8 Ik zorg voor het huishouden
8.1 Inkopen doen
Waar koop je levensmiddelen?
Wanneer je een gezonde maaltijd gaat klaar maken, heb je de juiste levensmiddelen nodig. Waar koop je levensmiddelen? Er zijn verschillende plaatsen waar je voedsel kunt kopen:
• De speciaalzaak
Dit zijn winkels waar ze een bepaald product verkopen. Bijvoorbeeld groenten en fruit bij de groenteboer, vlees bij de slager en brood en gebak bij de bakker. De mensen die er werken zijn deskundig en je wordt er persoonlijk geholpen. De prijzen zijn vaak iets hoger dan in de supermarkt.
• De supermarkt
In de supermarkt verkopen ze allerlei levensmiddelen. Je pakt er zelf wat je wilt hebben. Er is
een ruime keus en de producten zijn meestal iets goedkoper dan bij de speciaalzaak.
• De markt
Op de markt worden meestal seizoengebonden producten verkocht. De marktkoopman heeft weinig onkosten. Hij heeft geen winkel met bijbehorende inventaris, verwarming en verlichting. Hij betaalt alleen huur voor zijn standplaats met kraam. De producten die hij verkoopt zijn daarom goedkoper, in de meeste plaatsen is er een of twee dagen per week markt. Je kunt er dus niet iedere dag boodschappen doen.
Welke levensmiddelen koop je?
Je kunt kiezen uit verschillende soorten producten:
• Verse producten
Verse producten, zoals groenten en fruit, zijn niet of nauwelijks voorbewerkt. Je moet ze zelf schillen, wassen, snijden en klaarmaken. Je bepaalt zelf op welke manier je dit doet. Verse producten bevatten de meeste voedingsstoffen. Je kunt ze klaarmaken zoals je zelf wilt.
• Voorbewerkte producten
Dit wordt ook wel convenience food (gemaksvoedsel) genoemd. Voorbewerkte producten zijn al gesneden, voorgebakken, gekruid of op een andere manier bewerkt. Je hoeft ze alleen nog maar te bereiden. Het klaarmaken kost dus minder tijd. Door het voorbewerken van groeten en fruiten is er vaak wel verlies van vitaminen. Voorbewerkte producten zijn ook minder lang houdbaar en ze zijn duurder.
• Kant en klare producten
Dit zijn volledige maaltijden. Ze zijn er als diepvriesmaaltijd of vacuüm verpakt. Je hoeft ze alleen maar op te warmen. `je kunt ook kant en klare maaltijden bij de traiteur bestellen. Een traiteur is een kok die in zijn eigen keuken de gerechten klaarmaakt en die gerechten bij jou thuis komt opdienen. Je kunt zo'n maaltijd ook afhalen. Mensen die geen of weinig tijd hebben om te koken of die alleen wonen, kopen vaak kant en klaarmaaltijden. De voordelen van dit soort maaltijden zijn:
- het bespaart tijd en werk
- Het is gemakkelijk voor ouderen en gehandicapten: zo zijn ze minder afhankelijk van anderen.
- Mensen die niet kunnen koken, kunnen toch zelf voor hun eten zorgen.
De nadelen zijn:
- De maaltijden zijn duurder.
- Er is een groot verschil in kwaliteit tussen de verschillende maaltijden.
- De maaltijden uit de supermarkt smaken ongeveer hetzelfde (eenheidssmaakt)
- De maaltijden uit de supermarkt leveren vaak veel energie en weinig voedingswaarde.
- Er wordt meer verpakkingsmateriaal gebruikt (dit is niet goed voor het milieu)
- Er is een grotere kans op voedselvergiftiging.
Toevoegingen
Fabrikanten voegen stoffen toe aan de voedingsmiddelen. Deze stoffen noemen we additieven. Met deze stoffen blijven producten langer houdbaar, zien ze er beter uit of smaken ze beter. We kennen de volgende additieven:

Additief Eigenschappen Voorbeeld
Conserveermiddelen - Zorgen ervoor dat een product langer houdbaar is.
- Ze gaan de groei van bacteriën, gisten en schimmels tegen
- Komen in allerlei producten voor. - sulfiet E 220-228, sorbinezuur E 200-203
Anti oxidanten - Zorgen ervoor dat voedsel niet derft door inwerking van zuurstof.
- Ze gaan ranzigheid van vet tegen.
- Vitaminen gaan minder snel verloren.
- Te vinden in bijvoorbeeld: paté, koekjes, mayonaise - BHA E 320, BHT E 321
Emulgatoren - Verdelen vet in kleine bolletjes, zodat het gemengd kan worden met water.
- Te vinden in bijvoorbeeld: ijs, sauzen, margarine. - Lecithine E 322, carrageen E 407
Verdikkingsmiddelen - Maken vloeistoffen dikker.
- Te vinden in jam en andere vruchtenproducten. - Pectine E 440, Arabisch gom E414
Kleurstoffen - Zorgen ervoor dat een product er aantrekkelijk uitziet.
- Te vinden in producten die van zichzelf weinig kleur hebben. - Karamel E 150, tartrazine E 102
Geur en smaakstoffen - Geven een product een bepaalde geur of smaak.
- Te vinden in bijvoorbeeld: frisdrank, snoepjes, ijs. - Vanille, anethol
Additieven kunnen natuurlijk of synthetische stoffen zijn. Om ze te kunnen herkennen, hebben ze allemaal een nummer gekregen. Wanneer de Europese Unie een stof heeft toegelaten, heeft dit een nummer gekregen met een E ervoor, bijvoorbeeld E 220. Zo weet je precies welke hulpstof er is toegevoegd. Sommige stoffen zijn voor bepaalde mensen schadelijk. Wanneer op het etiket alle hulpstoffen zijn vermeld, kan iemand nagaan of hij dit product wel of niet kan gebruiken.
Verpakkingen
De meeste voedingsmiddelen die je koopt, zijn verpakt. As er een verpakking om een product heen zit, kun je niet goed zien wat de kwaliteit van het product is. Daarom moet er op de verpakking worden vermeld wat er inzit. De verplichte aanduidingen zijn:
* De naam van het product
Zo weet je wat je koopt: bijvoorbeeld confituur of huishoudjam, margarine of boter.
*De naam van de fabrikant
Zo weet je bij wie je moet zijn als je vragen of klachten hebt.
*De ingrediënten
Zo weet je welke voedingsmiddelen er in het product zitten.
* De gebruiksaanwijzing
Zo weet je hoe je het product moet gebruiken. Bijvoorbeeld opwarmen in de magnetron of in de oven. Of hoeveel gram je van het product moet gebruiken voor een bepaald gerecht.
* De datum van verpakken of de houdbaarheid
Zo weet je tot wanneer je het product veilig kunt gebruiken. Je ziet meestal de volgende aanduidingen staan.
- Te gebruiken tot…’, voor voedingsmiddelen die snel bederven. Na deze datum kun je het product niet veilig meer gebruiken.
- Ten minste houdbaar tot...’, voor voedingsmiddelen die niet snel bederven. Na deze datum kun je het product nog wel gebruiken, maar de kwaliteit gaat achteruit.
Bij eieren wordt meestal de verpakkingsdatum vermeld.
• De bewaarvoorschriften
Zo weet je dat het product goed blijft als je het op de juiste manier bewaart: bijvoorbeeld koel bewaren = in de koelkast, koek en droog bewaren = in de kelder, op de kamertemperatuur bewaren = in de keukenkast. Op diepvriesproducten staan sterretjes die aangeven hoe lang het product in de diepvries kan worden bewaard.
• De E aanduiding
Zo weet je welke hulpstoffen er in het product zitten.
• Het e gewicht
Hiermee wordt de gemiddelde inhoud aangegeven. Het kan dus iets meer of iets minder zijn. Soms wordt het vulgewicht aangegeven (er zit 450 gram in), soms het uitlekgewicht – het gewicht dat je overhoudt als het vocht er af is – (er blijft 380 gram over), soms de aantallen (12 stuks).
• De barcode
Dit is de streepjescode. De barcode:
- Zorgt voor snelheid en nauwkeurigheid bij de kassa.
- Geeft een duidelijk kassabon.
- Geeft een snelle voorraadcontrole voor de winkelier.
- Geeft prijsinformatie aan de klant door de scanner in de winkel.
De fabrikant mag nog meer op het etiket zetten, bijvoorbeeld de voedingswaarde van een product. Dit is echter niet verplicht.
8.2 De samenstelling van de maaltijd
Als je zelf maaltijden gaat samenstellen, houd je rekening met een aantal punten. Je wilt immers iets goeds en tegelijkertijd iets lekkers voorzetten? De volgende pulten kunnen je daarbij helpen:
• De voedingswaarde
De voedingswijzer geeft informatie over de producten die je gaan gebruiken. Als je de regels van de voedingswijzer opvolgt, kun je ervan uitgaan dat je een gezonde maaltijd hebt samengesteld.
• De juiste combinaties
- Smaak: Iedere maaltijd moet gerechten van verschillende smaken bevatten.
Bijvoorbeeld een hartige hoofdmaaltijd met een zoet nagerecht. Of een
augurk (zoetzuur) bij een rijstmaaltijd (zout).
- Verzadigingswaarde: Dit is het gevoel in je maag na het eten. Geef dus
niet alleen maar zware of lichte kost, maar
combineer zwaardere met lichtere gerechten.
- Consistentie: Dit is de dikte van het gerecht. Zorg voor afwisseling van vloeibaar en vast voedsel.
- Kleur: Sommige kleuren combineren mooi. Ze maken de maaltijd aantrekkelijker. Je ziet dit vaak aan de garnering: bijv. Een groen toefje peterselie in de tomatensoep of op rood vlees.
• Afwisseling
- De keuze van de grondstoffen: Wissel de voedingsmiddelen af. De ene
dag maak je een rijstmaaltijd klaar, de ander dag spaghetti, een volgende dag rauwkost bij gebakken aardappelen.
- De combinaties van de gerechten: Sommige gerechten worden al generaties lang op dezelfde manier gecombineerd. Bijvoorbeeld boerenkool met worst, rode kool met appeltjes, doperwten met worteltjes, frites met appelmoes. Je kunt dit patroon ook doorbreken met wat meer fantasie krijg je meer variatie.
- De bereidingswijze: Dezelfde producten kun je op een verschillende manier klaarmaken. Aardappelen kun je bijvoorbeeld koken, maar ook je kunt zo ook bakken, frituren of er puree van maken. Witlof kun je koken, je kunt er een ovengerecht van maken en je kunt het als rauwkost eten.
• Het seizoen
Bepaalde producten horen bij een bepaald seizoen (jaargetijde). Ze groeien het beste in dat jaargetijde. In het voorjaar oogsten we bijvoorbeeld de aardbeien en de rabarber, in het najaar de peren en de spruitjes. Ze bevatten dan de meeste voedingswaarde. Veel producten kun je echter het hele jaar door krijgen. Ze zijn dan ingevoerd of ze zijn in kassen gekweekt. Ze bevatten soms minder voedingswaarde en zijn duurder.
• De manier van opdienen
Je kunt de pannen zo op tafel zetten, maar je kunt de maaltijd ook op een aardige manier opdienen. Je serveert de gerechten in schalen of op schotels. Dat staat gezelliger en geeft meer waarde aan de maaltijd. De gerechten garneren is niet altijd nodig, maar geeft wel een feestelijk tintje aan de maaltijd.
8.3 Voordat je gaat koken
Werkplan
Voordat je begint met koken moet je een werkplan maken. Met het werkplan heb je een werkvolgorde en een tijdsplanning. Deze heb je nodig om planmatig te kunnen werken. Ga als volgt te werk:
1. Neem de opdracht door en bespreek deze eventueel met anderen.
2. Zoek de recepten op.
3. Maak een lijst van de ingrediënten en materialen die je nodig hebt.
4. Maak een werkvolgorde en zet deze op papier:
- Je begint met de gerechten die koud moeten worden, moeten opstijven of die een lange bereidingstijd nodig hebben.
- Je eindigt met de groenten, omdat deze meestal een korte bereidingstijd hebben.
5. Maak een tijdsplanning.
6. Verzamel de benodigde materialen.
7. Zet alles klaar.
HACCP
Als je werkplan klaar is, kun je nog niet zomaar beginnen met het bereiden van de maaltijd. In alle werkruimten waar met voedsel wordt gewerkt is de kans op voedselbesmetting aanwezig. Er zijn daarom door de overheid richtlijken gemaakt voor de hygiëne in deze werkruimten. Dit is het HACCP systeem. Deze letters staan voor Hazard Analyses (of) Critical Control Points. Dit betekent letterlijk: het risico analyseren door bepaalde punten kritisch te controleren. Het is een hygiënecode. Je moet stapsgewijs controleren, of alles wat je doet wel voldoet aan de geselde hygiëne eisen. Het risico dat er iets misgaat bij de voedselbereiding, maak je dan zo klein mogelijk. Er worden eisen gesteld aan:
- De inkoop van de producten.
- De producten zelf.
- De opslag van de Producten.
- Het transport.
- De distributie (verspreiding).
- De inrichting van de keuken.
- De bewerking van de producten.
- Het gedrag van de mensen die in de keuken werken.
De eisen die aan deze punten worden gesteld staan in de richtlijnen vermeld. Je controleert alles in samenwerking met andere mensen.
Onder HACCP valt ook de persoonlijke verzorging. Hier moet je zelf voor zorgen. Dus:
- Doe een schort voor.
- Doe lange haren in een staart.
- Stroop je mouwen op.
- Controleer of je nagels kort genoeg zijn.
- Was je handen en droog ze met een schone doek af.
- (Zorg ook voor gemakkelijk zittende schoenen).
Dan heb je aan alles gedacht en kun je gaan koken.
8.4 En nu aan het werk
Materialen en hulpmiddelen
Voor het bereiden van een maaltijd heb je materialen en hulpmiddelen nodig. De hulpmiddelen maken het werk gemakkelijker. In de keuken zijn over het algemeen de volgende hulpmiddelen aanwezig:
- Messen: Twee of drie goede, koksmessen zijn beter dan een set goedkope, slechte messen. Een goed mes heeft een rondlopend snijvlak.
- Een kooktoestel: Er zijn verschillende mogelijkheden:
Kooktoestel Warmtebron Eigenschappen
Gaskomfoor Gas, dus vuur - Warmt snel op.
- Kooktoestel is lastig schoon te houden.
- Risico op vlamvatten/brand.
Elektrische kookplaten Elektriciteit - Warmt langzaam op.
- De elektrische kookplaat kun je eerder uitzetten en de warmte nog gebruiken.
- Je kunt je branden aan de nog hete kookplaat.
Keramische platen met:
A. Verwarmingselement
B. Infrarood licht



