Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Lager onderwijs van 1843 tot 1914

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 4e klas havo | 3878 woorden
  • 5 april 2005
  • 36 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 36 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Doelstellingen

1843-1857
Één van de hoofddoelstellingen in deze tijd was het vormen van het kind tot een nuttige schakel van de maatschappij. Een zeer belangrijk deel hiervan bestond uit het weerhouden van de kinderen van alcohol, misdadigheid, pauperisme en andere onreinheden. Als tweede belangrijkste onderdeel van het vormen van het kind kan het bijbrengen van de christelijke en maatschappelijke deugden genoemd worden. Deze aspecten noemt men ook wel de zedelijke vorming en kreeg de meeste aandacht. In de lagere standen kreeg men heel ander onderwijs dan in de hogere. Men kreeg onderwijs naar zijn stand en leerde niet meer dan voor zijn stand nodig was. Wel ging het erom dat de leerling vanaf zijn huidige stand opklom op “de ladder van de maatschappij”. Iets dat nog totaal niet bij de doelstellingen paste was de ontwikkeling van de esthetische en lichamelijke aspecten, deze werden simpelweg verwaarloosd. Officieel zouden er minder tot geen lijfstraffen meer zijn en zou de nadruk worden gelegd op het complimenteren, loven en belonen van de leerling, maar in praktijk was hier nog niet veel van te zien.

1857-1875
In deze periode hebben de economische en sociaal culturele veranderingen in de maatschappij grote invloed op het onderwijs, maar het bijbrengen van maatschappelijke en christelijke deugden en het weerhouden tot pauperisme bleven hoofddoelen. Ook word in deze tijd de schoolstrijd erg merkbaar. Hier gaat het om mensen die vinden dat het onderwijs niet christelijk genoeg is. Er wordt een nieuw soort onderwijs opgericht, namelijk het bijzonder onderwijs. Dit zou je ook onder de noemer “zeer christelijk onderwijs”kunnen laten vallen. Ook in deze periode is een erg belangrijke doelstelling om de mogelijkheid te bieden tot klimmen op de maatschappelijke ladder. Over het algemeen verandert er voor de basisschool maar weinig. Wel ontstaan er openbare leerzalen en bibliotheken. Er waren meerdere liberale groeperingen die het onderwijs wouden gebruiken in het voordeel van de sociale mobiliteit. Een laatste grote verandering was dat men het belang van het voorlezen van sprookjes in ging zien. Dit zou de ontwikkeling van het gemoedsleven en de fantasie ten goede komen.


1875-1900
De periode 1875-1900 wordt vaak de roerigste tijd uit onze geschiedenis genoemd. Dit mede doordat in deze periode het hoogtepunt van de schoolstrijd plaatsvond, en dan met name voor de lagere school. Het ging hier dan vooral om het vraagstuk of de opvoeding rationeel of religieus moest zijn en of de opvoeding objectief of subjectief moest zijn. Uiteindelijk sticht de antirationalist Kuijper dan de school met de bijbel. Deze kreeg echter geen subsidies tot in 1889 de christelijke minister-president Mackay deze verleent. Naast dit schooltype ontstonden er in deze periode nog twee, de kosteloze scholen en de armenscholen. Deze hadden een overduidelijke link met het standsverschil. De armenscholen richten zich voor een grootdeel op het bestrijden van het pauperisme en de kosteloze scholen vooral op het beginsel van het burgerrecht.

