Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Politieke besluitvorming, massamedia, criminaliteit en rechtsstaat

Beoordeling 7.3
Foto van Kelly
  • Samenvatting door Kelly
  • 5e klas havo | 2417 woorden
  • 18 juni 2016
  • 8 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.3
  • 8 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode




Maatschappijwetenschappen



Criminaliteit & Rechtsstaat



Kelly Drijver





Hoofdstuk 1 Wat is criminaliteit?



1.1 Strafbaar gedrag



2 Definities van criminaliteit:



Formeel: Het geheel van gedragingen dat wettelijk strafbaar is gesteld.



In de praktijk: Het geheel van gedragingen dat door bevolking als strafbaar wordt beschouwd:




  • tijd en plaats gebonden

  • wordt beïnvloed door media

  • cultureel bepaald





Waarde= Een principe dat mensen belangrijk vinden om na te streven.



Normen= gedragsregels



Rechtsnormen= Normen zo belangrijk zijn dat ze in wetten worden vastgelegd.



Delict= De juridische benaming van strafbaar gedrag.



Misdrijven= De meer ernstige strafbare feiten zoals diefstal, mishandeling, moord, fraude, rijden onder invloed en vernieling.



Overtredingen= De minder ernstige strafbare feiten, zoals rijden door rood licht of het onbevoegd betreden van iemands terrein.



Strafwaardig= Gedrag dat volgens iemand of een grotere groep mensen strafbaar zou moeten zijn.



Criminalisering= Het strafbaar worden van bepaald gedrag.



Decriminalisering= Een strafbare gedraging wordt uit het strafrecht gehaald en is daardoor niet langer verboden.





Welke gedragingen wel/niet strafbaar worden gesteld is afhankelijk van:




  • De maatschappelijke context.

  • De ernst van de gevolgen

  • De morele opvattingen van de mensen met veel politieke macht.





1.2 Criminaliteit als maatschappelijk en politiek probleem



Criminaliteit is een maatschappelijk probleem, omdat:




  • Het heeft veel (im)materiële gevolgen voor de samenleving.

  • Het houdt verband met andere maatschappelijke ontwikkelingen.

  • Tegengestelde belangen als veiligheid en vrijheid spelen een grote rol.

  • Voor de oplossing is een sturende rol van de overheid noodzakelijk.





Materiële schade:




  • Directe financiële schade

  • Indirecte financiële schade

  • Kosten voor criminaliteitsbestrijding







Immateriële schade:




  • Gevoelens van onveiligheid

  • Emotionele en psychische problemen

  • Morele verontwaardiging

  • Veranderende opvattingen over goed en kwaad





Toe- en afname van criminaliteit in verband met andere maatschappelijke ontwikkelingen:




  • Afnemend gezag van de overheid.

  • Afnemende betekenis van het maatschappelijke middenveld (school, kerk, vereniging) => individualisering.

  • Minder sociale controle.

  • Veranderend normen- en waardenbesef.

  • Toegenomen welvaart.

  • De afgenomen pak- en strafkans.

  • Werkloosheid

  • Technologische ontwikkelingen.

  • Internationalisering.





Veiligheidsparadox: Hoe meer veiligheid we hebben, hoe erger we een inbreuk daarop ervaren.



Veiligheidsutopie: Het (onhaalbare) verlangen naar het samenvallen van maximale vrijheid en veiligheid.





*Samenvatting blz 3 - Gemeenschappelijke oplossing nodig









H2 Aard en omvang van criminaliteit



2.1 Soorten criminaliteit



Soorten criminaliteit:




  • Delicten tegen de openbare orde en het gezag.

  • Geweldsdelicten tegen elven en persoon (moord/mishandeling).

  • Ruwheidsdelicten (vernieling/graffiti)

  • Vermogensdelicten (diefstal/inbraak)

  • Seksuele delicten (aanranding/verkrachting)

  • Verkeersdelicten (autorijden onder invloed)

  • Milieudelicten (dumpen van chemisch afval)





2.2 Beeldvorming rond criminaliteit



* Samenvatting blz 4/5





2.3 Het meten van criminaliteit



Kwalitatieve methoden (diepte)




  • Diepte interviews

  • Open vraagstelling





Kwantitatieve methoden (hoeveel):




  • Slachtofferenquêtes.

  • Dader enquêtes.

