Massamedia

Beoordeling 7.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 3375 woorden
  • 2 november 2002
  • 45 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.7
  • 45 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
1.1 Wat is communicatie?
Communicatie is een doorlopend proces waarbij een zender bedoeld of onbedoeld een boodschap(informatie) overbrengt aan een ontvanger.De boodschap is de kern van het communicatieproces. De boodschap bevat informatie en als het goed is, wordt er op die informatie correct gereageerd. Als dat niet het geval is, dan is er sprake van een communicatiestoornis.

Er zijn zeven vormen van communicatie:
1. Face-to-face(directe)communicatie, zender en ontvanger kunnen beide lijfelijk aanwezig zijn. Directe reactie (feedback) is mogelijk en zender en ontvanger kunnen dus van functie wisselen. Bijvoorbeeld een gesprek.

2. Indirecte communicatie, zender en ontvanger maken gebruik van een communicatiemiddel. Soms is directe reactie mogelijk, bijvoorbeeld bij een telefoongesprek, maar soms ook niet, bijvoorbeeld bij een brief.
3. Meerzijdige communicatie, de zender richt zich tot een groot, meestal anoniem publiek. Soms is reactie nog mogelijk, bijvoorbeeld bij een lezing in een zaal, maar meestal kan dit niet, zoals bij radio- en televisieprogramma’s.
4. Éénzijdige communicatie, communicatie waarbij directe reactie bijna onmogelijk is. Bijvoorbeeld radio, televisie of kranten.
5. Verbale communicatie, communicatie door middel van zowel gesproken als geschreven woorden.
6. Non-verbale communicatie, communicatie waarbij geen gebruik wordt gemaakt van woorden maar van gebaren (lichaamstaal) en symbolen.
7. Massacommunicatie, communicatie waarbij de zender met technische hulpmiddelen (media) in staat is om grote aantallen mensen met een boodschap te bereiken.

1.2 Massacommunicatie
Massacommunicatie is een vorm van communicatie waarbij de zender met technische hulpmiddelen (media) in staat is om grote aantallen mensen met een boodschap te bereiken. Ook al zou een televisieprogramma maar 2 kijkers tellen, dan spreken we nog steeds van de televisie als massamedium.

Massamedia hebben vier kenmerken:

1. De geboden informatie is openbaar en voor iedereen toegankelijk.
2. De informatie is bedoeld voor een groot heterogeen en anoniem publiek.
3. De relatie tussen de zender en de ontvanger is van onpersoonlijke aard.
4. Meestal verloopt de communicatie eenzijdig. Directe feedback is bijna onmogelijk. De ontvanger kan hoogstens indirect, achteraf reageren.

Er zijn twee media die aan deze vier kenmerken voldoen:
1. De gedrukte media, kranten en tijdschriften.
2. De audio-visuele media, radio en televisie.

2.1 Vier functies
De functies van de massamedia hangen samen met de boodschap, de informatie die wordt overgebracht.
De massamedia hebben vier functies:
1. Nieuws, kranten zijn media waarbij de informatie vooral uit nieuws bestaat. Ook op radio en televisie maakt nieuws een belangrijk deel uit van het totale aanbod.
2. Amusement, bij de commerciële tv-zenders vormen de quizzen, shows en soaps de hoofdmoot van het programma-aanbod. De publieke omroepen zenden iets minders amusementsprogramma’s uit.
3. Educatie, programma’s waarin informatie wordt uitgezonden waarvan de kijker iets kan leren. (Teleac is een omroep die zich hierin gespecialiseerd heeft) Bijvoorbeeld programma’s ten behoeve van het onderwijs.
4. Opinievorming, in de gedrukte media geeft de hoofdredactie in hoofdartikelen de mening van de krant weer over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Bij de audio-visuele media kun je bijvoorbeeld denken aan discussieprogramma’s.

De onderscheiding van de vier functies ligt vrij moeilijk, vooral als het om televisieprogramma’s gaat. Vaak vervullen de meeste programma’s meerdere functies tegelijkertijd, je zou dan beter van mengfuncties kunnen spreken. Deze vermenging van functies wordt voor de kijkcijfers gedaan.