1900-1914
De duidelijkste verandering in deze periode was de verandering van materiele naar ideële doelstellingen. Men richtte zich meer op de gezondheidsleer zoals het nog sterker bestrijden van het drankmisbruik en het verhogen van het lichamelijke welzijn. Een andere opvallende doelstelling was het feit dat de school nu ook gericht was op het garanderen van een gelukkige jeugd. Het kind moest zo weinig mogelijk problemen van volwassenen meekrijgen. Dit was onder andere mogelijk door de zesjarige leerplicht en het feit dat de leraar als het waren in het kind kroop en zich hele
maal inleefde. Er was nu ook sprake van cognitieve en handvaardige vorming, maar dan vooral cognitief. Natuurlijk zien we ook het bestrijden van het pauperisme en het schoolverzuim terug. Maar dit werd veel belemmerd door het hoogseizoen van het landbouwjaar. In die periode werden de plattelandskinderen vaak thuisgehouden om op het land te werken. Als laatste werd het huisonderwijs gerealiseerd.

Leerstof, lesmethodes en lespraktijk

1843-1857
In deze periode werd iets mogelijk wat nog nooit was gebeurd. Men ging zeer grote groepen tegelijk leren lezen. Dit werd mede mogelijk gemaakt doordat het oude systeem waarin je per vak lesgeld betaalde verdween. Er kwamen steeds meer vakken bij. Zoals schrijven, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, landmeetkunde, wijnroeierei, zang, tekenen, gymnastiek en volkshuishoudkunde. Deze vakken hadden met name het nut dat men zelfstandig leerde te denken en werken. Het stimuleerde de zindelijkheid en snelheid. Ook waren deze vakken nodig om een fatsoenlijk lid te worden van de samenleving. Alleen gymnastiek en tekenen kregen nog erg weinig erkenning. Er werd meer gelet op de leersituatie van de leerling. Men zorgde dat de leerling zich kon concentreren en schafte onder andere betere schoolbanken aan. Het NOG doelde erop om de lesmethodes om te zetten in didactische en pedagogische methodes zoals in het buitenland.


1857-1875
Voorheen was het vaak streng zijn en werd er in de praktijk nogal eens afgestraft. Nu word er juist gedoeld op belonen en loven, de lijfstraf was officieel ten slotte allang afgeschaft. Er verdwenen in deze periode ook nogal eens schoolsoorten maar tegelijkertijd kwamen er nieuwe bij. De bewaarschool werd door de wet van van Brugghen tot het lager onderwijs gerekend. Deze wet stelde nu ook vakkenpakketten samen voor het lager onderwijs. De volgende vakken waren vanaf heden verplicht: Lezen, schrijven, rekenen, vormleer, Nederlandse taal, aardrijkskunde, geschiedenis, kennis der natuur en zingen. De zedelijke vorming, het waarnemingsvermogen en het zelfstandig onderzoeken werd minder belangrijk. Meer werd er nu gedoeld op de latere werkkringen van de kinderen. Op de bewaarscholen werkten voorheen meestal onervaren en onopgeleide vrouwen. Hier kwam verandering in toen langzaam maar zeker de Fröbelschoolbeweging met de ideeën van Fröbel en Pestalozzi zijn intrede deed.

1875-1900
Als allereerste kan gemeld worden dat de verschillen tussen het openbaar en het bijzonder onderwijs steeds kleiner werden. Weliswaar niet wettelijk maar wel in de praktijk werd de kleuterschool een soort van voorbereidend jaar op de lagere school. Er werden zelfs voorbereidende klassen opgericht. Over de vakken valt weinig te vertellen omdat dit in veel opzichten hetzelfde was. Ook zijn er nu veel meer schoolsoorten dan eerst waardoor een nauwkeurige beschrijving niet mogelijk is. Over gymnastiek valt nog wel te zeggen dat het begon door te schemeren vanuit het buitenland al werd er nog niet op gedoeld op de kweekscholen en lagere scholen.

