Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Samenvatting hoofdstuk 1, Nova Scheikunde klas 3

Beoordeling 8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vwo | 3171 woorden
  • 14 januari 2019
  • 120 keer beoordeeld
  • Cijfer 8
  • 120 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

Paragraaf 1



Natuurlijke materialen: materialen die in de omgeving worden aangetroffen (b.v. hout) Grondstoffen: natuurlijke stoffen die je nodig hebt om materialen of andere stoffen te maken Synthetische materialen: materialen die je niet in de natuur kunt vinden maar moet maken (b.v. kunststof of plastic, maar ook baksteen, ijzer en glas)



Grondstoffen voor glas: zand, Kalk, Soda



Grondstoffen voor ijzer: ijzererts, houtskool



Grondstoffen voor plastic: aardolie (beperkte hoeveelheid van beschikbaar)



Kunststof: een vrij “nieuw” materiaal, wat nog steeds ontwikkeld wordt. Je vindt kunststof bijna overal. Kunststof is te vinden in o.a. kleding, speelgoed en voertuigen. In een product kunnen meerdere soorten kunststoffen voorkomen.                                                          Biologisch afbreekbaar: materialen die door de natuur afgebroken kunnen worden. “Normaal” plastic is niet biologisch afbreekbaar.                                     Biodegradeerbaar: materiaal dat door bacteriën afgebroken kan worden.                       Hernieuwbare grondstof: grondstof die niet opraakt. (b.v. PLA, polymelkzuur (biologisch afbreekbaar plastic), dit is na 3 maanden niet meer terug te vinden en wordt vooral van chirurgische doeleinden gebruikt maar is ook handig in de verpakkingsindustrie)



Bij het ontwikkelen van nieuwe kunststoffen (b.v. plastic) wordt rekening gehouden met bovenstaande begrippen.



































materiaaleigenschappen



voorbeelden



dichtheid



ijzer heeft een hoge dichtheid, aluminium heeft een lage



elasticiteit



rubber is elastisch, maar steen veert niet



elektrische geleidbaarheid



metalen (b.v. koper/goud) geleiden stroom goed, plastic niet



hardheid



beton is hard, krijt is zacht



hydrofiel



katoen neemt vocht op en absorbeert het



hydrofoob



plastic, bind geen vocht en laat geen vocht door






Composiet: een materiaal dat is samengesteld uit een mix van verschillende materialen.  (b.v. gewapend beton en gewapend glas)                                                                                 Legering: een mengsel van samengesmolten metalen (b.v. brons dat uit koper en tin bestaat)                                                                                                                         Carbonvezels (carbon): heel sterk materiaal door dunne vezels, vaak een composiet met plastic. (plastic wordt sterker door carbon)



Bovenstaande begrippen zijn/ hebben te maken met een materialen mix. Dit wordt gedaan zodat een materiaal betere eigenschappen krijgt dan de afzonderlijke materialen.                              Als een materiaal niet geschikt is, wordt er of een nieuw materiaal ontwikkeld of een materialen mix gemaakt.



Ook een touchscreen is een composiet, over de glasplaat ligt een coating van indiumtinoxide. Bij aanraking veranderd de plaatselijke geleidbaarheid waardoor de software kan bepalen waar je het scherm raakt.



Er wordt veel onderzoek gedaan naar zelfhelende materialen, materialen die zichzelf herstellen van b.v. scheuren of krassen.





Paragaaf 2



Materiaaleigenschappen: eigenschappen van een materiaal, bepaald door de combinatie van (verschillende) stofeigenschappen. (b.v. dichtheid, hydrofiel of hydrofoob) Stofeigenschappen: eigenschappen van een stof, meestal bepaald door moleculen. (b.v. kleur, geur en smaak maar ook kookpunt en smeltpunt)                                                Moleculen: de kleinste deeltjes waar een stof uit bestaat.



Alle stoffen hebben een unieke combinatie stofeigenschappen. Daarom is het in de scheikunde belangrijk dat je zuivere stoffen gebruikt bij experimenten. Hierdoor weet zeker dat alle waarnemingen die je doet bij deze specifieke stof horen.