C. Inductiewarmte
A. Elektriciteit

B. Halogeen


C. Magnetisme
- Warmt sneller op.
- Kookplaten zijn gemakkelijk schoon te houden.
- Warmt snel op.
- Er zijn speciale pannen voor nodig.
- Gemakkelijk schoon te houden.
- Warmt snel op.
- Geen risico op brand (wonden)
- Verwarmt alleen de plaats waar de pan staat.
- Laag energieverbruik.
- Gemakkelijk schoon te houden.
- Duur in aanschaf.
- Kan storing op radio en tv veroorzaken.
- Er zijn speciale pannen voor nodig.
- Een Oven: een gasoven, elektrische oven met grill, of een hetelucht oven: om in te bakken.
- Een friteuse: om gerechten te frituren.
- Een magnetron: om gerechten te ontdooien, te verwarmen of gaat te laten worden. Er zijn twee soorten: de gewone magnetron en de combi- magnetron (deze kun je ook als oven en grill gebruiken).
- Een mixer: om voedingsmiddelen te mengen of stijf te kloppen.
- Een keukenmachine: om deeg te kneden, groenten te snijden, of gerechten te pureren.
- Een hogedrukpan: voor het snel gaan maken van gerechten.
- Een koelkast: om groenten, vlees en zuivelproducten koel te bewaren en zo langer goed te houden.
- Een diepvriezer: om diepvriesproducten te kunnen bewaren of om bereide maaltijden in te vriezen voor later gebruik.