1900-1914
In deze periode en de voorafgaande periodes werd er haast nooit gebruik gemaakt van schoolreisjes, excursies of schoolwandelingen. In deze periode kende men ook maar vijf weken vakantie. Iets nieuws was dat men de leerling zelf wou laten ontdekken waarom hij iets moest leren en waar hij het later voor kon gebruiken. Ook werden de lessen soms in de open lucht gegeven. Je zou namelijk beter iets over een boom te weten kunnen komen als hij voor je staat dan wanneer je in een klaslokaal zit. De lessen moesten nu ook zowel katholiek als protestant aanvaardbaar zijn. Ook moest de link gelegd worden met het feit hoe ingewikkeld de maatschappij in elkaar zat

School- en Klasgrootte

1843-1857
Over deze periode valt maar weinig te zeggen. De meeste gegevens die bekend zijn stammen vanaf 1960. Wel kan men stellen dat het schoolbezoek maar gering was. Het absolute schoolverzuim was erg hoog door het landbouwhoogseizoen en gebrek aan schoolgeld. Er werd nog niet echt concreet iets aan gedaan. Ondanks het schrale schoolbezoek waren er nog minder leraren. Dus het aantal leerlingen per onderwijzer, die er al weinig waren omdat de meeste kwekelingen waren, was erbarmelijk hoog.

1857-1875
Eigenlijk zou deze periode niet beginnen in 1857 maar in 1860, van voor 1860 zijn maar weinig gegevens bekend. Het aantal leerlingen per bevoegd onderwijzer daalde een klein beetje. Namelijk van 80,7 in 1862 tot 66,6 in 1874. Slechts van 1868 tot 1878 was een lichtte stijging merkbaar. Dit gaf een verbetering in de kwaliteit van het onderwijs aan. Dit was over het openbaar onderwijs, in het bijzonder onderwijs lag de leerlingenschaal stukken lager. Deze steeg tussen 1862 en 1874 echter wel van 35,4 tot 36,2. Het aantal onderwijzers per school steeg geleidelijk met de stijging van de leerlingen mee. Bij het bijzonder onderwijs waren dit er over het algemeen meer dan bij het openbaar onderwijs, maar dit schommelde erg. Vooral in Noord en Zuid Holland waren deze getallen zeer positief. Het tegenbeeld van deze twee waren Noord Brabant en Limburg.

1875-1895
Het schoolbezoek nam fors toe, mede doordat het rijk subsidies gaf aan de gemeenten met doel het openbaar lager onderwijs. Dit werd onder andere gebruikt om kinderen naar school te lokken en de scholen en lokalen te verbeteren. De verbeteringen in het lager onderwijs in de vorige periode ging deze periode dus geleidelijk en met schommelingen verder. Wel komt nu de leerlingenschaal (het aantal leerlingen per bevoegd onderwijzer) van het bijzonder onderwijs boven die van het openbaar onderwijs uit. In het openbaar onderwijs lag deze in 1895 namelijk op 39,2 terwijl hij in het bijzonder onderwijs op 42,1 lag. Het absolute schoolverzuim daalde bij de jongens van15% in 1974 naar 8,5% in 1895. Bij de meisjes daalt het in dezelfde periode van 21,5% naar 10,5%. Over het aantal leraren per school valt niet veel meer te zeggen dan dat hij langzaam maar zeker steeg. Het aantal leerlingen dat in 1875 de openbare lagere school bezocht was 76,7% van de totale lagere school bezoekers. In 1895 was dat 68,8%, het bijzonder onderwijs liep dus geleidelijk op het openbaar onderwijs in.

