Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Veeteelt

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 4e klas havo | 7234 woorden
  • 13 mei 2012
  • 71 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 71 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak













Werkstuk landbouw 2012

Door: Iris de Jong, Annette Kleine, Renske van der Weiden
Docent: Meneer Visser 
Inhoudsopgave.
Pagina
Voorkant 1
Inhoudsopgave 2
Inleiding 3
1. Wat is een veeteelt boerderij? 4, 5
2. Welke verschillende veeteeltboerderijen zijn er? 5, 6, 7
3. Wat zijn biologische boeren? 7, 8, 9, 10
4. Wat houd intensieve veeteelt in? 11, 12
5. Wat houd landbouwsubsidies in? 13, 14
6. Hoe ging de veeteelt vroeger? 14, 15
7. Heeft specialisatie zich ontwikkeld in de loop der jaren? 15
8. Wat is een melkquotum? 15, 16
9. Hoe ziet het werk van de boeren in de toekomst er uit? 16
10. Praktische deel 17, 18, 19
conclusie 20
bronnen 21
1. Inleiding.
Voor het vak aardrijkskunde hebben we de opdracht gekregen om een werkstuk over de landbouw te maken. Wij hebben voor de veeteelt gekozen omdat we van lekker vlees houden en eigenlijk wel willen weten waar dat vandaan komt en hoe dat geproduceerd wordt. Verder zijn er in onze families veel boeren dus het leek ons ook leuk om wat meer te weten te komen over hun vak. Het vak boer is niet zo makkelijk meer tegenwoordig vergeleken met hoe het vroeger was. Je moet je aan heel veel regels houden en het is een flinke administratie. Je moet ook een opleiding gevolgd hebben om een goede boer te kunnen worden. Vroeger gingen vaak de bedrijven van vader op zoon over. De veeteelt is een belangrijke bron voor ons voedsel, want zonder koeien geen vlees en geen melk. Zonder kippen kunnen we geen lekker eitje eten als we daar zin in hebben. Er bestaan verschillende soorten veeteelt waar we in dit werkstuk ook kennis mee gaan maken. Landbouw en veeteelt is nog steeds een van Nederlands grootste economieën.
In dit werkstuk gaan we onderzoeken hoe de veeteelt in elkaar zit en wat er allemaal bij komt kijken.
Deelvragen:
1 Wat is een veeteelt boerderij?
2. Welke verschillende veehouderijen zijn er?
3. Wat zijn biologische boeren?
4. Wat houdt intensieve veeteelt in?
5. Wat houdt landbouwsubsidie in?
6. Hoe ging de veeteelt vroeger?
7. Heeft specialisatie zich ontwikkeld in de loop der jaren?
8. Wat is een melkquotum?
9. Hoe ziet het werk van de boeren eruit in de toekomst?
10. Praktische deel




1.Wat is een veeteeltboerderij?
Veeteeltboerderijen zijn boerderijen waar alleen dieren gehouden worden, meestal in stallen. Kippen, koeien, paarden, geiten, schapen of varkens. De dieren worden gehouden om melk, eieren of vlees te winnen. Samen met akkerbouw, bosbouw en tuinbouw vormt veeteelt de landbouw in Nederland.
Een stal hebben kost veel geld. De dierverzorgers zijn duur en er zijn nog veel andere kosten zoals voer, medicijnen, veearts, en administratiekosten. De boer kan dit betalen door melk, eieren, vlees en andere producten van de dieren te verkopen. Weinig dieren levert minder vlees op, dus is het moeilijk om alles te betalen. Om rond te komen hebben boeren twee mannieren gevonden. Boeren verhogen hun inkomsten door meer geld voor het vlees vragen of verlagen de productie kosten. Soms heb je in één stal wel duizend dieren. Zo’n stal noem je een megastal. GroenLinks, de SP en de Partij van de Dieren zijn tegen deze stallen. Er mogen geen megastallen meer bij vinden zij. Maar,veel mensen kopen vlees, en ze willen dit zo goedkoop mogelijk hebben. Megastallen zijn er om vlees zo goedkoop mogelijk aan te bieden. In de stallen hebben de dieren weinig ruimte, vier keer zo weinig als op een biologische boerderij. De dieren worden van de kleine ruimte agressief, daarom worden tanden en snavels verwijderd. Biologische boeren willen dit dus niet. Zij zorgen ervoor dat de dieren de ruimte hebben, zelf mogen kiezen of ze buiten of binnen zijn en zelf mogen kiezen wanneer ze gemolken worden. Ook hebben de koeien daar waterbedden. Dit voelt voor de koeien als een soort luchtkussen, daar kunnen ze lekker op liggen.
Vroeger was veel werk op de boerderij handwerk. De koeien werden met de hand gemolken. Omdat er tijdens het melken vuil of gras in de emmer kon komen werd de melk door een teems in de melkbus gegoten. Een teems is een grote bak met doeken die het vuil eruit filteren. Elke dag werden de melkbussen door melkrijders opgehaald en naar de melkfabriek gebracht.
Het gras werd met de zeis gemaaid. Een zeis is een lange stok met een groot scherp mes eronder. Met handbeweging werd het gras gemaaid. Zo gebeurde dit ook bij het graan en koren. Omdat veel werk met de hand moest worden gedaan werd gebruik gemaakt van boerendaggelders. Dit waren arbeiders die per dag werden ingehuurd. In de zomer was er meer werk dan in de winter. Ze werden dus voornamelijk ‘s zomers ingehuurd. Het vaste personeel woonde vaak vlak naast de boerderij in boerendaggelders huisjes. Dit waren kleine huisjes die door de boeren werden gebouwd voor hun personeel. Zij hielden daar vaak een varken of een geit en een moestuin voor eigen consumptie. Vroeger werd het gemaaide gras en graan met paard en wagen binnengehaald. Het hooi werd met hooivorken in de hooiberg geladen als voer voor de dieren in de winter.
Tegenwoordig worden er machines gebruikt.
