HS 19
- Een balans is een overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen op een bepaald tijdstip.
- op een balans staan voorraadgrootheden, dit zijn voorraden zoals handelsvoorraden, kasgelden en banksaldi die op een bepaald moment een zekere waarde hebben.
- debetzijde = links, activa, bezittingen van de organisatie.
- Creditzijde = rechts, passiva, schulden en het eigen vermogen v/d organisatie.
- Een balans is altijd in evenwicht.
- Eigen vermogen= totaal v/d bezittingen( totale activa) - totaal v/d schulden( kort en langlopend)
- Vaste activa zijn bezittingen waar een organisatie langer dan een jaar de beschikking over heeft.
- Tot de immateriële vaste activa behoren niet grijpbare bezittingen als octrooien, licenties, concessies en goodwill.
- Een octrooi is het recht dat de uitvinder of ontwikkelaar van een nieuwe techniek of procédé heeft om gedurende een bepaalde periode als enige die techniek te mogen toepassen.
- Een licentie is als octrooihouders andere producenten tegen betaling gebruik laten maken van hun octrooi.
- De overheid verleent concessies als ze bv een oliemaatschappij het recht geven om aardgas of aardolie te winnen. De oliemaatschappij moet de overheid voor elk gewonnen vat een afdracht betalen.
- Goodwill ontstaat als een onderneming een andere onderneming opkoopt en daar meer voor betaalt dan de balanswaarde. Dit doet zich voor als de overgenomen onderneming nog goede winstverwachtingen heeft.
- Tot de materiële vast activa behoren bezittingen zoals grond, gebouwen, transportmiddelen, machines, computers e.d
- Financiële vaste activa zijn onder andere deelnemingen in andere bedrijven. Van een deelneming is sprake wanneer een onderneming een aanzienlijk deel van het eigen vermogen van een andere onderneming bezit met het doel met die andere onderneming samen te werken. Als het oogmerk van samenwerking niet aanwezig is, dan noemen we zo’n kapitaalbedrag in een andere onderneming een belegging. Het kapitaalbelang in de andere onderneming moet van redelijk grote omvang zijn om van deelneming te kunnen spreken. Kapitaaldeelname van >20% is deelname. Kapitaaldeelname <20% is belegging. Als een onderneming een zo groot kapitaalbedrag heeft in de andere onderneming dat ze die feitelijk geheel kan beheersen, is er geen sprake meer van deelneming maar van een verhouding moeder/dochtermaatschappij. Vaak ontstaat dan een ingewikkeld netwerk van moeder-en dochtermaatschappijen. Zodra zo’n netwerk aan bepaalde voorwaarden van interne samenhang, samenwerking en afhankelijkheid voldoet is er sprake van economische eenheid.
- Vlottende activa bestaan uit bezittingen die korter dan een jaar binnen de organisatie aanwezig zullen zijn. Binnen een jaar zijn ze weer verkocht, versleten of gebruikt of verbruikt in het productieproces.
- Eigen vermogen: in een eenmanszaak is mag de eigenaar het eigen vermogen beschouwen als zijn eigendom. In een vennootschap onder firma het eigen vermogen het bezit van de gezamenlijke vennoten. In een NV of BV valt het eigen vermogen toe aan de gezamenlijke aandeelhouders. We kunnen in een BV of NV verschillende diverse posten onderscheiden van het eigen vermogen.

Eigen vermogen:
Statutair aandelenkapitaal
Aandelen in portefeuille
Geplaatst aandelenkapitaal
Nog te storten door aandeelhouders
Gestort aandelenkapitaal
Agioreserve
Herwaarderingsresverve
Overige reserves
Onverdeelde winst.
- statutair aandelenkapitaal: bij de oprichting van een NV of BV word een akte opgesteld. Een deel van deze akte bevat de statuten van de nieuwe vennootschap. In de statuten staat onder andere vermeld:
• de grootte van het maatschappelijk kapitaal: dit is het maximale aandelenvermogen wat kan worden uitgegeven.
• Het aantal aandelen en de nominale waarde per aandeel
• De regels aangaande het stemrecht van de aandeelhouders
• De regels met betrekking tot de winstverdeling.
- nog te storten door aandeelhouders.
Soms komt het voor, dat bij een aandelenemissie de aandeelhouders slechts een deel van de emissieprijs in 1 keer moeten storten. Dit gebeurt met name wanneer de NV nog niet de behoefte heeft aan het volledige bedrag. Het dividend wordt betaald over het gestorte bedrag.
De niet volgestorte aandelen kunnen fungeren als een garantievermogen.
- een reserve is het bedrag waarmee het eigen vermogen het geplaatste aandelenvermogen overtreft.
Het geplaaste aandelenvermogen is opgebracht door de aandeelhouders. Reserves ontstaan door: - plaatsing van aandelen met een agio
- winstinhouding
- waardestijging van activa.
- het agio is het (positieve) verschil tussen de emissiekoers en de nominale waarde van de aandelen. Het totale agio dat de onderneming bij een emissie ontvangt, komt tot uiting in de balanspost agioreserve.
Winstinhouding
Dat deel van de winst waarop derden geen aanspraak hebben, komt toe aan de vennootschap. Een deel van de winst, het dividend, wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders. Het restant wordt toegevoegd aan het eigen vermogen in de vorm van een reserve.
Enkele redenen waarom bedrijven het eigen vermogen via winstinhouding versterken zijn:
- geleidelijke vergroting van het eigen vermogen in verband met de uitbreiding van het bedrijf: investeringen kunnen dan gefinancierd worden met eigen vermogen(zelffinanciering).
- Dividendstabilisatie: de in de vette jaren gereserveerde winst kan in magere jaren worden gebruikt om de dividendbetaling in stand te houden. Voor dit doel wordt een afzonderlijke reserve gevormd: dividendreserve.
- een voorziening is een geschatte toekomstige verplichting.
Voorbeelden van voorzieningen zijn:
- pensioenverplichting ten opzichte v/h personeel
- belastingvoorziening( voor verwachte belastingaanslagen)
- garantieverplichtingen in verband met verkochte goederen.
- Periodiek onderhoud van de gebouwen.
- langlopende schulden zijn schulden met een resterende looptijd van meer dan een jaar.
Bijv: obligatieleningen, hypotheken en onderhandse geldleningen.
- kortlopende schulden: hieronder vallen crediteuren, nog te betalen bedragen, vooruit ontvangen bedragen en de aflossing van langlopende schulden voor zover die in het komende jaar gaan plaatsvinden. De nog te betalen bedragen noemen we ook wel de overlopende of transitorische passiva.
- voor de bepaling van het jaarlijkse afschrijvingsbedrag moeten we antwoord hebben op e volgende vragen: - hoe lang is de levensduur van het materiaal vaste actief?
- wat is de restwaarde aan het eind van de levensduur
- welke afschrijvingsmethode gebruiken we?
De technische levensduur is de periode dat het materiaal vaste actief in staat is zijn ‘prestaties te leveren’. Al dan niet dankzij regelmatig onderhoud en het uitvoeren van reparaties.
De economische levensduur is de periode waarin het materiaal vaste actief winstgevend gebruikt kan worden.
De restwaarde is de waarde die het materiaal vaste actief nog heeft als de economische levensduur is voltooid.

Bij onroerende goederen( gebouwen) en machines is er soms een negatieve restwaarde.
De onderneming moet dan nog kosten maken om het productie middel buiten gebruik te stellen.
Jaarlijkse afschrijving: aanschafwaarde- restwaarde / levensduur = A-R / n
- De waarde waarvoor het materieel vaste actief op een bepaald moment nog in de boeken staat is de boekwaarde van dat moment.
Met betrekking tot de waardering van handelsposten bestaan uit diverse methoden. We behandelen hier achtereenvolgens 2 methoden die gebaseerd zijn op de historische uitgaafprijs of aanschafwaarde: fifo & lifo
Fifo: first in, first out
Lifo: last in, first out.
De resultatenrekening geeft een specificatie van het behaalde resultaat. Ze laat zien hoe het resultaat is opgebouwd. Opbrengsten en kosten worden tegenover elkaar gezet. De informatie die zodoende wordt verkregen is belangrijk. Belanghebbenden zoals aandeelhouders, werknemers, leveranciers, afnemers, banken en overheid vinden dit belangrijke informatie.
De cash flow is de kasstroom die in het afgelopen periode per saldo de onderneming is binnengevloeid als gevolg van de bedrijfsactiviteiten. We kunnen de cash flow berekenen vanuit een gegeven resultatenberekening.
Cash flow: nettoresultaat- belasting over de winst + afschrijvingen.
Na afloop van een periode wordt de ‘rekening opgemaakt’. Hoeveel is er werkelijk afgezet, wat was de feitelijke verkoopprijs en wat was de werkelijk betaalde inkoopprijs. We spreken dan van nacalculatie.

Transitirosche posten zijn uitgaven, ontvangsten, vorderingen of schulden die betrekking hebben op 2 opeenvolgende boekjaren.
Er zijn verschillende kengetallen aan de hand waarvan we de liquiditeit van een onderneming kunnen vaststellen. Dat zijn:
De current ratio
De quick ratio.
De current ratio is de verhouding tussen de vlottende activa( voorraden, vorderingen en liquide middelen) en het kort vreemd vermogen( of kortlopende schulden)
Current ratio: vlottende activa / kort vreemd vermogen
Quick ratio= vlottende activa – voorraden / kort vreemd vermogen
Solvabiliteit is de mate waarin een organisatie- desnoods na opheffing- alle schulden(zowel kortlopende als langlopende) kan terugbetalen.
Solvabiliteit = totale activa / vreemd vermogen x 100%
De rentabiliteit van het totale in een onderneming geïnvesteerde vermogen( RTV) is de winst plus de betaalde rente in procenten van het gemiddeld geïnvesteerde totale vermogen.
RTV= winst + interest / gemiddeld totaal vermogen x 100%
Het hefboomeffect is het verschijnsel, dat als de kosten van vreemd vermogen lager zijn dan de rentabiliteit van het totale vermogen, de rentabiliteit van het eigen vermogen groter wordt dan de rentabiliteit van het totale vermogen.
De verhouding VV / EV wordt de hefboomfactor genoemd
Het totale hefboomeffect wordt weergegeven met (RTV / VV / EV

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.