Het klaarmaken
Het klaarmaken van de maaltijd kun je in drie fasen verdelen:
A. De voorbereiding
B. Het bereiden van de gerechten.
C. Het garneren van de gerechten.
De voorbereiding
Veel producten moet je voorbewerken, Groenten bijvoorbeeld mot je schoonmaken, schillen, wassen en eventueel snijden:
Schoonmaken
Van veel groenten verwijder je de stronk (bijvoorbeeld bloemkool) of de buitenste bladeren (bijvoorbeeld spruitjes, rode kool, andijvie). Sommige groenten moet je schrappen (worteltjes). Van sperziebonen en snijbonen haal je de puntjes af. Wat je overhoudt, moet je allemaal kunnen gebruiken.
Schillen
Bepaalde vruchten en sommige groenten zoals aardappelen, komkommer en courgette kun je schillen. Je haalt met een scherp mets de buitenste gekleurde laag (schil) van het product af.
Wassen
De schoongemaakte groenten kun je voor of na het snijden wassen. Je spoelt de groenten af met ruim water en laat deze uitlekken. Andijvie, sla en spinazie (bladgroenten) was je in een bak met veel water, zodat het zand eruit kan zakken.
Snijden
Er bestaan verschillende snijdtechnieken. Je gebruikt daardoor een goed mes, bijvoorbeeld een koksmes. Hiermee zijn verschillende manieren van snijden mogelijk.
A. Groenten en fruit in plakjes snijden. Snijd van de schoongemaakte knollen en vruchten eerst alle zij, onder en bovenkant af. Houd het product met gekromde vingers vast. Snijd met het mes schuin van de vingers af. Zo kun je niet in je vingers snijden.
B. ‘en Julienne’ snijden (reepjes). Snijd het product eerst in dunnen plakken. Leg de plakken weer op elkaar en snijd nu de plakken in dunne reepjes.
C. ‘en Chinoise’ snijden (wybertjes). Snijd het product in brede repen. Snijd deze repen schuin overdwars door, zodat er ruiten ontstaan.
D. ‘Brunoise’ snijden (blokjes). Snijd het product eerst in reepjes (en Julienne), snijd daarna de reepjes per bosjes in kleine blokjes.
E. ‘Mirepoix’ maken (fijnhakken). Snijd het product eerst zo fijn mogelijk. Steun dan met e ene hand op de bovenzijde van eht lemmet en maak met de andere had op en neergaande bewegingen. De punt van het mes komt niet los van de ondergrond. Ga door totdat alles fijngehakt is.
Het bereiden
Als de groenten gesneden zijn en het vlees gekruid is, kun je gaan koken. Er bestaan verschillende bereidingstechnieken. We zullen een aantal bereidingstechnieken doornemen. In de werkkaarten vind je recepten om deze technieken toe te passen.
• ‘au bain marie’
Dit is het verwarmen van het producten in een schaaltjes, dat in kokend water is geplaatst. Aanbranden is nu uitgesloten.
• Bakken
- Bakken in een koekenpan is het verhitten van een gerecht met een kleine hoeveelheid vet. De aktemperatuur ligt tussen de 120 en 200 C. De gerechten worden knapperig, bruin en geheel of gedeeltelijk gaar (biefstuk).
- Bakken in frituurvet is het verhitten van een product door dit onder te dompelen in hete olie of vet. De temperatuur ligt tussen de 150 en 200 c. De gerechten worden gelijkmatig bruin en knapperig en hebben een korte bereidingstijd nodig.
- Bakken in de oven is het verhitten van het product met behulp van hete lucht in een afgesloten ruimte. De temperatuur varieert van 120 tot 260 c.
• Binden
Binden is het dikker maken van een vloeistof. Dit pas je toe bij vla, pudding, sauzen, ragouts en soepen. Er zijn verschillende bindmiddelen. Bijvoorbeeld:
- Zetmeelhoudende bindmiddelen.
- Eieren.
- Gelatine
Er zijn verschillende manier om te binden, bijvoorbeeld:
A. Binden met roux. Dit pas je bijvoorbeeld to er bij het bereiden van een gebonden soep. De roux wordt gemaakt door een hoeveelheid vet te verwarmen. Daarna voeg je dezelfde hoeveelheid bloem toe. Onder goed roeren laat je dit gaar worden. Dan voeg je beetje bij beetje het vocht toe. Blijf ondertussen goed roeren om de massa glad te houden.
B. Binden met aardappelzetmeel of maïzena. Dit pas je bijvoorbeeld toe bij het bereiden van saus. Met maïzena of aardappelzetmeel en koud water maak je een papje. Breng dat het te binden product aan de kook. Zodra het vocht kookt, voeg je onder goed roeren het papje toe. Laat het geheel even doorkoken.
C. Binden met gelatine. Dit pas je toe in een product dat koud moet blijven. Neem de benodigde blaadjes gelatine en laat deze in koud water weken. Als de blaadjes glibberig geworden zijn, haal je ze uit het water. Je doe t ze dan in een warme vloeistof, bijvoorbeeld citroensap of water. Je roert tot de blaadjes zijn opgelost . de oplossing voeg je, onder goed roeren, toe aan het te binden product. Laat het dan opstijven.
• Braden
Braden is het verhitten van vlees in vet in een bijna gesloten pan. Het vlees (kip of wild) wordt bruin, knapperig, en gaar. Bij het braden moet het deksel een beetje schuin op de pan staan. Het vocht moet weg kunnen, anders gaat het gerecht stoven. De temperatuur is 150 tot 225 c. Alle vetsoorten, behalve olie. Zijn geschikt om te braden.
• Gratineren
Dit is het aanbrengen van een goudbruin korstje op een gerecht. Dit doe je met paneermeel en een klontje boter, of met paneermeel en een laagje geraspte kaas. Je zet het gerecht een paar minuten onder de gril of in de hete oven.
• Grillen
Grillen is het verhitten van een gerecht onder een warmtebron (grill). Hierbij wordt geen extra vet of olie toegevoegd. Het product wordt gaar doordat het langzaam ronddraait onder de hete grill. Het eigen vet smelt voor een deel uit het product en wordt opgevangen in een schaal. Het gerecht wordt bruin, knapperig en gaar. De grill wordt ook wel gebruikt om te gratineren.
• Koken
Koken is water verhitten tot 100 c. In het kokende water doe je nu het product. Gebruik zo weinig mogelijk water om zoveel mogelijk voedingswaarde te bewaren. Kook net zolang door totdat het product gaar is. Niet langer, om verlies van vitaminen te voorkomen.
• Roeren
Gerechten moet je meestal roeren. Door het roeren meng je de ingrediënten. Het gerecht wordt dan gelijkmatig verwarmd. Ook voorkom je zo dat het gerecht aan de bodem van de pan hecht en kan aanbranden.
• Roerbakken
Roerbakken is het roeren van een product in wat olie of boter tot het knapperig wordt. Bepaalde gerechten kun je roerbakken, bijvoorbeeld gesneden groenten. Je gebruikt voor het roerbakken een wok, koekenpan of hapjespan. Omdat het gerecht niet lang verhit wordt, blijven veel voedingsstoffen bewaard.
• Smoren
S’ morgens is het zachtjes verhitten van een gerecht met weinig boter en weinig vocht. Vaak wordt alleen het eigen vocht van het product gebruikt. Smaak en geurstoffen blijven behouden.
• Stomen
Hiermee verhit je het water onder druk tot stoom 120 C. Door de hogere temperatuur is het product eerder gaar.
• Stoven
Stoven is het tegen de kook houden van een gerecht, waaraan zowel vet als vocht is toegevoegd. De gerechten worden zacht zonder stuk te gaan. Ze behouden veel van hun geur en smaak.
Het garneren van de gerechten
Garneren is het opmaken en versieren van een gerecht. Je houdt rekening met de kleurencombinaties en de verdeling van de versieringen. Overdaad schaadt, gebruik dus niet te veel versiering. Er zijn veel verschillende hulpmiddelen in de handel om mooie vormen uit te snijden. Je hebt ze niet allemaal nodig om een goed garnering te maken. Je gevoel voor smaak en je fantasie zijn het belangrijkst. Je kunt gerecht garneren met:
- Verse groenten, zoals radijs, tomaat, komkommer en peterselie. Je snijdt bijvoorbeeld met een canneleermesje mooie geribbelde plakjes van het product. Daarmee kun je de gerechten garneren. Een toefjes peterselie makt het geheel af.
- Fruit, zoals bessen, schijfjes appel, partjes sinaasappel, druiven, enzovoort. Je kun er salades, ijs, vla en pudding mee garneren. Door de kleuren en vormen geven ze een mooie versiering.
- Zuivelproducten, zoals slagroom en puddingsauzen. Hiermee kun je puddingen garneren. De pudding kan in een badje van saus liggen, omringd met torentjes slagroom.
- Hardgekookte eieren die je in plakjes snijdt. Hiermee kun je bijvoorbeeld salades garneren. Door er wat paprikapoeder overheen te strooien, krijg je een mooi kleureffect.
- Een schaaltjes of glas waarvan je de rand met wat eiwit of water vochtig maakt. Dit kun je voorzien van een suikerrandje door er wat suiker op te strooien of het schaaltjes omgekeerd op een laagje suiker te drukken.
Let op de werkvolgorde terwijl je aan het koken bent. Maar eert alle handelingen af, voordat je aan een nieuwe begint. Let op de volgende zaken.
- Ruim je werkblad steeds o peen spoel eventuele afwas.
- Verwijder het afval
- Ruim de gebruikte hulpmaterialen op .
- Zet de te koelen gerechten weg.

