deur hoorde opengaan. Op de mat stond een oude vrouw met een hoofddoek om. Zij liet haar kippige oogjes de bar en de rij tafeltjes langs gaan. ‘Waar’s Arie?’ riep ze. Onmiddellijk, bruut en ad rem, klonk het van achter uit de zaak: ‘Die’s dood.’ Albert zag wat het oude dametje moest zien [...] Voor haar was het heel even de waarheid, en die waarheid zou nooit overgaan, zolang zij leefde: haar Arie was op dat moment gestorven.”"

Bladzijde 28

"“Zij had het niet gezien. Er was niets te zien geweest. Gewoontegetrouw, zonder er verder bij na te denken, trok Hennie de voordeur achter zich dicht, deed hem op het nachtslot, en wierp de ring met de twee Lipssleutels door de brievenbus. Ze vielen met een gerustellende plof op de mat. Alleen al die routinehandeling bewees dat er niets bijzonders aan de hand was, dat alles net zo was als anders, als elke ochtend wanneer ze haar moeder even bezocht alvorens naar haar werk te gaan. [...] Ik heb het niet gezien.”"

Bladzijde 81

"“Opper De Caluwe was in zekere zin de enige persoon op aarde die rücksichtslos in haar geloofde. Hij was door het vuur gegaan, en zou dat opnieuw doen, om haar lot aan zijn geloof aan te passen. ‘Eerst vader, nu moeder. Mooi, we schieten op, Hennie. Geen half werk, om zo te zeggen. Het was slechts een kwestie van afwachten voor ons.’ [...] ‘Wie nog niet overtuigd was, zal ik nu overtuigen. [...] Ik zal ervoor zorgen dat je hierna je kinderen echt nooit meer te zien krijgt. Je hangt, Hennie.”"

Bladzijde 193

Thematiek

Angst voor de dood
Het belangrijkste thema in dit boek en in de gehele serie van de Tandeloze tijd is het ‘leven in de breedte’. Albert is bang voor de dood en probeert daarom (zijn beleving van) het leven te rekken, om zo de dood uit te stellen. Omdat je de voortgang van het leven en de tijd niet kunt versnellen of vertragen probeert hij het leven ‘in de breedte’ te rekken. Dit doet hij door de tijd intensiever te beleven; hij probeert verschillende herinneringen, beelden en ideeën tegelijk in zijn hoofd op te roepen, om zo meer te ervaren en beleven in dezelfde hoeveelheid tijd.

Motieven

Drugs(gebruik)
In zekere zin zou Alberts alcohol en drugsgebruik hier ook onder gerekend kunnen worden, onder zijn obsessie met bloed. Vanwege zijn angst voor de dood probeert hij onbewust te vluchten uit zijn bewustzijn en zijn lijf van vlees en bloed naar een staat van verdoofd bewustzijn waarin hij bijna geen lichaam meer bezit.

Motto

“Nothing can be more disagreeable than that heap of dirt and mud and ditches and reeds, which they here call a country, except the silly collection of shells, and clipped evergreens which they call a garden.” David Hume in een reisverslag over Nederland.

Deze quote van Hume is een vooruitwijzing naar de verschillende wat filosofischere gespreken die Albert met verschillende personen in het boek voert over God en de zin van het bestaan en dergelijke.

Opdracht

“Voor Minchen, Totò en hun engelengeduld.”
Minchen is Mirjam Rotenstreich, de echtgenote van A.F.Th. Totò is Tonio, hun zoon die 23 mei 2010 in Amsterdam om het leven kwam bij een verkeersongeval. Hierover heeft A.F.Th. in 2011 het boek “Tonio - Een requiemroman” geschreven.

Trivia

De zaak Hennie A. is gebaseerd op de zaak van Annie E. uit Bemmel, die in 1965 en 1974 terecht stond voor de moord op respectievelijk haar vader en haar moeder. Annie heeft altijd ontkent de moorden te hebben gepleegd, maar heeft net als Hennie in dit boek herhaaldelijk gelogen over haar handelingen op de dag van de moord. Vooral rond de dood van haar vader heerst nog steeds onduidelijkheid. Het is mogelijk dat de vader van Annie zelfmoord heeft gepleegd om onder zijn torenhogen schulden uit te komen. Voor meer info zie de URL’s onder bronnen, aan het eind van dit verslag.