In Nederland leven ongeveer anderhalf miljoen koeien die melk geven. Om melk te kunnen geven moet een koe eerst een kalf krijgen. Ook moet een koe goed te eten krijgen. Ze eten wel zo’n 45 kilo op een dag. Een koe produceert 40 tot 60 liter melk per dag. Dit is veel meer dan vroeger. Dit komt omdat er tegenwoordig meer krachtvoer word gegeven, betere voeding, door betere leefomstandigheden en door het doorfokken van koeien met een hoge melkproductie. In de uiers word de melk gemaakt. Daarvoor moet het gras wat de koe eet, eerst verteert worden. Dat gebeurt in de vier verschillende magen: de pens, de netmaag, de boekmaag en de lebmaag. Via de darmen worden alle belangrijke voedingsstoffen in het bloed opgenomen en door het lichaam gevoerd. Deze voedingsstoffen komen ook in de uier waar de melk gemaakt wordt.
Het melken van de koeien heeft een behoorlijke ontwikkeling doorgemaakt. Het begon met het melken met de hand in een emmer. Daarna kwamen de melkmachines waarbij een soort zuignappen aan de spenen wordt bevestigd die de melk uit de uier zuigt. Nu zijn er zelfs boeren die melken met een melkrobot.
Hoe werkt een melkrobot?
De melkrobot identificeert de koe aan de hand van de een chip in de halsband van de koe en zoekt hem in de computer. Het komt voor dat een koe om bepaalde redenen niet gemolken mag worden. Dan gaat het hekje niet open en moet de koe het later nog een keer proberen. Als de koe wel wordt doorgelaten ontvangt ze meteen wat krachtvoer en begint de melkrobot met het reinigen van de uiers. De computer zoekt met behulp van lasers op waar de spenen zitten. Het reinigen is erg belangrijk want een vieze uier kan voor vervuilde melk zorgen. Hierna word een vacuümzuigende tepelbeker op de tepel gedrukt. De melkstroom komt op gang. Het voelt voor de koe hetzelfde alsof een kalf aan de uier zuigt. De melk word gelijk gecontroleerd of de kwaliteit goed is. Wanneer de melk opgezogen is, worden de tepelhouders verwijderd en krijgt de koe een verzachtende, ontsmettende spray op de uier gespoten. De melk gaat via een container naar een enorme koeltank. Om de melk vers te houden, wordt het bewaard bij 3 graden Celsius.
2.Welke verschillende veehouderijen zijn er?
Er zijn veel verschillende soorten veehouderij in de veeteelt. Sommigen boeren hebben zich gespecialiseerd op één dier of product. Andere boeren houden meerdere dieren, dit komt nu minder vaak voor. De verschillende soorten in de veeteelt zijn: koemelkveehouderij, varkenshouderij, pluimveehouderij, schapen- en geitenhouderij en paardenveehouderij.
Koemelkveehouderij:
Koemelkveehouderijen zijn bedrijven die vrouwelijke koeien houden voor de productie van melk. In Nederland zijn er ruim 17.240 melkveebedrijven en 1,47 miljoen melkkoeien. Gemiddeld heeft een melkveebedrijf 80 koeien.
Bijna 50% van het aantal melkveebedrijven heeft meer dan 70 melkkoeien. De melkveehouderijen produceren zuivelproducten voor de Nederlandse markt en voor de export.

Varkenshouderij:
In totaal zijn er 4.250 varkensbedrijven in Nederland. Daarvan zijn 1.190 fokvarkensbedrijven, 2.160 vleesvarkensbedrijven en 900 varkensbedrijven zijn gesloten. Gesloten bedrijven zijn bedrijven waar zowel het vermeerderen als het vetmesten plaatsvindt. In fokvarkensbedrijven worden varkens gefokt, als de biggen 10 weken zijn worden ze naar de vleesvarkensbedrijven gebracht en vet gemest tot een gewicht van ongeveer 110 kg. Sinds 2010 moeten de varkenshouderijen zich aan regels van de Dierenbescherming houden. De varkens moeten minimaal een vierkante meter bewegingsruimte hebben, ze moeten speelmateriaal hebben tegen verveling, ze mogen niet gecastreerd worgen tegen
de berengeur, ze moeten duurzaam verbouwde soja eten en ze mogen tijdens vervoer in de vrachtwagen niet langer den vier uur stil staan.

Pluimveehouderij:
Pluimveehouderij is de verzamelnaam voor veehouderijen waar vogels worden gehouden voor eieren en vlees. Denk hier bijvoorbeeld aan kippen, ganzen, eenden, etc. In Nederland zijn er 1.560 pluimveebedrijven, hiervan zijn er 720 leghennenbedrijven en 440 vleeskuikenbedrijven. Er is 99,2 miljoen pluimvee, waarvan 34,1 miljoen leghennen en 65,1 miljoen vleeskippen.





Schapen- en geitenhouderij:
In Nederland zijn er niet veel gespecialiseerde schapenhouderijen, er zijn niet veel bedrijven die zich alleen met de schapen/geiten bezig houden als product of melk productie. Bij de gespecialiseerde schapenhouderijen gaat het om het vlees en om de melk. Er zijn 12.460 bedrijven met schapen en 3.540 met geiten. Er zijn 359 gespecialiseerde geitenveehouderijen. Per jaar wordt er 170.000 ton geitenmelk geproduceerd, het aantal zuivelbedrijven is 16. In totaal zijn er 1.1 miljoen schapen en 0.4 miljoen geiten. 228.000 schapen en geiten worden levend vervoerd naar het buitenland. Het aantal slachtingen van schapen/geiten telt 702.500 stuks en het aantal schapen slachterijen 14.
Paardenveehouderij:
Veel ondernemers in de veeteeltwereld houden paarden als er ‘bij’. Ze hebben bijvoorbeeld een koemelkveehouderij en nog een paar paarden. Toch komen er steeds meer paardenveehouderijen, de paardenveehouderijen houden zich vooral bezig met fokken, verzorging en stallen. In Nederland zijn er 14.494 bedrijven met paarden en/of pony’s, 92.650 paarden en 48.800 pony’s. Gemiddeld zijn er 7 paarden (drie jaar en ouder) per bedrijf en gemiddeld 5 pony’s per bedrijf.
3.Wat zijn biologische boeren?
Biologische landbouw is het verbouwen van gewassen en houden van dieren op een milieuvriendelijke manier. Er mogen hierbij geen chemische bestrijdingsmiddelen of medicijnen gebruikt worden. Ook mag er niet genetisch gemanipuleerd worden. Dat betekent veranderingen aanbrengen in het DNA van levende organismen. Daardoor kunnen bepaalde eigenschappen veranderd worden. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld gewassen gecreëerd worden die zelf een bepaald afweermiddel tegen `ongedierte` aanmaken, of pitloze mandarijnen gekweekt worden. Biologische landbouw kun je verdelen onder 3 soorten: akkerbouw, tuinbouw en veeteelt.