8.5 Het serveren, opdienen en afruimen
Tafeldekken
Als alle gerechten klaar zijn, kunnen ze worden opgediend. Daarvoor is een gedekte tafel nodig. Je kunt de tafel op verschillende manieren dekken. Dit is afhankelijk van de soort maaltijd.
Het dekken van de tafel voor de uitgebreide broodmaaltijd
- Over het algemeen gebruiken we eerst een molton onderkleed.
- Daaroverheen komt het tafellaken.
- Zet de benodigde borden (klein) op tafel: zet ze midden voor de stoelen, ongeveer een centimeter van tafelrand.
- Leg recht van het bord een klein mes met de snijkant naar het bord gericht.
- Links van het bord leg je een volk
- Recht van het mes leg je een grote lepel.
- Een theeglas, koffiekopje of melkbeker zet je bij de punt van het mes.
- Op het kleine bord zet je de soepkop met schotel neer.
- Bij de punt van de vork plaats je een eierdopje.
- Een gevouwen servet leg je recht van het bord of op het bord als er geen soep wordt geserveerd.
- Verder zet je midden op tafel: een botervloot, vleesschaaltjes, een broodmandje, een kaasschaaf, een jamlepel, vleesvorkjes en een botermesje.
Het dekken van de tafel voor de dagelijkse warme maaltijd
- Leg een molton onderkleed op tafel.
- Leg daaroverheen het tafellaken. (De tafelkleden kunnen ook vervangen worden door placemats)
- Zet voor ieder stoel een groot bord, ongeveer een centimeter van de tafelrand.
- Leg een groot mes rechts van het bord met het snijvlak naar het bord gericht.
- Leg een grote vork links van het bord.
- Leg een grote lepel rechts van het mes.
- Leg een kleine (dessert) lepel dwars boven het bord.
- Zet het drinkglas bij de punt van het mes.
- Leg het servet recht van het bord.
- Zet midden op de tafel eventuele onderzetters voor de hete schalen.
- Leg ook opscheplepels (zoals groentelepels, een aardappellepel, een juslepel, een vleesvork of een slacouvert) op tafel.
Het dekken van de tafel voor de feestmaaltijd
- Leg een molton onderkleed op tafel.
- Leg daarop een feestelijk tafelkleed.
- Zet voor iedere stoel een groot bord, ongeveer een centimeter van de tafelrand.
- Zet op het grote bord een klein bord.
- Zet op het kleine bord een diep bord.
- Leg recht naast het bord een groot mes, met de snijkant naar het bord gericht.
- Leg daar en klein mes naast.
- Leg links van het bord een grote vork.
- Leg er een kleine vork naast.
- Leg de grote lepel recht naast de messen.
- Leg de kleine lepel dwars boven het bord.
- Zet een wijnglas bij de mespunten.
- Zet er een waterglas naast.
- Leg op ieder diep bord een gevouwen servet.
- Plaats midden op tafel: onderzetters voor hete schalen, de opscheplepels, kandelaars met kaarsen en misschien wat bloemen. Menukaartjes bij het bord maken de maaltijd nog feestelijker.
Het afruimen en afwassen
Na de maaltijd wordt de tafel afgeruimd. Bij een feestelijke maaltijd wordt na iedere gang het gebruikte serviesgoed en bestek weggehaald. Ze de borden op elkaar, daarbovenop het bestek en breng alles naar de keuken. Verzamel de schalen en glazen en breng deze ook weg. In de keuken ontdoe je de borden een schalen van etensresten. Wanneer er een afwasmachine aanwezig is, kun je alles in de machine plaatsen. Doe dit op de voorgeschreven manier, zodat het water overal goed bij kan komen. Voor de vaatwasser gebruik je een speciaal vaatwasmiddel. Wanneer je zelf moet afwassen, spoel je het serviesgoed eerst voor. Maak daarna een sopje van warm water met afwasmiddel. Begin met het afwassen van de glazen: doe daarna de kopjes, schotels, borden en schalen: doe dat het bestek: en als laatste was je de pannen af. Spoel met warm water het overtollige sop af. Laat alles in een uitlekken. Met een schone theedoek kun je nu de afwas gaan afdrogen. Begin weer met de glazen. Ruim alles meteen in de kast. Maak dan het aanrecht en de gootsteen goed schoon, reinig het kooktoestel en dweil eventueel de vloer aan. Nu is je keuken weer klaar voor gebruik.
Het afval
Tijdens het hele kookproces is er afval ontstaan. Dit afval moet op de juiste manier worden verwerkt. Daarom scheid je het afval in:
- Composteerbaar afval
- Glas
- Blik
- Papier en karton.
- Restafval.
Het composteerbare afval, zoals schillen, groenteafval, etensresten en koffiedrab, doe je in de goed afsluitbare biobak. Glas breng je naar de glasbak. Papier en karton doe je in de papierbak of houd je apart voor inzamelaars. Blik breng je naar de speciale blikjesbak. Als het ander afval doe je bij het restafval in de vuilniszak.
Schoonmaken
8.6 Schoonmaken is noodzakelijk
Wanneer noem je iets vuil?
Daar is niet zo snel een antwoord op te geven. Vuil en schoon zijn betrekkelijke begrippen. Wat de een schoon of opgeruimd vindt, vindt de ander vul,. Jij vindt het misschien wel gezellig als er overal spullen op de grond liggen, terwijl je moeder zich eraan stoort. Iedereen heeft namelijk een eigen idee over rommel en vuil. Hoe schoon een ruimte moet zijn hangt van het gebruik af. De werkplaats van een timmerman vinden we schoon als deze is aangeveegd. Het is niet erg als er hier een daar nog een houtkrul op de vloer ligt. De ruimte is ruwschoon. Het huis waarin je woont moet schoner zijn. Er mag misschien ergens een stofje liggen, als het maar niet te veel worden. Huishoudelijk schoon noemen we dit. Aan een operatiekamer worden strenger eisen gesteld. Deze moet smetschoon zijn. Dat betekent dat de ruimte vrij moet zijn van micro organismen. Je ziet dus dat voor het schoonmaken telkens ander eisen gelden.
Waarom maken we schoon?
Het liefst besteed je zo min mogelijk tijd aan schoonmaken. Toch is het nodig om dit regelmatig te doen. Dat heeft meerdere redenen:
• Schoonmaken bevordert de hygiëne
Overal verzamelt zich stof en vuil. Stof en vuil zijn een bron voor micro organismen. Bacteriën en ziektekiemen krijgen de kans zich er te vermenigvuldigen. Dit kan slecht zijn voor je gezondheid. Er zijn mensen die last hebben van ademhalingsstoornissen of van allergieën. Zij hebben vooral last van stof. Daarom moet je dit van tijd tot tijd weghalen.
• Schoonmaken verlengt de levensduur van je interieur
Door het vuil regelmatig weg te halen, gaan meubels, vloerbedekking en apparaten langer mee. Stof tast de materialen aan. De spullen gaan er lelijk uitzien of ze gaan sneller kapot. Denk maar aan je stereo installatie: als er kleine stofdeeltjes in terechtkomen, doet deze het op een gegeven moment niet meer.
• Een schone ruimte is prettiger
Een schone ruimte vergroot je woon en werkplezier. In een opgeruimd huis kun je alles sneller terugvinden. Ook is het prettiger om naar een schoon toilet te gaan. Je voelt je gewoon beter in de en schone omgeving.
Hoe vaak maak je schoon?
Een moeilijk woord voor “hoe vaak maak je schoon’ is schoonmaakfrequentie. Wanneer en hoe vaak je moet schoonmaken is voor iedereen en voor ieder ruimte anders. Je let dan op de volgende punten:
1. Hoe vuil is de ruimte?
Een erg vuile ruimte moet eerder worden schoongemaakt.
A. Een ruimte die je veel gebruikt, wordt sneller vuil en moet je dus eerder schoonmaken.
B. Hoe meer mensen de ruimte gebruiken, hoe sneller deze vuil wordt.
C. Het hangt er ook van af of de mensen zich er netjes gedragen. Dit noemen we de gebruikersdiscipline.
D. Aanwezige huisdieren maken ook rommel. Ze verharen, verliezen veertjes of hebben vuile poten.
2. Vind je zelf dat de ruimte vuil is?
Je eigen storingsgrens bepaalt of je een ruimte wel of niet vuil vindt.
Wanneer je in een instelling werkt, zijna alle schoonmaaktaken en de frequenties ervan al vastgelegd. Je hoef dan niet zelf uit te zoeken of je een ruimte wel of niet moet schoonmaken. Dat hebben ander mensen al voor je gedaan.
Je hoeft niet alle soorten schoonmaakwerk even vaak te oen. We kunnen de schoonmaakbeurten in drie groepen verdelen:
De dagelijkse schoonmaakbeurt Dit zijn de werkzaamheden die je vrijwel iedere dag doet. Bijv. het schoonmaken van de keuken en het toilet. Dat is nodig voor de hygiëne. Bij de dagelijkse schoonbeurt ruimen we ook de rommel in het huis op.
De wekelijkse schoonmaakbeurt Dit zijn de werkzaamheden die je vrijwel ieder dag doet. Bijv. het dweilen van de vloer, het verwijderen van stof uit de slaapkamers en het schoonmaken van de badkamer. Bij de wekelijkse schoonmaakbeurt worden vuil en vlekken weggehaald die bij de dagelijkse beurt zijn blijven zitten.
De periodieke schoonmaakbeurt Dit zijn de werkzaamheden die je elke maand of een keer per twee maanden uitvoert. Bijvoorbeeld het schoonmaken van een kast of het zemen van de ramen. Er zijn ook schoonmaaktaken die je maar een of twee keer per jaar hoeft te doen, bij. het schoonmaken van de lamellen van de zonverwering. De periodieke schoonmaakbeurt is bedoeld voor extra klussen.
Soorten vuil
Met vuil bedoelen we alle stoffen die er niet horen of war we ons aan storen. Je kunt deze stoffen op
Verschillende manier indelen. Bijvoorbeeld:
A. De zichtbaarheid
- Zichtbaar vuil: het zichtbare vuil stoort het meest want daar kijk je tegen aan.
- Onzichtbaar vuil: het onzichtbare vuil zie je niet, maar kan wel hinderlijk zijn. Plakkerige vlekken op de tafel bijvoorbeeld voelen vies aan.


B. De mate van hechting
Hoe sterk het vuil aan het oppervlak vastzit:
Vuilsoort Omschrijving Voorbeelden
Losliggend vuil
Licht gehecht of aangekleefd vuil.
Sterk gehecht of ingedrongen vuil

Onzichtbaar vuil Het vuil ligt os op het oppervlak
Dit zijn vaak ‘verse’ vlekken

Dit zijn vaak oude vlekken of aanslag

Micro-organismen Stof, zand, een propje papier
Limonadevlekken, melk

Koffievlekken, vetvlekken, viltstiftvlekken, wijnvlekken, kalkaanslag, kauwgom
Bacteriën, virussen en schimmels
C. Het soort vuil
We maken onderscheid in organisch vuil en anorganisch vuil. Organisch vuil is plantaardig of dierlijk: zoals bloed, olie, vet en huidschilfers. Anorganisch vuil is afkomstig van dood of levenloos materiaal: zoals kalkaanslag en roest.
De juiste volgorde van schoonmaken
Het goed schoonmaken van een huis is een heel karwei. Het is daarom handig je aan een bepaalde volgorde te houden. Zo kun je beter plannen. Dat heeft een aantal vooroordelen:
- Je vergeet iets.
- Je doet niets dubbel.
- Je bespaart tijd.
- Je werkt hygiënisch.
- Je werkt ergonomisch.
De juiste schoonmaakvolgorde bestaat uit de volgende stappen:
1. Ventileer eerst de ruimte die je schoonmaakt. Gebruikte lucht kan naar buiten en frisse lucht kan naar binnen.
2. Ruim dan alles op. Er staat nu niets meer in de weg en je kunt niet over dingen struikelen.
3. Maak daarna datgene schoon wat stof kan veroorzaken. Denk maar aan het verschonen van je bed of de vogelkooi.
4. Verwijder dan alle stof. Werk altijd van boven naar beneden.
5. Verricht daarna het extra werk. Poetst het koper of zilver, zeem de ramen en verzorg de planten.
6. Doe als laatste de vloeren. Stofzuig de kamers en dweil de badkamer en keuken.
7. Ruim alle spullen die je gebruikt hebt netjes op. Natte doeken moeten gedroogd worden, vuile emmers moeten schoongemaakt worden. Dan kan alles op de vertrouwde plek worden teruggezet.
Voor het schoonmaakgemaakt zijn regels bedacht.
Deze regels noemen we ook wel de gouden schoonmaakregels:
1. Werk van schoon naar vuil Maak dus eerst de stortbak van het toilet schoon, voor je
de binnenkant van de pot reinigt.
2. Werk van boven naar beneden Stof eerst de kast af voordat je de vloer gaan stofwissen.
Het stof van de kast valt namelijk voor een deel op de
vloer.
3. Begin altijd op een vast punt Bij het dweilen van de vloer is het handig om zo ver
mogelijk van de deur vandaan te beginnen en naar de
deur toe te werken.
4. Werk van de zijkant naar het midden Bijvoorbeeld als je de ramen zeemt. Maak eerst de
bovenkant en zijkanten schoon en werk dan de
binnenkant van het raam af.
5. Combineer gelijke werkzaamheden als je toch bezig bent met het stofzuigen van de
slaapkamers, doe dan meteen ook de ander kamers en
de hal. Voer ook geen natte en droge werkzaamheden
door elkaar uit.

