Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Massamedia

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 6254 woorden
  • 20 januari 2009
  • 44 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 44 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Hoofdstuk 1
Gedrukte media (kranten, tijdschriften), audiovisuele media (radio, tv) en digitale media (internet) houden zich bezig met massacommunicatie en worden daarom massamedia genoemd.
Bewust én onbewust vind er communicatie plaats. Zo kan je al communiceren met kleding, houding en kapsel.
Communicatie  1. Informatieoverdracht
2. Beïnvloeden van de onderlinge relatie
Een boodschap bestaat uit een hoeveelheid informatie (feiten, plannen, gedachten, gedragingen). Deze boodschap is ‘geslaagd’ als hij precies zo aangekomen is als hij bedoeld is.


Zender  Boodschap encoderen  Medium  boodschap decoderen  Ruis  Ontvanger



Een proces waarbij een zender bedoeld of onbedoeld een bepaalde boodschap (informatie) overbrengt aan een ontvanger en waarbij mensen de relaties die zij met elkaar hebben vorm en inhoud geven is de definitie van communicatie.
Het communicatieproces kent 5 basiselementen
Zender  (groep) personen, organisatie of bedrijf. Bij een liedje: Zanger.
Boodschap  Hoeveelheid informatie zoals feiten enz. Dit kan meerdelig zijn.
Een Cd-hoesje heeft zo al: titel, foto’s en songteksten.
Middel  Hiermee wordt de boodschap overgebracht.
Ontvanger  Een boodschap wordt door deze persoon vrijwel nooit ongewijzigd of subjectief begrepen. Ze koppelen ze aan andere indrukken of persoonlijke ervaringen.
Effect  De ontvangen informatie beïnvloedt vervolgens al dan niet het gedrag, ideeën of opvattingen van de ontvanger. Dit heet het communicatie-effect.
Feedback  De reactie van de ontvanger op een boodschap van de zender.

Het omzetten van gedachten naar tekens of andere waarneembare uitingen wordt
encoderen genoemd. Decoderen is het uitpakken van de boodschap door de ontvanger,
het terugvertalen van de boodschap naar de veronderstelde betekenis.
Een referentiekader is het geheel van je persoonlijke waarden, normen, standpunten,
kennis en ervaringen. Sommige mensen hebben een bepaalde ervaring opgedaan
waardoor ze op een andere manier reageren. Deze referentiekaders kunnen ruis
veroorzaken. Ruis betekent verstoring of misvorming van het communicatieproces.
 Een vrolijk liedje maakt iemand misschien verdrietig doordat deze misschien al is
gedraaid op een begrafenis.

Als de ontvanger een boodschap anders interpreteert dan de zender bedoeld heeft spreken we van een communicatiestoornis.

Verschillende soorten communicatie
Directe tegenover indirecte communicatie
Directe communicatie: Er is sprake van een persoonlijk contact tussen twee personen.
Indirecte communicatie: Komt altijd een technisch hulpmiddel aan te pas.
Eenzijdige tegenover meerzijdige communicatie
Eenzijdig: gaat om eenrichtingsverkeer  radio, tv, kranten.
Meerzijdig: De deelnemers zijn tijdens het gesprek afwisselend zender/ ontvanger.
Verbale tegenover non-verbale communicatie
Verbaal: Er wordt hierbij gesproken of geschreven
Non-verbaal: Er worden hierbij geen woorden gebruikt. (lichaamstaal)
Interpersoonlijke tegenover massa communicatie
Interpersoonlijke communicatie: Directe communicatie tussen personen waarbij vaak sprake is van een directe feedback. (gesprek met vrienden)
Massacommunicatie: Eenzijdige communicatie gericht op een groot onbekend publiek. Geen feedback.
Bij massacommunicatie wordt de openbaarheid van de boodschap meestal als bepalend
kenmerk gezien omdat dit streven er niet is bij Interpersoonlijke communicatie.
6 belangrijke kenmerken van massacommunicatie
• De informatie die de media overbrengen, is openbaar en voor iedereen toegankelijk
• De relatie tussen zender en ontvanger is onpersoonlijk
• Er is sprake van een heterogeen en relatief onbekend publiek
• De communicatie verloopt meestal eenzijdig. De ontvanger kan in de meeste gevallen alleen indirect en achteraf reageren.
• De zender kan niet meteen controleren of de boodschap is aangekomen, laat staan begrepen. Er is geen directe feedback.
• De ontvanger bepaalt voor een groot deel zelf hoe hij of zij een medium gebruikt. De ontvanger kan kranten en folders ongelezen in de oud-papierbak gooien en de televisie uitzetten.

Er is de laatste tijd steeds meer interactiviteit gekomen. Dit komt omdat we nu bij de traditionele media (krant, radio en tv) kunnen meedoen door middel van sms, telefoon en e-mail.
Internet heeft een speciale rol in de media. Hierbij kan men ontvanger én zender zijn. Bovendien is interactieve communicatie ook mogelijk, zo bijvoorbeeld op MSN.
Verschillende soorten informatie
• Amusement (Donald Duck, cd’s)
• Nieuws (Kranten, journaal)
• Reclame (1. Wijzen op nieuwe goedkope producten 2. naamsbekendheid)
• Meningsvorming (Talkshows, documentaires, discussiegroepen)
• Kunst of cultuur (Toneelstukken, TMF)
• Educatie en Onderwijs (Teleac, schooltelevisie)