Vroeger waren er veel meer biologische boeren dan nu. Dit komt omdat er vroeger veel meer boeren waren dan nu. Er wordt nu veel meer geproduceerd op kleinere stukken grond dus efficiënter. Om rond te komen moeten de boeren nu de dieren binnenhouden dus krijgen de dieren geen daglicht te zien. Bij biologische veeteelt willen de boeren een zo natuurlijk mogelijke leefomgeving maken voor de dieren. Voor scharrelproducten zijn niet echte normen en regels, wel zijn er keurmerken die aangeven welke producten diervriendelijk zijn en dus scharrelproducten. Alleen voor pluimvee zijn er speciale regels wanneer het onder scharrelproducten mag worden verstaan.
Om een biologische boer te worden moet je aan bepaalde regels voldoen. De 3 grootste verschillen tussen biologische boeren en intensieve boeren zijn: grondgebondenheid, de leefomstandigheden van de dieren, de voeding en medicijnen. Biologische boeren willen zo bewust mogelijk produceren. Ze letten op de maatschappelijke verantwoording, het zo minmogelijk aantasten van het milieu, een duurzame productie, het klimaat, dat ze de natuur en landschap niet te veel veranderen, de kwaliteit van het voedsel dat de dieren krijgen, het welzijn van de dieren en hun inkomens. Bij het welzijn van de dieren letten ze op vier verschillende de dingen; het comfort van het dier, het gedrag, de gezondheid en de voeding.
Grondgebondenheid:
Een biologische boer stelt het aantal dieren af aan de grootte van het land. Intensieve boeren houden hun dieren alleen maar binnen in de stal. Bij biologische boeren krijgen de dieren daglicht te zien. De boer gebruikt het mest dat de dieren produceren weer om zijn land te bemesten. Hiervoor heeft hij dus maar een bepaald aantal dieren omdat hij anders een mestoverschot heeft. Vaak verbouwen biologische boeren zelf het voer voor het vee. Dus soms zijn biologische boeren nog een gemengd bedrijf, wat niet veel meer voorkomt in deze tijd. De dieren krijgen meer vrijheid om zo meer hun natuurlijke gedrag te kunnen uiten. Bij bijvoorbeeld een legbatterij kan dit niet omdat de kippen amper ruimte hebben om te leven. Dieren zoals varkens krijgen ook spullen om zich een beetje te kunnen vermaken zoals speeltjes.
Leefomstandigheden van de dieren:
Het aantal dieren per vierkante meter is minder als bij een intensieve boer, zo hebben de dieren meer vrijheid. Tegenwoordig worden biologische producten aangeprijsd omdat hier het dier een beter leven heeft gehad. Veel mensen vinden het leven dat dieren gehad hebben steeds belangrijker en zijn daarvoor bereid om een hogere prijs te betalen dan voor goedkopere producten waar de dieren geen goed leven hebben gehad. De dieren hebben niet alleen een beter leven maar leven ook langer voordat ze geslacht worden omdat ze geen of minder kracht- en groeivoer krijgen waardoor het langer duurt tot dat ze klaar zijn ofwel op voldoende gewicht voor de slacht.
Voeding en medicijnen:
De dieren krijgen biologisch voer te eten. De dieren mogen ook geen medicijnen krijgen om ziektes te voorkomen, wat vooral in het voer zit. De dieren krijgen alleen medicijnen als ze al ziek zijn. De dieren mogen ook geen groeihormonen of krachtvoer krijgen. Ze moeten alles van hun eigen weerstand hebben, die moet van nature al sterk genoeg zijn. Biologische boeren proberen ook de weerstand van de dieren te verhogen door frisse lucht en het voer. Dus alles wat de biologische dieren krijgen heeft met elkaar te maken en om elkaar aan te sterken.
De overheid:
De overheid helpt ook bij het creëren van de betere leefomstandigheden voor de dieren. Hiervoor maakt de overheid allemaal regels en is de overheid ook bezig om een speciale dierenwet te maken. Er bestond al een dierenwet maar deze gaan ze proberen te verbeteren. Ze willen de dierenmishandeling beter aanpakken met speciale regels. Verder willen ze dat de stallen verbeterd worden doordat er dichte vloeren in de stallen komen i.p.v. roosters waardoor de dieren op de grond kunnen liggen, minimale buitenlucht dat er in moet komen, dat de dieren meer ruimte in de stallen krijgen en hoe de stallen ingericht worden. Per diersoort zijn er ook nog speciale regels. Ook het vervoer van de dieren proberen ze zo diervriendelijk te maken door bepaalde regels. Zo wordt er op de duur van de reis gelet, hoe de verzorging van de dieren is, in wat voor vervoermiddel ze vervoerd worden. Ook moeten de mensen die de dieren vervoeren een vergunning hebben van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. De veehouders zijn ook verplicht om zich te laten registreren zodat als er een ziekte uitbreekt bij de dieren de overheid er snel achter kan komen waar de zieke dieren vandaan komen. Bij het slachten moeten de dieren eerst verdoofd worden zodat ze minder pijn hebben als ze geslacht worden. Bij sommige geloven mogen de dieren niet verdoofd worden voordat ze geslacht worden.De overheid is daarvoor nog op zoek naar oplossingen om de pijn te verminderen als de dieren onverdoofd geslacht worden.
Biologische boeren zijn vooral vanaf 1986 sterk gaan toenemen. Tussen 1986 en 1996 was dit met ongeveer 1.000 hectare per jaar en vanaf 1996 is dit zelfs met 2.700 hectare per jaar. Tussen 1996 en 1998 zijn er zelfs 150 biologische boeren bij gekomen. De grootste groei zit in de melkveehouderij. Dit kan je goed zien in de tabel. Van alle koeien die in Nederland worden gehouden wordt er 0,6 % biologisch gehouden. Bij varkens wordt er maar 0,07 % biologisch gehouden. Dat de biologische boeren zo groeien komt vooral door de jonge boeren. Die beginnen met een biologisch bedrijf. Onder de biologische boeren is er maar een van de vijf boven de 55 en onder alle landbouw is bijna de helft van alle boeren boven de 55. In Nederland wordt de meeste biologische landbouw in Flevoland gedaan.