Bij het schoonmaakwerk kun je droog schoonmaken, klamvochtig schoonmaken en nat schoonmaken. Voor elke schoonmaakklus heb je ander materialen nodig. Dit betekent dan je je werkt telkens op een ander manier moet doen. Je past ander technieken toe.
8.7 Droog schoonmaken
Bij droog schoonmaken hoort:
- Stofzuigen.
- Vegen.
- Stof afnemen.
Stofzuigen
Stofzuigen doe je met een stofzuiger. De meeste mensen gebruiken een slangstofzuiger. Er zijn twee modellen van slangstofzuigers te koop:
De ketelstofzuiger Deze is bedoeld voor grote oppervlakken. Er gaat veel stof in.
De sledestofzuiger Deze stofzuiger kin je ook rechtop zetten, zodat je de trap gemakkelijker kunt
stofzuigen. Hij neemt daarom ook niet veel bergruimte in.
Bij de stofzuiger horen hulpstukken. Dit noemen we mondstukken. Met deze mondstukken kun je kiezen of moeilijke plaatsen bereiken. Je moet regelmatig de stofzak van de stofzuiger verwisselen. Bij sommige apparaten gaat er een lampje branden als de stofzak vol zit. Een stofzak is vol als hij voor driekwart gevuld is. Een stofzuiger met een te volle stofzak zuigt niet goed. Neem een stofzak die bij de stofzuiger past. Er zijn namelijk erg veel soorten stofzakken te koop. Klop ook af en toe voorzichtig de filters schoon, want met een vuile filter werkt de stofzuiger niet goed. Stofzuigen kan een belasting zijn voor je rug. Zorg er dus voor dat je de juiste lichaamshouding aanneemt.
Vegen
Vegen doe je met een bezem. Er zijn verschillende soorten bezems te koop. Als je de bezem buiten gaan gebruiken , neem je een model met stevige haren. De straat is namelijk ruw. Een bezem voor binnen moet juist zacht zijn. De vloeren binnen zijn meestal glad. Het vuil dat met de bezem bij elkaar is geveegd, veeg je met een stoffer op een blik. Gebruik voor buiten weer een stoffer met stevige haren en voor binnen een stoffer met zachte haren. Let ook bij het vegen op de juiste lichaamshouding.
Het ragebol is een speciale bezem om spinrag en stof van plafonds weg te halen. Neem voor binnenwerk altijd een ragebol met zachte haren. Voor buitenwerk, zoals bij ramen, gebruik je weer een stugge ragebol. Voor alle bezems en vegers geldt dat je ze hangend of op de kop van de steel staand moet opbergen. Zo beschadig je de haren niet.
Stof afnemen
Stof afnemen doe je met een speciale geruwde katoenen stofdoek. Deze doek verwijdert stof goed. Stof blijft namelijk hangen aan de pluisjes van de stofdoek. Werk van boven naar beneden omdat er stof naar beneden kan dwarrelen. Af en toe sla je de doel goed uit. De meeste stofdoeken kinnen in de wasmachine gewassen worden. Voor plaatsen waar je moeilijk bij kunt komen, gebruik je een plumeau. Een plumeau is een soort pluim van veren of kunstveren aan een steel. De zachte veren zorgen ervoor dat de kleine stofdeeltjes weggehaald worden. De veren zijn zacht, zodat er nies beschadigd wordt. Dit is handig als je bijvoorbeeld schilderijlijsten moet afstoffen. Met een plumeau verplaats je het stof eigenlijk alleen maar. Dit moet je daarna dus nog met iets anders weghalen. Werk weer van boven naar beneden en klop ook de plumeau regelmatig uit.
8.8 Klamvochtig schoonmaken
Bij klamvochig schoonmaken maak je gebruik van een kleine hoeveelheid vocht. Dit kan water zijn, zoals bij het afnemen van deuren en meubels, of bij het stoomreinigen van de vloerbedekking. Dit kan ook olie zijn, zoals bij het stofwissen van gladde vloeren.
Stofwissen
Stofwissen doe je met een stofwisapparaat, ook wel een stofwisser genoemd. Een stofwisser kan alleen gebuikt worden voor een gladde vloer, zoals linoleum of laminaat. Met een speciale stofwisser en geoliede doekjes maak je de vloer eenvoudig stofvrij. De doekjes van de stofwisser moeten in een afgesloten verpakking bewaard worden, om verdamping van de olie te voorkomen. De stofwisser berg je hangend of ondersteboven op. Dit voorkomt beschadiging van de wisser.
Klamvochtig afnemen
Stof kun je ook afnemen met een klamvochtige doek. Dit is een natte werkdoek die je goed uitwringt. Als je met de doek over een tafel gaat, neem je alle stof weg. Wat overblijft zijn wat vochtstrepen, maar deze verdampen snel. Maak je werkdoek nat en wring hem goed uit. Vouw de werkdoek in vieren en neem telkens een schoon deel. Zo kun je de doek meerdere keren gebruiken. Dit scheelt tijd en belast je polsen minder. In een beweging haal je alle stof weg. Werk ook hier weer van boven naar beneden. Spoel en wring de doek telkens goed uit. De werkdoeken kun je na gebruik in de wasmachine wassen.
Stoomreinigen
De stoomreiniger ziet er uit als een stofzuiger. Je kunt er plavuizen vloeren mee schoonmaken, tapijt mee reinigen, ramen mee zemen of sanitair mee schoonmaken. Er horen verschillende hulpstukken bij. je doet water in het reservoir. Dit water wordt verhit tot stoom en komt er onder druk uit. De stoom weekt het vuil los. Je kunt het vul met het meest passende mondstuk verwijderen. Bijvoorbeeld:
- Wegvegen met de borstelharen.
- Opnemen met het doekje dat om het mondstuk is geklemd.
- Wegwrijven met de wisser.
Steeds meer mensen hebben een stoomreiniger in huis. Dat heeft bepaalde voordelen. Je kunt met een apparaat verschillende werkzaamheden uitvoeren. De stoomreiniger werkt op water: je hoeft dus geen milieuonvriendelijke of dure reinigingsmiddelen te kopen. Het schoonmaken meet een stoomreiniger heeft echter ook nadelen. Het apparaat is duur en heeft elektriciteit nodig. Bovendien kost het schoonmaken vaak meer tijd. Ook kun je je afvragen of het schoonmaakresultaat wel zo goed is.
8.9 Nat schoonmaken
Nat schoonmaken is een manier van schoonmaken waarbij je ruim water gebruikt. Soms voeg je nog een schoonmaakmiddel aan het water toe, maar dit hoeft niet altijd. Nat schoonmaken is:
- Dweilen
- Moppen
- Schrobben
- Ramen zemen
- Schoonmaken van sanitair
Dweilen
Je haalt eerst het losse vuil weg met de stofzuiger. Het vastzittende vuil haal je weg met een natte dweil. Het is handig om de dweil om een luiwagen of trekker te doen. Een luiwagen is een werkborstel met een steel eraan. Je hoeft dan niet op je knieën te zitten of telkens te bukken. Bovendien gaat het sneller. Spoel de dweil regelmatig schoon, anders verplaats je het vuil alleen maar.
Moppen
Een andere manier om een gladde vloer te reinigen is moppen. Bij het moppen gebruik je een speciale katoenen mop en een mopemmer. De mop maak je flink nat in een emmer sop, je wringt de mop uit zodat het overtollige water verdwijnt. Dan ga je met de mop over de vloer, je begint aan de zijkanten van de ruimte. Dan doe je de vloer onder de tafels en stoelen en als laatste mop je de overige delen van de vloer. Spoel de mop regelmatig schoon. Let er ook op dat je eindigt bij de plaats waar je de ruimte verlaat. Anders loop je over de schoongemaakte dele heen. Na gebruik laat je de mop hangend drogen.
Schrobben
Harde vloeren kun je schrobben met een speciale harde schrobborstel. Schrobben is har met een borstel over de vloer heen en weer gaan. Voor grotere oppervlakken gebruik je een luitwagen. Door de schrobberwegingen slijt de borstel van de luiwagen snel. Door de steel in het ander gat van de borstel te doen gaat de borstel langer mee.
Ramen zemen
Voor het zemen van ramen zijn speciale middeltjes te koop. Deze zijn niet echt nodig. Wat je wel nodig hebt zijn: een spons, een zeem, een trekker en schoonmaakazijn. In het schema zie je welke soorten sponzen en zemen er zijn. Ze hebben verschillende eigenschappen. Je kiest de spons en de zeem die je prettig vindt in het gebruik.
Soort spons/zeem Kenmerken Bijzonderheden
Natuurspons (uit de zee) - Grauwe, bruingele kleur
- Onregelmatige vorm
- Bevat grote en kleine gaten - Neemt veel water op en houdt het goed vast
- Kan niet tegen agressieve schoonmaakmiddelen.
- Is duur
Viscosespons (fabrieksmatig gemaakt van cellulose uit hout of katoen) - Lichtgele kleur
- Rechthoekige vorm
- Kan niet tegen hoge temperaturen - Sterker dan natuurspons
- De zijkant is soms te gebruiken als zeem.
- Niet duur
Synthetische spons (fabrieksmatig gemaakt van aardolie) - Verschillende kleuren en vormen
- Houdt het water slecht vast - Niet zo sterk
- Kan uitgekookt worden
- Niet duur
Natuurzeem (Lams of schapenhuis) - Grauwe, bruine kleur
- Ongelijkmatige vorm en kleur - Niet wringen
- Niet met een synthetisch wasmiddel gebruiken of schoonmaken, want dan gaat de zeem kapot.
- Geschikt voor ramen en houtwerk
- Duur
Synthetische zeem (fabrieksmatig gemaakt van aardolie - Gele kleur
- Gelijkmatige recht vorm - Geschikt voor ramen en houtwerk
- Kan gaan pluizen
- Niet duur
Het sop voor de ramen maar je van een lauw water met een beetje schoonmaakazijn. Als de ramen vet zijn, neem je lauw water met een beetje ammoniak en een druppel afwasmiddel. Het mengen van ammoniak met afwasmiddel levert in dit geval geen problemen op voor je gezondheid. Sommige mensen doen spiritus in het water. Spiritus kan inbranden als de zon schijnt tijdens het ramen zemen. Er ontstaat dan een blauwe waas op de ramen.
8.10 Schoonmaakmiddelen
Wie wel eens door de supermarkt loopt, zal verbaasd zijn voer de hoeveelheid schoonmaakmiddelen die te koop zijn. Voor elk schoonmaakkarwei is er wel iets. Veel van deze producten zijn slecht voor het milieu of voor je gezondheid. Bovendien zijn ze vaak duur. Daarom is het verstandig eerst te kijken wat je echt nodig hebt. Aan veel schoonmaakmiddelen wordt een citroen of andere geur toegevoegd. Ze ruiken fris. Daardoor krijg je eerder het idee dat een ruimte schoon is.
Schoonmaakmiddelen kunnen we verdelen in vijf groepen:
1. Reinigingsmiddelen
2. Onderhoudsmiddelen
3. Gecombineerde onderhouds en reinigingsmiddelen
4. Desinfecteermiddelen
5. Vlekoplosmiddelen
Reinigingsmiddelen
Reinigingsmiddelen gebruik je om vuil weg te halen. We kennen natuurlijk en synthetische reinigingsmiddel.
A. Natuurlijke reinigingsmiddelen
Natuurlijke reinigingsmiddelen, zoals zeep, worden van plantaardig of dierlijk vet gemaakt. Ze zijn goed afbreekbaar in het milieu. Je koopt zeep in de vorm van blokjes (hard), in kuipje (zacht), of in een fles (vloeibaar). Zeep reinigt goed als je het oplost in warm water. Soms blijft er bij het schoonmaken een dun vettig laagje achter. Dit geeft een plavuizen vloer een mooie glans. Bovendien is het zacht voor je handen. Een nadeel van zeep is dat het in combinatie met hard water kalkzeep kan vormen. Het vormt dan kleine vlokjes met de kalk uit het water. Hierdoor ontstaan kalkranden in de wasbak of badkuip.

