Scheikunde Samenvatting H1 §1 t/m §7




 




§1 – Atoombouw:




 




Atoom: Opgebouwd uit protonen, neutronen en elektronen.

 Lading Massa

Protonen Positief, + 1 U

Neutronen Neutraal 1 U

Elektronen Negatief, - 0,00055 U

U = Atomaire massa eenheid




 




Binas Tabel 25A:

Atoomnummer = aantal protonen

Massagetal = aantal protonen + aantal neutronen

Isotopen: atomen met dezelfde protonen, maar een ander aantal neutronen




 




Voorbeeldvraag:

Het atoom natrium.

a.) Hoeveel protonen heeft een natrium atoom?

b.) Hoeveel neutronen heeft een natrium atoom?

c.) Hoeveel elektronen heeft een natrium atoom?

Antwoord:

a.) Atoomnummer = aantal protonen

Atoomnummer = 11, dus heeft natrium 11 protonen

b.) Massagetal = protonen + neutronen

Neutronen = Massagetal – protonen

Neutronen = 23 – 11 = 12, dus heeft natrium 12 neutronen

c.) Het ‘’Na’’ atoom heeft geen lading  er zijn dus evenveel protonen als elektronen

Natrium heeft dus 11 elektronen net als 11 protonen.




 






 




 




 




 






De opbouw van een atoom:




 




Rutherford:      

Rutherford zei dat een atoom bestond uit een kern                      

met daarin de protonen en neutronen en om het

atoom was een elektronenwolk.




 






Bohr:                                

Bohr zei dat een atoom bestond uit een kern (net als Rutherford)

met daarin de protonen en neutronen en om het atoom   

waren de elektronen verdeeld in schillen.         

• K-schil: 2 elektronen

• L-schil: 8 elektronen

• M-schil: 8 elektronen




 






Relatieve atoommassa:

Voorbeeldvraag:

a.) Bereken de relatieve atoommassa van een Chloor-atoom

Antwoord:

a.) Chloor-atoom:

• Binas tabel 25A:

Atoomnummer Symbool Massagetal Atoommassa % voorkomen in de natuur

17 Cl  34 33,97375 ///////////////

  35 34,96885 75,78 %

  36 35,96831 ///////////////

  37 36,96590 24,22 %

  38 37,96801 ///////////////

  39 38,96801 ///////////////

  (0,2422 x 36,96590) + (0,7578 x 34,96885) = 35,45 u

 De relatieve atoommassa van chloor is: 35,45 u 

§2 – Periodiek Systeem:




 




 




 




 




 




 




 




 




 




 




 




 




 




 




 




Verschillende manieren om massagetal en atoomnummer aan te geven:

•  3517 Cl  Cl = Chloor

• 35Cl  35 = massagetal

• Cl-35 17 = atoomnummer




 






Begrippen:

• Elektronenconfiguratie: Manier waarop de elektronen zich verspreiden over de schillen

• Valentie-elektronen: De elektronen in de buitenste schil

• Edelgasconfiguratie: Een volle buitenste schil. Is een stabiele elektronenconfiguratie.

• Octetregel: Acht elektronen in de buitenste schil




 




Atoomnummers gerangschikt in periodes van links naar rechts




 




 

 Elementen met vergelijkbare eigenschappen staan onder elkaar in groepen




 




 




 




 




 




 




 




 




 




 




 




 




 






§3 + §4 + §5 – Metalen, Moleculen, Zouten

Stoffen kunnen we verdelen in: Opgebouwd uit: Voorbeeld

Metalen Metaalatomen Zn

Moleculaire stoffen Niet-metaalatomen H2, CH4

Zouten Metaal + niet metaalatomen BaCl2, NaCl




 




Molecuulmassa: De massa van een molecuul




 




Voorbeeldvraag:

a.) Bereken de molecuulmassa van CH4  methaan

Antwoord:

a.) 1 C atoom =    12 u

4 H atomen =  4  u  +

  16 u




 




De molecuulmassa van CH4 is 16 u

                        




 




 Als het opgelost is in water. Als het gesmolten is In vaste vorm

Metalen Nee, metaal kan je niet oplossen in water. Ja, onder hoge temperatuur, dan zitten er losse elektronen en zal de stroom dus geleiden.  Ja, door de geladen deeltjes. Die los bewegen.

Zouten Ja, het lost op en daardoor gaan de ionen vrij bewegen door het water. Als de geladen deeltjes kunnen bewegen, geleidt het stroom. Ja, ionen kunnen daardoor bewegen. Als de ionen kunnen bewegen, geleidt het stroom. Nee, ze hebben een lading maar de ionen zitten vast en kunnen niet bewegen. Dus kan ook geen stroom geleiden.

Moleculaire stoffen Nee, er zijn geen geladen deeltjes. Moleculen hebben geen lading die wel nodig is. Nee, er zijn geen geladen deeltjes. Die zijn wel nodig om stroom te geleiden. Nee, moleculen hebben geen lading en die moet nodig zijn om stroom doorheen te laten gaan.




 




Geleidt het stroom?00




 




 




 




Metalen:

• Meestal 1,2,3 elektronen in de buitenste schil

• Bestaat uit positief geladen atomen en negatieve vrije elektronen  trekken elkaar aan  noem je de metaalbinding (sterk).

• De sterke metaalbinding heeft als gevolg dat het smelt- en kookpunt erg hoog zijn.

• Goede geleiding van warmte en elektriciteit is een eigenschap.

• Zijn vervormbaar.

• Metaal en een vaste stof mengen heet een legering of alliage.