Sinds 2007 is er een verbeteragenda gemaakt, waarin ze verbeterpunten schrijven en in een bepaalde tijd is het de bedoeling dat er zoveel mogelijk van de verbeterpunten zijn uitgevoerd. Niet alle verbeterpunten worden uitgevoerd maar die komen dan weer bij de volgende verbeteragenda.
Keurmerken.
Er zijn verschillende keurmerken die aangeven of producten biologisch zijn of dat ze onder scharrelproducten valt. Voor bijvoorbeeld scharrelproducten zijn er verschillende keurmerken. Dit zijn er drie.
Controle scharrel: Dit keurmerk heeft te maken met de eieren. Eieren krijgen dit keurmerk als de kippen volgens het ‘legkippenbesluit’ worden gehouden. In het legkippenbesluit staan o.a. regels over hoeveel ruimte de kippen minimaal moeten hebben, dat ze naar buiten kunnen gaan, een zitstok moeten hebben en houtkrullen of stro in het hok.
Vrije uitloop: dit merk is bijna het zelfde als controle scharrel alleen hier krijgen de kippen nog meer vrijheid ze kunnen naar buiten wanneer ze dat zelf willen en hebben ook meer ruimte in de hokken of kooien. Dit merk geld ook alleen op eieren.
Produceert: dit keurmerk is voor vlees van dieren die naar buiten kunnen gaan en soms ook in groepen worden gehouden.
Er zijn veel keurmerken die aangeven of producten biologisch zijn. Het EKO-keurmerk is in Nederland het merk dat aangeeft dat de boer helemaal biologisch produceert. Er is nu ook een nieuw keurmerk voor biologische producten maar dan voor in heel Europa. Dit heeft bijna de zelfde regels als het EKO-keurmerk. Verder is er ook nog een keurmerk voor het betere leven van de dieren. Dit keurmerk is van de dierenbescherming en word het keurmerk Beter Leven genoemd. De boeren krijgen dan sterren hoe diervriendelijker ze produceren hoe meer sterren ze krijgen. Verder is er ook nog een keurmerk voor het milieu bij varkensvlees en eieren. Dit keurmerk kijkt naar hoe milieuvriendelijk een bedrijf produceert.
4.Wat houdt intensieve veeteelt in?
Intensieve veeteelt wordt ook wel eens bio-industrie genoemd, en is grootschalige productie van vlees en eieren. Intensieve veeteelt komt nu veel voor, maar vroeger niet. Intensieve veehouderijen zijn bedrijven die niet gebonden zijn aan land voor hun productie, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de melkveehouderij. De intensieve veehouderij heeft zich in Nederland vooral gevestigd op de zandgrond.
Intensieve veeteelt betekent dat er veel dieren op een klein stuk grond leven. Voordelen van intensieve veeteelt zijn dat een bedrijf veel producten kan produceren tegen een hoog rendement. Ook zijn er veel nadelen van intensieve veeteelt: de dieren hebben geen leuk en goed leven, staarten van varkens wordt er afgesneden (couperen) en teelballen van varkens worden er afgesneden (castreren).
Na de tweede wereldoorlog moest de Nederlandse economie weer opgebouwd worden. Door de Europese Unie en ook dankzij het gemeenschappelijk landbouwbeleid kwam de intensieve veehouderij in opkomst. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid wilde een stabiele voedselvoorziening, lage prijzen voor de consument en een goed inkomen voor de boeren. De Europese Unie streefden naar een overschot van producten, omdat dat nodig was voor een stabiele voedselvoorziening. Om dit voor elkaar te krijgen werd er door de Europese Unie en de nationale overheden veel geld geïnvesteerd in onderzoek om de productie te optimaliseren.
De intensieve veeteelt kwam pas echt op gang door de ontwikkeling van het “Gat van Rotterdam”, na de GATT onderhandelingen over landbouw in 1962. De Europese Unie liet toe dat goedkope graanvervangers zoals soja en tapioca uit Amerika en Azië zonder importheffing werden geïmporteerd. De graanvervangers waren goede en goedkope producten voor krachtvoer, hierdoor kon de intensieve veeteelt in Nederland explosief groeien. Rotterdam was een van de voornaamste invoerhavens.
Rond eind jaren ’70 en begin jaren ’80 kreeg het volk een andere mening over de intensieve veeteelt, ze werden zich meer bewust van de nadelen van de intensieve veeteelt. Het was slecht voor het milieu en het dier. Na een paar epidemieën van dierziekten, voor consument en producent, zijn het aantal intensieve veehouderij bedrijven afgenomen.
Wel houdt de Nederlands overheid de mogelijkheid voor het bouwen van megabedrijven met de Landbouw Reconstructie Wet van 2002 open. Dit zijn megabedrijven van ontzettende grote omvang, deze bedrijven worden geplaatst in bepaalde aangewezen gebieden. Dit zijn bijvoorbeeld de varkensflats die pas nog in het nieuws waren.
De intensieve veeteelt heeft een ‘imagoprobleem’. Eén oorzaak daarvan is het succes van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid. Het GLB heeft voor de optimalisatie van de landbouwsector gezorgd. Er kwamen steeds minder mensen werkzaam in de landbouw en grote groepen mensen gingen zich steeds meer vervreemden van de landbouw. Een andere oorzaak is dat men dieren in de intensieve veeteelt te veel is gaan zien als een productiemiddel en minder als een leven. Daarom wordt door tegenstanders de intensieve veeteelt ook wel eens bio-industrie genoemd. Het dierenwelzijn in de intensieve veeteelt wordt verdedigd met economische en wettelijke argumenten. De Nederlandse overheid en de Europese Unie voeren een beleid om het welzijn van de dieren te verbeteren.
Volgens GGD Nederland is de intensieve veeteelt ook slecht voor de volksgezondheid. Doordat er meer grote bedrijven komen met megastallen die zich bezig houden met veeteelt, zijn strengere wettelijke regels en toezicht nodig. Omdat ze Q-koorts uitbraken en antibioticaresistente bacteriën tegen willen gaan.