B. Synthetische reinigingsmiddelen
Synthetische reinigingsmiddelen worden uit aardolie en zuren gemaakt. We kennen:
• Het afwasmiddel
Behalve voor de handafwas, kun je een afwasmiddelen goed gebruiken voor het schoonmaken van minder vette materialen. Denk maar aan het schoonmaken van meubels of deuren. Een afwasmiddel is minder agressief dan een allesreiniger, daardoor beschadigt de verf niet.
• De allesreiniger
De allesreiniger kan voor alle materialen worden gebruikt. Allesreinigers worden vaak in verdunde vorm gebuikt. Let daarom op de dosering die op de verpakking staan. Allesreinigers gebruik je voor het schoonmaken van de keuken, badkamer en vloeren met een glad oppervlak. Hardnekkige vlekken kun je verwijderen met onverdunde allesreiniger op een koekje hiermee wrijf je over de vuile vlek.
• De sanitairreiniger
Het schoonmaken van het toilet en de badkamer vraagt speciale aandacht. Het vuil, zoals kalkaanslag, is hardnekkig. Hardnekkig kalkaanslag verwijder je met een zuur middel. Er zin hiervoor speciale middelen t koop. Deze hebben een hoge zuurgraad. Ze kunnen het sanitair beschadigen beter is het om schoonmaakazijn te gebruiken. Voor het overige schoonmaakwerk in de sanitaire ruimte gebruik je een sanitairreiniger of allesreiniger.
• Een schuurmiddel
Schuurmiddelen zin verkrijgbaar in poedervorm en in vloeibare vorm. Ze zijn bedoeld om aanslag op harde oppervlakken te verwijderen. Met een schuurmiddel en een doekje of schuurspons schuur je het vuil weg. Doe dit niet te vaak. Je kunt het oppervlak beschadigen. Gebruik ook nooit de harde kant van het schuursponsje om de wasbak schoon te maken. Als je het glazuur beschadigt, kan het vuil sneller hechten. Gebruik een schuurmiddel met fijne krijtkorrels en spoel alles met veel water na om verstopping in de afvoer te voorkomen.
Onderhoudsmiddelen
Onderhoudsmiddelen zijn bedoeld om materialen te beschermen. Een houten tafel kun je beschermen tegen vlekken, door hem met boenwas te behandelen. Een linoleumvloer bescherm je door een speciale waslaag aan te brengen. Ieder materiaal heeft zijn eigen onderhoudsmiddel.
Gecombineerde onderhouds en reinigingsmiddelen
Soms kun je gelijktijdig een reinigings en onderhoudsmiddelen aanbrengen. Door een gecombineerd middel op de plavuizen te gebruiken, wordt het buil weggehaald en wordt gelijktijdig een beschermlaag aangebracht. Op de gebruiksaanwijzing staat voor welke materialen het middel geschikt is en op welke manier je het moet gebruiken
Desinfecteermiddelen
Desinfecteermiddelen zijn ontsmettingsmiddelen. Ze hebben als doel micro organismen te doden. In het huishouden werk je alleen met desinfecteermiddelen als er sprake is van een besmettelijke ziekte of diarree. Ze doden namelijk niet alleen schadelijke bacteriën, maar ook nuttige bacteriën in het rioolwater. Chloor is zo’n agressief desinfecteermiddel. Bij gebruik met ander reinigingsmiddelen kan ook chloorgas ontstaan. Dit is een schadelijk gas dat ademhalingsmoeilijkheden kan veroorzaken. Ander middelen met een desinfecterende werking zijn: ammonia, alcohol, schoonmaakazijn en soda. Schoonmaakazijn en soda zijn het minst schadelijk voor het milieu.
Vlekoplosmiddel
Soms is vuil zo hardnekkig dat het schoonmaken met gewone reinigingsmiddelen onvoldoende effect heeft. Bijvoorbeeld bij vetaanslag. Dan gebruik je een middel met een sterk vetoplossend vermogen. We kennen alcohol en spiritus en speciale vetoplossers. Behalve voor het verwijderen van vetvlekken kun je dit gebruiken voor glas en roestvast staal. Vlekken van olie en vet kun je ook verwijderen met terpentine of wasbenzine. Resten van deze oplosmiddelen moet je inleveren bij het gemeentelijk depot voor klein chemisch afval.
Er zin voldoende schoonmaakmiddelen verkrijgbaar die niet zo schadelijk voor het milieu en eigen gezondheid zijn. Ze zijn meestal goedkoper. Gebruik zo veel mogelijk de minst schadelijke middelen.

8.11 Het onderhoud
Onderhoud is iets anders dan schoonmaken. Door je spullen goed te onderhouden bescherm je ze tegen schade. Ze gaan langer mee. Bovendien zijn ze dan gemakkelijker schoon te maken. In het schema hieronder die je de verschillen tussen schoonmaak en onderhoud.

Schoonmaak Onderhoud
- Schoonmaken is voor een korte periode, bijvoorbeeld een da, een week of een maan. - Onderhoud is voor een langer periode, bijvoorbeeld een halfjaar.
- Het doel is vuil verwijderen. - Het doel is: Behoud van materiaal het vergemakkelijken van de schoonmaak. Soms het voorkomen van vuil worden.
- De werkzaamheden kosten niet veel tijd. - De werkzaamheden kosten veel tijd.
Voorbeelden van onderhoud:
• Hout
Houten meubels zet je in de was, zodat ze langer mooi blijven. Hout is een natuurproduct dat onder invloed van stof en vocht in kwaliteit achteruit gaat. Hout wordt dan gevoelig voor vlekken en verliest zijn glans. Er kunnen zelfs barstjes ontstaan. Drie a vier keer per jaar moeten houten meubels met was of olie behandeld worden. Je doet een klein beetje van dit middel op een zachte poetsdoek en wrijft het goed uit. Daarna kun je het hout met een schone doek opwrijven tot het gaat glazen. Zo kan het materiaal er weer een hele tijd tegen.
• Leder
Een lederen bank zet je een of twee keer per jaar in de lederwas. Leer is een natuurproduct, dat zonder beschermlaag kan uitdrogen. Een lederen bang houd je schoon door af en toe met een vochtige spons over het leer te wrijven. Gebruik nooit een allesreiniger of ander zeep. Hier kan de beschermlaag niet tegen. Lederwas of een paar druppeltjes wonderolie beschermen het leer waardoor het soepel blijft.
• Edelmetaal
Zilveren en koperen voorwerpen behandel je met een speciaal poetsmiddel. Met een zachte doek poets je het vuil en de vlekken weg. Na afloop wrijf je ht voorwerp met een uitpoetsdoek op tot het mooi glanst.
• Tapijt
Tapijt kun je behandelen met een apparaat. Een machine met water en shampoo zorgt ervoor dat vuil uit het tapijt verwijderd wordt. Hiermee haal je wel de beschermlaag van het tapijt weg, waardoor het tapijt sneller vuil wordt. Stel het reinigen van tapijt daarom zo lang mogelijk uit.
Schoonmaak en onderhoud kunnen eigenlijk niet zonder elkaar. Het is belangrijk om tijdens de schoonmaakbeurten goed te kijken of iets niet aan een onderhoudsbeurt toe is. Op deze manier kun je lang van je interieur genieten.
De was doen
8.12 De voorbereiding van de was
Kleding en ander textiel wordt vuil door gebruik. Ook textiel dat in de kast ligt, kan vuil worden of verkleuren. Daarom moet je dit regelmatig wassen of op een ander manier verzorgen. Voor het onderhoud van kleding en textiel is kennis nodig. Als je iets verkeerd wast, kun je een kledingstuk beschadigen. In deze paragrafen gaan we kijken naar verzorging van textiel.
Wie doet de was?
Per week heeft de gemiddelde Nederlander zo’n vijf kilogram wasgoed per persoon. We kunnen onze was op verschillende manier verzorgen:
1. Je doet de was zelf, met een machine of met de hand.
2. Je doet de was zelf in de wasserette.
3. Je brengt het wasgoed naar een wasserij.
4. Je brengt het wasgoed naar een stomerij.