  • Politie- en rechtbank statistieken





Slachtofferenquêtes:




  • Geven beeld van zaken waar men niet snel aangifte van doet/gevoelens van mensen



Nadelen:




  1. Illegalen, toeristen en jongeren onder de 15 worden onderbelicht.

  2. Verwijzing delicten (zedendelicten)

  3. Subjectieve meting (wat voor de 1 criminaliteit is)

  4. Alleen veelvoorkomende (steekproef)

  5. Slachtofferloze criminaliteit (rijden onder invloed etc.)





Politiestatistieken:




  • Geven informatie over misdrijven die zijn aangegeven/ontdekt..

  • Politie schrijft proces verbaal (Verslag: tijdstip, de plaats en de toedracht van een overtreding/misdrijf/ongeluk.)



Nadelen




  1. Aangifte bereidheid is bij sommige vormen van criminaliteit beperkt

  2. Sommige delicten worden niet ontdekt (dronken rijden)

  3. Sommige delicten zijn minder zichtbaar (witteboordencriminaliteit.)





*samenvatting: blz 6 - Kanttekeningen



H3 Hoe ontstaat crimineel gedrag?



3.1 Wie is crimineel?



Gemeenschappelijke kenmerken:




  • Geslacht (vaker mannen dan vrouwen)

  • Leeftijd (jongeren eerder dan ouderen)

  • Maatschappelijke positie (lager eerder dan hoger)

  • Etnische afkomst

  • Woonomgeving





Uit onderzoek blijkt dat mensen vooral in hun adolescentie (16-23) delicten plegen.



Kenmerken jeugdcriminelen:




  • Weinig besef van geldende normen (niet uit huis meegekregen)

  • Relatief veel problemen (drugs, alcohol, schulden)

  • Gebrekkige sociale vaardigheden

  • Weinig perspectief (laag opleidingsniveau en persoonlijke problemen)





3.2 Oorzaken van crimineel gedrag



Criminologie= De wetenschap die onderzoek doet naar (de oorzaken van) strafbaar gedrag en de gevolgen criminaliteit voor de samenleving.



Beschrijvende criminologie: Is er om een helder en compleet beeld te geven van de aard en omvang van de criminaliteit.



D.m.v. Dader- en slachtofferenquêtes



Theoretische criminologie: Probeert crimineel gedrag te verklaren.





Twee soorten:




  1. Microniveau (vanuit de individuele situatie en de persoonskenmerken van criminelen)

  2. Macroniveau (vanuit structurele en culturele kenmerken van samenlevingen als geheel)





Microniveau




  • Onderzoek richt zich op biologische (erfelijkheid, emoties), psychologische risico zoekend gedrag) en sociaalpsychologische (risicofactoren als gezin/school) verklaringen

  • Neutralisatie: Het ontkennen van de eigen verantwoordelijkheid voor crimineel gedrag.





Macroniveau




  • Structurele verklaringen voor crimineel gedrag en criminaliteit door het te zien als een gevolg van maatschappelijke ongelijkheid en sociale omgeving.

  • (Sub)culturele verklaringen door criminaliteit te zien als een gevolg te zien van culturele verschillen.



3.3 Theorieën over criminaliteit



Lombroso-theorie:




  • Theorie van de geboren misdaad.

  • Fysieke kenmerken: brede kaken, doorlopende wenkbrauwen etc.





Aangeleerd gedragstheorie:




  • Crimineel gedrag wordt aangeleerd. Ga je om met delinquenten, dan zal je sneller geneigd zijn tot crimineel gedrag

  • Het gezin, de buurt en de vriendengroep (peergroup) zijn hierin bepalend.





Gelegenheidstheorie/rationele keuze theorie:




  • Aanwezigheid van potentiële daders + aanwezigheid van doelwitten + afwezigheid van sociale bewaking = bepaald niveau criminaliteit.

  • De gelegenheid maakt de dief!

  • Oplossing: Minder kansen bieden aan (potentiële) criminelen: meer bewaking, controle, pakkans vergroten, etc.





Anomietheorie:




  • Snelle, ingrijpende sociale veranderingen leiden tot collectieve normvervaging, normonzekerheid, normloosheid (anomie).

  • Criminaliteit is normaal

  • In Westerse samenleving, grote nadruk op bereiken van materiële welvaart en hoge sociale status die echter niet door iedereen bereikt kan worden: anomie kan hierdoor ontstaan.

  • Oplossing: maatschappelijke ongelijkheid verkleinen.