Hoofdstuk 2
Gedrukte massamedia is op papier (krant) en audiovisuele massamedia
communiceren via geluid en bewegende beelden ( Radio, tv). Internet is een digitaal
massamedium, omdat de informatie digitaal wordt opgeslagen.
Deze massamedia verschillen op basis van interactiviteit, zo trekken tv-programma’s meer
kijkers dan radioprogramma’s. Bijna alle massamedia hebben een vrije
ondernemingsgewijze productie, dat wil zeggen dat de ondernemingen marktgericht
zijn en het doel hebben om winst te maken. Het tegenovergestelde hiervan is ideële
grondslag, wat geen doel heeft om winst te maken en door de overheid gefinancierd
wordt.
Dit zie je heel goed bij de televisie. Er zijn commerciële (RTL 4) en niet-commerciële (NL1) zenders.
Pers
• Dagbladen
o Kranten (dagbladen) brengen nieuwsfeiten aangevuld met achtergrondinformatie en allerlei actuele reportages en verhalen. Zij bieden ook praktische gegevens ( tv-gids). De krant heeft een hoge actualiteitswaarde, hij wordt gelijk na binnenkomst gelezen. Een krant is al na een dag ‘oud’. Een krant komt met extra katernen ( wetenschap, uitgaan, lifestyle) om te kunnen concurreren tegen de tv en radio. Iedere krant heeft een eigen identiteit, zo richt de ene krant zich meer op geloof en de ander op andere specifieke interessegebieden.
 Regionale kranten
bevatten vaak naast landelijk- en wereldnieuws veel informatie over de eigen regio. ( Noord-Hollands dagblad, Limburgs Dagblad). Voor de landelijke- en internationale berichtgeving werken de redacties meestal samen in een redactioneel samenwerkingsverband.
landelijke kranten: de Telegraaf, Volkskrant, AD, NRC next.
 Ochtend- en avondkranten
De meeste regionale kranten zijn avondkranten. De anderen worden alleen in de ochtend bezocht.
 Gratis kranten en abonnementskranten
De meeste mensen in Nederlands zijn geabonneerd op een krant. Een krant wordt zo weinig in de winkels verkocht waardoor de voorkant niet heel aantrekkelijk hoeft te zijn. Dit in tegenstelling tot de kranten die in Engeland en Duitsland te koop zijn.
De gratis kranten (Sp!ts, Metro en De Pers) halen hun winst uit de verkoop van de advertenties.
 Algemene kranten en richtingkranten
De algemene krant (zoals De Telegraaf) is niet gebonden aan een levensbeschouwelijke richting. Zo wel Trouw en Nederlands dagblad.
 Linkse en rechtse kranten
Linkse kranten hechten vooral waarde aan maatschappelijke gelijkheid en steunen organisaties die opkomen voor meer gelijkheid. De rechtse kranten steunen het gezag (ministers, leger en politie) en hechten waarde aan tradities zoals het koningshuis.
 Populaire kranten en kwaliteitskranten
De populaire kranten (massakranten) richten zich vooral op het grote publiek (AD, de Telegraaf). Kwaliteitskranten (kaderkranten) is voor de beter opgeleide Nederlanders (NRC Handelsblad).

• Tijdschriften
Verschijnen eens per week, maand of kwartaal en zijn bijna altijd gericht op een bepaalde doelgroep. De papiersoort is meestal van hoge kwaliteit, dit in tegenstelling tot de krant, die maar één dag mee gaat.
 Jongerenbladen
De jongeren kregen meer geld te besteden en kregen meer vrije tijd, uitgevers gingen de jongeren als een aparte doelgroep zien  veel variëteit voor de jongeren.
 Familieweekbladen
Libelle en Margriet. Worden ook gelezen door de mannen, dus het zijn geen typische ‘vrouwenbladen’ meer.
 Lifestylebladen
Dit wordt ook wel een glossy magazine genoemd. En is gericht op de moderne man of vrouw. ( Beau Monde, Marie Claire)
 Roddelbladen
Schrijven vooral over het leven van bekende Nederlanders. Ze nemen het niet zo nauw met de waarheid en liegen dan ook vaak, met rechtszaken tot gevolg. ( Privé, Weekend, Story)
 Special-interestbladen
Bladen die over één specifiek onderwerp gaan.
( de Quest, VT wonen)
 Vakbladen
Bedoeld voor een bepaalde beroepsgroep.
( Historisch Nieuwsblad, Medisch contact)
 Omroepweekbladen
Veel publieke omroepen hebben een eigen tijdschrift met overzichten van de programma’s. ( VARA TV)
 Opiniebladen
Geven achtergrondinformatie en commentaar bij politieke, economische, culturele en sociaal-maatschappelijke kwesties. Het doel is het geven van voldoende betrouwbare informatie, zodat de lezer zich een eigen mening kan vormen.
Zoals voorheen al duidelijk gemaakt heeft Nederland een duaal omroepbestel. Dit betekent dat er publieke, maar ook commerciële omroepen zijn. Winst publieke omroepen: Overheid, advertenties uit de ster, lidmaatschapgeld. Het publieke omroepbestel heeft een wettelijke basis in de mediawet en valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Bij commerciële zenders gaat het zoveel mogelijk om winst maken. Die winst halen ze met
de reclames. Hoe meer kijkers, hoe hoger de reclametarieven. Die zender proberen dus
zoveel mogelijk kijkcijfers te halen.
RTL Nederland  Eigenaar van de zenders RTL 4, 5, 7 en 8. Zend uit vanuit Luxemburg.

Hoofdstuk 3
Functies van de media voor het individu
• Informatieve functie
o Informatie (Journaal, krant, websites)
o Educatie (Teleac, schooltelevisie)
o Hulp bij meningsvorming (Netwerk, Nova)
• Sociale functie
o Met anderen kunnen meepraten
o Eenzaamheid verdrijven
o Gezelligheid hebben (samen tv-kijken)
• Recreatieve functie
o Afleiding (‘escape’)
o Ontspanning
o Zinvolle vrijetijdsbesteding (educatieve programma’s)
o Nieuwe ideeën voor ontspanning (uitgaanstips, tuinierprogramma’s)
o Het beleven van spanning, sensatie en romantiek (films en roddelverhalen)
Een programma heeft geen bepaalde functie, het individu bepaalt die functie zelf voor het programma.
Functies van de media voor de samenleving
• Informerende functie
o Educatieve functie (teleac)
o Politiek en maatschappelijk gebied (broeikaseffect, politieoptreden)
• Socialiserende functie
Het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert.
Socialiserende instituties spelen een belangrijke rol hierin.
(ouders, school, media)
o Lezers, kijkers en luisteraars krijgen informatie over waarde en normen van de dominante cultuur maar ook van andere subculturen.
• Amuserende functie
o Vrijetijdsindustrie is een bedrijfstak die zich bezighoudt met recreatie en ontspanning.
o Hier zijn soaps een voorbeeld van.
• Bindende functie
o Sociale cohesie is het binden van de mensen door massamedia.