Welke manier je kiest, hangt vaak van meerdere factoren af. Ieder manier heeft zijn voor en nadelen:
• De wasmachine thuis
De meeste mensen hebben thuis een wasmachine. Als je zelf de was doet, moet je ook zelf zorgen voor het drogen, vouwen en strijken van je wasgoed. Sommige mensen hebben geen wasmachine, omdat ze bijvoorbeeld geen ruimte of geen aansluiting voor een wasmachine hebben . ze moeten hun was dan ergens anders doen, of met de hand wassen.
• De wasserette
In een wasserette staan wasmachines, centrifuges en droogtrommels. Je moet de was zelf doen. Je betaalt voor het gebruik van de apparaten, het water en het wasmiddel. Het nadeel is dat je moet wachten tot het wasprogramma klaar is. Ook moet je de was zelf nog strijken en vouwen.
• De wasserij
Mensen die geen tijd hebben om hun was zelf te doen, kunnen de was laten doen bij een wasserij. Natuurlijk betaal je daarvoor. De mensen die er werken zorgen ervoor da je alles keurig gestreken terugkrijgt.
• De stomerij
Sommige kledingstukken kun je niet zelf wassen. Deze breng je naar een stomerij. Hier wordt kleding chemisch gereinigd.
Voordat je gaat wassen
Algemene voorbereidingen
Als je je kledingstukken en het ander textielgoed goed verzorgt, blijven ze langer mooi, let daarom op de volgende punten:
• Lees het samenstellingsetiket
Hierop staat aangegeven van welke materialen het kledingstuk is gemaakt.
• Lees het behandelingetiket
Hierop staan symbolen die aangeven hoe je het kledingstuk moet behandelen. Meestal staan het samenstellingsetiket en het behandelingsetiket op hetzelfde stukje stof dat in het kledingstuk is vastgezet.


De symbolen geven de maximale behandeling van je textiel aan. Een blouse met een etiket waarop een kuipje water met het getal 40 staan, ma g je tot veertig graden wassen. In kouder water mag natuurlijk ook. Wanneer je je houdt aan de voorschriften van het behandelingsetiket, weet je zeker dat je wasgoed mooi blijft.

• Sorteer de was
Maak van je was de volgende groepjes:
Witte was Alle witte textiel bij elkaar. Ook de lichtgekleurde
(kookechte) textiel kan hierbij.
Bonte was Alle gekleurde textiel bij elkaar. Doe licht bij licht, donker
bij donker.
Fijne was of synthetische was Wasgoed gemaakt van tere dunnen stof.
Wolwas De was met dit teken op het behandelingsetiket mag in de
wasmachine.
Handwas Kwetsbare kledingstukken, zoals wollen truien en zijden
blouses.
Wol mag tot dertig graden gewassen worden. Bij een hogere temperatuur gaat wil vervilten. Wollen kledingstukken kun je het beste met de hand wassen. Soms wassen mensen met de hand, omdat ze te weinig wasgoed hebben om de wasmachine mee te vullen.
• Controleer het wasgoed
- Haal de zakken leeg.
- Maak ritssluitingen dicht
- Keer donkere, bonte spullen, zoals spijkerbroeken en sweatshirts binnenstebuiten.
- Behandel moeilijk te verwijderen vlekken vooraf met een speciaal vlekkenmiddel.
In het begin kost het moeite en tijd om je vuile wasgoed te sorteren. Je zult merken dat je er steeds meer handigheid in krijt. Per gesorteerde stapel kun je nu je wasgoed gaan wassen.
De voorbereiding van de handwas
Welke soorten textiel moet je met de hand wassen?
- Textiel waarvan het behandelingsetiket aangeeft dat je het met de hand moet wassen.
- Textiel waarvan de kleur sterk afgeeft.
- Textiel dat ingeweekt moet worden, omdat het erg vuil is.
Textiel dat met de hand gewassen wordt, slijt minder snel en raakt niet uit model. Ook geeft de kleur van het kledingstuk nu niet af op het ander textiel. Sorteer de kleding. Kies dan een wasmiddel uit dat bij je handwas past. Handwasmiddelen kun je in vier groepen verdelen:
Fijnwasmiddelen Deze zijn voor bijna elke was te gebruiken.
Wolwasmiddelen Deze zijn geschikt voor alle wollen stoffen.
Speciale koudwaterwasmiddelen Voor een tussendoorwasje tijdens de vakantie
bijvoorbeeld. Deze wasmiddelen zijn niet veilig voor tere
kledingstukken. Ze kunnen je kleding beschadigen.
Inweekmiddelen Er vuil wasgoed wordt in een inweekmiddel voorgeweekt.
Tijdens het wassen met de machine gaan de vlekken er gemakkelijker uit.
Vlekken
Vlekken moet je zo snel mogelijk verwijderen. Een ‘verse’ vlek verdwijnt gemakkelijker dan een oude vlek. Vlekkenmiddelen zijn vaak giftig en brandbaar. Lees daarom de gebruiksaanwijzing goed. Elke vlek vraagt om een eigen behandeling.

8.13 Het wasproces
De handwas
Je hebt alle voorbereidingen getroffen en het juiste wasmiddel gekozen. Zet nu een teiltje en een droogrek klaar. Vul het teiltjes ruim met water. Let erop dat het water niet te warm is. Je controleert dit met je elleboog. Kies bij twijfel altijd lauw water, dit voorkomt dat je kleding krimpt. Op de verpakking van het handwasmiddel staat hoeveel wasmiddel je moet toevoegen. Dit noemen we de dosering. Gebruik de juiste dosring. Te weinig wasmiddel is niet goed, de was wordt niet goed schoon. Te veel wasmiddel is ook niet nodig. Je moet het er straks allemaal weer uitspoelen. Dit kost extra werk en bovendien heb je kans op beschadigingen. Meng het wasmiddel en het water goed. Een vloeibaar wasmiddel loste sneller op dan een poederwasmiddel. Was het kledingstuk door met je handen in het textiel te knijpen. Op plaatsen waar veel vuil zit, moet je extra knijpen. Ga niet wrijven of wringen, want dan beschadig je de vanzelf. Doe je textiel ook niet telkens in en uit het water, want dan rekt het kledingstuk uit. Moet je meerder stukken met de hand wassen, dan begin je met het licht gekleurde textiel. Je eindigt met de donker stukken. Je gebruikt gewoon hetzelfde sop, als het tenminste niet te vuil is. Na het wassen knijp je de was uit, je pakt nieuw lauw water en je spoelt alle resten wasmiddel eruit. Spel je was minstens drie keer. Pas wanneer het spoelwater helder is, weet je dat er geen resten wasmiddel meer in zitten. Dan ga je centrifugeren: wol en strijkvrije spullen mogen maar kort gecentrifugeerd worden. Fijne textiel mag je helemaal niet centrifugeren. Hoe je de was droogt, hangt af van het materiaal waar het van is gemaakt. Wollen kleding laat je liggend drogen, eventueel op een badhanddoek. Strijkvrije kleding hang je aan een hangertje. De ter textiel, zoals een panty, draai je eerst in een badhanddoek om het water eruit te drukken en hang je aan de waslijn.
De machinewas
Wassen met een wasmachine spaart je tijd en moeite. Ook wast een wasmachine erg schoon. Sorteer en controleer je wasgoed weer eerst. Kleine stukken textiel, zoals pantysokjes en beugel bh’s doe je in een speciale waszak. Als je ze los in de wasmachine doet, kunnen ze schade veroorzaken. Kleine delen kunnen namelijk achter de trommel terechtkomen. Je kiest een wasmiddel dat past bij je was. Let ook weer op de juiste dosering. Deze staat op de verpakking aangegeven. Een wasmiddel in poedervorm doe je in het speciale zeepbakje van de wasmachine of in een wasbol. Vloeibaar wasmiddel giet je in een wasbol. Wasbuiltjes stop je tussen het wasgoed. Nu kies je het juiste wasprogramma. Het voorwasprogramma gebruik je alleen als het wasgoed er vuil is. Kies een kort programma als je iets snel wilt wassen. De energieknop gebruik je als de trommel niet helemaal vol zit. Beter is het om te wachten tot je een volle trommel was hebt verzameld. Hiermee bespaar je dan energie. Je stelt de temperatuur in en zet de wasmachine aan. Het programma duurt een tot twee uur. Let er altijd op dat je de wasmachine goed instelt. Kies de juiste temperatuur en het juiste programma.