1895-1914
Ook in deze periode daalt het aantal kinderen tussen de zes en twaalf jaar dat niet naars school gaat. Bij de jongens daalt deze van 8,5% in 1896 tot 4,5% in 1914 waar het blijft schommelen. De hoofdoorzaak van het dalen van het absolute schoolverzuim is de leerplicht, deze oefent veel druk uit op de bevolking. Bij de meisjes heeft de leerplicht nog meer invloed op het absolute schoolverzuim. Rond 1900 schommelde het absolute schoolverzuim nog rond de 10%, hierna daalde het in drie jaar tijd tot 6,5% waarna er in de opvolgende elf jaar nog 1% vanaf gaat. Een schoolverzuim van rond de 5% was in die tijd dus zeer normaal. Die 5% bestond voor het grootste deel uit kinderen die lichamelijk of verstandelijk niet in staat waren lessen te volgen. De leerlingenschaal van het openbaar onderwijs daalt van 38,9 in 1896 tot 36,9 in 1900 waarna hij weer stijgt tot 38. Hierna neemt hij weer af tot 33,2 in 1914. Bij het bijzonder onderwijs is deze ontwikkeling in veel opzichten hetzelfde. In 1896 was de leerlingenschaal hier40,2 en in 1901 36,4. Hierna volgt ook hier een kleine stijging tot37,3 in 1902 waarna hij daalt tot 33,3 in 1914. In deze periode stijgt het aantal onderwijzers per school in het openbaar onderwijs geleidelijk van 4,8 tot 5,1. In het bijzonder onderwijs zien we in diezelfde periode eens stijging van 3,9 tot 5,2. Tussen 1896 en 1899 neemt het aandeel van het openbaar onderwijs ten opzichtte van het bijzonder onderwijs toe van 68,7% tot 69%. Hierna volgt een voortdurende daling tot 58,3% in 1914.

Onderwijsgevenden

1843-1857
De taak van de onderwijzer was niet alleen het bijbrengen van kennis. Ook buiten school was hij met de kinderen bezig. Hij observeerde en begeleidde de kinderen en voorkwam straatschenderij. Hij bezocht de ouderlijke woning regelmatig en gaf dan adviezen voor de opvoeding. De positie van d onderwijzer was vaak erg slecht. Men keek op ze neer en ze verdienden zo weinig dat ze vaak nog een bijbaantje hadden. In deze tijd werd hier maar weinig aan gedaan, de enige die voor de onderwijzers opkwam was het NUT. De hoofdleraren richtten verenigingen op die streefden naar verheffing en erkenning maar vaak maakten de leraren zichzelf ook niet geliefd. Oorzaken hiervan waren onder andere drankmisbruik en de openbare berisping door de hoofdonderwijzer. Ook de leraren zochten een kans om te klimmen op de maatschappelijke ladder. Dit deden ze door middel van examens en officiële opleidingen. Want vaak was de leraar door de hoofdonderwijzer opgeleid. De leraren werden meestal ingedeeld in vier rangen, deze werden bepaald door de leeftijd, kennis en bekwaamheid. Lezen, schrijven en rekenen werden sowieso nodig geacht maar vaak kwamen hier ook enige kennis van de zon en de planeten, de fora en fauna en het plaatselijke klimaat bij.

1857-1875
De wet van 1857 van van der Brugghen heeft met succes getracht de positie van de onderwijzer te verbeteren. Hier werd vooral gedoeld op de opleiding. De exameneisen werden zwaarder en er kwamen betere opleidingsmogelijkheden op onder andere speciaal gestichte rijkskweekscholen. Ook werden de kansen om een plek te veroveren op een kweekschool merkbaar groter. Naast deze verbeteringen werd ook de financiële situatie veel beter. Men kon nu rondkomen van een onderwijzerssalaris en werd een minimum pensioenregeling vastgesteld. Door het vrijkomen van tijd kon men hun kennis uitbreiden en onderwijsaktes gaan halen. Na deze verbetering steeg ook het respect voor de onderwijzersstand. Maar ondanks dit alles bleven er toch klachten komen op de achterstand van de onderwijzers op het buitenland. Hierom werd de Bond van Nederlandse Onderwijzers opgericht die in tegenstelling tot het noch voor de lagere onderwijzers opkwam.

1875-1900
In de wet van 1878 werd met nadruk verboden dat kwekelingen zelfstandig voor de klas stonden. Voorheen waren de leraren soms namelijk pas twaalf of dertien jaar oud. In deze periode steeg het aantal normaalscholen van 19 tot 115 en ook het aantal kweekscholen nam toe. Dit bracht het gevolg mee dat het aantal gediplomeerde tussen 1874 en 1880 meer dan verdubbelde. De grootste verandering in deze periode was dus wel het feit dat de onderwijzers niet meer door hoofdonderwijzers werden opgeleid maar door speciaal gestichte scholen. De overheid ging hier zelfs zover in dat ze de opleidingen op kweekscholen gingen financieren. Dit alles bracht ook weer een verhoging van de sociale status mee, en dan vooral voor de openbare scholen. Dit werd nog eens versterkt door de invoering van de rijkspensioenwet in 1878.

1900-1914
Halverwege de negentiende eeuw dacht men dat de leerling uitsluitend het onderwijs nodig
In deze laatste periode kwamen vooral de veranderingen ten aanzien van de pedagogische, methodische en didactische aspecten van het onderwijs aan het ligt. Maar net als in de vorige periode waren er ook nu veranderingen in het onderwijzerskorps. Aan het eind van deze periode deed namelijk de onderwijzeres haar intrede. De vrouwenemancipatie had ook voor haar de weg tot de kweekschool geopend. De mannen gingen hier in het begin tegenin, ze vonden dat ze te veel tijd aan de vorderingen en te weinig tijd aan de behoeften aan spelen en ontspanning besteedden. De meeste onderwijzeressen kwamen overigens uit de hogere klasse. Vaak werden de onderwijzeressen in de lagere klassen in gezet omdat de moederlijke neigingen wel gunstig werden geacht. Als laatste kwam er in deze periode een groep genaamd “Bewegung vom Kinde aus” tot stand. Zij vonden dat niet de school maar het kind het middelpunt van het onderwijs vormde.

Leerlingen

1843-1857
had dat voor zijn stand belangrijk was. Maar dit gaf niet genoeg ruimte om zich goed te ontwikkelen. Vele kinderen verzuimden nog van school, het absolute schoolverzuim lag dan ook erg hoog. Dit was vooral te merken op het platte land waar de kinderen in het hoogseizoen op het land moesten werken. Ook straatschenderij en andere ongein stonden hoog op het lijstje, dit werd bestreden doordat de leraren zich met de opvoeding van het kind gingen bemoeien.

1857-1875
In deze periode begon de gedachte te spelen dat er meer aan het welzijn van het kind moest worden gewerkt. Er werden dan ook vele verbeteringen aangebracht zoals onder andere schoolbanken met rugleuning en strengere controles op lijfstraffen. Er werd al meer nagedacht over het belonen van het kind als deze goed vordert. Ook werd er hard gewerkt aan het wegwerken van het absolute schoolverzuim maar dit kostte nog veel moeite. Veel mensen konden het niet betalen of hadden de kinderen thuis nodig. Aan de andere kant werden veel kinderen sinds 1868 naar school gestuurd omdat de ouders hoopten dat ze zo een betere startpositie kregen voor het vervolgonderwijs. Men stichtte de zogenaamde openbare scholen die voor iedereen toegankelijk waren, hier werd vanuit vele hoeken positief op gereageerd.

1875-1900
Een zeer belangrijke verandering, en dan vooral voor de armere gezinnen, was dat het rijk voortaan subsidies gaf een het lager onderwijs. De vorderingen in het lager onderwijs namen mets schommelingen toe en het bijzonder lager onderwijs nam het grootste deel van de leerlingen voor zijn rekening. Voorheen wist men nog niet wat ze met afwijkende kinderen aanmoesten en vaak werden deze dus thuisgehouden. Maar in deze periode werden gespecialiseerde scholen gesticht waar deze kinderen werden opgevangen. Alleen voor kinderen met achterlijkheid en zwakbegaafdheid waren er nog bijzonder weinig mogelijkheden. De ontwikkeling van het kind werd gezien als een middel voor het verbeteren van de samenleving en de maatschappij. In deze periode voerde het rijk ook een nieuw systeem in om de kinderen naar school te lokken. Als het kind de school braaf bezocht kreeg hij een eerbetoon en/of een beloning.