De kern van de politiek-informatieve functie is dat iedereen kan meepraten over het politieke beleid van de regering en over eventuele problemen die zich binnen de samenleving voordoen.
Binnen de politiek-informatieve functie:
• Spreekbuisfunctie
We spreken hiervan omdat de media een platform zijn voor allerlei standpunten (van belangengroepen, deskundigen en anderen). De politici zelf gebruiken ook steeds vaker de media.
• Agendafunctie
Journalisten die op onderzoek gaan komen wel eens problemen tegen die onder de bevolking leven. Het onderwerp komt dan op de politieke agenda.
• Opiniërende functie
De mening van de meeste burgers over een bepaalde kwestie is een publieke opinie.

• Commentaarfunctie
In Nederland is er sprake van vrijheid van meningsuiting. De meeste kranten hebben een dagelijks redactioneel commentaar over actuele gebeurtenissen.
• Controle- of waakhondfunctie
De media oefenen controles uit over anderen. Dit komt omdat ze letten op het doen en laten van onder andere ministers, bedrijven en maatschappelijke organisaties.
Knelpunten van de massamedia
• Verschraling
De programma’s worden homogeen  niet meer veel variatie
• Minder kwaliteit
Wordt vooral gedacht aan de grootste doelgroep. De ‘moeilijke’ programma’s vallen zo weg.
• Integratie informatie en amusement
Infotainment is de vermenging van amusement en informatie.
Entertainment-education is het geven van informatie door middel van amusementsprogramma’s.
• Hypes en frames
Een mediahype is nieuws dat zichzelf versterkt zonder dat zich nieuwe feiten voordoen. Dit ontstaat door uitspraken of bekentenissen van bekende politici.
Een mediaframe is een berichtgeving over een onderwerp die steeds vanuit hetzelfde perspectief plaatsvindt.
Hoofdstuk 4
Opkomst van massamedia is een direct gevolg van nieuwe technische mogelijkheden die zich in het verleden voordeden en zich nu in steeds sneller tempo uitbreiden.
De telefoon was nooit uitgevonden kunnen worden zonder dat ze wisten dat je geluid om kan zitten in elektronische signaaltjes (19e eeuw).
Technologische ontwikkelingen en uitvindingen staan nooit op zichzelf, maar vinden altijd plaats in een maatschappelijke context.
Het werd in de 19e eeuw mogelijk om kranten te produceren voor een massapubliek. Mensen konden het zich veroorloven en kochten daarom een krant. Mensen hadden hier ook behoefte aan omdat er veel vraag ontstond naar het dagelijkse nieuws.
3 ontwikkelingen rondom digitalisering
1. De technologische mogelijkheden, met name de komst van de digitale techniek.
2. Economische groei en internationalisering
3. Groeiende behoefte aan informatie
Deze drie ontwikkelingen versterken elkaar.
Dit proces van elkaar versterkende ontwikkelingen kunnen ook in dit schema worden geplaatst:

Kenmerken nieuwe media:
- Informatie wordt digitaal opgeslagen
- Er zijn interactieve mogelijkheden
- Er zijn netwerken om de informatie te verplaatsen
Digitalisering Doordat er nu niet meer analoog maar digitaal opgeslagen wordt is de capaciteit van geheugenchips verbeterd. Er kunnen nu grote hoeveelheden informatie opgeslagen worden. Hierdoor is ook de keuzevrijheid vergroot doordat er meer informatie opgeslagen kan worden. Ze kan de kijker of lezer zelf bepalen wanneer hij welk programma of tekst hij wil zien of lezen.
Media zijn interactief wanneer de ontvanger kan reageren. Dit is vooral heel veel bij internet. Bij digitale televisie en kranten bieden meer interactieve mogelijkheden dan de analoge versies.
Als je goed wilt communiceren, moet je dezelfde taal spreken.
Digitale snelweg  Het draadloos, via telefoondraad of televisiekabel, rondsurfen via een netwerk.
Content-plat-form Een plaats waar je gebruik kunt maken van verschillende soorten media-inhoud: literatuur, films, nieuwsberichten, discussies, muziek, enzovoort.
Terry Flew (Britse communicatiewetenschapper) definieert de nieuwe media als het samengaan (convergeren) van massamedia, communicatienetwerken en computertechnologie.
Vanaf de jaren 60 is de economie sterk gegroeid. Hierdoor is de vrijetijdsindustrie toegenomen (attractieparken, telefoonwinkels, reisorganisaties maken nu hoge omzetten).
Er vindt rond deze tijd ook een herverdeling van arbeid plaats, de industriële bedrijven vestigen zich in lage lonen landen en de dienstverlening zit vaak in Noordwest-Europa. Dit is ook de reden dat de wereldhandel sterk is toegenomen.
Informatiemaatschappij Een samenleving waar communicatie en informatieoverdracht de basis van de meeste economische activiteiten vormen.
Steeds meer mensen houden zich beroepsmatig bezig met (digitale) communicatie e.d.
Hierdoor is informatie ook een product geworden (uitgevers, grafische vormgevers, scholen, reclamebureaus).

Kenmerken informatiemaatschappij
• Enorme en constante stroom van informatie
o Dit kan ook voor onrust zorgen
• Niet gebonden aan één bepaalde plaats
o Strekt zich uit tot ver buiten de bestaande grenzen van de werkplek
• Is steeds in verandering
o Nieuwe technieken en toepassingen volgen elkaar in hoog tempo op
• Informatienetwerken
o Werknemers zijn steeds meer afhankelijk geworden van mensen met de juiste informatiekanalen
• Niet meer gebonden aan een fysieke drager
o Zoals papier. Tijdschriften worden misschien ook al via internet gelezen
Hoofdstuk 5
De activiteiten van de media worden mogelijk gemaakt, maar ook begrensd door de regels die de overheid heeft opgesteld voor openbare informatievoorziening.
De 3 uitgangspunten van de indirecte bemoeienis:
- Vrijheid van meningsuiting
- Democratie
- Pluriformiteit
In Artikel 7 van de grondwet staat vrijheid van meningsuiting en drukpers.
Dit betekent dat je je eigen mening mag geven, en deze ook mag verspreiden.
Door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is de vrijheid van meningsuiting ‘dubbel’ gewaarborgd. In artikel een van de grondwet staat dat er niet gediscrimineerd mag worden. In artikel 10 is er vastgelegd dat burgers de vrijheid hebben om informatie te vergaren en door te geven.
Censuur  De overheid oefent controle uit op de informatievoorziening
Dit zorgt voor beperking voor journalisten, er is geen ruimte voor kritiek op het overheidsbeleid en burgers worden onvolledig of onjuist geïnformeerd.
In Nederland is geen censuur, maar er zijn wel grenzen gesteld.
Als je iemand openlijk beledigt of beschuldigt kun je voor de rechter worden gedaagd. Een rechter kan een krant in zo’n geval dwingen verdere verkoop te verbieden of een rectificatie laten plaatsen.
Vrijheid van meningsuiting geldt alleen voor de relatie tussen overheid en burger. Bij sommige maatschappelijke relaties hoeft deze niet altijd te gelden. Zo mag een eindredacteur bijvoorbeeld een stuk tekst uit een artikel van een journalist schrappen.
Sinds 1980 is de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) van kracht. Dit betekent dat de overheid verplicht is voor het geven van informatie, tenzij het gaat om staatsveiligheid of bedrijfsgeheimen.
De journalisten hebben zo de mogelijkheid om informatie bij de overheid op te vragen. Dit recht is belangrijk voor de controlefunctie (waakhondfunctie) en de opiniërende functie van de nieuwsmedia.
Pluriformiteit De verscheidenheid aan kranten, tijdschriften, omroepen en websites.
Dit is belangrijk in een democratie omdat het publiek daardoor informatie van verschillende media met elkaar kan vergelijken.
Een samenwerkingsverband, overname of fusie waardoor een concern het monopolie verwerft is daarom wettelijk verboden.
In Nederland is er sprake van sociale ongelijkheid op het gebied van informatievoorziening. Dit omdat de mensen met een hoger inkomen de kosten voor een krantenabonnement, kabel en internetprovider met een snelle breedbandverbinding makkelijker kunnen betalen.
In 1930 werden de voorwaarden voor het verkrijgen van een zendmachtiging al vastgelegd in de omroepwet. Deze werd in 1988 vervangen door de Mediawet. Hierdoor kregen ook commerciële zenders geleidelijk toestemming om uit te zenden.
Mediaraad  Houd toezicht op de publieke omroep, tot profilering van de drie publieke zenders.
Netprofilering  Het ervoor zorgen dat elke publieke zender zijn eigen doelgroep heeft. (Nederland 1: breed toegankelijk, Nederland 2: Verdiepend, Nederland 3: Jongeren)
Dit wordt gedaan zodat de publieke omroepen kunnen concurreren met de commerciële.
Mediawet  Het doel hiervan is kwalitatief hoogstaande programma’s in Nederland te garanderen met voldoende pluriformiteit.
Belangrijke bepalingen uit deze mediawet zijn:
• Moet de vorm hebben van een vereniging of stichting en moet een maatschappelijke of geestelijke stroming vertegenwoordigen.
o Omroep moet eigen identiteit houden en toch zo breed mogelijk publiek trekken.
• Beginnende publieke omroep moet 50 000 betalende leden hebben
o Volledige uitzendvergunning of concessie wordt pas verleend na 300 000 leden.
• Totale televisiezendtijd van de publieke zenders moet een volledig programma bevatten.
o Hierbij moet een evenwichtige mix van kunst, cultuur, informatie inclusief nieuws, educatie en amusement zitten
• De publieke omroepen mogen niet meer dan 6,5% van hun zendtijd besteden aan reclame.
o Publieke omroepen mogen alleen reclames uitzenden tussen de programma’s in.
• Commerciële zenders hoeven zich aan minder strenge voorwaarden te houden. Deze mogen maximaal 15% besteden aan reclame.
o Sluikreclame is verboden voor commerciële zenders
• Sponsoring is toegestaan voor zowel publieke- als commerciële zenders.
o Dit wordt altijd aan het einde van een programma vermeld
Commissariaat  Bestuursorgaan dat zich bevindt tussen enerzijds de overheid en anderzijds het publiek, omroepen en commerciële zenders die vanuit ons land uitzenden.
Het commissariaat toetst of deze omroepen en zenders zich houden aan de voorschriften van de mediawet. Als hier niet aan wordt voldaan volgt een boete.
In 1974 is het bedrijfsfonds voor de pers ingesteld. Dit fonds heeft als doel de bestaande verscheidenheid van de pers in stand te houden. Geld voor dit fonds is afkomstig uit de
Ster-opbrengsten van de televisie. Soms geeft dit fonds ook financiële steun aan kranten.
Sommigen vinden dat de steun van het bedrijfsfonds tot concurrentievervalsing kan leiden.
Internetproviders en de aanbieders van nieuws, informatie of andere diensten via internet zijn in handen van vrije ondernemers, waar de overheid zich in principe niet mee bemoeit.
De overheid streeft wel naar een gelijk publiek toegankelijkheid van deze nieuwe media.
De digitale snelweg moet dus voor iedereen bereikbaar zijn.
De maatregelen om daarbij de burgers te helpen:
- Basis- en middelbare scholen krijgen geld om computers te kopen
- Informatiekunde is een verplicht schoolvak geworden
- Ambtenaren, politieagenten en leraren hebben bijscholingscursussen gekregen om een digitaal rijbewijs te halen
- Werknemers konden via hun bedrijf met toestemming van de belastingdienst lange tijd een computer aanschaffen via een zogenaamde bruto-nettoregeling.
- Het Kennisnet werd geïntroduceerd. Dit is een speciaal onderdeel van internet bedoeld voor het onderwijs. Alle scholen van Nederland zijn hierop aangesloten en kunnen programma’s volgen via dit medium.
Er zijn discussies gaande over of de overheid zich wel, of juist niet met radio- en tv-zenders moet bemoeien.
Mensen die vóór overheidsbemoeienis zijn: pleit voor een overheid als bewaker van de kwaliteit en de pluriformiteit van de media.
Mensen die tegen overheidsbemoeienis zijn: Willen een terughoudende overheid en een zelfregulerende mediamarkt.
Standpunten politieke partijen over overheidsbemoeienis
Liberalen
Vind dat de overheid ruimte moet geven aan nieuwe initiatieven, met een minimale financiële overheidssteun. Een liberale partij (zoals VVD) vind dat vrije concurrentie zorgt voor een goede afstemming van het product op de wensen en behoeften van de kijkers en luisteraars. Commercialisering wordt daarbij als voorbeeld van zelfregulerend beschouwd.
De liberalen zijn enthousiast over de digitale revolutie omdat zij hierin veel mogelijkheden zien voor het bedrijfsleven
Een liberale partij is voorstander van het duaal mediabestel, maar de subsidiëring van de publieke omroepen mag minder worden van hen.
Socialisten
Willen een regulerend optreden van de overheid (waakhondfunctie). Ze denken hierbij aan kwaliteitscontrole en bewaking van de pluriformiteit in de mediawereld. Zonder dit komen de minderheidsstandpunten nauwelijks aan bod.
De socialisten zijn ook blij met de digitale revolutie. Maar ze willen er wel voor zorgen dat elke burger gelijke toegang heeft tot deze nieuwe media
De PvdA (socialistische partij) is voor het duaal omroepbestel. Dit met een nadrukkelijke rol van de publieke omroepen, daarom willen zij dat hiervoor een grote subsidiëring nodig is.
Christendemocraten
Zijn voor een regulerende overheid maar vinden dat omroepen en kranten ook zelf hun verantwoordelijkheid moeten nemen. (CDA is partij van de christendemocraten).
CDA is voorstander van het duaal omroepbestel met een sterke publieke omroep, maar neemt verder een tussenpositie in ten opzichte van de VVD en de PvdA



Naast de overheid en politieke partijen hebben ook direct betrokkenen hun visies op de inrichting van het omroepbestel:
- Publieke omroepen
Zijn voor behoud van de pluriformiteit. Volgens hen leidt commercialisering tot oppervlakkigheid.
- Commerciële zenders
Vinden dat de mensen volwassen genoeg zijn om zelf uit te maken waar ze naar kijken. De kijker bepaalt zelf wat kwaliteit is en moet daarom uit een zo groot mogelijk aanbod kunnen kiezen.
- Bedrijfsleven
Vinden dat commercialisering van de media tot vergroting van de keuzemogelijkheden voor de consument leidt. Sommige bedrijven zijn door sponsoring heel nauw erbij betrokken
- Mediaconsumenten
De gemiddelde tv-kijker wil minder reclame
- Overheid
Wil dat het omroepbestel bijdraagt aan de ontwikkeling van onze samenleving. Deze moeten zorgen dat de kennisachterstanden verkleind worden deze moet er ook voor zorgen voor de evenwichtige maatschappelijke communicatie in onze democratische en pluriforme samenleving
Hoofdstuk 6
Kranten verdienen aan abonnementen, aan de vrije verkoop en aan advertentie-inkomsten. Ze maken de krant ook een stuk aantrekkelijker door de pagina’s full colour te maken.
Krantenredacties hechten belang aan onafhankelijke berichtgeving vanuit de identiteit van de krant, directies en vooral aandeelhouders streven allereerst naar het maken van winst, voor hen zijn marktaandeel, efficiëntie en effectiviteit van groot belang.
Een journalist ontdekt een schandaal bij een bank die regelmatig groot adverteert in de krant. De directie hoeft dit artikel niet te plaatsen zodat ze de inkomsten van de adverteerder mislopen (er is namelijk grote kans dat de bank niet meer adverteert in deze krant).
Redactiestatuut  Hierin worden de taken en bevoegdheden van de redactie en directie geregeld. Hiermee wordt de onafhankelijkheid van de redactie ten opzichte van de directie wordt zo veel mogelijk gewaarborgd.
Inkomsten publieke omroepen:
• Omroepgelden
een rijksbijdrage uit de algemene middelen en een deel van de Ster-gelden
• Lidmaatschapgelden van tientjesleden en van abonnees op het programmablad
• Inkomsten uit hun programmablad, naast abonnees ook door vrije verkoop en advertenties
• Sponsoring van programma’s
• Merchandising
door de verkoop van dvd’s van populaire programma’s
Dit zijn enkele commerciële mogelijkheden. Dit is omdat de oproepen geen winst mogen maken.


Inkomsten commerciële zenders:
• Vooral door reclame inkomsten en sponsorgelden.
• Programmabladen
de inkomsten hieruit zijn niet groot (dit komt omdat dit blad niet gekoppeld is aan lidmaatschap)
Massamedia vormen een van de sectoren in de economie waar de concurrentiestrijd steeds heviger wordt.
1. Er is meer concurrentie in het totale media-aanbod
2. Toenemende concurrentie binnen één mediumsoort
3. Grote concurrentie op de advertentiemarkt
De toegenomen concurrentie in het medialandschap heeft geleid tot een aantal ontwikkelingen:
Grote commercialisering
Doel: Zo groot mogelijk aantal lezers, kijkers en adverteerders. Kwaliteit is hierdoor minder belangrijk geworden. Ook is er steeds meer reclame op televisie en internet.
Commercialisering betekent ook dat er op radia en tv minder aandacht is voor kleine doelgroepen.
Persconsentratie
Een krantenuitgeverij geeft tegenwoordig niet één maar meer kranten uit.
Persconsentratie brengt het gevaar van monopolievorming met zich mee. Hierdoor zou dan de kwaliteit en pluriformiteit af kunnen nemen.
Marktsegmentering bij de tijdschriften
Dit komt vooral voor in de tijdschriftenwereld. Uitgevers doen er alles aan om een bepaalde doelgroep te bereiken. Als je kijkt naar de tijdschriftenwereld zie je niet één grote markt maar heel veel kleine voor gespecialiseerde informatie.
Doelgroepenmedia en netprofilering
Om een langdurige band op te bouwen met een groep adverteerders stemmen de commerciële omroepen hun zenders en programma’s af op specifieke doelgroepen. Zo heeft iedere zender zijn eigen ‘doelgroep’. Jetix: Kinderen, RTL4: Lager opgeleiden of ouderen.
Mediaconcentratie
De samensmelting van verschillende vormen van massamedia. Deze beperkt zich niet tot de grenzen van een land. Mediagiganten kopen buitenlandse kleine nationale bedrijfjes, uiteindelijk bezitten ze zo dan wereldwijd filmmaatschappijen, stallietkanalen e.d.
De mediaconcentratie leidt onder andere tot meer eenzijdige berichtgeving over het wereldnieuws. Deze berichtgeving is voor een groot deel in handen van de wereldwijde mediaorganisaties en internationale persbureaus. Hierdoor wordt de informatie ook minder betrouwbaar.





Hoofdstuk 7
De massamedia zorgt voor cultuurverspreiding
Normen  Specifieke regels in een groep of samenleving waarmee mensen hun eigen gedrag en het gedrag van anderen beoordelen.
Normen komen voort uit waarden
Waarden  Principes die mensen belangrijk vinden om na te streven
Cultuur  De leefwijze van een groep met alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en die zij min of meer als vanzelfsprekend beschouwen
Cultuur is een relatief begrip en kan van groep tot groep en van plaats tot plaats verschillen.
Nature-aanhangers  Leggen bij hoe de mens zich gedraagt de nadruk op biologische of erfelijke factoren.
Nurture-aanhangers  Stellen dat het sociale milieu, de omgeving waar iemand opgroeit, het verschil in gedrag en karakter tussen mensen bepaalt.
Tegenwoordig gaan de meeste sociologen ervan uit dat het gedrag van mensen altijd een combinatie is van de twee hiervoor genoemden.
Dominante cultuur  Als de cultuurkenmerken gedragen worden door een groep die binnen een samenleving overheersend is en vaak de meeste invloed heeft op het economische en politieke leven.
Subcultuur  Wanneer een groep waarden, normen en andere cultuurkenmerken heeft die deels afwijken van de dominantie cultuur.
Voorbeelden:
• Religieuze: strenggereformeerden
• Jongeren: Punkers
• Bedrijfs: Ikea spreekt mensen aan met jij en je, alsof iedereen lid is van één grote familie
• Etnische subculturen: Nederlandse Surinamers
• Tegenculturen: Antiglobalisten, milieuactivisten
Collectieve gedragspatronen  Gedrag dat iedereen hetzelfde doet
3x per dag een maaltijd eten
Zes herkenbare socialiserende instituties ( Instellingen en organisaties waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt)
- Gezin
Psychologen en sociologen benadrukken dat ouders een bepalende invloed hebben op het latere gedrag van het kind.
- School
Hierin vindt de overdracht plaats van discipline en het aanvaarden van gezag
- Werk
Leveren van prestatie. Samenwerken en tegenslagen incasseren
- Maatschappelijke groeperingen
Verenigingen (zoals sportclubs) Mensen worden hierdoor sterk beïnvloed door de normen en waarden van deze groeperingen
- Overheid
Deze treedt gedragsregulerend op aan de wetgeving. Wie zich niet aan een wet houdt, kan te maken krijgen met strafvervolging. Daarnaast stimuleert de overheid de participatie van burgers aan de samenleving (Zoveel mogelijk mensen laten werken)
- Media
Televisie, internet, kranten, films, affiches en boeken beïnvloeden het gedrag van mensen.
Sociale controle  De wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden
Dit zorgt ervoor dat mensen zich niet ‘onmaatschappelijk’ gaan gedragen. Sociale controle vindt vaak plaats in de vorm van sancties, die een positief en een negatief karakter kunnen hebben, namelijk belonen en straffen
Internationalisatie  als mensen zich de culturele waarden en normen eigen hebben gemaakt
Hierdoor vertoon je gedrag dat automatisch past binnen een bepaalde groep of samenleving.
(Kinderen bootsen als ze klein zijn vaak het gedrag van hun ouders na)
Je persoonlijke identiteit wordt mede gevormd door de sociale ervaringen die je in de loop van je leven opdoet.
De media vormen een afspiegeling van de samenleving. Ze laten zo waarden en normen zien zoals politieke vrijheid. Ook laten ze normen en waarden zien die maar voor een kleine groep mensen geld zoals mannen die zich graag als vrouw verkleden.
Stereotype  Een sterk gegeneraliseerd, versimpelt en vertekend beeld van het gedrag en de mentaliteit van een specifieke groep. (Blonde vrouwen zijn dom)
Vooroordeel  Mening of houding die niet of onvoldoende op feiten of ervaringen is gebaseerd. (Vooroordelen zijn veelal negatief)
Stereotypen en vooroordelen kunnen leiden tot discriminatie
Discriminatie  Hierbij behandel je mensen van een bepaalde groep op grond van kenmerken die in de gegeven situatie niet van belang zijn
Soms proberen media vooroordelen en stereotypen af te breken door ze ter discussie te stellen, dit lukt nauwelijks. Soms worden ze juist versterkt doordat ze bepaalde groepen weer associëren met een gebeurtenis (Marokkaan  diefstal)
Sommige subculturen hebben hun eigen tijdschrift of radiozender. Zo zijn TMF en BNN heel erg gericht op jongeren.
Een cultuur is dynamisch, dat betekend dat hij constant in beweging is (In de loop van tijd veranderen waarden en normen).
Nederland werd gekenmerkt door de maatschappelijke zuilen: Katholieken, protestanten, socialisten en liberalen.
De democratiseringsgolf in de jaren ‘60 gaf de aanzet tot individualisering (kinderen dachten niet meer hetzelfde als hun ouders)
Deze individualisering zette de zuilenmaatschappij onder druk. De ontzuiling begon.
Hierdoor kwamen er nieuwe oproepen die helemaal geen verzuilde achterban hadden.
Nederland is een multiculturele of pluriforme samenleving geworden  waar mensen met verschillende culturele achtergronden naast elkaar wonen.
Hierdoor worden de mensen gedwongen met elkaars cultuur om te gaan. Etnische groepen moeten een deel van de dominantie cultuur overnemen (taal, politieke tradities).
Bij de multiculturalismering staan diepgewortelde waarden en normen tegenover elkaar. Hierdoor ‘keuren’ sommigen een ander geloof af waardoor er weinig kans is op ‘gemengde’ huwelijken.
Hoofdstuk 8
Ontvangers van mediaboodschappen krijgen een door de zender geïnterpreteerd beeld van de werkelijkheid.
Elke nieuwsredactie ontvangt vele persberichten, de redactie selecteert welken er gepubliceerd worden hierbij wordt als criterium de nieuwswaarde gebruikt.
Een bericht heeft nieuwswaarde als de inhoud:
• Actueel is;
• Opvallend, onverwacht, verrassend, schokkend is;
• Cultureel of geografisch dichtbij is;
• Over belangrijke bekende personen gaat;
• Gerelateerd is aan menselijke aspecten: drama, emotie, conflict
• Afwijkend is, veelal in negatieve zin;
• Ondubbelzinnig, begrijpelijk is;
• Gepaard gaat met beeldmateriaal (voor het journaal);
• Interessant is voor de doelgroep van het medium;
• Gerelateerd is aan politieke, sociaaleconomische, financiële en/of culturele ontwikkelingen van kwesties;
• Past binnen de identiteit van het medium
Hoe meer criteria voor één bericht opgaat, hoe hoger de nieuwswaarde.
Selectiemomenten in een informatiestroom (van gebeurtenis tot nieuwsbericht)
Aanbieders van berichten selecteren een gebeurtenis (dit is bij iedereen anders door het referentiekader) iedereen vindt iets anders interessant. Dit heet ook wel selectieve perceptie.
Belangrijkste bronnen van informatie
- Personen of instellingen
Op eigen gestuurde persberichten. In de hoop ‘het nieuws’ te halen.
- Overheid
Deze geeft informatie door aan journalisten. Dit doet ze omdat de overheid een actieve informatieplicht heeft.
- Correspondenten
Bellen nieuws door naar de redactie wanneer er iets belangrijks gebeurt.
- Freelance journalisten
Schrijven over gespecialiseerde onderwerpen (onderwijs, bio-industrie). Dit gaat meestal om grote artikelen met achtergrondinformatie.

- Persbureaus
o
 Algemeen Nederlands Persbureau (ANP). Deze krijgt het nieuws binnen van internationale persbureaus. Het ANP zorgt dan dat het nieuws over Nederland wordt verspreid. Bijna alle landen hebben een nationaal persbureau.
 Geassocieerde Pers Diensten (GPD). Deze zorgt voor nationale en internationale berichtgeving voor enkele regionale dagbladen.
 Haagse Persbureau: Gespecialiseerd in juridische en politieke verslaggeving rondom het binnenhof.
o Grote internationale persbureaus (Associated Press, Reuters) hebben over de hele wereld verslaggevers in dienst.
- Persdiensten
Tegen betaling kan een krant ook gebruik maken van belangrijke buitenlandse kranten.
- Beeldmateriaal
Dit is nodig voor een presentatie van een nieuwsfeit. Filmmateriaal wordt vaak gekocht bij grote Amerikaanse of Europese televisiemaatschappijen (EBU, CNN, ABC)
Deze maatschappijen beschikken over reportageploegen in verschillende landen.
Westerse media gebruiken vrijwel altijd berichten van westerse persbureaus. Ze hebben weinig steunpunten in de derde wereld.
Hierdoor is er veel nieuws uit ontwikkelingslanden gemaakt vanuit een westerse optiek: er is weinig aandacht voor ontwikkelingsprocessen en relatief veel aandacht voor oorlog, rampen, aids, hongersnood en gewapende incidenten.
Ook de berichtgeving in ontwikkelingslanden zelf verloopt grotendeels via de Westerse persbureaus.
Massamedia presenteren hetzelfde nieuwsfeit vaak anders. Dit is het gevolg van bewuste en onbewuste kleuring door de redacties van de nieuwsmedia.
Bewuste kleuring:
• De invloed van de identiteit van het medium
• Manipulatie en indoctrinatie.
Onbewuste kleuring:
• De onmogelijkheid van objectiviteit
• “framing”
De identiteit van een massamedium is bij de nieuwsberichtgeving met name herkenbaar aan:
- De keuze van onderwerpen door journalisten en de redactie. (linkse krant zal eerder aandacht besteden aan een staking)
- De volgorde van berichten. (Voorpagina menselijk onderwerp: schandaal)
- De presentatie
- Eigen commentaar
- Woordgebruik
- Het gebruik van (deskundige) gastschrijvers.
Manipulatie  Het opzettelijk weglaten of verdraaien van feiten en indoctrinatie, het systematische opdringen van opvattingen door meningen als feiten te presenteren.
Elke journalist weet dat manipulatie op een subtiele manier kan plaatsvinden zodat het niet opvalt. Dit komt het vaakst voor in dictaturen.


Objectiviteit is een belangrijk kwaliteitscriterium van een krant. Als een krant alleen maar kwatst verliest hij snel zijn lezers. Voordat een bericht wordt geplaatst wordt er nog naar gekeken, iemand die scherp kijkt en luistert, kan bij elk bericht wel aangeven waarom het niet helemaal objectief is:
• Subjectief referentiekader
tijdens de ‘verbetering’ van een artikel kijkt iedereen hiermee naar het artikel
• Hoor en wederhoor
Niet alle partijen komen aan het woord, hierdoor wordt het feit niet van alle kanten belicht.
• Gekleurd en eenzijdig
Een journalist kan gekleurde en eenzijdige informatiebronnen hebben geraadpleegd.
• Vermenging van feiten en meningen
Het verschil tussen mening en feit is niet duidelijk gemaakt
• Mediaframe
Als een onderwerp steeds vanuit een bepaald perspectief bekeken wordt
Hoofdstuk 9

Injectienaaldtheorie

Het idee dat de media veel macht heeft ontstond in de eerste helft van de 20e eeuw.
Tijdens de WOI en II werd er veel propaganda gevoerd om jongens te werven voor het leger. Ook in de Sovjet-Unie werd gebruikgemaakt van manipulatie en indoctrinatie. Alles werd veel rooskleuriger voorgesteld dan in werkelijkheid het geval was.
De injectienaaldtheorie gaat ervan uit dat de ontvangers informatie klakkeloos overnemen.
De wetenschappers zagen de media als een grote injectienaald waarmee je het publiek met informatie in kon spuiten.
Men maakte geen onderscheid tussen verschillende mensen: alle leden van het publiek zouden direct en precies zo reageren zoals de zender ofwel het medium dat wilde.
Nu gaan wetenschappers er niet meer zo snel vanuit dat de invloed van de media zo groot is dat iedereen dezelfde reactie vertoont.
Het idee van een langzame druppelsgewijze beïnvloeding wordt nog steeds toegepast door reclamemakers en de overheid. (Reclames worden steeds herhaald: effectieve werking)
De injectienaaldtheorie wordt tegenwoordig als achterhaald beschouwd.
Theorie van de selectieve perceptie
Een Amerikaan bracht het boek `The effects of mass communication´ uit. Hierin kwam de auteur Klapper tot de conclusie dat de invloed van de massamedia beperkt is. Het publiek heeft een veel actievere rol dan tot dan toe werd aangenomen.
Hij beschreef in zijn boek een aantal intermediërende factoren die als het ware tussen ontvanger en medium instaan. De factoren werken als filters of selectiemechanismen en belemmeren de vrije doorgang van informatie van zender naar ontvanger.
Ze zorgen ervoor dat een boodschap niet of vervormd bij de mediagebruiker aankomt.
Enkele vormen van mechanismen:
• Selectieve aandacht
Ieder mens heeft een neiging alleen datgene te lezen of te bekijken wat past bij zijn of haar opvattingen en belangstelling
• Selectieve perceptie en interpretatie
Selectieve perceptie  Het niet geheel ‘blanco’ waarnemen van iets.
We willen de informatie zoveel mogelijk laten aansluiten bij ons referentiekader. Als we iets lezen of horen zijn we geneigd het zo te vervormen dat het klopt met wat we al dachten.

• Selectief geheugen
De mediagebruiker is selectief bij het onthouden van mediaboodschappen. Informatie die om welke reden dan ook niet bij ons referentiekader aansluit, vergeten we sneller.
• Selectief geloven
Afhankelijk van het karakter van een bepaald medium, zal de gebruiker meer of minder geloof hechten aan de berichtgeving.
Ondanks dat de injectienaaldtheorie als achterhaald wordt beschouwd is de discussie tussen theoretici en wetenschappelijk onderzoekers over de vraag naar de macht en invloed van de massamedia nog steeds gaande.
Aan de ene kant zien we theorieën die uitgaan van relatief veel media-invloed. Aan de andere kant zijn er theorieën die juist de macht van de ontvangers van informatie benadrukken: de ‘uses and gratifications’ en media-afhankelijkheidstheorie.
De middenpositie hiervan is ingenomen door theorieën die wel macht van de media toeschrijven, maar steeds in relatie tot een actief publiek, de ontvangers. (agendasettingtheorie en framingtheorie).
Drie theorieën
• Cultivatietheorie
Noord- Amerikaanse communicatieonderzoeker (George Gerbner) kwam met een nieuwe gedachtegang over de culturele en socialiserende betekenis van televisie.
De televisie is de verhalen verteller van de moderne tijd. Eerst was deze rol voor de dominantie cultuur van volkeren.
Gerbner veronderstelde ook dat mensen die veel naar dezelfde fictieve programma’s keken, dezelfde normen en waarden gaan overnemen.
Volgens deze man gaan dus het beeld van de werkelijkheid en de ‘televisiewerkelijkheid’ meer in elkaar overlopen. (zo krijgen acteurs goed- of afkeurende opmerkingen naar hun hoofd geslingerd als ze op straat lopen).
Deze vermenging geldt het sterkst voor ‘zware kijkers’ en voor kinderen. Kinderen kunnen nog niet goed onderscheidt maken tussen fictie en werkelijkheid.
Kanttekening:
Uit Nederlands onderzoek kwam slecht een gering verband tussen televisiewerkelijkheid en de denkbeelden van de kijkers aan. Een andere kritiek op deze theorie was dat niet onderzocht is waaróm mensen naar geweld op tv kijken. Misschien was hun beeld van de werkelijkheid als anders vóórdat ze begonnen met tv-kijken.
• Agendasettingtheorie
De aanhangers van deze theorie gaan ervan uit dat de media weinig invloed hebben op het denken en het gedrag van consumenten, maar wel de onderwerpen bepalen die de consumenten bezighouden. De gedachte is dat mensen een onderwerp vanzelf op hun ´gespreksagenda´ zetten als de massamedia er veel aandacht aan besteden.
Naast deze invloed op publieke agenda bepalen de media ook deels de politieke agenda. Politici worden vaak ondervraagd over onderwerpen die de laatste dagen veel in de media spelen.
Uit het onderzoek van McCombs en Shaw bleek dat wat de mensen belangrijk vonden vrijwel volledig overeenkwam met datgene waarover de media berichtten.
Bovendien geldt voor sommige gespreksonderwerpen, zoals het weer, dat mensen er altijd over praten.

Kanttekening:
De wetenschappers kunnen niet goed aantonen dat het de media zijn die de publieke en politieke agenda bepalen. Dat er een sterk verband is tussen de drie agenda’s is evident. Het kan ook andersom zijn: niet de media bepalen de werkelijkheid, maar de werkelijkheid bepaalt de media-agenda.
• Framingtheorie
McCombs en Bell ontwikkelde samen de framingtheorie.
Framebuilding  het proces waarin een mediaframe tot stand komt.
Journalisten worden hierbij ook zelf beïnvloed, deels door hun eigen referentiekader, deels door de keuze van de informatiebron, deels ook door pressie van buitenaf, zoals door belangenverenigingen en politieke woordvoerders.
Een mediaframe bepaalt vanuit welk perspectief mensen een nieuwsitem interpreteren. Als in een reportage sterk de nadruk wordt gelegd op oorzaken van een conflict zal het publiek ook sneller oorzakelijk denken.
Framesetting  Het proces waarbij het mediaframe het denken van mensen beïnvloed
Kanttekening:
Het ontbreken van andere factoren die het beïnvloedingsproces kunnen verklaren. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk of mensen met meer politieke kennis minder gevoelig zijn voor frames dan mensen met minder kennis. Ook demografische verschillen bij framingeffecten zijn niet onderzocht.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.