ADVERTENTIE
Open Avond = ontdekken of jij hier past Leren is keuzes maken. Continu blijven zoeken, twijfelen, vallen en opstaan. Dát leren, dat leer je bij Hogeschool Inholland. Tijdens onze Open Avond op woensdag 30 oktober staan onze studenten en docenten klaar om al je vragen te beantwoorden. Kom langs en ontdek of jij hier past.

Meer info!

Nieuw Topniveau - Hoofdstuk 1
Doelen:
schrijfdoel: wat je met je tekst wil bereiken.
spreekdoel: wat je met het spreken wil bereiken
spreekdoel en schrijfdoel samen = tekstdoel.
Verschillende tekstdoelen: informeren, overtuigen, beschouwen, activeren, amuseren.
Zakelijke teksten kun je in 3 hoofd- of tekstsoorten onderbrengen:
- Informatieve teksten: doel informatie verschaffen. Ze bevatten controleerbare feiten, en zijn objectief (geen mening).
- Persuasieve teksten: bevatten feiten, maar ook mening van de schrijver. Is subjectief, maar kunnen ook informatie geven
- Activerende teksten: bevatten mening van de schrijver. Hoofddoel is lezer aanzetten tot actie. Dus duidelijk subjectief
Tekstdoel uitgangspunt tekstsoort Tekstvormen:
-Informeren Feiten (objectief) Informatief Bericht, verslag, uiteenzetting, zakelijke brief
-Overtuigen Mening (subjectief) Persuasief Betoog, beschouwing, zakelijke brief, recensie
-Activeren Mening (subjectief) Activerend Advertentie, folder, affiche, zakelijke brief, recensie
-amuseren diverterend Verhaal, toneelstuk, gedicht
hoofdgedachte:
hoofdgedachte: bestaat uit 1 zin. Kijk goed naar titel, inleiding, slot en de kernzinnen, om de hoofdgedachte te bepalen
Beeldspraak:
stijlmiddelen: taalmiddelen waarmee je iets op een meer persoonlijke manier kunt zeggen.
Beeldspraak: je maakt gebruik van beelden die een treffende overeenkomst hebben met iets of iemand. 4 soorten:
• vergelijking (mijn zakgeld verdwijnt als sneeuw voor de zon)
• metafoor: hierbij neemt het beeld direct de plaats in van de persoon die of datgene wat wordt uitgebeeld (die domme gans spelt zelfs haar naam verkeerd)
• personificatie: een zaak wordt als een persoon voorgesteld (intieme romans nemen u mee naar.., de nacht is mijn getuige)
• metonymia: je noemt bijv. in plaats van het geheel het deel, of andersom. Of je noemt niet het product, maar de maker ervan (doe niet zo flauw, neem nog een kopje. Een Ajax-supporter: Amsterdam heeft het weer goed gedaan. Ik heb een echte Herman Brood gekocht. )
• tautologie: om iets te benadrukken zeg je twee keer hetzelfde met verschillende woorden. Deze woorden behoren tot dezelfde woordsoort (bijv 2 zelfst. Nw.) (Elk gerucht of geluid is vervelend, als je moet studeren)
• pleonasme: door middel van een bijvoeglijk naamwoord herhaal je een eigenschap die al in het zelfst nw zit. (In de verte zag je niet meer dan een piepklein stipje)
• antithese: tegenstelling. Door woorden met een tegenstellende betekenis tegenover elkaar te plaatsen vallen ze meer op (Meer smaak. Minder nodig)
• Paradox: schijnbare tegenstelling. Als je er goed over nadenkt, zijn de schijnbare tegengestelde begrippen heel goed te combineren. (Hij is al twee jaar getrouwd, maar nog steeds vrijgezel)
• Hyperbool: overdrijving. (betaald voetbal moet worden verboden, want bij elke wedstrijd wordt er voor miljoenen schade aangericht)
• Understatement: afzwakking, dus het tegenovergestelde van een hyperbool. (Ja, die Van Basten kon wel een aardig balletje trappen)
• Eufemisme: iets wat minder aangenaam of netjes is, wordt op een verzachtende manier onder woorden gebracht. Eufemisme is niet spottend bedoeld. Understatement wel beetje. (hij heeft gisteren afscheid genomen van het aardse bestaan)
• Ironie: milde vorm van spot. Het omgekeerde zeggen van wat wordt bedoeld. (die jas is zeker speciaal voor jou ontworpen!)
Om duidelijk te laten zien dat iets ironisch is, plaatst hij het woord tussen aanhalingstekens (dat heb je maar weer eens ‘keurig’ gedaan.
• Sarcasme: een spottende opmerking om iemand anders te kwetsen.
brainstormen: je schrijft in telegramstijl snel alles op wat je over het onderwerp te binnen schiet.
Vaste vragen:
om je voorkennis over het gekozen onderwerp op een rijtje te krijgen. Deze vragen stel je met behulp van vraagwoorden: Wie? Wat? Welke? Waar? Wanneer? Waarom? Waarmee? Hoe?
Hiermee kan je specifieke vragen stellen (bijv. Wie zijn erbij betrokken? Wat is het doel ervan?)
Schrijf- of spreekplan: geef je per alinea kort aan wat je gaat behandelen:
Alinea functie Inhoud (kort)
1 Inleiding (voorbeeld) (probleemstelling) In sommige plaatsen spijbelprojecten; bijv in S. Waarom spijbelen leerlingen?
2 Verklaring 1 Veel lessen vervelend
3 Verklaring 2 Buiten school altijd iets interessants te beleven
4 Verklaring 3 Soms best spannend
5 Gevolgen (nadelen) Rondhangen thuis en in stad. Ook negatieve gevolgen, niet alleen voor carrière
6 Slot (afweging) (conclusie) Spijbelen wel verleidelijk, maar niet verstandig.
informatie zoeken:
- naslagwerken: algemene informatie over allerlei onderwerpen. Vaak bevatten ze verwijzing naar andere informatiebronnen.
Maak gebruik van:
*encyclopedieën *woordenboeken *overzichtswerken *jaarboeken, almanakken, adressenboeken en bibliografieën: deze informatie kunnen je snel doorverwijzen, zodat je informatie kunt opzoeken of aanvragen.
knipsel- of documentatiemappen: bevatten artikelen over actuele onderwerpen, die uit verschillende kranten en tijdschriften zijn gehaald.
- Keuzelijsten: folders over actuele onderwerpen waarin boeken, artikelen en andere materialen worden genoemd die je op het goede spoor kunnen zetten
- Kranten en tijdschriften. Bekendste landelijke dagbladen: volkskrant, NRC Handelsblad, Trouw, Telegraaf, Algemeen Dagblad
- Audiovisuele hulpmiddelen: videobanden met interviews, voorlichtingsprogramma’s of tv-documentaires. Ook de geautomatiseerde bronnen. Internet
- Op trefwoord