1900-1914
Men richtte zich meer op het kind, deze moest een gelukkige jeugd krijgen. Het schoolverzuim was zeer ver gedaald. Het grootste deel van het absolute schoolverzuim bestond uit zeevaarders kinderen en kinderen uit hogere standen, deze kregen vaak thuis onderwijs. In tegenstelling tot 1843 werden de kinderen nu behandeld als het middelpunt van de schooltijd. Zij moesten een kans krijgen om zich in deze maatschappij omhoog te werken, en dit werd aardig gerealiseerd. De leerplicht wet van 1900 verplichtte kinderen van zeven tot dertien jaar om onderwijs te volgen. Er waren slechts zes weken verlof toegekend, ook wel het landbouwverlof genoemd.

Interview met dhr. J. Matthijsen

Wanneer ging u voor het eerst naar school?
In 1950, toen was hij vijf jaar

Wat dacht u toen dat het nut van school was?
Hij had geen doel, je moest en daarom ging je. Dit werkte dus ook erg demotiverend. De meeste kinderen gingen destijds met tegenzin naar school. Ten slotte was het ook nog eens 1,3KM lopen.

Hoe waren de leraren tegenover de leerlingen?
De leraar was als een soort dictator. Het was allemaal erg formeel, als je praatte of niet rechtop zat kreeg je strafwerk of een lijfstraf. Daarbij werden de leerlingen met goede resultaten en de rijkeluiszoontjes voorgetrokken. En aangezien hij slechte cijfers haalde en in de eerste, derde en zesde klas bleef zitten was hij een makkelijk slachtoffer. Hij had dan ook geluk dat hij achter in de klas zat. Dit ondanks hij voor verschillende vakken wel belangstelling had en later op de avondschool de beste van de klas was. In de eerste twee klassen had je nog wel eens met een lerares te maken. Verder waren het allemaal mannen.

Had school nog invloed op uw buitenschoolse activiteiten?
Vrije tijd bestond voor hem niet. Om vier uur s’ochtends stond hij voor het schoolgaan in de tuin te werken en dit was ook na school buiten zijn huiswerk om het geval.

Hoe zou u de lessen omschrijven?
Het waren strakke en strenge lessen. De leraren waren strak opgeleide volwassenen van de kweekschool.

Hoe groot was uw school en uw klas?
De klas bestond uit 40 a 50 leerlingen en de school had ongeveer 8 klassen. Dit omdat er ook combinatieklassen waren, hier kwamen de dommere kinderen te zitten.

Wat waren de vakken die u kreeg?
Taal -> Nederlands
Tekenen
Lezen
Geschiedenis
Aardrijkskunde
Godsdienst
Gymnastiek
Zingen
Hierbij was godsdienst veruit het belangrijkste.

Wat was de rol van de kerk in het schoolgaan?
Uiteindelijk draaide alles om de kerk. Één dag in de week ging je ook naar de kerk met school. Dit koste ook geld. Je had vijf “rangen”, voor elke rang betaalde je een ander bedrag, vijf, tien, vijftien, twintig of vijfentwintig cent. Het was dan ook erg verleidelijk om van dat geld snoep te kopen en van de kerk te verzuimen.

Hoe was de situatie tussen de jongens en de meisjes?
Bij hem op school waren geen meisjes. De meisjes school stond een stukje verderop en was altijd vijftien minuten eerder uit dan de jongensschool om contact te meiden. Meisjes vonden ze in die tijd toch maar rare wezens. Tussen de twee scholen in stond de kerk.

Interview met mevr. F.A. Achterhof

Wanneer ging u voor het eerst naar school?
1960, toen was ze vijf jaar en ging ze naar de tweede kleuterklas, de eerste klas was ze thuis gebleven.