Zuivere stof: één stof, met één soort moleculen. Dit vind je vaak in laboratoriums. (b.v. aluminium, kristalsuiker en koper).                                                                                                    Mengsel: combinatie van twee of meer zuivere stoffen (vaak in de omgeving)                                          Heterogeen mengsel: mengsel waarin je (met een microscoop) de verschillende stoffen kan waarnemen (b.v. zand).  Er zijn emulsies en suspensies.                                             Homogeen mengsel: mengsel waarin je de verschillende stoffen niet kan waarnemen (b.v. suikerwater en niet-verontreinigde lucht, metalen). Er is een oplossing.



Oplossing: een homogeen mengsel, deze is altijd helder                                               Oplosmiddel: middel waarin een (vloei)stof oplost (b.v. water, alcohol, aceton of benzine). Helder: als je door een vloeistof heen kan kijken.                                                    Gasmengsel: mengsel van gas, deze is altijd homogeen. 



Suspensie: een vloeistof waarin kleine brokjes van een vaste stof zweven, deze is altijd troebel           (b.v. chocolademelk).                                                                                                            Troebel: als je niet door een vloeistof heen kan kijken.                                                               Bezinken: wanneer je een suspensie met rust laat en de vaste deeltjes langzaam naar de bodem zakken, door te schudden gaan de deeltjes weer zweven. Hoe kleiner de deeltjes, hoe langer bezinken duurt.              



Emulsie: een vloeistof waarin druppels van een andere vloeistof zweven, deze is altijd troebel (b.v. melk).                                                                                                                  Ontmengd: als de vloeistoffen van een emulsie boven elkaar komen te liggen. Als je schudt mengen de stoffen zich weer (en dan heb je een emulsie).                                                  Emulator: een stof die zorgt dat een emulsie niet meer ontmengd. (b.v. in melk)



Gas kan een onderdeel zijn van een heterogeen mengsel voorbeelden daarvan zijn:                   Rook: als in een gas (lucht) vaste deeltjes (roet) zweven.                                                                  Nevel (mist): als kleine vloeistofdruppels in gas zweven.                                                            Schuim: als er kleine gasbellen opgesloten zitten in een vloeistof of in een vaste stof                       (b.v. piepschuim)



Je komt te weten of een (vloei)stof een zuivere stof of een mengsel is door het smeltgedrag te onderzoeken:                                                                                                                Smeltpunt: punt waarop een zuivere stof smelt (bij water 0 oC en bij alcohol -117,3 oC). Kookpunt: punt waarop een zuivere stof kookt (bij water 100 oC en bij alcohol 78,5 oC).



Als een zuivere stof smelt of kookt verandert de temperatuur niet. Er is een vast kookpunt en een vast smeltpunt.      



Standaarddruk: druk waarmee kookpunten berekend worden. (hogere druk is hoger kookpunt)



Mengsels bestaan uit verschillende stoffen met verschillende kook- en smeltpunten. Hierdoor heb je geen vast kook- en smeltpunt, maar ontstaat er een traject:                     Kooktraject: traject waarin een mengsel begint te koken.                                               Smelttraject: traject waarin een mengsel begint te smelten.



Bij mengsels loopt de temperatuur op of af tijdens een kook- of smelttraject. Er is geen vast kook- en smeltpunt.







Paragraaf 4



Fase-overgang: overgang van een stof naar een andere fase. De moleculen blijven intact.

Chemische reactie (vormingsreactie): als de ‘originele’ stof na een verandering niet meer terugkomt en er nieuwe stof(fen) zijn ontstaan.

Beginstoffen: stoffen waarmee je begon.

Reactieproducten: nieuwe stoffen met andere stofeigenschappen dan de stof(fen) waarmee je begon.

Reactieschema: weergave van een chemische reactie: beginstof(fen) à reactieproduct(en)



Verbrandingsreactie: een chemische reactie waar een brandbare stof en zuurstof bij nodig is: brandbare stof(fen) + zuurstof à verbrandingsproduct(en)

Verbrandingsproduct: product dat vrijkomt als reactieproduct na de verbranding.

Ontbrandingstemperatuur: temperatuur waarop een brandstof vanzelf ontbrand. Als de temperatuur lager ligt moet de reactie gestart worden met een vlammetje.



Ontledingsreactie: uit één stof worden meerdere nieuwe stoffen gehaald:                     beginstof à ontledingsproducten

Ontledingsproducten: producten die als reactieproducten ontstaan na een ontleding.