Bronvermelding:
-van een artikel uit een krant of tijdschrift: M. van Lieshout, ‘Makers emotie-tv willen gevolgen liever niet zien’. In: de volkskrant, 4 maart 2004.
-Van een boek: A. Konig, ‘Crisisbegeleiding in de school’. Nijmegen 2004
-van een lemma in een encyclopedie: Lemma ‘reclame’. In: Grote Spectrum Encyclopedie, Utrecht 2004. Pag. 543-546.
-van een documentaire: Tv-programma ‘Gezondheidszorg in Nederland’, Nederland 1,2 mei 2004
Schrijver en zijn doel:
Een schrijver bereikt zijn doel als zijn tekst aansluit bij het niveau van het beoogde publiek. Volgende eigenschappen moeten de lezer of luisteraar aanspreken:
*inhoud *taalgebruik *opbouw en presentatie *dosering vd informatie *de toon en de gebruiksomgeving/situatie
Het is ook belangrijk dat de tekst voldoende nieuwswaarde bezit, boeiend, interessant en betrouwbaar is;
-niveau (begrijpelijkheid): het niveau moet geschikt zijn voor de beoogde doelgroep
-aantrekkelijkheid (voldoende nieuwswaarde, boeiend)
-betrouwbaarheid
taalgebruik; volgende elementen spelen een rol bij het taalgebruik voor een bepaalde doelgroep: woordkeus, zinsbouw, figuurlijk taalgebruik en ingewikkelde, abstracte formuleringen
*woordkeus: een tekst met weinig moeilijke woorden leest prettiger dan een tekst met veel lastige termen. Wees voorzichtig met vaktermen
*zinsbouw: het is lastig om een tekst met te lange zinnen meteen te begrijpen.
*figuurlijk taalgebruik: hoe meer figuurlijk taalgebruik, hoe lastiger de tekst. (bijv. geen pijl kunnen trekken op; gevoelens losmaken; munt uit iets slaan)
*ingewikkelde, abstracte formuleringen: de lezer zal dan gauw de moed opgeven.
De opbouw en presentatie moeten ook passend zijn voor een doelgroep;
*overzichtelijke opbouw: moet overzichtelijke opbouw hebben: inleiding, middenstuk, slot. Ook in alinea’s. logische manier+logische volgorde. Tussenkoppen.
*aantrekkelijke presentatie: overzichtelijk ingedeeld. Vaak in kolommen. Tekst in blokken. Voldoende wit om de tekst. Afwisseling van tekst en illustratiemateriaal.
*bijzondere presentatie: sommige bladen willen juist door een bijzondere presentatie opvallen.
*opvallen: een aankondiging of advertentie zal de lezer opvallen als de presentatie kort, helder en duidelijk is.
*spreken: voor wie een publiek wil toespreken, geldt hetzelfde als voor wie schrijft: de presentatie is bijna even belangrijk als de inhoud; pakkend begin, duidelijke voorbeelden, illustraties enz. zorg ervoor dat je je luisteraars aankijkt.
Taalgebruik en toon hangen af van de gebruiksomgeving van de tekst en de gebruikssituatie. Er zijn 4 bepalende factoren:
- de relatie met de lezer of toehoorder: hangt van je relatie met de lezer af welke taalgebruik en welke toon je gebruikt. Veel verschil tussen brief naar vriend, vage kennis, een onbekende enz. formeel of informeel.
- Tekstvorm: de soort tekst bepaalt het taalgebruik en de toon. Persoonlijke brief, zakelijke brief, reclametekst, informatief artikel enz.
- Publicatieplaats: taalgebruik en toon worden ook beïnvloed door het feit dat een tekst wordt gepubliceerd. Publiekstijdschrift heeft andere toon dan artikel voor opinieweekblad.
- Tekstdoel en situatie: taal en toon hangen af van het tekstdoen en de situatie. Maakt uit of je wilt informeren, overtuigen of activeren. Verschil tussen klacht of verzoek enz.
Checklist publiekgerichtheid:
A taalgebruik: Veel moeilijke woorden? Veel eenvoudige woorden? Veel vaktaal? Lange zinnen? Ingewikkelde zinsbouw? Veel figuurlijk taalgebruik?
B Inhoud: goede, duidelijke inleiding? Duidelijke probleem- of vraagstelling? Informatie goed over de delen verdeeld? Voldoende nieuwswaarde? Meningen goed beargumenteerd? Feiten controleerbaar gemaakt?
C Presentatie: duidelijke alinea’s? voldoende pauzes? Duidelijke opbouw in inleiding, middenstuk en slot? Tussenkopjes aanwezig? Goede illustraties? Duidelijke typografie? Goed verstaanbaar? Oogcontact met publiek?
D toon: persoonlijk of zakelijk? Formeel of informeel? Populair of gewoon?
- tautologie: als een zin een bepaald begrip twee keer uitdrukt (met andere woorden) zonder dat het een functie heeft. Foutieve tautologie: Hij krijgt weliswaar een lager loon, maar het werk bevalt hem echter stukken beter. Echter is overbodig
- Foutief pleonasme: wanneer een gedeelte van een begrip dat al zit opgesloten in een ander woord, nog eens wordt genoemd zonder dat het een functie heeft: wanneer we verzekerd willen zijn van een tafel voor vier personen, kunnen we beter van tevoren even reserveren. Van te voren overbodig.
- Woord te veel: vaak komt het voor dat er te veel woorden in een zin staan, doordat hetzelfde woord wordt herhaald. De crematie zal plaatsvinden op 2 juli a.s. in het crematorium te Haringhuizen bij Schagen. De toevoeging a.s. is wel gebruikelijk maar overbodig
- Dubbele ontkenning: dubbele ontkenning is eigenlijk bevestiging. Wie een dubbele ontkenning gebruikt, zegt eigenlijk het tegenovergestelde van wat hij bedoelt. De fractievoorzitter van het CDA vindt dat de gemeente moet voorkomen dat de mensen niet onder de armoedegrens zakken. Voorkomen en niet; 1 van de 2 moet weg.
Soms wordt er ten onrechte een woord weggelaten of kan een woord beter op een andere plaats in de zin staan. De architect vindt dat het zwart geschilderde toegangshek aan het begin van de oprijlaan niet fraai staat en moet daarom verdwijnen. Het woordje ‘het’ moet tussen ‘en’ en ‘moet’.
- Contaminatie: Twee woorden of uitdrukkingen met eenzelfde betekenis kunnen door elkaar worden gehaald. Hij behoort tot een van de beste voetballers. Het moet zijn: hij behoort tot de beste voetballers. Hij is een van de beste voetballers.
woorden:
- a(n)- = niet, zonder
- anti- = tegen
- auto- = zelf
- bio- = leven
- co-, col-, com-, con- =samen, met/ mee-
- contra- = tegen
- de- = ont, weg-