8.14 Welke wasmiddelen gebruik je?
Samenstelling van wasmiddelen
De soorten stoffen in het wasmiddel
In wasmiddelen zitten verschillende soorten stoffen die ervoor zorgen dat je was schoon wordt. Elke stof heeft zijn eigen functie tijdens het wasproces. De meeste belangrijke stoffen en hun functies zijn:
• Wasactieve stoffen
De wasactieve stoffen worden ook wel detergenten genoemd. Ze verwijderen het vuil uit de kleding en ze houden het vuil in het water vast. Zo krijgt het vuil geen kansom op een ander plek in het wasgoed vast te gaan zitten.
• Waterontharders
Kalkdeeltjes uit het water kunnen op het wasgoed of op het verwarmingselement van de machines vast gaan zitten. Hierdoor gaat het wasgoed er grauw uitzien en het verwarmingselement kan kapot aan. De waterontharders houden kalkdeeltjes uit het water zwevend. Vroeger bestond waterontharders uit fosfaten, stoffen die slecht zijn voor het milieu. Tegenwoordig bevat het wasmiddel zeoliet. Deze stof is minder schadelijk voor het milieu.
• Bleekmiddelen
Kleurstofvlekken van thee, koffie of vruchtensappen zijn moeilijk te verwijderen. Een bleekmiddel zorgt ervoor dat deze vlekken oxideren. Ze zijn dan niet meer te zien. Bleekmiddelen werken pas doge tussen de zeventig en negentig graden. Door TAED (tetra acetyl ethyleendiamine) toe te voegen, werkt een bleekmiddel ook al bij een lagere temperatuur.
• Enzymen
Enzymen verwijderen bloedvlekken en een aantal voedselvlekken. Ze werken het best in water van ongeveer vijftig graden
• Optische witmiddelen
Deze middelen laten een dus laatje op echt textiel achter. Het witte wasgoed lijkt hierdoor witter.
• Geurstoffen
De geurstoffen laten je was lekker ruiken.
De werking van het wasmiddel
Er zijn veel soorten en merken wasmiddelen. E wasmiddelen kunnen we verdelen naar n
hun werking. In het schema hierna zie je een overzicht van de verschillende wasmiddelen:
Soort wasmiddel Wat zit er in? Belangrijke kenmerken
Totaalwasmiddel (hoofdwasmiddel) - Wasactieve stoffen
- Waterontharder
- Geurstof
- Bleekmiddel
- Enzymen
- Optisch witmiddel
- (Soms) wasverzachter - Dit wasmiddel bevat veel soorten stoffen. Je kunt je afvragen of je alle stoffen wel nodig hebt.
- Een bleekmiddel kan de licht gekleurde was verbleken.
- Niet gebruiken voor wol of zijde.
Witwasmiddel - Wasactieve stoffen
- Waterontharder
- Geurstof
- Bleekmiddel
- Optisch witmiddel Dit wasmiddel is geschikt voor de witte was. De was moet op een vrij hoge temperatuur gewassen worden. Zo kunnen alle stoffen goed hun werk doen.
Bontwasmiddel - Wasactieve stoffen
- Waterontharder
- Geurstof Deze bevatten geen bleekmiddelen, zodat de was niet verkleurt.
Inweek of voorwasmiddel - Wasactieve stoffen
- Waterontharder
- Geurstoffen
- Enzymen De enzymen zorgen ervoor dat het vuil wordt losgeweekt. Het water moet tussen de vijftig en zestig graden zijn.
Fijnwas of wolwasmiddel - Wasactieve stoffen
- Waterontharder
- Geurstof
- (Soms) wasverzachter Deze bevat geen bleekmiddel en geen enzymen. Dit zou de stof aantasten.
De grondstoffen van het wasmiddel
Je kunt de wasmiddelen ook verdelen naar de gebruikte grondstoffen. Er zijn zeepwasmiddelen, synthetische wasmiddelen en halfsynthetische wasmiddelen. Zeepwasmiddelen zijn gemaakt van echte zeep en zij het minst schadelijk voor het milieu. De synthetische wasmiddelen zijn gemaakt uit aardolie en zijn minder vriendelijk voor het milieu. Je kunt ook halfsynthetische wasmiddelen gebruiken. Deze worden gemaakt van natuurlijke plantaardige oliën en vetten. Ze zijn daardoor minder schadelijk voor het milieu dan de gewone synthetische wasmiddelen.
De dosering van het wasmiddel
Voor alle wasmiddelen geldt dat de dosering per situatie verschillend is. De dosering hangt af van de hardheid van het water dat je gebruikt. De hardheid van het water heeft te maken met de hoeveelheid kalk die erin zit. Hiervoor wordt de afkorting DH gebruikt. Hoe meer DH, dus hoe meer kalk, des te meer wasmiddel je nodig hebt. Ook moet je letten op de vuilgraad van je textiel. Hoe vuiler de was is, hoe meer wasmiddel je moet gebruiken. Op de verpakking staat aangegeven hoe je moet doseren. Let bij het kopen van wasmiddelen ook op het milieu. Navulverpakkingen leveren minder afval op dan de gewone verpakkingen.
Wasverzachter
Sommige wasmiddelen hebben een ingebouwde wasverzachter. Je kunt wasverzachters ook los kopen. Ze zorgen ervoor dat je was zacht en soepel aanvoelt. Ook is het strijken van blouses en overhemden gemakkelijker. Synthetische stoffen worden door een wasverzachter minder statisch. Dat komt door het dunne laagje vet dat de wasverzachter o je wasgoed achterlaat. Wasverzachters bevatten onvriendelijk stoffen, zoals parfums, conserveringsmiddelen en kleurstoffen. Ze zijn daarom minder goed voor het milieu. Bovendien zijn sommige mensen allergisch voor deze stoffen. Nog een nadeel is dat je bij elke wasbeurt extra waspoeder moet gebruiken. Het dunne vetlaagje van de wasverzachter moet namelijk eerst verwijderd worden, voor het wasmiddel zijn eigenlijke werk kan doen. Wasverzachters zijn niet goedkoop en zijn eigenlijk niet nodig. Wil je een lekker zachte was, dan hang je het wasgoed buiten. Door de wind worden de vezels van je textiel soepeler.
8.15 Wasapparatuur
De wasmachine
De meest huishoudens in Nederland hebben een wasmachine. Er zijn verschillende soorten wasmachines te koop. Bij het energiebedrijf kun je informatie krijgen over het water en energieverbruik van de verschillende merken. Voor mensen met een eenpersoonshuishouden zijn speciale miniwash apparaten te koop. Wasmachines zijn te verdelen in twee typen: voorladers en bovenladers. Welke wasmachine je kiest, hang af van de eisen die je aan een machine stelt. Hieronder ie je de verschillen tussen de beide apparaten.
Voorlader Bovenlader
- Je stopt de was er aan de voorkant in, je moet dus altijd bukken.
- Je kunt een droger of iets anders op de machine zetten, dit bespaart ruimte.
- Je kunt er tussentijdsniet iets uithalen of instoppen
- De wasmachine maakt veel lawaai. - Je stopt de was er aan de bovenkant in, je kunt gewoon blijven staan.
- Je kunt niets op de wasmachine zetten.
- Je kunt de wasmachine tussentijds stopzetten, om er iets uit te halen of in te stoppen.
- De wasmachine maakt weinig lawaai.
Dan moet je ook nog een keuze maken tussen en halfautomaat en een volautomaat. Bij een halfautomaat wordt het wasgoed alleen gewassen. Voor het centrifugeren moet je de was overpakken in een aparte centrifuge. Bij de volautomaat wordt de was gewassen en gecentrifugeerd in dezelfde trommel. Er zijn zelfs apparaten verkrijgbaar waarin het wasgoed gewassen, gecentrifugeerd en ook gedroogd wordt. Veel wasmachines hebben spaarknoppen om stroom, water of wasmiddel te besparen. In de praktijk besparen deze knoppen minder dan we vaak denken. Wassen met een volle trommel bespaart de meeste energie. Het is ook verstandig om te wassen tijden s het daltarief. Dit is ’s avonds na elf uur en in het weekend. Je betaalt minder voor de energie. Er zijn tegenwoordig wasmachines te kop dei de was wegen en het waterniveau en de zeepdosering daar automatisch op aanpassen.
De centrifuge
Een centrifuge haalt het meeste water uit je wasgoed, zodat de was sneller droogt. Het is een trommel met gaten erin. Door heel snel rond te draaien wordt het meest water uit je wasgoed geslingerd. De trommel draait bij en ingebouwde centrifuge zo’n 1000 tot 1400 keer per minuur rond. Het aantal omwentelingen per minuut noemen we het toerental. Een aparte centrifuge heeft een toerental van 2800. Deze haalt daardoor meer water uit je wasgoed. Het drogen gaat dan sneller. In apart centrifuges moe het natte wasgoed goed verdelen. Al de was op een plek zit, raakt de trommel uit balans en gaat hij schudden tijden het draaien.
De droogtrommel
Veel mensen kopen een droogtrommel. Het drogen gaat dan lekker snel. Soms heeft iemand geen ruimte om de was te drogen. Een droogtrommel is dan erg handig. Maar deze is duur en gebruikt veel energie. ook slijt je textiel sneller in een droogtrommel. Er zin droogtrommels waarbij het water uit het wasgoed wordt opgevangen in een waterreservoir. Dit noemen we de condensdroger. Er zijn ook droogtrommels die de waterdamp via een slang naar buiten laten gaan. Deze noemen we blowers of drogers met afvoer. Niet alle textiel kan in een droogtrommel gedroogd worden. Het behandelingsetiket geeft dit aan. Zijde en een aantal kunststoffen mogen niet in de droger. Wol mag alleen maar in de droogtrommel al het krimpwerkend is gemaakt.
8.16 Strijken
Waarom strijk je de was?
Na het wassen en drogen kan het wasgoed gekreukt zijn. Met een strijkijzer maak je alles weer glad. Niet al het schone wasgoed hoeft gestreken te worden. Sorteer daarom je textiel in vouwgoed en strijkgoed. Badhanddoeken, sokken en ondergoed hoeven niet gestreken te worden, dit is vouwgoed. Een blouse of shirt dat netjes glas moet zijn, is een voorbeeld van strijkgoed. Het vouwgoed vouw je op en leg je in de kast. Het strijkgoed strijk je eerst. Met een heet strijkijzer kun je textiel ook ontsmetten. Dit kan handig zijn bij ziekte en bij eerste hulpverlening. De warmte van het strijkijzer zorgt voor het glad worden van textiel. Staat de maximale temperatuur aangegeven. Op het strijkijzer vind je ook een temperatuuraanduiding. Als je meerdere dingen moet strijken, begin je met de stuken die het minste warm gestreken hoeven te worden. Na het strijken vouw je alles keurig op. Goed gevouwen textiel neemt minder kastruimte in. Je hoeft niet alle textiel te strijken. Je kunt de hoeveelheid strijkgoed bepreken door het op de juiste manier te drogen. Klop het wasgoed uit voor je het ophangt en hang het strak aan de lijn.
Strijkapparatuur
Tegenwoordig vind je in bijna ieder huishouden een elektrisch strijkijzer. Er zijn verschillende soorten strijkijzers:
• Een gewoon strijkijzer
Dit is een vrij licht apparaat dat niet zo duur is. Het gewone strijkijzer is geschikt voor alle wasgoed. Eenvoudige kreukels aal je weg door het wasgoed in te vochten met een plantenspuit. Voor het persen van plooien gebruik je een aparte natte perslap.
• Een stoomstrijkijzer
Een stoomstrijkijzer zorgt ervoor dat er water tussen de textielvezels komt. Dit maakt het strijken gemakkelijker. Het resultaat is vaak beter. Stroomstrijkijzers zijn zwaarder en duurder.
• Een strijkmachine
Deze gebruik je als er platgoed, zoals theedoeken of lakens, gestreken moeten worden. Je komt ze in een gewoon huishouden niet zo vaak tegen. Ze worden vooral gebruikt in instellingen war veel platgoed gestreken moet worden.
Bij de aanschaf van een strijkplank let je op de breedte. Op een brede plank kun je het wasgoed sneller strijken. Maar het strijken van blouses gaat op een smalle plank weer beter. Voor mouwen gebruik je een speciaal mouwplankje.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.