Intensieve veehouderij voorbeeld:
Legbatterijen. Dit zijn hokkken met kippen die op een hele kleine oppervlakte leven en eieren moeten leggen. Ze leven in gestapelde kooien van 40 bij 50 cm met ongeveer 3 tot 5 kippen. De kippen kunnen elkaar dood bijten daarom worden de snavels er af geknipt.
Vleeskippen leven met veel andere kippen in een grote schuur zonder ramen. Dit veroorzaakt een mestoverschot, er wordt veel mest geproduceerd terwijl het bedrijf dit niet nodig heeft. Dit moeten ze aan akkerbouwers zien te slijten.

5.Wat houd landbouwsubsidie in?
De landbouwsubsidies zijn ingevoerd om een paar redenen. Ten eerste om er voor te zorgen dat iedereen genoeg voedsel heeft, omdat er veel mensen niet genoeg eten hadden en dus veel mensen honger leden. Verder om de boeren te verzekeren van een goed inkomen. Dit werd gedaan door Garantieprijzen in te voeren. Dat zijn vaste prijzen voor vaste aantallen producten. De boer wist dus al van te voren wat hij voor zijn producten zou krijgen. Hierdoor gingen de boeren meer produceren dus kwam er meer voedsel en hadden meer mensen te eten. Op een gegeven moment gingen de boeren zoveel produceren dat er overschotten kwamen. Omdat de prijs in de EU hoger ligt dan op de wereldmarkt was het moeilijk om de overschotten te verkopen buiten europa. Om toch de overschotten in het buitenland te kunnen verkopen kwamen er exportsubsidies Er kwamen ook hoge invoerrechten zodat het moeilijk was voor boeren die buiten de EU leven om hun producten in de EU goedkoop te verkopen. De overschotten die niet verkocht werden, werden in veevoer vermengd of verbrand. Door de Garantieprijzen kwamen er niet alleen overschotten aan voedsel maar ook aan mest wat de natuur heel erg aantastte. De Garantieprijzen waren zo’n groot succes dat er heel veel geld naar toe ging. Daardoor kon de EU maar weinig geld uitgeven aan andere terreinen. Vanaf 1975 worden de regels en de productsubsidies afgebouwd. Het begon met de melkboeren. Bij de akkerbouw kwam er een productiegrens. Nog steeds verdient een boer in Europa 40 % door de landbouwsubsidies.
Als sinds dat de EU bestaat gaat er veel geld naar de landbouw. Vroeger was dat zelfs 75% dat is nu gedaald naar 45% van de begroting. Buiten de EU waren er veel bedrijven al groot en modern dus konden goedkoop produceren. Veel kleine boeren in de EU konden daar niet tegen op. Dus op de vrije markt konden de EU boeren maar weinig concurreren tegen de grote bedrijven. De EEG , Europese Economische Gemeenschap, was bang dat daardoor de economie beschadigd kon worden, want dan zouden de Europese boeren hun eigen geproduceerde producten niet buiten Europa kunnen verkopen en zouden er veel buitenlandse producten in Europa verkocht worden. Dan zouden we afhankelijk zijn van de producten die andere landen produceren. Als die dan een slechte tijd door zouden maken merkt Europa dat ook. Daarom besloot de EEG dat er landbouwsubsidie moest komen om de consument er van te verzekeren dat er een vaste en betaalbare prijs voor Europees brood, melk en vlees moest zijn. Landen die buiten de EU liggen moeten een hoge importsubsidie betalen waardoor er maar weinig buitenlandse producten hier verkocht worden, wat de Europese landbouw nog sterker maakt. De subsidie is er ook om de boeren te verzekeren van een goede inkomst en de onderlinge verschillen in Europa zo klein mogelijk te maken. Landbouwsubsidie wordt ook gedaan om voedselvoorraden vast te leggen voor als er een oorlog komt, of andere onzekere tijden. Als er geen landbouwsubsidie zou bestaan zou er in veel landen in Europa geen landbouw meer zijn omdat het economisch dan onmogelijk is. Met de landbouwsubsidie hoopt de EU een paar doelen te bereiken, dit zijn hun doelen:
- Het verhogen van de productiviteit van landbouwbedrijven
- Het verzekeren van het inkomen van de boeren
- Het verzekeren van dat er altijd voedsel beschikbaar is
- Het bevorderen van een goede prijs voor de consumenten
Voor 2007 werden de subsidies besteed aan de landbouw en plattelandsontwikkeling, regionaal beleid, werkgelegenheid en de visserij. Na 2007 horden de landbouw en visserij hier niet meer bij. In de periode van 2007 tot 2013 gaat vooral veel geld naar het plattelandsontwikkeling. In noord en oost Nederland willen ze werken aan de economische activiteiten, werkgelegenheid en de sociale samenhang.
6.Hoe ging de veeteelt vroeger?
Vroeger bestonden nog niet echt bedrijven die alleen maar veeteelt deden of alleen maar landbouw. De bedrijven waren gemengde bedrijven. Dit waren kleine boerderijen die eten verbouwden en een paar dieren hadden. Meestal hadden ze koeien en varkens voor de producten zoals melk en vlees en paarden voor het werk op het land. Wat de boeren produceerden op het land was meestal bedoeld om zelf op te eten en om de dieren mee te voeren. De productie die de boer over had bracht hij meestal naar een markt of een veiling. Na de tweede wereld oorlog wou de regering de economie omhoog halen, dus het voedsel voor een lage prijs verkopen. Om dit te bereiken gingen ze de boeren hun bedrijven mechaniseren waardoor er goedkoper geproduceerd kon worden. Niet elke boer had geld om machines te kopen. Meestal waren er loonwerkers die een trekker hadden, die boeren dan inhuurden om bijvoorbeeld het gras te maaien. Maar het meeste deed de boer zelf met de hand en paard. Vaak maakten de boeren dagen van af 4 uur ’s ochtends tot 7 uur ’s avonds en ze hadden nooit een dagje vrij. Het leven van een boer was toen erg zwaar.