2.2 Politieke functies van de massamedia
In ons land vervullen de massamedia een aantal functies die specifiek betrekking hebben op de verhouding tussen de overheid en burgers.
Er zijn vijf politieke functies:
1. Woordvoerders- of spreekbuisfunctie, de massamedia verwoorden bestaande standpunten van de maatschappij. Een hulpmiddel daarbij zijn enquêtes. De resultaten worden in kranten en actualiteitenrubrieken gepubliceerd. Vaak wordt naar aanleiding van dit soort publicaties door de politiek actie ondernomen.
2. Informatieve functie, politieke beslissingen worden door middel van de massamedia kenbaar gemaakt aan de burgers. Politiek nieuws heeft in de meeste massamedia een vaste plek. De burger wordt op deze manier snel en effectief geïnformeerd.
3. Commentaarfunctie, de massamedia levert commentaar op politieke besluiten. Het leveren van kritisch commentaar kan direct gebeuren, zoals bijvoorbeeld in een redactioneel commentaar in een dagblad. Het kan ook indirect, bijvoorbeeld door in een actualiteitenrubriek voor- en tegenstanders van een bepaald politiek voornemen of besluit aan het woord te laten.
4. Onderzoeksfunctie, journalisten onderzoeken achtergronden en dingen die spelen in de politiek die eigenlijk niet aan het licht zouden mogen komen. Bijvoorbeeld het achterhouden van informatie.
5. Controlerende functie, de resultaten van beleid of juist het ontbreken daarvan geven aanleiding tot publicaties, die op hun beurt aanleiding kunnen zijn voor kritiek op dat beleid.

In een democratie vervult de vrije pers een belangrijke rol, omdat de vervulling van de vijf functies ervoor zorgt dat zich maar weinig achter de schermen kan afspelen. Politici gebruiken de media soms als drukmiddel om besluitvorming te beïnvloeden, bijvoorbeeld door vertrouwelijke informatie te ‘lekken’ en zo in de openbaarheid te brengen. Net zoals voor de algemene functies, geldt voor de politieke functies dat ze in de praktijk vaak met elkaar vermengd zijn.

3.1 Visies
Aan reclame worden via de massamedia vaak enorme bedragen uitgegeven.
Dat er sprake van invloed van de massamedia is, is duidelijk, maar hoe groot is die invloed?
Er zijn vier verschillende theorieën die de verschillen over die invloed goed laten zien:
1. De selectieve-preceptietheorie, mensen selecteren hun waarnemingen, waarbij hun voorkeur uitgaat naar feiten die passen bij hun normen en opvattingen (referentiekader). Informatie die daar niet bij past wordt niet, minder goed of vervormd waargenomen.
2. De agendatheorie, de media bepaald waar de aandacht naartoe gaat en waar over wordt gediscussieerd.
3. De injectienaaldtheorie, de mens wordt als een tamelijk weerloze passieve-spons gezien, die kritiekloos de door de massamedia aangeboden informatie aanvaardt (indoctrineren). ‘De grote massa’ wordt volgespoten met informatie.
4. De aanhaaktheorie, men haakt aan bij de mening van iemand die men als een autoriteit op een bepaald terrein beschouwt. Vanwege hun leidende en invloedrijke rol bij de meningsvorming van het grote publiek worden deze figuren opinieleiders genoemd.

3.2 Invloed van de reclame op de consument
Reclame is niet meer weg te denken, er worden enorme bedragen aan uitgegeven. De massamedia profiteren hier buitengewoon van. De commerciële zenders zijn zelfs bijna geheel afhankelijk van de reclame-inkomsten. De meest indringende vorm van reclame is die via dagbladen, radio en televisie, via de massamedia dus. De televisiereclame is het meest in het oog springend. Reclame is eenzijdige informatie. Reclamemakers gebruiken ‘trucs’ om de consument zo goed mogelijk te beïnvloeden.
Een aantal voorbeelden van trucs die in reclames worden gebruikt zijn:
- Gebruik maken van een bekend persoon, die binnen bepaalde doelgroepen positief beoordeeld wordt.
- Gebruiken van zogenaamde ‘wetenschappelijk’ termen.
- Gebruik maken van termen uit andere talen.
- Proberen een product aan een bepaalde sfeer te koppelen.
- Proberen in te spelen op specifieke gevoelens van de consument.
- Gebruik maken van muziek, ervoor zorgen dat de consument het product herkent aan de begeleidende melodie.
- Inspelen op ‘trends’.
- Gericht benaderen van doelgroepen.
- Gebruik maken van humor.* De consument zelf, al of niet geacteerd, aan het woord laten.

