Faalangst

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • Klas onbekend | 2006 woorden
  • 12 mei 2003
  • 84 keer beoordeeld
Cijfer 6.2
84 keer beoordeeld

1. Niets meer weten… “Het is doodstil in de klas. Je hoort alleen het gekras van pennen op papier. De leerlingen van groep acht maken een proefwerk geschiedenis. Op het bord staan acht pittige vragen over de Tweede Wereldoorlog. De meeste leerlingen schrijven alsof hun leven ervan afhangt. Maar niet iedereen is zo hard aan het werk. Lars zit al een tijd strak voor zich uit te staren. Hij krijgt geen zin op papier. Lars baalt vreselijk, want hij had voor dit proefwerk juist zo goed geleerd. Maar toen hij de vragen zag, wist hij plotseling niets meer. Er spoken allerlei nare gedachten door zijn hoofd: dit wordt weer een dikke onvoldoende. Straks lachen ze me weer uit om mijn slechte cijfer. Ik ben gewoon te dom voor geschiedenis. Lars heeft het warm en benauwd. Plotseling voelt hij de hand van meester Carlo op zijn schouder. De meester knikt Lars even toe en geeft hem een bemoedigend schouderklopje. Hij weet wat eraan scheelt. Lars wordt er rustiger van. Af en toeschiet schiet hem nu iets te binnen. Hij kan zelfs een paar vragen beantwoorden. Maar dat is niet genoeg voor een voldoende.” 2. Angst… Ik heb gekozen voor het onderwerp faalangst. Dit is een soort angst. Iedereen is wel eens angstig. Zo ben ik zelf angstig in een achtbaan die over de kop gaat en mijn vader heeft hoogtevrees en mijn moeder is bang voor water en zwemt alleen in het ondiepe gedeelte van het zwembad. In het verhaaltje hierboven heeft u kunnen lezen dat Lars angstig is voor een beurt of een proefwerk. Mensen kunnen in allerlei situaties angstig zijn. Soms heeft angst een doel. Je lichaam reageert op dreigende situaties. Als je bijvoorbeeld over wilt steken en ziet opeens een auto op je afkomen, dan ga je razendsnel naar de overkant. Je moet dan heel snel denken en reageren. Het lichaam produceert dan hormonen en laat het lichaam dan sneller werken. In dit geval is dat natuurlijk heel belangrijk om ongelukken te voorkomen dus angst is in dit voorbeeld van levensbelang. Zonder angst had je niet zo snel kunnen reageren en was het misschien net te laat geweest.
3. Angst om te falen… Er bestaan verschillende soorten angst. Dit verslag gaat over faalangst. Faalangst is de angst om te falen, de angst dat iets niet zal lukken. Dit kan in verschillende situaties voorkomen. Maar vooral komt het veel voor op school (bij kinderen). Dat komt omdat kinderen veel prestaties moeten leveren en hebben veel druk op zich. Kinderen met faalangst zijn bang dat ze bepaalde opdrachten niet aankunnen en ze denken dat van te voren. Zo heeft Lars (hierboven in de situatie) altijd angst voor een geschiedenistaak. Hij is bang dat het hem niet zal lukken en dan lukt het meestal ook niet. 4. Een onderliggende boodschap… Wanneer een kind bang is om te falen trekt het aandacht van een ouder of probeert er aan te ontsnappen. Ze durven dan geen opdracht uit te voeren want ze zijn bang voor de mogelijke gevolgen; falen. De oplossing die ze dan zoeken is dus de opdracht niet maken of hulp vragen en dit kan leiden tot een achterstand. Kinderen kunnen ook zeggen dat ze iets niet willen. Meestal komt dit doordat ze ervaring hebben met iets ‘niet kunnen’, of denkt dat de eisen te hoog zijn of omdat het niveau van het kind te laag is. Daarom is het belangrijk om te weten wat de onderliggende boodschap is en dat kunnen we verdelen is vijf boodschappen; - “Ik kan dat niet, want ik wil dat niet.” - “Ik kan dat niet, want ik durf dat niet.” - “Ik kan dat niet, want ik kan dat nog niet.” - “Ik kan dat niet, want ik kan het niet goed genoeg.” - “Ik kan dat niet, want ik kan het echt niet. (en zal het ook nooit kunnen)” 5. Welke kinderen zeggen wel eens; ‘ik kan dat niet’? Lars dacht altijd dat hij de enige was met faalangst. Totdat meester Carlo hem een krantenbericht liet lezen. Hier stond in dat 20% van alle kinderen uit groep 8 er wel eens last van heeft. Dat is 1 of de 5 kinderen. Dit was een hele opluchting voor Lars. Maar wie gebruikt niet wel eens de uitspraak; ‘ik kan dat niet’? 