Het melken:
Vroeger kwamen de koeien niet naar de boer toe om zich te laten melken. De boer moest naar de koeien toe om ze te melken. Dit kon op verschillende manieren. Soms had de boer een kar achter zijn fiets zitten met melkbussen er op. Zo fietste de boer naar het weiland als dat een stukje van zijn boerderij af lag. Dan ging hij het weiland in en bij elke koe met een emmertje onder de koe waar de melk in opgevangen werd, hij molk de koeien met de hand. De melk deed hij dan in de melkbussen en fietste dan weer terug naar zijn boerderij. Daar zetten de boeren de melkbussen aan de weg en kwamen de melkophalers de melk ’s ochtends en ’s avonds ophalen en de lege bussen weer terug brengen. Later kregen de boeren een tank voor het aantal liter dat ze in een paar dagen produceerden. Daardoor hoefde de melk maar per 3 dagen opgehaald te worden, wat nu nog zo is. In de winter ging de boer naar de stal toe om de koeien daar in te melken.
De stallen:
De stallen waren veel kleiner dan nu. In de stallen stonden de koeien vast. Vaak zaten de stallen vast aan de boerderij en lag het weiland soms een stukje verder weg. Dus moesten de koeien over de weg naar het weiland gebracht worden. Het mest in de stallen werd niet automatisch door de roosters afgevoerd. De boer moest zelf alle mest uit de koeienstal scheppen. In de zomer bleven de koeien vaak dag en nacht in het weiland, ze bleven alleen in de winter op stal.
Het voeren:
Vaak hadden de boeren een stuk land met akkerbouw waar de boer eten voor zijn dieren verbouwde. Sommige boeren hadden een ‘schillenwijk’. De boeren haalden dan schillen van groente en fruit op. De schillen die ze ophaalden gingen dan naar de koeien en het kliek ging naar de varkens toe. Soms zat er nog wel eens een mesje tussen de schillen en aten de koeien die op. Dan gooide de veearts een magneet in de koe en haalde zo het mesje er weer uit. Ook kregen de dieren geen speciaal voer zoals krachtvoer.
7.Heeft specialisatie zich ontwikkeld in de loop der jaren?
De betekenis van specialisatie in de veeteelt is dat de veeteeltboeren zich ieder gaan richten op één product of dier in plaats van dat de boeren allemaal 20 koeien, 15 kippen en 25 varkens houden Dit heet een gespecialiseerd bedrijf. Zo gaat de ene boer misschien 100 koeien houden en de andere 30000 kippen en weer een ander 1000 vleesvarkens. Het voordeel van specialisatie is dat er meerdere en betere producten op de markt komen. Als er bijvoorbeeld een boer is die goed koeien kan houden en daar goed vlees of melk van kan leveren en hij gaat zich in koeien specialiseren komt er meer melk en beter koeienvlees. Door de specialisatie komen er meer varkensfokbedrijven, vleesvarkensbedrijven, legkippenbedrijven en vleeskippenbedrijven, melkveebedrijven en vleesveebedrijven.
De gemengde bedrijven, dat zijn bedrijven waar landbouw en veeteelt plaatsvindt namen steeds meer af. Rond de tweede helft van de 20e eeuw kwam er schaalvergroting, landbouwbedrijven namen af en de rest van bedrijven gingen zich specialiseren.
8.Wat is een melkquotum?
In Nederland is er sinds 1984 een melkquotum. Elke individuele melkveehouder heeft een melkquotum. Het melkquotum geeft hem het recht een bepaalde hoeveelheid melk te produceren. De boer mag niet over het quotum heengaan. Ze mogen de aangegeven kg leveren aan de melkfabrieken. De fabrieken hebben ook een melkquotum, dit is de totale hoeveelheid melk van de melkveehouderijen die bij de zelfde fabriek aangesloten zijn, opgeteld.
Er zijn altijd wel boeren die minder produceren dan het quotum, door bijvoorbeeld dierziektes. Hierdoor kunnen de andere boeren die bij dezelfde fabriek zijn meer melk leveren. Als een fabriek over het melkquotum zit, komt er een hoge boete. De boeren die te veel hebben geproduceerd moeten de boetes betalen.
Vraag en aanbod
De melkquota zijn ingevoerd omdat er in de Europese Unie meer melk werd geproduceerd dan geconsumeerd. De overschotten worden met subsidies op de wereldmarkt afgezet (de prijs in de EU is hoger dan op de wereldmarkt). Om de hoge kosten van die subsidies, die ook al maar stegen door de groeiende melkproductie, te beperken, werd het melkquotum ingevoerd. De hoogte van de melkquota in de EU bedroeg bij invoering in 1984 de productie van 1984 minus enkele procenten. Sinds 1984 zijn de omvang van de melkquota een paar keer aangepast. Door het melkquotum zijn dus de productie en de kosten van afzet op de wereldmarkt via exportsubsidies begrenst. In Nederland mogen boeren melkquota (recht op produceren van melk) kopen / verkopen en huren / verhuren.
De melkquota zijn ingevoerd in de EU, omdat er melkoverschotten kwamen. Met subsidies werden de overschotten op de wereldmarkt verkocht. De hoge kosten van de subsidies werden beperkt door het melkquotum. Sinds 1984, toen de melkquota werd ingevoerd, is de melkquota veranderd. De productie en kosten van de verkoop op de wereldmarkt is via exportsubsidies begrenst. In Nederland mogen de boeren melkquota kopen, verhuren en verkopen en huren. Dit mag niet Frankrijk, de boeren krijgen de melkquota van de overheid. Er mag niet in melkquota gehandeld worden over de grens.
Vanaf 1 april 2015 wordt het melkquotum opgeheven. Dan mag elke boer in de EU onbeperkt melk leveren tegen de dan geldende marktprijs.
9. Hoe ziet het werk van de boeren eruit in de toekomst?
Het werk moet gaan veranderen. De wereldbevolking zal naar verwachting van 6.5 miljard groeien tot ongeveer 9 miljard in 2050. Boerderijen zullen al die mensen moeten blijven voeden. De groeiende bevolking heeft ook meer grond nodig voor huisvesting, werk, transport. Waardoor er minder ruimte overblijft voor boerderijen en landbouw.
Het klimaat veranderd. De meeste wetenschappers zijn het erover eens dat de aarde aan het opwarmen is. Een stijging van gassen die menselijke activiteiten produceren. Deze gassen houden in de dampkring warmte en de zon vast. Dit heet het broeikaseffect. Volgens een studie zal zuidelijk Afrika door warmere, drogere omstandigheden in 2010 misschien meer dan 30% van zijn voornaamste gewas kwijt zijn geraakt.
Boerderijen in rijke landen zijn bedrijven en gebruiken, zoals alle bedrijven, internet. Boeren houden via internet het veeteelt-, landbouwnieuws bij en communiceren via email. Een boerderij van de toekomst zou met sensors kunnen gaan werken. Deze verzamelen over heel de boerderij informatie over het vee, grond en weer. Sensors registreren veranderingen en zenden hun metingen door naar de computer. De boer kan zo alles zien en weet wat hij doen moet. Door de informatie kan hij beter plannen.
Dankzij machines kunnen minder mensen meer werk verzetten dan mogelijk was in het verleden. Ze moeten nog wel bediend worden door de mens. In de toekomst zouden robots mensentaken kunnen overnemen en zo kunnen besparen op de personeelskosten. Voordelen; werken hard, hoeven niet te stoppen voor bv lunchpauze, 24uur per dag. 
1. Praktische deel.
Wij hebben twee boeren op gezocht om te interviewen. Dit was boer Bernard van der Weiden, een oude boer uit Woubrugge. En Ton Maas, een jonge boer uit Alphen aan den Rijn. Het interview is goed gegaan. We hadden van ons van tevoren goed voorbereid. Zoals goede vragen bedacht. Op die vragen hebben we antwoorden gekregen waar we veel van opgestoken hebben. Na het interview wilde Ton Maas ons wel een rondleiding geven. We zijn bij de koeien geweest. Hij heeft er 120, en alleen maar zwart-witte. De nacht ervoor was er nog een kalfje geboren. Die mochten we ook zien.



Interview met Bernard van der Weiden:
Hoe verliep een dag 50 jaar geleden?
Om 4.00 uur stond ik op om de koeien te melken wat nog met de hand moest. Daarna ging ik de koeien eten geven wat met kruiwagen en de hand ging. In de winter kregen ze gedroogd gras met zand erover te eten en in de zomer gewoon voer. Daarna ging ik op het bouwland werken, dat is vooral zaaien en oogsten. Hier werd het werk vaak met het paard en de hand gedaan. ’s Avonds ging ik weer de koeien melken en eten geven dit was rond 5 uur/ half 6. Hierna avondeten, een kopje koffie drinken en naar bed.
Had u veel mensen in dienst?
Ik had niemand in dienst. Ik deed alles samen met mijn broer Harm. Later huurde we wel loonwerkers in die werk met hun trekkers konden doen die wij zelf niet hadden.
Was het vooral zelfproductie of voor de verkoop?
We produceerden vooral voor de productie. We verkochten vooral melk en koeien en de lammetjes die de schapen maakten.
Had u alleen maar dieren?
Ja, ik had vooral dieren en een klein beetje akkerbouw. Dit waren 25 koeien en 13 schapen.
Zaten er veel regels aan de productie verbonden?
Nee, toen waren er nog geen regels zoals een melkquotum.
Kreeg u al landbouwsubsidie?
Nee, dat bestond toen nog niet.
Hoe was het leven voor de dieren?
Ik denk dat de koeien nu een beter leven hebben. In de winter moesten de koeien op stal. Ze werden vast gemaakt aan 2 touwen die aan palen verbonden waren. Hierdoor konden de koeien amper bewegen dus stonden ze heel de winter stil. In de zomer mochten de koeien gewoon heel de dag buiten vrij rond lopen.

Maakte u veel gebruik van chemische bestrijding?
Nee, dus ik was eigenlijk wel een biologische boer. Maar dat waren bijna alle boeren in die tijd.
Waarom bent u van Harmelen naar Woubrugge verhuisd?
De boerderij van mijn vader was niet zo groot en weinig land te koop in Harmelen. In Woubrugge was een grotere boerderij met een groot stuk land van 14 hectare. In de regio van Woubrugge was er ook meer ontwikkeling mogelijk. Rond 50 jaar geleden hebben veel landbouwbedrijven zich gevestigd in deze regio.
Wat voegde de vrouw toe in het bedrijf?
Mijn vrouw deed niet zo veel op het land maar was vooral bezig in het huis. Ze moest voor 6 kinderen zorgen, koken, schoonmaken, wassen.
Interview met Ton Maas:
Wat voor veeteelthouder bent u?
Een gangbare melkveehouder, ik behoor tot de 15 % grootste melkveehouderijbedrijven van Nederland. Gangbaar is gespecialiseerd in één soort vee.
Laat u uw koeien buiten lopen?
Ja, meestal een paar uur per dag. Het voordeel hiervan is dat er minder mest in de stal komt wat gunstig is voor het mestoverschot want op het land telt dit niet. ‘Snachts blijven ze ook in de stal.
Maakt u veel gebruik van chemische producten?
Ik bestrijd alleen de stekels in het weiland en het onkruid tussen de maïs met chemische onkruidbestrijdingsmiddelen.
Welke regels zijn aan het houden van koeien verbonden?
Dat zijn er heel veel. Voor alles zijn er wel regels. Voor hoe je de dieren wilt vervoeren, voor hoeveel melk ze mogen produceren, hoe je de koeien wilt houden, hoeveel medicijnen ze mogen en ga zo maar door.
Heeft u alleen koeien of heeft u ook een stukje akkerbouw?
Hier heb ik alleen maar koeien. Maar ik heb ook nog stukken land waar ik mais laat verbouwen voor mijn koeien. Mais is een voedergewas dus dat is niet echte akkerbouw maar lijkt er wel op. Bij mijn eigen boerderij heb ik 32 hectare grond. Verder huur ik nog een kleine 30 hectare bij andere boeren.
Hoeveel mensen heeft u in dienst?
Ik heb geen vaste mensen in dienst. Wel maak ik gebruik van loonbedrijven om werkzaamheden uit te voeren. Zo bewerken zij eerst de grond en zaaien er daarna de mais. Ook wordt eventueel onkruid tussen de mais door hun bestreden. Later als de mais goed is wordt deze ook door een loonbedrijf geoogst. Verder heb ik ook 2 dagen in de week een melker zodat ik zelf meer tijd over heb om andere werkzaamheden te verrichten.
Hoe ziet een dag er uit?
