Hoofdstuk 2 stoffen en reacties

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas havo | 1689 woorden
  • 22 mei 2015
  • 44 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.1
  • 44 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Paragraaf 1



Gloeien, smelten en verdampen



Als je stoffen boven een gasvlam verhit dan zie je verschillende dingen:




  • Bij platinadraad gaat het gloeien, als je het daarna weer laat afkoelen, zie je dat het draad onveranderd is gebleven. Het is dus niet veranderd van vorm.

  • Bij soldeertin word het vloeibaar, als je het daarna weer laat afkoelen, wordt het weer vast. Het heeft wel een andere vorm gekregen.

  • Bij water verdampt het, als je het daarna weer laat afkoelen, word het weer water.



Chemische reactie



Niet bij alle stoffen treedt er een fase-overgang op of gaat het gloeien. Bij veel stoffen zie je dat de stof verdwijnt bij het verhitten. Tegelijkertijd ontstaan er nieuwe stoffen. Dat noem je een chemische reactie. De nieuwe stoffen, dus de ontstane stoffen, noem je de reactieproducten. Dit zijn geheel nieuwe stoffen met andere eigenschappen dan de stoffen waar je mee begon. De stoffen waar je mee begon, noem je beginstoffen. Een chemische reactie kun je weergeven met een reactieschema ( beginstoffen → reactieproducten).



Verbranden



Als je hout in een vlam houdt, gaat het branden. Dit noem je niet verhitten maar aansteken. Tijdens het branden zie je vlammen en rook. Je kan ook voelen dat er warmte vrijkomt. Als het hout is opgebrand, is het overblijfsel alleen maar as. Verbranden is dus een chemische reactie, want de beginstoffen zijn anders dan de eindstoffen. De eindstoffen zijn rook en as. Bij verbranding heb je behalve een brandbare stof ook zuurstof nodig. Zonder zuurstof is verbranding niet mogelijk. Bij het verbranden verdwijnt niet alleen de brandbare stof maar ook de zuurstof. Het reactieschema van zuurstof is:



Brandbare stof + zuurstof → eindproduct(en)



Als je iets verhit, maar je ziet geen vuur, noem je het niet verbranden ( goed onthouden ).



Ontleden



Als je een propje papier verhit zonder zuurstof, verbrand het papier niet. Er ontstaan andere stoffen ( een vaste zwarte stof (koolstof), condens (water) en een scherp ruikende, brandbare gas ). Er verdwijnt nu maar 1 stof (papier). Zo’n reactie noem je een ontleding. Een reactieschema van een ontledingsreactie ziet er zo uit:



Beginstof → ontledingsproducten



Scheiden



Als je een mengsel scheidt, houd je 2 of meer stoffen over. Die stoffen zijn geen nieuwe stoffen. Want ze waren vooraf al aanwezig. Bij het scheiden van een mengsel is er dus geen sprake van een chemische reactie. En dus ook niet van een ontledingsreactie.





Paragraaf 2



Thermolyse



Als je een stof ontleedt door verhitten noem je dat thermolyse (ontleding door warmte). Als je papier of suiker ontleedt, houd je een zwarte vaste stof over. Die stof noem je koolstof. Stoffen die bij verhitting zonder zuurstof verkolen noem je organische stoffen. Bij thermolyse van organische stofen ontstaan meestal ook gassen en rook. Reactieschema’s voor thermolyse zien er zo uit:



Organische stoffen → koolstof + water + rook + gas



Elektrolyse



Water krijgt bij verhitten een fase-ovegang. Toch kun je water ontleden, niet met verhitten maar met gelijkstroom. Dat proces noem je elektrolyse: ontleding door elektriciteit. Bij de elektrolyse van water ontstaan 2 nieuwe stoffen (waterstof en zuurstof). Het reactieschema voor ontleding van water is:



Water → waterstof + zuurstof



Waterstofgas is het lichtste gas dat er bestaat. Het is heel brandbaar. Als je waterstof aansteekt, reageert het met zuurstof uit de lucht. Daarbij ontstaat weer water. Bij deze reactie gebeurt het omgekeerde van de ontleding van water. Water wordt gevormd door de verbranding van waterstofgas:



Waterstof + zuurstof → water



Fotolyse



Bij zwart-witfotografie wordt nog gebruik gemaakt van fotopapier dat de stof zilverbromide bevat. Zilverbromide ontleedt als er licht op valt. Bij deze reactie blijven heel kleine korreltjes zilver achter. Ook ontstaat broom.