Reclame is effectief en vanuit commercieel oogpunt van groot belang. Naamsbekendheid is een belangrijke factor bij de productkeuze, het doet er niet altijd toe hoe die naamsbekendheid tot stand is gekomen.

3.3 Waarden en normen
Reclame probeert het (koop)gedrag van consumenten te beïnvloeden. Dat geldt niet voor het merendeel van het programma-aanbod: een soapserie of een actie film wordt niet gemaakt en uitgezonden om de kijkers te beïnvloeden.
Elke gemeenschap ontwikkelt eigen waarden en normen, die samen de cultuur van die gemeenschap of samenleving vormen. Met waarden worden opvattingen aangeduid. Normen zijn gedragsregels, gebaseerd op die waarden. Om als individu binnen een gemeenschap te kunnen functioneren, moet je een socialisatieproces ‘ondergaan’. Elke samenlevingsvorm kent socialisatieprocessen. Socialisatie is de overdracht van waarden en normen. Socialisatie bestaat deels uit aanpassing, door het individu en door de leden die al tot die bepaalde samenleving behoren. Dat aanpassingsproces begint vaak met imitatie. De massamedia, televisie in het bijzonder, zijn bronnen van socialisatie en als zodanig beïnvloeden ze hun publiek.

3.4 De invloed van televisiegeweld
Met agressief gedrag wordt gedrag bedoeld dat bewust is gericht op het toebrengen van schade aan anderen of aan zaken die aan anderen toebehoren. Onderzoek naar de relatie tussen televisie geweld en agressief gedrag heeft zich vooral gericht op kinderen.
Er zijn drie meningen, visies over de relatie tussen televisie geweld en agressief gedrag:
1. De reductiethese, kinderen leren door het kijken naar situaties waarin gewelddadig gedrag wordt vertoond dergelijke situaties te vermijden.
2. De geen-effectthese, Britse socioloog Halloran bestudeerde de invloed van de televisie op grotere groepen in de samenleving. Het televisiegeweld is als oorzaak van agressief gedrag geen factor van betekenis in deze visie.
3. De stimulatiethese, volgens de Amerikaanse psycholoog Liebert leren geweldscènes kinderen hoe agressief te zijn. Bovendien kunnen kinderen tot de conclusie komen dat geweld kan lonen en een aanvaardbaar middel kan zijn om bepaalde doelen te bereiken.

Relatie tussen de soorten geweld en agressie
De aanhangers van de stimulatiethese hebben ook onderzocht welke typen geweldscènes meer of minder aanleiding kunnen vormen tot agressief gedrag. Zij zien een verband tussen het realisme van het vertoonde geweld en agressief gedrag: hoe realistischer het vertoonde geweld, hoe groter de kans op imitatie daarvan.

Verder onderzoek noodzakelijkToch blijven vele vragen onbeantwoord, zoals:
- Waarom zijn er verschillen in agressief gedrag tussen jongens en meisjes?
- Is er alleen sprake van korte- of ook langetermijneffecten?
- Waarom worden er verschillen geconstateerd in beïnvloeding als er volwassenen meekijken?*Wat is de invloed bij volwassenen?
Verder zijn andere reacties die mogelijk met geweld op de televisie te maken hebben onvoldoende onderzocht. Hieronder vallen slaapstoornissen bij kinderen, maar ook zelfdodingen bij jongeren. Sommige onderzoekers menen dat er een relatie bestaat tussen televisiegeweld en de twee genoemde reacties.

Beleid
De roep om minder geweldscènes op de televisie te vertonen worst steeds sterker. Er zijn richtlijnen van kracht waar de uitzendgemachtigden zelf op moeten toezien. De kern van deze richtlijnen is geweldscènes voor 21.00uur te vermijden. Het Commissariaat voor de Media moet toezien op de naleving van deze richtlijnen.

De toekomst
Het laatste woord in deze discussie is zeker nog niet gezegd, maar toch kunnen we al vaststellen dat overheden in West-Europa steeds meer geneigd zijn het geweld op de televisie enigszins aan banden te leggen.

4.1 De krant
De krant is het oudste massamedium. Dankzij de uitvinding van de boekdrukkunst rond 1450 in Duitsland (Haarlemmers houden vast aan de overtuiging dat hun stadsgenoot Coster in Haarlem de boekdrukkunst uitvond), werd het mogelijk om in grote oplagen geschriften te drukken. In 1619 zag het eerste periodiek in Nederland het licht dat als voorloper van de krant kan worden beschouwd.