 




Moleculaire stoffen:

• Allemaal neutraal

• Buitenste schil meestal redelijk vol  halogenen komen één elektron tekort voor de edelgasconfiguratie  een volle buitenste schil. Halogenen kunnen dan een binding aangaan met een ander niet-metaal. Je deelt dan de elektronen  gedeelde elektronenpaar. Hierdoor bereiken beide atomen door deze atoombinding de edelgasconfiguratie

• Atoombindingen zorgen voor stabiele groepjes moleculen.

• Molecuulformule geeft aan welke atomen zich in een molecuul bevinden.

• Structuurformule wordt duidelijk gemaakt hoe de atomen zijn verbonden met elkaar.

• Moleculen worden bij elkaar gehouden door de vanderwaalsbinding (niet heel sterk). Door de moleculen te verwarmen naar een vloeistof, wordt de vanderwaalsbinding zwakker. Als je de vloeistof dan verwarmt tot gas, zijn de vanderwaalsbinding verbroken. De moleculen zijn niet kapot  atoombindingen zijn er nog. Vanderwaalsbinding is zwakker bij een kleiner molecuul.

• Atoombindingen en vanderwaalsbindingen komen alleen voor bij moleculaire stoffen!

Zouten:

• Verbinding tussen metaal en niet-metaal

• Om de edelgasconfiguratie te bereiken kan je ook een chemische reactie vormen. Deze chemische reactie zorgt ervoor dat een metaal elektronen afstaat aan een niet-metaal. Die deeltjes die zo ontstaan noem je ionen.

• Positieve en negatieve ionen vormen een zout

• Bindingen tussen de ionen zijn de ionbindingen. Ionbindingen zijn héél sterk. Zorgt voor hoge smelt- en kookpunten en dat zouten meestal vast zijn.

• In het ionrooster zijn de positieve ionen zoveel mogelijk omring door negatieve (en andersom ook).

• Altijd neutraal  daarvoor moeten ze wel in de juiste verhoudingsformule staan.




 




Verhoudingsformule:

Voorbeeldvraag:

a.) Geef de verhoudingsformule van magnesiumfosfaat.

Antwoord:

a.) Mg2+ = het magnesium ion, PO43- = het fosfaat ion.




 




Mg2+PO43-  wordt Mg3(PO4)2




 






Molecuul- en structuurformule:




 




Molecuulformule suiker: C12H22O11

Structuurformule suiker:

        




 




 




 




 




 




 




 




• De covalentie van een atoom wordt mee bedoeld hoeveel bindingen een atoom kan aangaan. Van de niet-metalen zijn de covalente van de groepen:

o Groep 14: 4

o Groep 15: 3

o Groep 16: 2

o Groep 17: 1

• Atoombinding = Covalente binding = een elektronenpaar

• Organische moleculen: kunnen door levende organismen gemaakt worden.

• Anorganische moleculen: kunnen niet door leven organismen gemaakt worden.




 






Naamgeving van Anorganische moleculen:

Element: Naamgeving eerste atoom/tweede atoom Aantal Griekse telwoorden

O Zuurstof/oxide 1 Mono

S Zwavel/sulfide 2 Di

Cl Chloor/chloride 3 Tri

F Fluor/fluoride 4 Tetra

C Koolstof/ - 5 Penta

H Waterstof/ - 6 Hexa

P Fosfor/fosfide 7 Hepta

N Stikstof/nitride 8 Octa




 




Voorbeelden met anorganische moleculen:

• Stikstofmono-oxide  NO

• Fosfortrichloride  PCl3




 






Voorbeeldvraag:

a.) Hoeveel elektronen delen twee stikstofatomen in N2

Antwoord:

a.) Stikstof zijn elektronen configuratie is 2,5

• K-schil = 2

• L-schil = 5

Stikstof wil dus 3 elektronen erbij, dus ontstaat er een drievoudige binding.

2 x 3 = 6 elektronen die gedeeld worden

Twee stikstofatomen delen dus 6 elektronen




 




 




 






§6 – Water

• Water heeft een heel kleine molecuulmassa. Tóch is het kookpunt heel hoog. Dit komt door de waterstofbruggen oftewel H-bruggen. Water is daarom ook een dipoolmolecuul  er is een ladingsscheiding, deze wordt aangegeven door:

Dit noem je de elektronegativiteit: de mate waarin een stof aan elektronen trekt. Bij H-atomen is die altijd lager dan bij N en O. Daarom krijgen O en N atomen een kleine negatieve lading.

• Stoffen die oplosbaar zijn in water zijn

Hydrofiel. Stoffen die geen waterstofbruggen kunnen maken zijn dus niet oplosbaar in water. Dan noem je de stoffen hydrofoob.




 




Voorbeeldopgave:

a.) Ethanol lost goed op in water. Teken dit op microniveau.

Antwoord:

a.) Je ziet bij ethanol (C2H6O) dat er een waterstof

brug gemaakt kan worden. Er is namelijk een OH-verbinding. Vanuit de H,

kan je dus een waterstofbrug tekenen.

En vanuit de O ook.

De O gaat altijd naar de H, de H gaat altijd naar de O.

§7 – Rekenen aan reacties:




 




     X molecuulmassa                : 6,02 x1023

 

   : molecuulmassa              X 6,02x1023 




 




 




 




Voorbeeldopgave:

a.) Hoeveel mol kwikatomen bevindt zich in 15 gram kwik.

Antwoord:

a.) Kwik = Hg, 15 gram kwik.

Mol = gram : molecuulmassa kwik

Mol = 15 : 200,6 = 0,075 mol kwikatomen.



REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

R.

R.

Het is soms erg onduidelijk, alsof er dingen ontbreken

1 jaar geleden