woorddelen:
- ex- = uit
- il-, im-, in-, ir-, = niet, on-
- inter = tussen
- mono- = alleen, één
- neo- = nieuw
- pre- = voor
- pseudo- = vals
- re- = opnieuw, weer
- sym-, syn- = samen
- tele- = ver-, verre-

verkeerde woord/ woorden:
 aansprakelijk = bij schade of verlies,
 verantwoordelijk = bij een opdracht of verplichting,
 als = bij een gelijkheid
 dan = bij ene ongelijkheid (vergrotende trap)
 blijkbaar = zichtbaar zijn
 schijnbaar = niet werkelijk
 daardoor = door een oorzaak
 zodoende = door iets te doen
 te danken = bij iets positiefs
 te wijten = bij iets negatiefs
 toe te schrijven = neutraal
 doordat = noemt een oorzaak; het gaat vanzelf
 omdat = noemt een reden; het gebeurt bewust
 hen = lijdend voorwerp
 hun = meewerkend voorwerp (aan hen)
 hun = ‘hun’is nooit onderwerp
 zij = zij/ ze; kan het onderwerp zijn,
 met behulp van = bij gebruikmaking van een werktuig
 met de hulp van = bij personen
 mits = op voorwaarde dat
 tenzij = behalve als
 niet het minst = vooral
 niet in ’t minst = helemaal niet
 overschatten = te hoog schatten
 onderschatten = te laag schatten
 rede = toespraak
 reden = argument, verklaring
 twijfelen = onzeker zijn
 weifelen = dubben, niet weten wat je zult doen,

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.