Persvrijheid
In 1848 werd het recht van persvrijheid in de Nederlandse grondwet opgenomen. Persvrijheid is een belangrijke voorwaarde voor democratie. Een staatsbestel kan alleen dan democratisch functioneren als er sprake is van goed geïnformeerde, mondige burgers. Persvrijheid betekent niet alleen dat men ook kritische standpunten mag innemen en openlijk publiceren, het houdt ook de zogenaamde vrijheid van nieuwsgaring in. (de mogelijkheid tot het verzamelen van informatie)

Een groter publiek
Ook na 1848 werd de krant nog niet direct een massamedium. Kranten waren duur, vooral door de hoge belasting erop. Een belangrijke stap voorwaarts was het afschaffen van de zogenaamde dagbladzegel in 1869. De prijzen zakte, ze bleven zakken door nieuwe druktechnieken en dankzij de reclame. De industrialisatie maakte massaproductie mogelijk en massaproductie veronderstelt massaconsumptie. Reclame werd een doeltreffend middel om de consument tot kopen te verleiden en de krant werd een belangrijk medium om de consument te bereiken.Een belangrijke factor bij de ontwikkeling van de krant tot massamedium was de politieke emancipatie van de bevolking, die zich manifesteerde in de vorm van oprichting en groei van politieke partijen en vakbonden. Daardoor groeide het politieke bewustzijn en dus de vraag naar informatie over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen bij brede lagen van de bevolking.

Pluriformiteit en verzuiling
In een moderne democratie kenmerkt de pers zich door pluriformiteit (veelvormigheid). De verscheidenheid aan opinies en politieke beginselen die in een democratie vrijelijk mogen worden geuit, leidt tot verscheidenheid in de pers en dus ook tot een verscheidenheid aan dagbladen.Een belangrijk kenmerk van de Nederlandse samenleving gedurende de twintigste eeuw, de verzuiling, gaf die pluriformiteit hier een geheel eigen gezicht.
De verzuiling ontstond door twee zuilen:
1. Het langdurig achtergestelde katholiek volksdeel in het zuiden.
2. Het protestantse deel in het noorden en westen.

Tegelijkertijd groeide met de industrialisatie de tegenstelling tussen arbeidersbeweging en rijke burgerij en middenstand.
Vier zuilen waren van die beide tegenstellingen het resultaat:
1. De protestants-christelijke zuil.
2. De katholieke zuil.
3. De sociaal-democratische zuil.
4. De liberaal-conservatieve zuil.
Feitelijk was er sprake van vier samenlevingen, met hun eigen scholen, politieke partijen, eigen omroepen, eigen vakbonden, eigen sport- en gezelligheidsverenigingen en ook eigen kranten. Sinds ongeveer midden jaren zestig is er sprake van ontzuiling. De muren tussen de zuilen brokkelden af en de zuilen zelf verloren steeds meer aan betekenis. Belangrijke oorzaken daarvan waren en zijn het voortgaande proces van deconfessionalisering en ontkerkelijking en de doorbreking van autoritaire maatschappelijke structuren in de jaren zestig.

Verschillende soorten dagbladen
Sommige dagbladen richten zich nog steeds op doelgroepen van lezers met een specifieke levensbeschouwelijke overtuiging. Los van levensbeschouwelijke grondslag of politieke oriëntatie kun je dagbladen ook indelen in kwaliteitskranten als Trouw en NRC-Handelsblad en populaire kranten als De Telegraaf. Een kwaliteitskrant zal zich in het algemeen minder richten op het populaire roddelnieuws, en verhoudingsgewijs veel aandacht schenken aan politiek en cultureel nieuws. De regionale dagbladen bieden naast het landelijke en internationalen nieuws veel aandacht aan streek en stadsnieuws. Regionale dagbladen met hun kleinere oplagen kunnen zich geen net van correspondenten permitteren die van overal op de wereld nieuwsfeiten en nieuwsachtergronden inbrengen. Daarom ontlenen zij dergelijk nieuws vaker dan de landelijke dagbladen aan persbureaus en gemeenschappelijke redacties als de GPD, de Gemeenschappelijke Persdienst, die voor een groot aantal aangesloten regionale dagbladen landelijke en internationale verslaggeving verzorgt.

