Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 1

Beoordeling 8.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 4459 woorden
  • 26 juli 2007
  • 10 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.5
  • 10 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Wat is maatschappijleer?
Welke regels op een bepaald moment gelden hangt af van:
- De opvattingen van degene(n) die de meeste macht heeft of hebben.
- De invloed van degenen die een ondergeschikte positie innemen.
- De machtsmiddelen die beide groepen hebben.
Maatschappijleer gaat alleen over maatschappelijke problemen en kwesties, dus niet over persoonlijke problemen.
Er wordt gesproken van een maatschappelijk probleem als het probleem:
1. Gevolgen heeft voor grote groepen in de samenleving, ook wel sociale problemen.

2. Door maatschappelijke ontwikkelingen wordt veroorzaakt.
3. Gemeenschappelijk opgelost moet worden.
4. Te maken heeft met tegengestelde belangen.
Voorbeelden van sociale problemen zijn: drugsproblematiek, fileproblemen, kinderarbeid in de Derde Wereld en de afbraak van de ozonlaag. Maatschappelijke problemen ontstaan omdat een samenleving dynamisch is. Allerlei ontwikkelingen veroorzaken meestal onbedoeld problemen.
Om een maatschappelijk probleem aan te pakken, moet de samenleving ervoor zorgen dat er nieuwe regels en wetten komen of dat bestaande regels worden aangepast. Als gekozen politici de taak hebben om oplossingen te bedenken voor het probleem gaat het om een politiek probleem.
Bij het zoeken naar oplossingen heb je altijd te maken met tegengestelde belangen die moeten worden afgewogen.
Bij het zoeken naar oplossingen van maatschappelijke problemen volg je hetzelfde patroon en gaat het om:
- Kennis van de feiten

- Inzicht in processen
- Het ontwikkelen van eigen ideeën
Bij de sociaal-economische invalshoek spelen belangen een grote rol: wie heeft financieel voor- of nadeel bij een bepaalde beslissing? In onze samenleving spelen economische problemen een grote rol.
Bij de sociaal-culturele invalshoek spelen normen en waarden een grote rol.
Waarden zijn uitgangspunten en principes die mensen belangrijk vinden om na te streven.
Waarden verschillen per:
- Individu of groep
- Plaats
- Tijd
Normen zijn de opvattingen over hoe je, je op grond van een bepaalde waarde behoort te gedragen. Een norm is dus een soort sociale verplichting. Wanneer iemand zich niet volgens de normen gedraagt volgt bestraffing. Bij goed gedrag volgt beloning. De sociaal-culturele invalshoek laat je voor een groot deel zien vanuit welke traditie, gewoonten en opvattingen gehandeld wordt.
Bij de politiek-juridische invalshoek spelen politieke compromissen een grote rol. Omdat mensen verschillende belangen en verschillende normen en waarden hebben, zijn er (politieke) compromissen nodig om de samenleving ordelijk te laten verlopen. Er moet een afwegingen worden gemaakt. Deze afweging leidt niet altijd tot de beste oplossing voor iedereen, maar tot de meest aanvaardbare oplossing. Politieke compromissen worden vaak vastgelegd in wetten.
Bij de vergelijkende invalshoek wordt er geanalyseerd hoe een samenleving verandert in de loop van de tijd, maar ook hoe de verschillen zijn tussen verschillende samenlevingen op dit moment. Je kijkt hierbij dus telkens vanuit een historisch of geografisch perspectief naar een maatschappelijke kwestie.
1. Rechtsstaat en democratie
Onafhankelijke staat, als er drie elementen aanwezig zijn:
1. Er is een vast grondgebied of territoir.
2. Op het grondgebied woont een bevolking.
3. Er wordt een vorm van gezag uitgeoefend.
Het hoogste gezag in een staat wordt vaak aangeduid met het begrip soevereiniteit, dat wordt uitgeoefend door de overheid.
Een dictatuur is een staat waarin de macht in handen is van 1 persoon of een kleine groep mensen. De politie, het leger en de rechters zijn dan volledig in de macht van de machthebber. Een objectieve controle door het parlement is onmogelijk.
Nederland is een rechtsstaat: de burgers genieten rechtsbescherming; het gedrag van burgers is beperkt door wettelijke regels, maar ook de overheid mag niet alles doen wat zij wil. De belangrijkste rechten van de burgers staan in de Grondwet, deze bevat ook alle regels betreffende het landsbestuur, zoals de rechten en plichten van de koningin, de regering en het parlement.
Klassieke grondrechten:
- Het recht op gelijke behandeling.