Wanneer een stof ontleed als er licht opvalt, noem je dat fotolyse. Ook waterstofperoxide ontleedt in licht. Bij de fotolyse van waterstofperoxide ontstaan zuurstof en water.



Waterstofperoxide → water + zuurstof



Niet ontleedbare stoffen



Door stoffen zo ver mogelijk te ontleden, krijg je uiteindelijk stoffen die niet meer ontleedbaar zijn. In totaal zijn er circa honderd van zulke niet-ontleedbare stoffen. De rest van alle andere stoffen zijn wel ontleedbaar. Die stoffen worden ook wel verbindingen genoemd. De niet-ontleedbare stoffen worden ook wel elementen genoemd.



Metalen



Het grootste deel van de elementen behoord tot de metalen. Alle metalen hebben een paar dezelfde eigenschappen → ze geleiden warmte en elektrische stroom en hebben een glanzend oppervlak als ze gepolijst zijn. Maar onderling verschillen ze in tal van eigenschappen: dichtheid, smeltpunt, hardheid, sterkte en de mate van geleidend vermogen voor elektrische stroom en warmte.



Overige niet-ontleedbare stoffen



De overige niet-ontleedbare stoffen vertonen bijna geen overeenkomsten, sommige zijn gasvormig, zoals waterstof, stikstof, zuurstof, chloor en helium. Chroom is bij kamertemperatuur vloeibaar. En stoffen zoals koolstof, silicium en zwavel en jood zijn vaste stoffen.







Paragraaf 3



Het deeltjesmodel



Er bestaan meer dan tien miljoen verschillende soorten stoffen. Elke stof heeft z’n eigen eigenschappen waaraan je de stof kan herkennen. Om de stofeigenschappen beter te begrijpen, kun je gebruik maken van een deeltjesmodel. Dat model is een vereenvoudigde voorstelling van hoe stoffen in elkaar zitten. Modellen worden veel gebruikt. Een plattegrond van een stad is een voorbeeld van een model. Het deeltjesmodel voor stoffen ziet er in z’n eenvoudigste vorm zo uit:




  • Iedere stof is opgebouwd uit heel kleine deeltjes, meestal moleculen genoemd.

  • Iedere stof heeft zijn eigen soort moleculen. Een molecuul water is anders dan een molecuul alcohol. Zuurstof bestaat uit zuurstofmoleculen.

  • Moleculen bewegen voortdurend. De snelheid van het bewegen hangt af van de temperatuur. Als je temperatuur stijgt, gaan de moleculen sneller bewegen.

  • Moleculen trekken elkaar aan, tussen moleculen onderling heersen aantrekkende krachten.



Het deeltjesmodel en de drie fasen



Iedere stof kan in 3 fasen voorkomen (vast, vloeibaar, gas)



Voor vaste stoffen gelden de volgende gemeenschappelijke kenmerken:




  • Vaste stoffen hebben een vaste vorm

  • Vaste stoffen kun je niet samenpersen, het volume ligt vast.



Bij vaste stoffen trekken de moleculen elkaar zo erg aan dat ze dicht op elkaar zitten en niet van plaats kunnen wisselen. Ze kunnen alleen maar trillen.



De gemeenschappelijke kenmerken van vloeistoffen zijn:




  • Vloeistoffen hebben geen vaste vorm

  • Vloeistoffen kun je niet samenpersen, het volume ligt vast



De moleculen van een vloeistof wisselen voortdurend van plaats, maar liggen wel dicht bij elkaar. De aantrekkingskracht tussen de moleculen is niet sterk genoeg om de moleculen op een vaste plaats te houden maar wel om de moleculen dicht bij elkaar te houden.



Gassen hebben de volgende gemeenschappelijke kenmerken:




  • Gassen heb geen vaste vorm

  • Gassen zijn veel lichter dan vaste of vloeibare stoffen

  • Het volume van gassen ligt niet vast. Je kunt het volume van gassen veranderen. Hierbij verandert de druk van het gas



In een gas zijn de aantrekkingskrachten van de moleculen te klein om de moleculen bij elkaar te houden. Als moleculen tegen elkaar botsen blijven ze niet bij elkaar. De moleculen van een gas zijn gelijkmatig verdeeld over de beschikbare ruimte en bewegen alle kanten op. Doordat er veel minder moleculen in een bepaald volume zitten dan bij een vloeistof, heeft een gas een veel kleinere dichtheid.