Titelverklaring

De titel “Het Hof van Barmhartigheid” is de naam die Ernst Quispel, de advocaat van Hennie Avezaath aan het gerechtshof van Arnhem geeft in zijn betoog tijdens het hoger beroep in de zaak Avezaath. Hij probeert met deze benaming de president van het gerechtshof, een ruimdenkende Christen, te paaien. Het wordt de bijnaam van het hof.

Structuur & perspectief

Het verhaal is niet-chronologisch opgebouwd en wordt verteld door verschillende personages. De vertellers zijn afwisselend: Gesù Porporà, Albert Egberts, Thjum Schwantje, Flix Boezaardt, Hennie A. en Zwanet Vrauwdeunt. Deze vertellers wisselen elkaar per hoofdstuk af en bovendien staat bij ieder hoofdstuk de datum vermeld wanneer de gebeurtenissen in dat hoofdstuk plaats hebben. Hierdoor zit er nog een zekere structuur in het boek, hoewel het geheel wel erg verwarrend werkt.

Decor

De tegenwoordige tijd van het boek loopt van 4 oktober 1976 tot 30 april 1980. Daarnaast beslaat ieder personage door flashbacks en herinneringen een andere tijdsperiode. Zo herinnert Albert zich bijvoorbeeld passages uit zijn vroege jeugd. De plaats van handeling voor de tegenwoordige tijd van het boek is Amsterdam. Een tweede belangrijke plaats, vooral in het verhaal van Hennie A., is Lummel.

Stijl

In zekere zin zou je kunnen zeggen dat de schrijfstijl van Van der Heijden naturalistisch is. Zijn hoofdpersonage, Albert, is een zwakke persoonlijkheid, in het boek wordt tot in het eindeloze ingegaan op seksualiteit (wat samen met het ‘openlijk’ schrijven over drank- en drugsgebruik tot het doorbreken van taboes gerekend zou kunnen worden), het verhaal concentreert zich op ‘de kleine of gewone man’, hier Albert die uit een arbeidersmilieu komt. Zeker in de passages over Alberts jeugd (voornamelijk in eerdere boeken in de serie) zie je ook veel aandacht voor de sociale omgeving, het ‘kil’ en ontnuchterend beschrijven van personages en veel verwijzingen naar determinisme en erfelijkheid (omdat vader en grootvader alcoholisten waren kan Albert ook niets anders worden dan alcoholist). In zekere zin zou je Van der Heijden zelfs kunnen zien als de ‘neutrale’, niet oordelende verteller, maar dat vind ik persoonlijk weer wat ver gaan.
Verder geldt naar mijn idee wat ik bij de verslagen van eerdere boeken al aanhaalde: dat de stijl van Van der Heijden moeilijk te omschrijven is. Eigenlijk schetst hij de gebeurtenissen en personages op een onscherpe manier. Een aantal personages blijven zo wat vaag, terwijl anderen, waar hij vaker op terugkomt, steeds wat duidelijker worden. Zoals ook op de omslag van “De gevarendriehoek” te lezen is: “de verschillende scènes zijn sterk beeldend geschreven, vaak bij het impressionistische af.”

Beoordeling

Het Hof van Barmhartigheid is aan de ene kant een leuk boek omdat het voor de verandering geen nadruk legt op Thjum en Flix, maar twee nieuwe verhaallijnen heeft, namelijk die van Zwanet en die van Hennie. Het boek is aan de andere kant geen leuk boek omdat het door de opbouw (verschillende vertellers, niet chronologisch, verschillende hoofdstukken die in het boek ver uit elkaar liggen over momenten die elkaar opvolgen, etc.) het boek erg verwarrend is en daardoor enige moeite vraagt om er doorheen te komen. Als je echter de eerdere delen van de serie gelezen hebt herken je allerlei verwijzingen in het boek. Zo is de scène met de bewusteloze man op het biljart in het hoofdstuk “De troonwisseling” een direct vervolg op het boekje “De slag om de blauwbrug”.

Recensies

"Vertellen kan Van der Heijden - gedreven, adembenemend en aangrijpend soms, bij vlagen briljant, met een vuurwerk van woorden, warmbloedig, en kleurrijk als het om milieutyperingen gaat. "
http://www.groene.nl/1996...n-razernij

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit ZekerWetenGoed-verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.