Wat dacht u toen dat het nut van school was?
Ze wou laten zien hoe knap ze was. Verder vond ze het leuk om naar school te gaan en ze wou graag de aandacht van juffrouw.

Hoe waren de leraren tegenover de leerlingen?
Mevrouw was een goede leerling dus dat beviel de lesgevende wel, ook was ze de dochter van de voormalige hoofdmeester die gestorven was.
Had school nog invloed op je buitenschoolse activiteiten?
Huiswerk was er niet veel, bijna alles werd op school gedaan. Je had vrienden en vriendinnen van school waar redelijk veel mee opgetrokken werd. Ook was er een vijver naast de school met eendjes die gevoerd konden worden en waar je in de winter kon schaatsen.

Hoe zou u de lessen omschrijven?
Lijfstraffen waren er niet. Het was wel streng en formeel. Ze wilde alles weten en vond alles interessant. Ze wou niet naast arme kinderen zitten want daar voelde ze zich te goed voor. Dit terwijl ze zelf elk dubbeltje om moesten draaien.

Hoe groot was uw school en uw klas?
De klas bestond uit ongeveer 30 leerlingen en had 6 klassen. De kleuterschool was een ander gebouw naast de school.

Wat waren de vakken die u kreeg?
Taal
Rekenen
Zingen / muziek (xylofonen, viool, blokfluit)
Bijbelse geschiedenis
Aardrijkskunde
Geschiedenis
Tekenen
Gymnastiek
Lezen en schrijven
Bijbelse geschiedenis werd ervaren als het belangrijkste vak.

Wat was de rol van de kerk in het schoolgaan?
Zoals eerder gezegd was bijbelse geschiedenis een heel belangrijk vak. De school had een streng protestants-christelijk karakter en er werd elke dag begonnen en geëindigd met bidden en bijbellezen

Hoe was de situatie tussen de jongens en de meisjes?
Gemengde school, meisjes en jongens zaten ook in de klas kris kras door elkaar. In de zevende en achtste klas waren er al liefdesgeschiedenissen. Ze hadden een groot schoolplein waar de jongens en meisjes met elkaar speelden. Haar grote liefde was Frans Dubbeldam. Met zwarte stekeltjes.

Samenvatting van de interviews

Uit de interviews blijkt dat ik te maken had met twee zeer verschillende ervaringen. Zo was er bij de ene nog sprake van lijfstraffen en bij de ander, weliswaar tien jaar later en op een andere school, speelde de kerk nog een zeer grote rol, zoals het naar de kerk gaan met school en de kerk tussen de jongens- en meisjesschool in. De school van mevrouw Achterhof was dan wel streng protestants-christelijk maar je ging niet met de school naar de kerk. Ook in de situatie tussen de jongens en meisjes was een groot verschil. In de niet meer. De ervaringen van mevrouw Achterhof waren ook anders omdat zij leergierig en enthousiast was en goede resultaten behaalde. Dit terwijl meneer Matthijsen slechte resultaten haalde, erg gedemotiveerd was en ook het nut van school niet zag. Bij beide was het erg streng en formeel en was er duidelijk onderscheid tussen de armen en rijken en de slimme en domme. Bij de heer Matthijsen werden de jongens en meisjes zo veel mogelijk gescheiden gehouden en in de tijd van Achterhof was het de normaalste zaak dat je met ze omging. De vakken komen redelijk overheen, al zijn de benamingen soms wat anders. Wat ook meetelde in de ervaringen van beide was de sociale situatie. Meneer Matthijsen moest naast school de hele dag werken terwijl mevrouw Achterhof kon spelen. Als laatste is er ook een verschil in de grootte van de klas te zien. De klas van meneer bestond uit veertig tot vijftig leerlingen en die van mevrouw uit ongeveer dertig.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.