- Recht van ontastbaarheid van het lichaam en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
- Politieke rechten, zoals het kiesrecht en recht van vereniging, vergadering en betoging.
- Vrijheidsrechten, zoals vrijheid van godsdienst of levensovertuiging en vrijheid van
drukpers, radio, televisie en film.
Sociale grondrechten:
- Recht op werkgelegenheid en sociale zekerheid.
- Recht op een schoon leefmilieu, volksgezondheid en woonruimte.
- Recht op onderwijs en maatschappelijke en culturele ontplooiing.
Verschil: de overheid is verplicht om de klassieke grondrechten te garanderen, in de sociale grondrechten moet de overheid naar vermogen voorzien. Sociale grondrechten vormen geen essentiële voorwaarde voor een rechtsstaat; klassieke grondrechten wel.
Nederland is een democratie: het volk regeert. In de praktijk bemoeien burgers zich niet iedere dag met het bestuur van hun land. Ze kiezen vertegenwoordigers die in hun naam besturen: representatieve democratie.
Eerste grondwet in 1798, Nederland was bezet door de Fransen. In 1806 werd Nederland grondwettelijk een koninkrijk, Napoleon eerste koning. In 1814 werd Willem I koning, hij had veel macht. Thorbecke zei dat de grondwet veranderd moest worden. sinds 1848 is de macht van de koning grondwettelijk aan banden gelegd en kregen burgers meer invloed op het bestuur. Dit was beperkt tot mannen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden: er was censuskiesrecht. In 1917 werd het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd. In 1919 werd het kiesrecht voor vrouwen ingevoerd en dat is in 1922 in de Grondwet vastgelegd.
Alle Nederlandse staatsburgers die >18 jaar zijn hebben kiesrecht. Zowel actief, het recht om te kiezen, en passief kiesrecht, het recht om gekozen te worden.
Nederland kent drie bestuurslagen: het Rijk, de provincie en de gemeente. In grote steden heb je ook een vierde niveau, de stadsdeelraden.
Mensen zonder Nederlandse nationaliteit mogen wel, mits ze langer dan 5 jaar in Nederland wonen, deelnemen aan de gemeenteraadsverkiezingen.
Uitgesloten van kiesrecht zijn:
- Mensen die door een rechterlijke uitspraak zijn ontzet van kiesrecht. Mensen die zijn
veroordeeld wegens landverraad.
- Mensen die door de rechter onbekwaam zijn verklaard om rechtshandelingen te verrichten.
Het gaat dan om mensen met een zware geestelijke stoornis.
Sinds 1979 heeft iedere Nederlander ook Europees kiesrecht. Eens in de 5 jaar wordt het Europees Parlement gekozen.
Een partij die mee wil doen aan de Tweede-Kamerverkiezingen moet voldoen aan vier voorwaarden:
- De partij moet zich officieel laten registreren bij de Kiesraad. Dit is een waarborgsom van
€450, dit wordt teruggegeven als de partij echt deelneemt aan de verkiezingen.
- De partij moet in elke kiesring waar het wil meedoen een kandidatenlijst inleveren.
Nederland is verdeeld in 19 kiesdistricten.
- De partij moet in elk kiesdistrict waarin het mee wil doen de steunbetuiging van 30 Nederlanders hebben. Die moeten zich met hun paspoort melden op een gemeentehuis in hun regio en daar hun handtekening zetten.
- De partij moet €11.250,- betalen. Dit bedrag staat vast en is dus onafhankelijk van het aantal kiesdistricten waarin aan de verkiezingen deelgenomen wordt. De partij krijgt dit bedrag terug als ze 75% van de stemmen haalt die nodig is om 1 zetel te krijgen.
Nederland kent een kiesstelsel gebaseerd op evenredige vertegenwoordiging: alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels. Bij de berekening wordt uitgegaan van de kiesdeler, de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor 1 zetel.
Het voordeel van een evenredige vertegenwoordiging: iedere stem telt even zwaar mee bij de verdeling van de zetels. Het nadeel van een evenredige vertegenwoordiging: veel kleine partijen kunnen plaats krijgen in de volksvertegenwoordiging. Debatteren wordt zo onoverzichtelijk en het is met zoveel partijen soms lastig onderlinge afspraken te maken welke partijen in het dagelijks bestuur gaan zitten.
Sommige landen hebben daarom een kiesdrempel: een partij moet dan een bepaald minimumpercentage stemmen halen om mee te delen in de zetels.