Nieuwsbronnen
Een krant krijgt zijn nieuws uit verschillende bronnen. Iedere krant heeft vaste journalisten in dienst die gespecialiseerd zijn op bepaalde gebieden. Vaak heeft een krant ook een aantal freelancers. Verder krijgt een krant veel nieuws aangereikt via de grote persbureaus. Voor Nederland is dat het ANP, het Algemeen Nederlands Persbureau. Bekende buitenlandse agentschappen zijn; Agence France Press(Frankrijk), Reuter(Groot-Brittannië) en Associated Press(Verenigde Staten).Via telex en computernetwerken verspreiden die nieuws, waaruit de redactie een keuze maakt. Die keuze zal deels bepaald worden door de signatuur van de krant, evenals de wijze van presentatie.

Inkomsten
Uigevers van dagbladen halen hun inkomsten voor bijna ¾ uit de verkoop van advertentie. Toen in 1967 de televisiereclame mogelijk werd via de STER zagen de dagbladen hun advertentie-inkomsten teruglopen, want de grote adverteerders staken nu een flink deel van hun reclamebudget in tv-reclame. Een aantal dagbladen moest het veld ruimen, andere krompen van landelijk naar regionaal en veel kleinere, zelfstandige dagbladen werden opgekocht. Deze ontwikkeling, persconcentratie genoemd, werd beschouwd als een bedreiging voor de pluriformiteit van de pers. Om deze bedreiging het hoofd te bieden kwam een deel van de STER-opbrengsten ten goed aan de krantenuitgevers. Het Bedrijfsfonds voor de Pers verdeelt die gelden. Sterke concurrentie, stijgende kosten en dalende oplagecijfers leiden echter tot een steeds verdergaande persconcentratie.

4.2 Weekbladen en andere tijdschriften
Letterlijk elk terrein van menselijke belangstelling kent één of meerdere tijdschriften. Ze kunnen worden ingedeeld in opinieweekbladen, gezinsbladen en sensatiepers en wetenschappelijke, populair-wetenschappelijke en hobbybladen.
- Opinieweekbladen, leveren wel degelijk ook nieuws, vooral op politiek en cultureel gebied. Op een meer beschouwende en opiniërende wijze. Ze zijn journalistiek afhankelijk, dat wil zeggen niet gebonden aan een politiek partij. De opinieweekbladen hebben het lange tijd moeilijk gehad door kostenstijgingen, teruglopende advertentie-inkomsten en door het beleid van de grote dagbladen om in de vrijdag- en zaterdagedities veel beschouwende en opiniërende journalistiek te stoppen op politiek en cultureel terrein. De Groene Amsterdammer en Hervormd Nederland zijn de belangrijkste opinieweekbladen.

- Gezinsbladen en de sensatiepers
Journalistieke formule van lichtverteerbare artikelen met veel foto’s, vooral gericht op amusement en verstrooiing. Sensatie en sappigheid staan in die berichtgeving voorop; dat veel van die berichten in het beste geval overdreven en in het slechtste geval onjuist zijn, daaraan laten de redacties zich niet al te veel gelegen. Voorbeelden zijn Panorama, Nieuwe Revu en Privé.

4.3 Radio en televisie

De radio
Radio werd uitgevonden aan het einde van de negentiende eeuw. In Nederland vond de eerste radio-uitzending plaats in november 1916. Snel daarna werden in het verzuilde Nederland omroepen opgericht. In 1924 de NCRV, spoedig gevolgd door de VARA, KRO, VPRO, en AVRO. Tijdens WO2 kreeg de radio een speciale betekenis. Radio Oranje, die vanuit Londen uitzond, stak de bevolking in het bezette Nederland een hart onder de riem en verzetsgroepen ontvingen gecodeerde berichten, bijvoorbeeld over wapendroppings. Radio Oranje verenigde de zuilen, maar dit was niet het einde van de verzuiling. In snel tempo werden de vooroorlogse verhoudingen gerestaureerd en de verzuilde omroepen namen even snel hun oude positie weer in.

Opkomst van de televisie
In 1951 werd een begin gemaakt met experimentele televisie-uitzendingen. Binnen enkele jaren ontwikkelden de verzuilde radio-omroepen zich tot verzuilde radio- en televisieomroepen. Beschermd door de toenmalige Omroepwet hoefden zij niet bang te zijn voor concurrentie. Maar in de jaren zestig kwam hier beweging in. En die beweging manifesteerde zich ook in de ether. Er werd vanaf verankerde schepen vlak buiten de Nederlandse territoriale wateren uitgezonden. Pogingen om vanaf zee ook tv-programma’s aan te bieden werd door de Nederlandse overheid in de kiem gesmoord. Maar door deze pogingen werd wel beseft dat het omroepbestel toegang moest bieden aan nieuwe omroepen. De TROS met zijn aanbod van vooral amusementsprogramma’s, de eerste niet aan een zuil gebonden omroep deed zijn intrede, en binnen enkele jaren was de TROS ontwikkeld tot een van de grootste omroepen.