Om 6.15 sta ik in de stal om de koeien te melken, daarna ga ik de kalveren voeren wat met de fles of met een machine gaat. Om 9.30 ga ik ontbijten, om 10.15 sta ik weer in de stal. Dan ga ik het voer klaar zetten voor de mengwagen. Hierin worden mais en enkele soorten krachtvoer gemengd. Als ik daar klaar mee ben ga ik de koeien verzorgen en het voer op het pad aanschuiven. Om 12.30 ga ik middageten dat doe ik ongeveer een uur. Daarna ga ik werken aan het onderhoud of andere voorbereidingen. Om 16.30 ga ik de koeien voeren daarna ga ik zelf eten. Na het eten ga ik de koeien melken, ik ben daar rond 20.30 mee klaar. Ik werk ongeveer 70 uur per week.
Zou u zonder de financiële steun van de EU het nog redden?
De financiële steun is mooi mee genomen maar ik vind dat ze het over een lange termijn moeten afschaffen. Daardoor blijven de beste bedrijven over en wordt de kwaliteit van de bedrijven beter.
Hoe ziet u uw toekomst in voor het bedrijf?
Mijn kinderen willen het bedrijf niet gaan overnemen. Verder zit ik er aan te denken om het huis naast ons te kopen zodat ik een werknemer aan kan nemen en diegene dan gelijk woon gelegenheid kan geven want ik denk niet dat ik in dit tempo tot m’n 67e door kan gaan.
Wat doet uw vrouw in het bedrijf?
Mijn vrouw doet de administratie en doet het huishouden. 
Conclusie
De conclusie op de hoofdvraag: Wat is er in 50 jaar veranderd in de veeteelt?. Er is veel veranderd in de veeteelt. Er bestaan bijna tot geen gemengde bedrijven meer, er bestaan alleen nog maar gespecialiseerde bedrijven. Vroeger waren er juist bijna alleen maar gemengde bedrijven vanwege de zelfvoorzienigheid. 50 jaar geleden bestonden er eigenlijk alleen nog maar biologische boeren, er was geen sprake van intensieve veeteelt of mechanisatie. Later kwamen er loonwerkers die een machine hadden en die de boeren dan inhuurden om het zware werk te doen. Nu is er wel veel intensieve veeteelt, veel dieren leven op een klein stukje land en komen nauwelijks tot helemaal niet in het daglicht. Tegenwoordig komen er weer steeds meer biologische boeren omdat de mensen willen dat de dieren ook een goed leven hebben. Elke boer heeft wel met mechanisatie te maken, een boer van nu kan eigenlijk niet meer leven zonder een voermachine of melkmachine. Het kost te veel moeite en tijd om alle dieren met de hand te voeren of te melken. Vroeger gebeurde alles met de hand voeren, melken en schoonmaken. Omdat er nu zoveel machines zijn kunnen de boeren ook meer dieren houden omdat alles minder tijd kost en veel werk wordt overgenomen.
Er zijn veel regels en wetten bijgekomen of veranderd door de jaren heen in de veeteelt. Vroeger kregen de boeren garantieprijzen omdat de EU wilde dat er meer geproduceerd werd zodat iedereen genoeg te eten zou krijgen. Later veroorzaakte de garantieprijzen voedseloverschotten waardoor het werd afgebouwd. Nu krijgen de boeren landbouwsubsidies, vroeger waren ze zelfredzaam. Verder moeten de boeren zich aan een melkquotum houden, waardoor de hoeveelheid melk wordt beperkt. Deze wordt in 2015 weer opgeheven. In de toekomst moet er heel wat gaan veranderen in het leven van de boeren. Ze moeten voor veel meer mensen voedsel produceren omdat de wereldbevolking zich nog steeds uitbreid. Verder zal het boerenbedrijf nog meer gemechaniseerd worden en met technologische snufjes te werk gaan. Ook het broeikast effect gaat invloed op de manier van produceren geven.
Voor het praktische deel hebben we boeren opgezocht en we hebben de boeren geïnterviewd. Over hoe het boer zijn 50 jaar geleden was en hoe het nu in zijn werk gaat. De dagen van een boer nu zijn lang en zwaar, ook al waren de dagen vroeger langer. Boeren hebben weinig vakantie. We zien ook in het interview dat de boeren van nu vaker mensen in dienst hebben dan vroeger, natuurlijk zijn er ook de machines die veel doen.
Kort samengevat wat er in 50 jaar in de veeteelt veranderd is: De dagen die de boeren maken zijn korter, er is specialisatie gekomen, de boerderijen zien er heel anders uit, er zijn veel regels bij gekomen, machines nemen veel werk van de boer over en er zijn verschillende soorten veeteelt ontstaan.

Bronnenlijst:
Boeken uit de bibliotheek:
- Landbouw en veeteelt van Andrea Claire Harte Smith
- Land van melk en zuivel van Ida Hylkema en Marten Sandburg
Sites:
http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/landbouw/publicaties/artikelen/archief/1999/1999-0205-wm.htm
http://www.schooltv.nl/beeldbank/clip/20060706_subsidie01
http://www.europa-nu.nl/id/vh94fvv1eky2/subsidies_voor_nederland
http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/veehouderij/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/08/30/update-welzijnsprestaties-biologische-veehijder.html
http://www.animalfreedom.org/paginas/informatie/veeteelt.html
http://lto.nl/nl/25222735-Paardenhouderij.html?path=12102411/10378452
http://www.zootrack.nl/milieu%20b3%20landbouw.swf
http://nl.wikipedia.org/wiki/Intensieve_veehouderij
http://www.guichelaar.info/pagina/wat-is-melkquotum/
http://nl.wikipedia.org/wiki/Gemengd_bedrijf
http://lto.nl/nl/25222729-Melkveehouderij.html?path=12102369/10365225
http://lto.nl/nl/25222735-Paardenhouderij.html?path=12102411/10378452
http://lto.nl/nl/25222735-Paardenhouderij.html
http://lto.nl/nl/25222734-Melkgeitenhouderij.html?path=12102404/10378451
http://lto.nl/nl/25222732-Pluimveehouderij.html?path=12102390/10378449
http://lto.nl/nl/25222731-Varkenshouderij.html?path=12102383/10378444
http://nl.wikipedia.org/wiki/Pluimveehouderij
http://nl.wikipedia.org/wiki/Varkenshouderij
http://www.schooltv.nl/weekjournaal/onderwerpen/item/3143181/veeteelt/
http://www.spreekbeurten.info/zuivel.html
http://www.landbouwzorg.nl/index.php?pagid=58
http://www.guichelaar.info/pagina/hoe-werkt-een-melkrobot/

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.