Etiketteringstheorie:




  • De crimineel wordt ‘gemaakt’’ door hem of haar crimineel te noemen.

  • ‘Waarom niet naar mijn etiket handelen?

  • Oplossing: Niet stigmatiseren maar mensen die zich crimineel hebben gedragen kansen bieden om te (re)integreren in de samenleving.





Bindingstheorie/Intergratietheorie:




  • Waarom zijn mensen juist niet crimineel: Immers ‘we all would if we could.’

  • Sociaal aangepast gedrag is gevolg van binding.

  • Het uitgangspunt bij de verklaring van delinquentie is het gebrek aan attachment, de affectieve binding met anderen, zoals ouders, vrienden en collega’s.









Socialecontroletheorie:




  • Criminaliteit wordt voorkomen door de dreiging van sancties. Hieronder vallen zowel formele als informele sancties.

  • Noodzakelijk hiervoor zijn de sociale binding en de daaruit voorkomende sociale controle (stap verder dan bindingstheorie) → pakkans.

  • Oplossing: Meer sociale controleren, overtreders aanspreken op hun gedrag, potentiële overtreders het gevoel geven dat er op hen ‘gelet’ wordt.





Differentiële-associatie theorie:




  • Gaat er vanuit dat crimineel gedrag wordt aangeleerd in contact met mensen uit het eigen sociaal milieu; al naar gelang van het sociale milieu zo verschillend-positief o afwijzen- worden gereageerd (associatie) op verschillende soorten crimineel gedrag.









H4 De rechtsstaat



4.1 Regels en rechten



Rechtsstaat= een land waar burgers met wetten worden beschermd tegen macht en willekeur door de overheid.





Rechtsbron= Een officieel document waarin een rechtsregel is vastgesteld:




  • wetten, tot stand gekomen met instemming van de Eerste en Tweede Kamer.

  • Algemene Maatregel van Bestuur, ministeriële regelingen.

  • Gemeenten en provincies mogen regels maken (verordeningen)

  • Jurisprudentie: het geheel van rechterlijke beslissingen waarin de wet nader is uitgelegd en toegepast.





Rechtsregels=




  • Gesteld en gehanteerd door de overheid.

  • Gelden voor iedereen.

  • Gaan voor andere regels/normen.

  • Bieden rechtszekerheid (wat wel/niet toegestaan is)

  • Ordenen de samenleving.

  • Maken onafhankelijke rechtspraak mogelijk.

  • Conflicten vreedzaam oplossen.





Grondbeginselen rechtsstaat:




  • Legaliteitsbeginsel

  • Scheiding van machten

  • Grond- of vrijheidsrechten van burgers zijn in de wet omschreven en gewaarborgd.

  • Onafhankelijke rechter beslist in geschillen





4.2 Rechtsstaat en strafrecht



Triaspolitica:




  1. De wetgevende macht: vormen samen de belangrijkste wetgevende macht. Zij maken wetten waarin wordt vastgesteld wat strafbaar is en wat de maximum straffen zijn.

  2. De uitvoerende macht: Spoort strafbare feiten op en vervolgt de verdachte (Politie en OM) Daarnaast het toezicht op het naleven van wetten en het handhaven van de openbare orde (politie)

  3. De rechterlijke macht: Berechting door rechters die onafhankelijk van het bestuur en onpartijdig zijn.









Strafrecht




  • Welk gedrag is strafbaar en, geen gedrag is strafbaar tenzij de wet het vooraf strafbaar heeft verklaard (legaliteitsbeginsel)

  • Iedereen heeft recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke rechter.

  • Iedereen wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld door de rechter bewezen is geacht (onschuld presumptie)

  • Er zijn wettelijke voorschriften verbonden aan het strafproces.

  • Dwangmiddelen zijn mogelijk, maar strikt aan wettelijke grenzen gebonden.

  • Elke verdachte heeft recht op verdediging.



Strafprocesrecht




  • De procedure van opsporing, vervolging en berechting.

  • Legaliteitsbeginsel: men kan alleen veroordeeld worden voor gedrag dat bij de wet strafbaar is gesteld.

  • Geen straf zonder schuld.

  • De wet kent per delict een maximumstraf.

  • De wet kent uitzonderingen op strafbaarheid (noodweer/overmacht)





4.3 Dillema’s en spanningen




  • Wetten die onze vrijheid (te veel) beperken.

  • (Te) ruime opsporingsbevoegdheden.