Algemene kennis



Samenstelling: geeft aan welke stoffen en hoeveel daarvan in 100 gram levensmiddel voorkomen.                                                                                                               Massapercentage: de massa van een stof die voorkomt in 100 gram van het mengsel, uitgedrukt in procenten.                                                                             Volumepercentage: het volume van een vloeistof die voorkomt in 100 (milli)liter van het vloeistofmengsel, uitgedrukt in procenten.



Formules die je moet weten:




  • Dichtheid = massa/volume

  • Concentratie = massa/volume                    




  • Massapercentage = massa stof/massa mengsel * 100%                           




  • Volumepercentage = volume stof/volume vloeistofmengsel * 100%             





Paragraaf 3



Scheidingsmethode: een manier waarop je stoffen kunt scheiden. Er zijn 7 methodes: BIDCAFE















































naam



wat?



hoe?



filteren/filtratie



vaste deeltjes uit een vloeistof halen (suspensie).



door middel van een filter met gaatjes van een bepaalde grootte.



bezinken en afschenken



vaste of vloeibare deeltjes uit een vloeistof halen door de vloeistof af te schenken.



door zwaartekracht zakt de stof met de grootste dichtheid langzaam naar beneden.



centrifugeren



stof met de grootste dichtheid naar de buitenkant draaien.



door snel draaiende beweging. Versnelt het bezinken. Vaak gecombineerd met filtratie.



indampen



vaste stof uit een oplossing halen (homogeen mengsel)



door het verhitten van de vloeibare stof. Door het verschil in kookpunt blijft de andere stof over.



destilleren/destillatie



vloeistof uit een vloeibaar homogeen mengsel ‘halen’.



door verhitting van de vloeistof met het laagste kookpunt. Deze verdampt. Op een hoger punt in de destillatie-opstelling condenseert deze weer en wordt ergens anders opgevangen.



extraheren/extractie



stofeigenschappen uit een stof halen



door middel van een extractiemiddel (water).



absorberen/absorptie



specifieke stof uit een homogeen of gasmengsel te krijgen



door middel van (een adsorptiemiddel) actieve kool, dit heeft een groot oppervlakte door gaatjes. Hieraan hechten sommige stoffen zich erg. De gehechte stof kun je vervolgens door filtratie scheiden.


















































scheidingstechniek



soort mengsel



berust op verschil in



filteren/filtratie



suspensie



rook



deeltjesgrootte



bezinken en afschenken



suspensie



emulsie



dichtheid



centrifugeren



suspensie



emulsie



dichtheid



indampen



oplossing van een stof



kookpunt



destilleren/destillatie



homogeen vloeistofmengsel



kookpunt



extraheren/extractie



elk type mengsel



oplosbaarheid



absorberen/absorptie



oplossingen



gasmengsels



aanhechtingsvermogen






Residu: deeltjes die achterblijven bij filtratie en destillatie.  

Filtraat: deeltjes die wel door de filter gaan bij filtratie.

Destillaat: opgevangen vloeistof bij destilleren.



Het scheiden van mengsels is geen chemische reactie. Er ontstaan namelijk geen nieuwe stoffen bij scheidingen.





Eenheden omreken



Onthoud:

1 uur = 60 minuten = 3600 seconden

1 kilometer = 1000 meter = 1.000.000 millimeter

1 m2 = 100 dm2 = 10.000 cm2

1 m3 = 1000 dm3 = 1.000.000 cm3

1 kiloliter = 1 dm3

1 liter = 1 dm3

1 milliliter = 1 cm3

 



























































































10n



voorvoegsel



symbool



voorbeeld



1012



tera



T



Tera Byte



109



giga



G



Giga Byte



106



mega



M



Mega Byte



103



kilo



k



kilometer



102



hecto



h



hectometer



101



deca



da



decameter



1



eenheid



eenheid



meter



10-1



deci



d



decimeter



10-2



centi



c



centimeter



10-3



milli



m



millimeter



10-6



micro



μ



microseconde



10-9



nano



n



nanoseconde



10-12



pico



p



picaseconde



REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

nadine

nadine

Heb je een profiel van jungkook van BTS?

1 jaar geleden