1. Alle kinderen zeggen dit wel eens. Het wordt alleen een probleem wanneer een kind dit blijft zeggen. 2. ADHD-kinderen. Zij kunnen zich moeilijk concentreren en kunnen bijvoorbeeld moeilijk stilzitten. Ook ervaren ze geregeld dat een opdracht te moeilijk voor hen is en krijgen dus van de omgeving negatieve feedback. (dat is de reactie van anderen om je heen). Het lijkt dus logisch dat ze opdrachten gaan ontwijken om niet te hoeven falen en om negatieve opmerkingen te vermijden. Het is dus veiliger om te zeggen; ‘ik kan dat niet’. 3. Kinderen met leerproblemen. Kinderen die bijvoorbeeld niet zo goed kunnen rekenen of schrijven hebben vaak het idee dat het te moeilijk is en hebben dan vaak negatieve ervaringen hiermee. 4. Kinderen die onhandig zijn. Deze kinderen zijn lichamelijk niet echt heel soepel, ze vallen en struikelen, hebben motorische bewegingen. Ook deze kinderen krijgen vaak opmerkingen over hun onhandigheid. 5. Trage kinderen. Deze kinderen zijn altijd als laatste klaar en moeten soms langer blijven in de klas op de opdrachten af te krijgen. Ook hier worden vaak negatieve opmerkingen over gemaakt of ze hebben hier geregeld negatieve ervaringen mee. 6. Kinderen met schrijfmotorische problemen. Kinderen die niet goed kunnen tekenen of kleuren en later problemen hebben met het schrijven krijgen ook vaak negatieve opmerkingen of doen negatieve ervaringen op. 7. Niet-schoolrijpe kinderen. Worden vaak geconfronteerd met zaken die ze niet kunnen of waar ze nog niet aan toe zijn. 8. Kinderen die er ‘anders’ uitzien. Wie er anders uitziet wordt vaak bekeken, valt op en wordt uitgelachen. De reactie is vaak om niks te zeggen of te doen om zo weinig mogelijk op te vallen. ‘Als ik zeg dat ik het niet kan, hoef ik het niet te doen en word ik niet bekeken en uitgelachen.’ 9. Angstige kinderen. Kinderen die snel bang zijn, niet houden van wilde spelletjes of veel lawaai, geroep en geschreeuw zullen zich sneller onttrekken aan een spel o.i.d. Door het angstige gedrag worden ze ook bekeken en geplaagd door de omgeving. 10. Zwakbegaafde kinderen. Ze hebben mentaal minder mogelijkheden en dit uit zich op alle vlakken. Vaak zijn de opdrachten voor deze kinderen onmogelijk en zeggen vaak: ‘ik kan dat niet!’. Ook is het soms moeilijk om dit verbaal uit te drukken en worden boos of agressief om duidelijk te maken dat de taak voor hen te moeilijk is. Kinderen zeggen niet altijd van ‘ik kan dat niet!’ maar andere uitspraken die eigenlijk hetzelfde betekenen zoals deze: · ‘Dat is te moeilijk.’ · ‘Ik ben moe.’ · ‘Ik ben daar nog te klein voor.’ · ‘Dat is voor grote kindjes.’ · ‘Ik heb dat nog niet geleerd.’ · ‘Ik heb geen zin.’ · ‘Wanneer is dat voorbij.’ · ‘Ik moet naar het toilet.’ · ‘Het is hier te warm.’ · ‘Ik wil naar mijn mama.’ · ‘Dat is nog een beetje te moeilijk.’ · ‘Nu ga ik niet meer verder, want ik ben moe.’
6. Ontwijkingsgedrag… Kinderen maken soms gebruik van de volgende afleidingsmanoeuvres: - In zijn schulp kruipen, zich onopvallend wegstoppen. - Clownesk gedrag. (iedereen aan het lachen brengen door de clown uit te hangen met de redenering; ze kunnen beter lachen om mijn grapjes dan dat ze me uitlachen) - Bravouregedrag. (leerkracht uitdagen, stoer doen om een probleem te maskeren. Door de eventuele straf hoeft het kind de desbetreffende taak niet meer uit te voeren.) - Uitvluchten. (‘ik ben moe’. ‘ik ben ziek.’) - Koppig weigeren om iets te doen. - Liegen. (‘ik heb dat al gedaan’. ‘ik ben mijn papier kwijt’.) - Huilen. 7. Drie soorten faalangst… Volgens psychologen bestaan er drie soorten faalangst. De eerste soort is cognitieve faalangst. Dat is de faalangst die met de kennis of met het verstand te maken heeft. Bij deze vorm kun je tijdens een proefwerk o.i.d. niets meer herinneren van wat je hebt geleerd. Het is net alsof je alles kwijt bent en daar had Lars dus last van. De tweede soort is sociale faalangst. Dat is faalangst die te maken heeft met de omgang van mensen. Sociale faalangst krijg je als je bang bent voor wat anderen van je denken. Het kan dan gebeuren dat je midden in een gesprek stilvalt. Je weet plotseling niet meer wat je wilt zeggen. Het gevolg is dat je de volgende keer je mond maar houdt. De derde soort is motorische faalangst. Dat is de faalangst die te maken heeft met de motoriek. Dat is de manier waarop je beweegt. Vaak denk je dat het niet zal lukken door een negatieve ervaring hiermee. Het komt ook wel eens voor dat mensen gelijktijdig last hebben van verschillende soorten faalangsten tegelijk. B.v. als Lars een spreekbeurt moet houden, is hij bang dat hij de tekst niet meer weet (cognitieve faalangst) en dat de klas hem uitlacht (sociale faalangst). Vaak leidt faalangst tot slechte prestaties. Een onvoldoende op school, een nederlaag met sporten, een blunder of iets anders onplezierig. Het zorgt in ieder geval voor een negatief resultaat en dat noem je negatieve faalangst. Maar het kan ook anders. Angst kan juist ook heel goed zijn voor je prestaties. Het leidt dan tot een positief resultaat en dat noem je positieve faalangst. Spanning voor een proefwerk kan juist heel goed doen. Je bent er klaar voor. Je wilt laten zien dat je de stof goed hebt geleerd. Zodra je dan begint met de vragen, valt de spanning van je af en zorgt dit voor een goede concentraties. De lichte angst kan zorgen voor beter en sneller denken. 8. Wat je als leerkracht kunt doen… Je kunt ten eerste de volgende boodschappen geven aan een kind; · Niemand is perfect · Falen mág · Doe je best, dat is goed genoeg · Je hebt het goed geprobeerd
Ook is het belangrijk om te reageren op het kind wanneer het ‘ik kan het niet!’ zegt. Vaak dan wordt die uitspraak gekoppeld aan een bepaalde interpretatie. ‘Ik kan dat niet!’ wordt snel vertaald als ‘Hij wil dat weer niet’ of ‘hij doet weer flauw’. Als leerkracht kun je dan ook de vraag stellen om de bedoeling van het kind te achterhalen. Dit zijn misschien handige vragen: · ‘Wil je niet?’ · ‘Kun je het echt niet?’ · ‘Durf je niet?’ · ‘Denk jij dat ik van mening heb dat je het niet kunt?’ · ‘Vind je zelf dat je het niet goed genoeg kunt?’ · ‘Denk je dat anderen vinden dat je het niet goed genoeg kunt?’ Als je dan een antwoord krijgt moet je daar goed naar luisteren. Dus luisteren en kijken maar ook herkennen en erkennen. ‘Ik begrijp dat het moeilijk voor je is om te tekenen, maar het hoeft niet perfect te zijn. Trouwens, niet alle kinderen tekenen even goed en jij kunt andere dingen wel goed.’ Laat ook merken dat het een gedeeld probleem is en dat je gaat samenwerken. Het wordt ons probleem en zo creëer je een sfeer van veiligheid voor het kind. Ze staan niet langer alleen en dat verzacht het probleem. Ook geruststellen is belangrijk want een mens kan nou eenmaal niet alles. Benadruk positieve eigenschappen en kijk naar de dingen die een kind wél kan. Je ziet dan dat het probleem maar een klein stukje is van een kind. (Jij bent meer dan een kind met een probleem) Gouden tips voor een leerkracht zijn o.a.: · Werk planmatig: observeer, signaleer, verwijs door voor diagnose, discussieer en geef hulp. · Geef nooit ‘werkjes’ of ‘schrijfwerk’ mee als strafwerk wanneer een kind er al problemen mee heeft. · Laat het kind vooraan zitten in de klas. · Geef het kind verantwoordelijkheid. · Benoem alles positief. · Bespreek met het kind wat het probleem is. · Bespreek met de klas wat het probleem is, wat de goede punten van het kins zijn en de punten waar het kind wat problemen mee heeft. · Laat het kind bepaalde activiteiten uitvoeren zoals papieren uitdelen, iets ophalen o.i.d. · Zorg voor duidelijke regels (vinger opsteken, beurt afwachten). · Het kind mag falen.

REACTIES

V.

V.

hallo,ik heb een eindwerk over faalangst maar ik vind er dus ni zoveel van.Mijn persoonlijk deel is de therapie.Kan jij me hierbij verder helpen.Alvast bedankt.Groetjes ...

18 jaar geleden

D.

D.

sorry hoor maar dit is gewoon hartstikke overgetypt van een boek! een boek dat heet dyslexie, van de ruiter informatie boekjes!! er staan ook geen bronnen bij, dit is plagiaat...

13 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.