  • De dubbele pet van de politie (opsporen strafbare feiten + handhaving openbare orde).

  • De dubbele pet van het O.M.

  • Spanningen tussen politie en O.M.

  • Spanning tussen wetgever en rechter.

  • Werkdruk van rechters.





Klassenjustitie




  • Het sociale milieu heeft invloed op de opsporing, vervolging en berechting van een verdachte.

  • Door verschillen in inkomen, opleiding, scholing en cultuur hebben niet alle verdachten gelijke mogelijkheden om hun belangen even goed te verdedigen.

  • Politie, officieren van justitie en rechters verwachten vaak dat bepaald crimineel gedrag voorkomt bij bepaalde sociale milieus: Er kan sprake zijn van vooroordelen en stereotypen die van invloed zijn op hun manier van optreden.









H5 Overheidsbeleid



5.1 Integraal veiligheidsbeleid




  • nadruk op het voorkomen van onveiligheid.

  • Het strafrecht mag geen belemmering zijn voor de misdaadbestrijding.

  • Burgers worden opgeroepen criminaliteit te melden en worden in toenemende mate ‘’ moreel’ benaderd.

  • Meer beleid ontwikkeld en maatregelen genomen om zogenaamde veelplegers aan te pakken.





Preventief beleid:




  • Voorlichting en onderwijs.

  • Vergroten (sociale) controle.

  • Bevorderen ‘sociale veiligheid’





Repressief beleid:




  • Opsporingsbeleid

  • Vervolgingsbeleid

  • Gevangenisbeleid

  • Nieuwe wetgeving





Recente ontwikkelingen:




  • Uitbreiding van bevoegdheden (de overheid heeft nieuwe bevoegdheden)

  • Toegenomen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

  • Nieuwe maatregelen

  • Groeiende internationale invloed





5.2 Criminaliteitsbeleid in de praktijk





































Soort criminaliteit



nadruk op:



Voorbeeld



veelvoorkomende criminaliteit



Preventie



meer conducteurs op de bus



Jeugdcriminaliteit



Preventie



werkgelegenheidsprojecten



georganiseerde criminaliteit



Repressie



uitbreiding opsporingsbevoegdheden



Witteboordencriminaliteit



Repressie



informatieplicht voor banken



Terrorisme



preventie + repressie



radicalisering tegengaan



extra bevoegdheden voor AIVD






5.3 Standpunten van politieke partijen over criminaliteit



Linkse partijen: leggen de nadruk op de maatschappelijke oorzaken.



Rechtse partijen: leggen de nadruk op individuele oorzaken.






  • Sociaaldemocraten: Crimineel gedrag hangt samen met de maatschappelijke context waarin mensen leven.

  • Liberalen: Rationalistisch individualisme

  • Christendemocraten: De mens is geneigd tot het kwade.





* Boek blz 74/75 – overzicht politieke visies







H6 Opsporen, vervolgen en berechten.



6.1 De politie



Belangrijkste taken:




  • Handhaving van de openbare orde (bescherming veiligheid burgers en preventie)

  • Hulpverlening.

  • Opsporing.





Daarnaast:




  • Toezicht in het publieke domein.

  • Signalering en advisering inzake veiligheid en veiligheidsbeleid.





Vroegsporing: Het voorbereiden van strafbare feiten zonder dat er formeel nog sprake is van een verdachte.





Zonder toestemming:




  • De politie mag een verdachte staande houden (Iemand laten stilstaan om hem te vragen naar personalia)

  • De politie kan een verdachte aanhouden ofwel arresteren.

  • Een verdachte mag worden gefouilleerd (aan zijn kleding en lichaam worden onderzocht.)

  • De politie mag een verdachte in het belang van het onderzoek 6 uur op het bureau vasthouden. Voor verlenging is toestemming nodig.

  • Bewijsmateriaal mag in beslag worden genomen.





Met toestemming:




  • De politie mag een woning binnengaan met een machtiging tot binnentreding.

  • Als er een huiszoekingsbevel door de rechter-commissaris is gegeven, mag de politie in de woning zoeken naar bewijzen.

  • Voor het opvragen van speciale persoonsgegevens, heeft de politie toestemming nodig van de officier van justitie.

  • De politie mag alleen preventief fouilleren in bepaalde gebieden.

  • Als de politie een verdachte 6 uur heeft vastgehouden, kan hij een officier van justitie toestemming geven voor een verlenging van max. 3 dagen.

