Verzorging, een vak voor jou!
Hoofdstuk 1
Opdracht 2:
1. - voeding
- genieten
- uiterlijk
2. - Verpakkingen opzoeken en meenemen, bijvoorbeeld een soepdoosje.
- Jezelf en anderen verzorgen.
- Voeding bijhouden
3. Ja, ik denk dat ik het wel eens zal gebruiken. Maar het meeste weet ik al zo ongeveer.

Opdracht 3:
Onderwerp: Thema:
• Alcohol en tabak 4 - Genieten
• Cultuur 1 - Verzorging voor jou
• Infectieziekten 3 - Gezondheid
• Jeugdpuistjes 2 - Je uiterlijk
• Kranten bezorgen 8 - vrije tijd en werken
• Verliefdheid 5 - Je relaties
• Vitamines 7 - Je voeding
• Wasmiddelen 6 - Thuis in je huis
Opdracht 6:
1. Zorg: Dat je aandacht hebt voor de gezondheid van jezelf en van anderen.
2. Verzorging: Alles doen wat nodig is om de gezondheid van jezelf en anderen in stand te houden en te verbeteren.
3. - Verzorging, een vak voor jou - Je relaties
- Je uiterlijk - Thuis in je huis
- Je gezondheid - Je voeding
- Genieten - vrije tijd en werken
4. - Zelfstandig werken en volgens een plan.
- Netjes en zorgvuldig werken.
- Moeilijke woorden opzoeken, bijvoorbeeld in een woordenboek of vraag een klasgenoot om je te helpen. Als het nodig is, kun je daarna je docent ook nog om hulp vragen.
5. 1) goed naar elkaar luisteren en met elkaar rekening houden.
2) Spreek goed af wat ieder groepslid doet en houd je dan aan de afspraken.
3)Geef opmerkingen op een vriendelijke en duidelijke manier zonder ruzie te zoeken.
4)Voel je samen verantwoordelijk voor het eindresultaat.
Opdracht 8:
1. Je gebruikt bij een handwas meer werkkracht.
2. Bij een machinewas duurt het wassen langer.
3. Je verbruikt bij een machinewas meer elektriciteit.
4. Een handwas is goedkoper.
Opdracht 9:
1. - Kennis en vaardigheden
- Materialen
- Geld
- Tijd en werkkracht
2. - Wat heb je nodig?
- Hoe moet je iets klaar maken?
3. - Je moet uien kunnen snijden voor de soep.
- Soep moet je binden met bloem.
4. - Fornuis
- Pan
- Voedingsmiddelen
Opdracht10:
1. Douchen
2. Wit brood
3. Tv kijken
4. Uitgaan
5. Spijkerjack
Opdracht 14:
1. Ieder mens is anders.
2. Ja, ieder mens heeft zijn eigen aard.
3. Omdat ze uniek zijn.
4. Iets in de gezondheidszorg lijkt me leuk.
5. Ja, het komt wel overeen.
Opdracht 15:
1. - Wat je waardevol vindt.
- Iets wat bij je past.
2. Iets wat je heel belangrijk vindt.
3. Wat jij van iets vindt.
4. Een reden voor je keuze.
Opdracht 16:
1. Met vrienden afspreken.
2. Ik vind het leuk en belangrijk.
Opdracht 18:

1. - Omdat je kijkt wat anderen doen.
- Omdat je met elkaar omgaat.
2. - Vrienden
- Familie
- Mensen op school. Vrienden voor het leven!
Opdracht 22:
1. Als je leeft tussen en met andere mensen.
2. De manier waarop je met een grote grootte mensen leeft.
3. - Verschillende geloofsovertuigingen
- Land waar je vandaan komt
4. Een land waarin mensen wonen met verschillende culturen.
5. - Door de tv, radio en de krant weet je hoe andere mensen leven en denken.
- Met een auto of vliegtuig naar een ander land te gaan.
6. - Kleding
- Taal
7. Gedragsregels
8. Een gedragregel waar men zich aan moet houden.
9. - Opgroeien in een bepaalde cultuur.
- Als je bij een bepaalde groep wilt horen.
Opdracht 33:
1. Eeneiig is dat ze op elkaar lijken in denken en uiterlijk en ze zijn geboren uit 1 eicel en 1 zaadcel. Twee-eiig is dat ze op elkaar lijken als broer en zus en ze zijn geboren uit 2 eicellen en 2 zaadcellen.
2. Ze hebben de zelfde erfelijke aanleg.
3. Ze hebben niet de zelfde erfelijke eigenschappen.
4. Ja, ze hebben een eigen aard, want ieder mens is uniek.
5. - Aanleg
- Ervaringen
- Keuzes
6. Als je iets erft, bijvoorbeeld een voetbaltalent. Je hebt het bij de geboorte mee gekregen.
7. - Uiterlijk
- Huidskleur
8. Ja, want handigheid heb je ook meegekregen bij de geboorte.
9. Iets wat je hebt meegemaakt.
10 - Vakantie in Oostenrijk
- Het ziekenhuis in Utrecht
11 Ja, iemand gaat bijvoorbeeld op hockey en de ander op voetbal. Zo krijg je andere interesses.
Een ééneiige tweeling
Doelstelling 1: Doelstelling 2:
1. onjuist 1. plan
2. juist 2. netjes
3. juist 3. klasgenoot
4. juist 4. luister
5. onjuist 5. vriendelijke
6. verantwoordelijk
Doelstelling 3: Doelstelling 4:

1. onjuist 1. sociaal
2. juist 2. individu
3. juist 3. luister
4. juist 4. invloed
5. onjuist 5. school
6. onjuist 6. keuzes
7. onjuist
8. juist
9. onjuist
Doelstelling 5:
1. Een cultuur is een manier waarop een grote groep mensen leeft.
2. Doordat mensen uit andere landen in een land komen wonen en door technische ontwikkelingen.
3. Mensen in een subcultuur hebben hun eigen leefregels. In een cultuur zijn vaak verschillende subculturen.
4. Kleding en woningbouw.
5. Gedragsregels en normen.
6. Een gedragsregel in een cultuur waar iedereen zich aan moet houden.
Doelstelling 6:
1. Wat is je doel? - C
2. Wat moet je weten? - A
3. Wat kies je? - F
4. Wat moet je voorbereiden? - B
5. Aan de slag? - D
6. Hoe ging het? - E
1. Ik wil een spijkerbroek.
2. Hoeveel geld heb ik?
3. Wil ik een lichte of een donkere spijkerbroek?
4. Ik vraag of Monique vanmiddag met me meegaat.
5. Mag ik deze broek even passen.
6. Mam, wat vind je van mijn broek?
Doelstelling extra stof:
1. Uiterlijk en huidskleur
2. Alles wat je hebt meegemaakt.
3. In welk gezin je bent opgegroeid en in welke klas je zit.
4. Nee, iedereen maakt iets anders mee.
5. Eén eicel en één zaadcel.
6. Twee eicellen en twee zaadcellen.
7. nee, een ééneiige tweeling is altijd twee meisjes of twee jongens.
8. ja, ze zijn uniek. Ze hebben verschillende ervaringen en keuzes.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

K.

K.

Werd, dit is niet eens dat hele thema, echt raar

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

R.

R.

Hmmmmm.. hier kan ik wel wat mee ik hoop dat deze samenvatting helemaal compleet is?
i moet amelijk een 8 halen want op m,n SO had ik een 4 :(

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

K.

K.

bedankt maar ik begrijp er nog steeds niets van:)

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast