Samenvatting hfd 2 paragraaf 1 - 6

Beoordeling 2.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 2898 woorden
  • 23 december 2014
  • 9 keer beoordeeld
  • Cijfer 2.9
  • 9 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Samenvatting thema's maatschappijleer vwo hfd3 par 1 - 6 



Paragraaf 1 Wat is politiek?                                                                                  Politiek = de wijze waarop een land bestuurd wordt



      ↘ algemeen belang



1 efficiënt besturen (doelmatig resultaat)



2 maximale participatie (democratie, zorgvuldig)



Dictatuur = de drie machten zijn niet gescheiden






  • Beperkte individuele vrijheid

  • Geen politieke vrijheid

  • Overheidsgeweld

  • Geen onafhankelijke rechtspraak

  • Censuur van massamedia en kunstuitingen




1 autocratische dictatuur → één leidersfiguur (kan geholpen worden door een junta = regering bestaand uit militairen)





  • Bevolking wordt onderdrukt, maar wel godsdienstvrijheid en economische vrijheid



2 totalitaire dictatuur → groep heeft de macht via ideologische revolutie




  • Indoctrinatie

  • Alles is geregeld, geen vrijheden



theocratie (godsdienst als ideologie)



Democratie = het volk regeert → referendum (volksstemming over een bepaald wetsvoorstel)






  • Trias Politica

  • Individuele vrijheid

  • Politieke grondrechten

  • Politie + leger hebben beperkte bevoegdheden

  • Onafhankelijke rechtspraak

  • Persvrijheid

  • Vaak rechtsstaat





representatieve democratie (volk kiest vertegenwoordigers die beslissingen nemen en bij verkiezingen aan het volk vertegenwoordiging afleggen over hun beleid)



1 parlementaire stelsel → gekozen parlement is het hoogste orgaan → participatie




  • Vaak constitutionele monarchie



2 presidentieel stelsel → president staat aan hoofd van de regering




  • Heeft vaak geen ontbindingsrecht (recht om parlement te ontbinden)



Nederland



1806      monarchie



1848      macht bij parlement i.p.v. koning



1917      algemeen mannenkiesrecht



1922      algemeen vrouwenkiesrecht



→ parlementaire stelsel (vrijheid en gelijkheid zijn belangrijk)



Oligarchie = heerschappij van weinigen



Regentencultuur = politici en bestuurders regelen onderling politieke zaken en schuiven elkaar onderling belangrijke baantjes toe





Paragraaf 2 Politieke stromingen                                                                              



Ideologie = samenhangend geheel van ideeën over de mens en de gewenste inrichting van de samenleving




  • Normen en waarden die voor iedereen in de samenleving gelden

  • Sociaaleconomische verhoudingen oftewel de rechtvaardige verdeling van welvaart

  • Machtsverdeling in de samenleving



1 liberalisme: vrijheid, individuele verantwoordelijkheid, tolerantie




  • Ontstond tijdens Franse revolutie, burgers kwamen in opstand tegen de absolute macht van de koning

  • Doel: meer politieke macht en persoonlijke en economische vrijheid

  • Hoe meer macht, hoe conservatiever → progressieve liberalen liepen over naar socialisten



Liberalen in Nederland willen een vrijemarkteconomie. Rol van overheid is klein, houden zich alleen bezig met defensie, onderwijs en bescherming van de rechtstaat en grondrechten. Verzorgingsstaat onder drie voorwaarden:




  • Vrijemarkteconomie komt niet in gevaar

  • Mensen dragen zelf verantwoordelijkheid voor hun situatie

  • Uitkeringen blijven zo laag mogelijk



2 socialisme: gelijke kansen, solidariteit




  • Ontstond als reactie op slechte werkomstandigheden van arbeiders, volgens de socialisten was de vrijemarkteconomie (liberalen) hier de oorzaak van

  • Doel: einde maken aan armoede en ongelijkheid



          → Communisten: arbeiders nemen door revolutie de macht over



          → Sociaaldemocraten: veranderingen door verkiezingen (parlementaire weg)



Sociaaldemocraten in Nederland zijn niet tegen de vrijemarkteconomie, maar kennis, inkomen en macht moet eerlijker verdeeld worden. De verzorgingsstaat moet in stand gehouden worden en moet worden uitgebouwd (sociale grondrechten zoals huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs).



3 confessionalisme: politieke stroming gebaseerd op geloof




  • Doel: samenleving gebaseerd op waarden uit de bijbel

  • Organische staatsopvatting = samenleving is vergelijkbaar met menselijk lichaam, alle delen zijn afhankelijk van elkaar, kunnen alleen in onderlinge samenhang functioneren



Christendemocraten in Nederland streven naar een samenleving met:




  • Gespreide verantwoordelijkheid: mensen zijn verantwoordelijk voor elkaar, overheid heeft een aanvullende rol, maatschappelijk middenveld (welzijnsinstellingen, schoolbesturen) doet veel

  • Rentmeesterschap = mens heeft de taak om goed voor de door God aan ons toevertrouwde aarde te zorgen

  • Solidariteit en naastenliefde



Populisme: stem van het volk




  • Meer bepaalde stijl van politiek bedrijven dan ideologie

  • Doel: gewone burger een stem geven

  • Daadkrachtige oplossingen

  • Hebben vaak nationalistische standpunten



Vooral in tijden van economische crisis krijgen populistische partijen veel aanhangers.



Progressief = vooruitstrevend, veranderingsgezind, gericht op de toekomst



Conservatief = behoudend, gericht op heden en verleden



Reactionair = vervanging van regels terugdraaien, achteruitstrevend



Links/rechts zijn visies op de rol van de overheid in sociaaleconomische verhoudingen.




  • Links: gelijkwaardigheid, gelijke kansen → actieve overheid

  • Rechts: vrijheid, eigen verantwoordelijkheid → passieve overheid

  • Politiek midden: gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid en burgers



Paragraaf 3 Politieke stromingen



Politieke partij = groep mensen met dezelfde ideeën over de manier waarop een samenleving het beste bestuurd kan worden




  • Ideologische partijen (zie paragraaf 2)

  • Populistische partijen (zie paragraaf 2)

  • One-issuepartijen: richten zich op één aspect in de samenleving

  • Protestpartijen: ontstaan uit onvrede met de bestaande politiek



Actiegroepen houden zich bezig met één bestaande doelstelling en zijn vaak maar tijdelijk.



Belangenorganisaties behartigen de belangen van een bepaalde groep mensen.



Functies van politieke partijen:




  • Integratie van ideeën: opvattingen van veel mensen worden gebundeld tot één politiek programma, oftewel het verbinden van mensen op basis van hun ideologie

  • Informatie: kiezers komen via politieke partijen verschillende standpunten te weten, waardoor ze een eigen mening kunnen vormen

  • Participatie: burgers stimuleren om actief mee te doen aan de politiek

  • Selectie van kandidaten: politieke partijen stellen kandidatenlijsten op, burgers kunnen makkelijker kiezen. Zonde politieke partij is het  niet mogelijk om gekozen te worden



Het politieke landschap heeft ook een grote groep zwevende kiezers = mensen die de keuze voor een partij afhangen van het moment en vooral ook van de persoonlijkheid van de partijleiders. Vroeger stemden mensen altijd trouw op dezelfde partij, maar dat veranderde toen het beter ging met de economie. De CDA en de PvdA zagen een deel van hun kiezers verdwijnen, VVD profiteerde hier juist van.



Politieke partijen:






  • Hebben ideeën over de samenleving als geheel

  • Wegen verschillende belangen van groepen af

  • Willen politieke macht en bestuurlijke verantwoordelijkheid

  • Doen mee aan verkiezingen

  • Zijn vertegenwoordigd in politieke organen



Actie-/belangengroepen:




  • Hebben ideeën op één specifiek terrein

  • Komen op voor de belangen van één groep

  • Willen wel politieke invloed, maar geen bestuurlijke verantwoordelijkheid

  • Doen niet mee aan verkiezingen

  • Zijn hooguit vertegenwoordigd in adviesorganen




Paragraaf 4 Verkiezingen

Alle Nederlandse staatsburgers hebben:





  • Actief kiesrecht = het recht om te kiezen

  • Passief kiesrecht = het recht om gekozen te worden. Elke partij moet:




  • Zich op tijd registeren bij de Kiesraad

  • In elke kiesring een kandidatenlijst en dertig stembetuigingen leveren

  • Een borgsom van 11.250 euro betalen



We kiezen vertegenwoordigers op verschillende niveaus:




  • Het Rijk (Tweede Kamer)

  • De provincie (Provinciale Staten)

  • De gemeente (gemeenteraad)

  • De waterschappen (zorgen voor waterhuishouding)

  • Europa (Europees Parlement)



Nederland: evenredige vertegenwoordiging: alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels




  • Kiesdeler = de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt om één zetel te krijgen



→ Voordeel: ook kleinere partijen worden gekozen, dus er zijn veel meningen te horen



→ Nadeel: debatten duren lang, nieuw kabinet vormen wordt lastig




  • Kiesdrempel = partij moet een minimumpercentage stemmen kunnen halen om mee te delen in de zetels



VS en VK: districten- of meerderheidsstelsel




  • Land wordt verdeeld in districten, per district komt er één afgevaardigde in het parlement



→ Voordeel: kiezers kennen de kandidaten beter, omdat die uit de eigen regio komen



→ Nadeel: het kan zijn dat de partij die het meeste stemmen behaalt, niet de meeste zetels krijgt



Verkiezingsstrijd:




  • Spindoctor = een communicatiedeskundige die de partij en lijsttrekker adviseert



→ Bepalen de verkiezingsstrategie




  • Opiniepeilingen = peilen de mening van de kiezers dagelijks

  • Tv- en internetdemocratie = websites geven stemadvies, politici bloggen en twitteren



Waarom stem je op een partij?




  • Standpunten van de partij

  • Je eigen belangen

  • Kans dat partij een rol kan spelen in het kabinet → strategisch stemmen

  • Aantrekkingskracht van de lijsttrekker



Kandidaten die laag op de kandidatenlijst staan, kunnen toch nog in de Tweede Kamer komen door voorkeursstemmen (bijv. bewust kiezen voor een vrouw of iemand uit je eigen regio).



Je stemt op een persoon, dus een volksvertegenwoordiger kan nooit uit de Tweede Kamer worden gezet als hij in conflict is met zijn partij.



Na de verkiezingen:




  • Formatie van nieuw kabinet (ministers + staatssecretarissen)

  • Coalitie = combinatie van verschillende partijen die samenwerken op bestuurlijk niveau




  • Nederland: meerdere partijen om een meerderheid te vormen

  • VS en VK: één partij kan alleen al de meerderheid hebben




  • Kabinet onderhandelt over afspraken die in regeerakkoord komen




  • Wordt elk jaar bijgesteld en aangevuld in de troonrede (Prinsjesdag)


    • Troonrede kijkt terug op afgelopen regeerjaar en schetst hoofdlijnen van het beleid voor komend jaar

    • Elke minister levert tekst voor het beleid waar hij verantwoordelijk voor is



  • Op dezelfde dag biedt minister van Financiën ook miljoenennota (samenvatting rijksbegroting) aan de Tweede Kamer aan

  • Bijstelling miljoenennota vindt plaats in de voorjaarsnota (gehaktdag), regering legt verantwoording af over beleid in miljoenennota




  • Lijsttrekker van de grootste partij wordt meestal minister-president

  • Overige ministers worden aangewezen




  • Wordt gekeken naar voorkeuren partijen en zwaarte van de functies




  • Tweede Kamer debatteert over plannen tijdens de Algemene Beschouwingen



Kabinet kan vallen:




  • Ministers worden het niet eens over een of meer kwesties en de regeringspartijen besluiten daarom gezamenlijk dat het niet verder gaat




  • Oude ministers blijven in functie totdat er een nieuw kabinet is gevormd = demissionair kabinet

  • Er kan ook geprobeerd worden om een nieuw kabinet te vormen in de bestaande regering




  • Een meerderheid in de Tweede Kamer verwerpt het beleid van het kabinet en de ministers zijn niet bereid hun beleid te wijzigen




  • Tweede Kamer kan ook slechts één minister ontslaan




  • Er zijn vier jaar voorbij, en er zijn nieuwe verkiezingen



Paragraaf 5 Regering en parlement

Regering  = koning en ministers




  • Dagelijks bestuur van het land, maar koning bemoeit zich niet inhoudelijk



Kabinet = ministers en staatssecretarissen




  • Ministerraad: vergadering van alle ministers

  • Voorzitter van de ministerraad is de minister-president oftewel de premier

  • Is zijn verantwoording schuldig aan de Eerste en Tweede Kamer

  • Als een minister geen eigen ministerie of departement heeft, is hij een minister zonder portefeuille



Het staatshoofd is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de wetten en de troonrede. Hij is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk.



Politieke taken van het staatshoofd:




  • Ondertekenen van alle wetten

  • Voorlezen van de troonrede op Prinsjesdag

  • Benoemen van ministers

  • Overleg met de minister-president over het kabinetsbeleid



Parlement: Tweede en Eerste Kamer, ook wel Staten-Generaal genoemd.



→ Tweede Kamer is belangrijker, wordt rechtstreeks gekozen en hebben meer bevoegdheden



Tweede kamer: 150 leden, fulltimebaan, worden door burgers gekozen



Taken van de Tweede Kamer:



1 samen met regering wetten maken en die goedkeuren (medewetgeving)




  • Stemrecht: wetsvoorstellen aannemen of verwerpen

  • Recht van amendement: wetsvoorstellen wijzigen en daarna pas aannemen → wijzigingen heten dan amendementen

  • Recht van initiatief: zelf wetsvoorstellen indienen → gebeurt niet vaak, vergt veel juridische kennis

  • Budgetrecht: plannen van de regering moeten altijd financieel verantwoord worden in de begroting van de ministers → Tweede Kamer heeft het recht om rijksbegroting goed te keuren, te verwerpen of er wijzigingen in aan te brengen



2 de regering (ministers) controleren




  • Recht van Motie: Tweede Kamer roept minister of staatssecretaris op om bepaalde maatregelen te nemen of met een wetsvoorstel te komen → moties worden aan het eind van een debat ingediend en zijn niet verplicht voor het kabinet


    • Motie van treurnis

    • Motie van afkeuring

    • Motie van wantrouwen (minister moet aftreden)



  • Vragenrecht: recht om vragen te stellen aan de regering → schriftelijke vragen of op dinsdag het wekelijkse vragenuurtje

  • Recht van interpellatie: spoeddebat aanvragen met een minister of staatssecretaris over een onderwerp waarover ze zich zorgen maken → aanvraag moet gesteund worden door minimaal dertig Kamerleden (wordt vaak gebruikt door oppositiepartijen)

  • Recht van enquête: zelf een onderzoek instellen naar de rol van de regering en overheid in een bepaalde kwestie → Kamer grijpt naar dit zware middel als zij vindt dat ze onvoldoende informatie heeft om het gevoerde beleid te beoordelen of denkt dat de regering feiten en beslissingen heeft verzwegen

    • Tweede Kamer mag ministers, ambtenaren en betrokkenen als getuige oproepen en verhoren

    • Wordt alleen ingezet bij kwesties van groot maatschappelijk belang





Eerste Kamer: 75 leden, ook wel Senaat genoemd, deelfunctie, vergadert één keer per week, worden door leden van Provinciale Staten aangewezen



Taken van de Eerste Kamer:



1 rol van ‘laatste controle’ → kunnen geen wetten maken of wijzigen






  • Stemrecht

  • Vragenrecht

  • Recht van interpellatie

  • Recht van enquête




(Worden bijna nooit gebruikt)



Wetten maken → grote lijnen van het regeringsbeleid liggen vast in het regeerakkoord




  • Ambtenaren werken beleidslijnen in opdracht van hun minister uit in wetsvoorstellen (initiatief + ontwerp)

  • Wetsvoorstel gaat voor advies door de Raad van State

  • Wetsvoorstel gaat naar de Tweede Kamer, wordt daar vaak nog gewijzigd

  • Wetsvoorstel gaat naar de Eerste Kamer, die aanvaardt of verwerpt het

  • Ondertekening door de Koning en de verantwoordelijke minister

  • Publicatie in het Staatsblad, krijgt de status van een wet



De regering kan ook besluiten nemen zonder de Eerste of Tweede Kamer, zoals bij Koninklijke Besluiten (bijv. de benoeming van een burgemeester) en de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) (specifieke regels binnen een bestaande wet).



Dualisme = er is een duidelijke taakverdeling tussen regering en parlement → vloeit voort uit de Trias Politica




  • Eerste en Tweede Kamer controleren de ministers en kunnen dus zelf geen minister worden

  • De taakverdeling is voor alle bestuurslagen (landelijk, regionaal, lokaal) hetzelfde: de wetgevende macht stelt wetten en regels vast, de uitvoerende macht voert ze uit



→ In Nederland zijn de machten niet strikt gescheiden, ministers kunnen wetten maken én kunnen ze uitvoeren. Maar de Tweede Kamer kan altijd wetten wijzigen of verwerpen.



Monolisme = wetgevende en uitvoerende macht zijn overlappend



Poldermodel: akkoord in 1982 tussen wetgevers en vakbonden, leverde een onderhandelingssfeer waar iedereen bereid was tot compromissen (‘polderen’)


























Nederland



Gemeente



Uitvoerende macht



Regering



Wethouders (College van B&W)



Wetgevende Macht



Regering + parlement



Gemeenteraad + College van B&W




Paragraaf 6 Politiek in de praktijk

Politieke besluitvorming via het systeemmodel:



Fase 1: invoer of input




  • Samenleving brengt eisen en wensen naar voren via massamedia en pressiegroepen → als er genoeg aandacht voor is, komt er vaak een spoeddebat

  • Massamedia, pressiegroepen en politieke partijen (poortwachters) hebben de mogelijkheid om wensen uit de samenleving om te zetten in concrete publieke eisen (zorgen ervoor dat problemen op de politieke agenda komen)



Fase 2: omzetting




  • Ambtenaren onderzoeken het onderwerp en schrijven advies: beleidsvoorbereiding

  • Minister kiest hoe hij de kwestie verwerkt in een maatregel of wetsvoorstel: beleidsbepaling. De minister bespreekt plannen met parlement, daarna stemmen beide Kamers

  • Eventuele gevolgen van de maatregelen worden besproken



Fase 3: uitvoer




  • Ambtenaren regelen de beleidsuitvoering, minister blijft eindverantwoordelijk



Fase 4: terugkoppeling




  • Politici leiden af uit feedback of het gewenste effect is behaalt, zo niet → debatten en moties



Politieke en maatschappelijke actoren = individuele burgers, groepen, bestuursorganen en instanties die betrokken zijn bij het politieke besluitvormingsproces



→ Hoort bij de democratie




  • Ambtenaren: staan bestuurders bij




  • Beleid = bewuste inzet van middelen om een beoog doel te realiseren

  • Hebben vaak veel invloed, worden daarom de vierde macht genoemd




  • Adviseurs: regering kan een beroep doen op adviesorganen

    • Raad van State: juristen en oud-politici benoemd door de regering, belangrijkste adviescollege voorgezeten door de koning (is er vaak niet, dus ook door de vicevoorzitter) → beoordeelt alle wetsvoorstellen en andere voorstellen

    • Sociaal Economische Raad (SER): 11 leden uit werknemersorganisaties, 11 leden uit werkgeversorganisaties, 11 onafhankelijke deskundigen benoemd door de regering → adviseert regering over sociaaleconomische beleid

    • Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR): 5 tot 11 wetenschappers benoemd door de regering → toekomstige ontwikkelingen beschrijven die belangrijk zijn voor het toekomstige beleid

    • Centraal Plan Bureau (CPB): onderzoeksinstituut, onderdeel van Ministerie van Economische Zaken → maakt analyses van economische beleid van regering, dat eventueel kan worden bijgestuurd



  • Burgers: zelf initiatief nemen

    • Burgerinitiatief: wetsvoorstel van individuele burger, dat onder bepaalde voorwaarden in de Tweede Kamer wordt besproken. Voorwaarden:

      1. Ondersteund door minstens 40 000 handtekeningen

      2. Onderwerp is de laatste twee jaar niet in Tweede Kamer besproken

      3. Onderwerp waarover de Tweede Kamer kan beslissen

      4. Druist niet in tegen normen en waarden van ons land

      5. Gaat niet over grondwet, belastingen of begrotingswetten



    • Burgerlijke ongehoorzaamheid om onvrede te uiten



  • Pressiegroepen: groepen die druk uitoefenen op politici om ze voor hun standpunten te winnen

    • Lobbyen = via persoonlijk contact proberen steun te krijgen voor je standpunten en belangen

    • Actievoeren





belangenorganisaties: komen op voor een bepaalde groep uit de samenleving (bijv. vakbonden en werkgeversorganisaties: sociale partners, regering overlegt met hen)



actieorganisaties: zetten zich in voor één bepaald thema of onderwerp




  • Media: vervullen vijf politieke functies in onze samenleving:

    • Informatieve functie: volgen politieke discussies en maatschappelijke kwesties

    • Onderzoekende of agendafunctie: media signaleren en analyseren problemen in de samenleving die vervolgens op de politieke agenda terechtkomen

    • Commentaarfunctie: geven commentaar op politieke kwesties

    • Spreekbuisfunctie: media geven politieke partijen, actiegroepen en burgers de ruimte om hun zegje te doen

    • Controlerende functie: houden ministers in de gaten, worden daarbij geholpen door Wet openbaarheid van bestuur (WOB), die de overheid verplicht informatie bekend te maken





Vrije media is een basisvoorwaarde voor de democratie → de overheid stimuleert pluriformiteit (voldoende keuze tussen verschillende media)



Omgevingsfactoren = factoren die niet direct onderdeel van het probleem vormen, maar wel de besluitvorming beïnvloeden




  • Demografische factoren: samenstelling van de bevolkingsopbouw

  • Ecologische factoren: wisselwerking tussen mens en milieu

  • Culturele factoren: geschiedenis van het land en de daaraan gekoppelde waarden, normen en gewoonten

  • Economische factoren: mate van economische groei en werkgelegenheid

  • Technologische factoren: ontwikkeling op het gebied van communicatie of medische technologie

  • Sociale factoren: verdeling in maatschappelijke klassen en de verschillen daartussen

  • Internationale factoren: buitenlandse politiek en globalisering


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.