Een nieuw omroepbestel
Trouw aan de zuil had kennelijk afgedaan en in een poging om de kijkers terug te winnen imiteerden de meeste oude omroepverenigingen de formule van de nieuwkomers: vaal amusement en minder programma’s die de levensbeschouwelijke identiteit van de omroepvereniging benadrukten. De vervlakking en verschraling van het programma-aanbod die daarvan het resultaat was werd door critici smalend ‘vertrossing’ genoemd. Kijk- en luistercijfers werden de belangrijkste maatstaf voor programmering, de kwaliteit en de ‘eigen’ identiteit van het gebodene deden er nauwelijks nog toe. Deze omroepen functioneerden binnen het kader van het oude omroepbestel dat via de Mediawet van 1988 door de overheid werd gereguleerd.
De oude mediawet stelde 3 eisen waaraan een omroep moest voldoen om een financiële van de overheid te krijgen:
1. Het vertegenwoordigen van een bepaalde culturele, maatschappelijke of geestelijke stroming die niet gericht is op het maken van winst.
2. Een gevarieerd programma, 25% informatief, 25% culturele, 25% amusemerend, 5% educatief en de overige 20% mocht vrij ingevuld worden.
3. Het hebben van minstens 150.000 leden.
Het Commissariaat zag toe op de naleving van deze eisen. Omroepen die aan deze eisen volden kregen een financiële bijdrage van de overheid, die dat geld opbracht via de kijk- en luistergelden. De overheid financierde bovendien de uitzendingen van de NOS, die zich moest richten op nieuws- en nieuwsachtergronden.
Een hele nieuwe situatie ontstond toen de commerciële zenders zich aandienen, die zich niks aan dergelijke eisen gelegen wilden laten liggen en die wel degelijk streefden naar het maken van winst. Hun inkomsten komen uit reclame en sponsoring van programma’s. Zenders zoals SBS6 en RTL4 deden hun intrede en Veronica veranderde van publieke omroep in een commerciële zender.
Enerzijds is er het omroepbestel, tegenwoordig het publieke bestel, dat wordt gereguleerd door de Mediawet, anderzijds zijn er de commerciële zenders.

Kabelmaatschappijen
Tegelijk met al deze ontwikkelingen waren de kabelmaatschappijen opgekomen. Tot eind jaren zeventig stond op ieders dak een antenne voor de ontvangst van radio en televisie. De aanleg van een kabelnet maakte niet alleen een einde aan de problemen die antennes konden geven voor een goede ontvangst, het betekende ook een enorme uitbreiding van een aanbod tot tientallen zenders. Dat enorme zenderaanbod heeft geleid tot een nieuw verschijnsel: zenders die niet, zoals de traditionele omroepen een totaalpakket van programma’s aanbiedden, maar zich specialiseren. De kabel heeft ook een enorme stoot gegeven aan de ontwikkeling van de regionale en lokale omroepen. Beperkten die zich voorheen tot radio-uitzendingen, dankzij de kabel kunnen zij met betrekkelijk eenvoudige middelen volwaardige tv-programma’s aanbieden. Overigens blijkt overheidssteun nog steeds noodzakelijk om de regionale en lokale omroepen overeind te houden.
Al deze ontwikkelingen maken van de Mediawet van 1988 een verouderde wet. Tijdens het eerste kabinet Kok (1994/1998) werd besloten dat deze wet aangepast moest worden om de snelle veranderingen het hoofd te bieden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

..

..

hay hay, ik moet een werkstuk maken over massamedia,weet jij mischien een site waar ik informatie kan vinden (niet www.scholieren.com die heb k al)
alvast bedankt xxx

19 jaar geleden

K.

K.

Met welk boek heb je deze samenvatting geschreven?

19 jaar geleden

J.

J.

van welk boek is dit? alvastbedankt
ciao joep

18 jaar geleden

I.

I.

dankje marit, ik gebruik deze bij mijn toets morgen. Ik hoop dat het werkt
groetjes mij

18 jaar geleden