  • Bij infiltratie moet de officier van justitie steeds toestemming geven.





6.2 Openbaar Ministerie



Taken van het OM:




  • Leiden van opsporingsonderzoek.

  • Vervolgen van strafbare feiten.

  • Doen uitvoeren van opgelegde vonnissen.







Seponeren: Als de OvJ strafzaken niet vervolgt. Redenen hiervoor:




  • Veroordeling lijkt niet haalbaar.

  • De verdachte is al op een andere manier gestraft.

  • Vervolging is niet in het algemeen belang.





Schikken: Het OM heeft de bevoegdheid zelfstandig een straf op te leggen.



Bij delicten waar een maximale gevangenisstraf van zes jaar op staat. Deze strafschikking kan inhouden:




  • Een taakstraf tot 180 uur.

  • Een geldboete.

  • Onttrekking aan het verkeer.

  • Voorwaarden zoals deelname aan een afkickprogramma/straatverbod.

  • Ontzegging van de rijbevoegdheid voor max. 6 maanden.





6.3 De rechter



De organisatie van de strafrechtspraak is als volgt:




  • Strafbare feiten worden berecht door de rechtbank.

  • De overtredingen worden berecht door de kantonrechter, een onderafdeling van de rechtbank.

  • Misdrijven



- Lichte misrijven worden berecht door een rechter, de enkelvoudige kamer die politierechter wordt genoemd. Hooguit 1 jaar gevangenisstraf



- Zwaardere misdrijven worden berecht door een meervoudige kamer met 3 rechters.




  • Het gerechtshof behandelt het hoger beroep.

  • De Hoge Raad behandelt het beroep in cassatie.





Een rechtszaak bestaat altijd uit zeven stappen:




  1. Opening: de rechter controleert de persoonsgegevens van de verdachte. De verdachte moet goed opletten en is niet verplicht op elke vraag te antwoorden.

  2. Aanklacht: De officier leest de aanklacht voor.

  3. Onderzoek: De rechter ondervraagt de verdachte, het slachtoffer en de advocaat. Verdachte hoeft niet de waarheid te spreken, getuigen wel, anders plegen ze meineed.

  4. Requisitoir: OvJ vraagt de rechter om een bepaalde straf: de eis.

  5. Pleidooi: Advocaat houdt pleidooi (verdedigd de verdachte) Vraagt meestal strafvermindering/vrijspraak.

  6. Laatste woord: Verdachte mag spreken (spijt betuigen, excuses aanbieden)




  1. Vonnis: Rechter doet uitspraak. Politierechter: dezelfde dag nog. Meervoudige kamer/gerechtshof: 2 weken later.



H7 Criminaliteit en straf



7.1 Waarom straffen we?




  • Vergelding (subjectieve wens van slachtoffers en/of publiek)

  • Speciale preventie (voorkomen van recidive) en generale preventie (door een voorbeeld te stellen worden anderen afgeschrikt.)

  • Beveiliging van de maatschappij en burgers.

  • Handhaving van de rechtsorde en het voorkomen van eigenrichting.

  • Heropvoeding (resocialisatie) voorbereiden van de gedetineerde op terugkom in de maatschappij.

  • Genoegdoening aan het slachtoffer.





Bij de doelen en functies van straffen heeft een ontwikkeling plaatsgevonden van daadrecht naar daderrecht:




  • Daadrecht: De nadruk ligt op het gepleegde delict. Het delict rechtvaardigt het opleggen van een straf, ongeacht de persoon van de dader.

  • Daderrecht: Bij strafrecht worden ook de (maatschappelijke) omstandigheden van de dader meegewogen.





7.2 Uitvoering van straf



Officier van Justitie:




  • Is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de door de rechter opgelegde vonnissen.

  • Moet ervoor zorgen dat een veroordeelde zijn gevangenisstraf ondergaat + opgelegde boetes en schadevergoeding geïnd worden.

  • Houdt toezicht p de uitvoering van taakstraffen.





Reclassering:




  • = De reclassering spant zich in voor de maatschappelijke (her)inpassing van mensen die met het strafrecht in aanraking komen.

  • Hulpverlening aan mensen die met justitie in aanraking zijn gekomen.

  • Onderzoek en voorlichting over de persoon van de verdachte ten behoeve van OvJ en de rechter.

  • Het voorbereiden en begeleiden van de uitvoering van taakstraffen.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Kelly