Mengsels en zuivere stoffen



In een zuivere stof is maar 1 molecuulsoort aanwezig. In een mengsel zitten verschillende molecuulsoorten door of bij elkaar. Als je een mengsel scheidt, scheidt je de 2 molecuulsoorten.





Paragraaf 4



Moleculen en reacties



Met behulp van het deeltjesmodel kun je fasen en fase-overgangen beschrijven. Bij een fase-overgang verandert de manier van het bewegen van moleculen. Bij een chemische reactie verdwijnen stoffen en ontstaan nieuwe stoffen. Dit betekent dat moleculen kapot gaan en er nieuwe moleculen ontstaan bij de ontstane stoffen.



Atomen



Een molecuul bestaat uit nog kleinere deeltjes → atomen. In een molecuul zitten die atomen aan elkaar vast. Als een molecuul kapot gaat, vormen de atomen uit die moleculen nieuwe moleculen. Bij een reactie gaan dus geen atomen verloren en ontstaan geen nieuwe atomen.



De moleculen van een ontleedbare stof bevat verschillende soorten atomen. In een niet-ontleedbare stof is maar 1 atoomsoort aanwezig. Bij een niet-ontleedbare stof hoort een bepaalde atoomsoort, de naam van die stof is dus dezelfde als die van de atoomsoort. Elke atoom heeft ook nog een symbool. Dat symbool bestaat meestal uit een hoofdletter en soms nog een kleine letter. De symbolen zijn vaak afgeleid van Latijnse namen.



Molecuulformules



Moleculen kun je weergeven in molecuulformules. Die formules geven aan welke atoomsoorten en hoeveel atomen van elke soort in een molecuul voorkomen. Elke stof heeft zijn eigen molecuulformule.



Voorbeeld molecuulformule: watermoleculen bevatten per molecuul 2 waterstofatomen en 1 zuurstofatoom. De formule wordt dan H2O. Met het cijfer 2 geef je aan dat er 2 atomen zijn van die stof. Zo’n getal noem je een index. Bij de index wordt het cijfer 1 niet opgeschreven.



Als je het over een stof hebt, moet je ook de fase van de stof bij de molecuulformule opschrijven.




  • Vaste stof → s (solid)

  • Vloeistof → l (liquid)

  • Gasfase → g (gaseous)



Als een stof in water is opgelost, geef je dit aan met aq.



De elementen



Natrium is de naam van een element. Dit betekent dat er een niet-ontleedbare stof en een atoomsoort met die naam bestaat. De atoomsoort natrium vind je bijna overal. Het zout in de zee, maar ook keukenzout. De gevaarlijke stofeigenschappen van natrium zijn niet meer aanwezig. In zout zitten dus wel het element natrium, maar niet de stoffen.







Paragraaf 5



De elementen rangschikken



In 1869 heeft een Russische wetenschapper de elementen die in zijn tijd bekend waren, op een bruikbare manier geordend. Hij rangschikte de elementen naar opklimmende atoommassa. De elementen die overeenkomsten vertonen in hun chemische eigenschappen, zette hij onder elkaar. Met deze rangschikking legde hij de basis voor wat je nu het periodiek systeem noemt.



Perioden en groepen



In het periodiek systeem zijn alle bekende elementen gerangschikt. De getallen voor de elementsymbolen zijn de atoomnummers. Elke atoomsoort heeft zijn eigen nummer. De getallen onder de symbolen zijn de atoommassa’s. de horizontale lijnen noem je perioden. Er zijn 7 perioden. De achttien verticale kolommen heten groepen. In de groepen staan de elementen die qua chemisch gedrag op elkaar lijken.



Groepsnamen



De elementen in een groep worden vaak met 1 naam aangegeven.




  • Alkalimetalen, groep 1. Ze reageren heftig met water.

  • Aardalkalimetalen, groep 2.

  • Halogenen, groep 17. Makkelijk met metalen reageren. Een verbinding van een metaal en halogeen noem je een zout.

  • Edelgassen, groep 18. 


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.