In bijvoorbeeld Engeland en de Verenigde Staten kennen een districtenstelsel, het land wordt verdeeld in een aantal gebieden. De kandidaat die in een bepaald gebied de meerderheid van de stemmen haalt, wordt afgevaardigd naar het landelijke bestuur.
Het voordeel van een districtenstelsel: de kiezers kennen de kandidaten beter. Een groot nadeel is dat het in een districtenstelsel kan gebeuren dat de partij die in totaal de meeste stemmen heeft gehaald, toch het minste aantal zetels krijgt. (voorbeeld zie boek)
De meeste partijen die meedoen aan verkiezingen hebben een verkiezingsprogramma, hierin staan de belangrijkste plannen en opvattingen van de partij.
Een lijsttrekker is de persoon die als eerste op de kandidatenlijst is geplaatst. Hij/zij bepaalt tijdens de verkiezingscampagne het gezicht van de partij. Bij de verkiezingsdebatten proberen de lijsttrekkers zich te richten op de zwevende kiezers, de mensen die niet elke keer op dezelfde partij stemmen en ook nu nog niet weten op welke partij ze dit keer zullen stemmen.
Als een Tweede-Kamerlid zijn partij verlaat na bijvoorbeeld een ruzie, betekent dat niet dat diegene automatisch geen lid meer is van de Tweede Kamer. Hij/zij is als persoon gekozen en kan dus lis blijven en zelfs zich aansluiten bij een andere partij.
Een zogenaamde voorkeurstem is als iemand vanuit een bepaald motief hun stem bewust op een specifieke persoon op de kieslijst uitbrengt.
2. Het landsbestuur
Politieke macht: het vermogen om invloed en controle uit te oefenen op politieke besluiten.
De fransman Montesquieu heeft het idee ontwikkeld van de trias politica, de scheiding der machten. Het idee was om de politieke macht op te splitsen in 3 onderdelen:
1. De wetgevende macht: stelt wetten vast waaraan de burgers zich moeten houden. Dit is een
taak van de regering (de ministers + de koningin) en het parlement (Eerste en Tweede
Kamer) samen. Meestal worden wetsvoorstellen door een minister ingediend; ze hebben
veel ambtenaren die een wetsvoorstel kunnen voorbereiden. Het parlement beslist
vervolgens of het voorstel daadwerkelijk een wet wordt.
2. De uitvoerende macht: zorgt ervoor dat de eenmaal goedgekeurde wetten ook precies
worden uitgevoerd. De ministers zijn hiervoor verantwoordelijk, zij geven dagelijks
richtlijnen aan hun ambtenaren of aan instanties die een wet moeten uitvoeren.
3. De rechterlijke macht: beoordeelt of wetten goed worden nageleefd. De rechters hebben
deze macht, zij kijken of iemand een wet overtreedt en kunnen een overtreder bestraffen.
Ook oordelen ze in situaties waarin burgers onderling conflicten hebben.
Ministers hebben dus de meeste politieke macht. Ze delen de wetgevende macht met het parlement. Omdat ze de meeste wetsvoorstellen indienen kunnen ze veel invloed uitoefenen. De uitvoerende macht betekend dat ze bovendien de lijn bepalen van de meeste uitvoerende besluiten, die ze als dagelijks bestuur nemen.
Op landelijk niveau wordt de volksvertegenwoordiging gevormd door de Staten-Generaal. Die bestaat uit de Tweede en Eerste Kamer (ook wel het parlement).
De Tweede kamer telt 150 leden die rechtstreeks gekozen worden. de Tweede Kamer heeft twee taken:
- Zij is medewetgever
- Zij controleert de regering
De Kamer kan met het stemrecht wetsvoorstellen van de regering verwerpen of aannemen. Als ze de wet wil wijzigen heeft zij daartoe de mogelijkheid middels het recht van amendement. Met het recht van initiatief kan de Kamer ook zelf met wetsvoorstellen komen.
De Kamer kan ook begrotingsvoorstellen aannemen, verwerpen of wijzigen. Dit heet het budgetrecht. Het belangrijkste begrotingsvoorstel is de miljoenennota die iedere 3e dinsdag van september door de minister van Financiën wordt ingediend.
De Tweede Kamer heeft ook vragenrecht, de regering moet binnen drie weken op gestelde Kamervragen antwoorden. Het recht van interpellatie houdt in dat bewindspersonen uitgenodigd worden in de Tweede Kamer om uitleg te geven over het (voorgenomen) regeringsbeleid.
Het recht van motie geeft de Tweede Kamer de mogelijkheid een schriftelijke uitspraak te doen over het beleid van een minister waarover de Kamer moet stemmen. Een aangenomen motie van afkeuring of van wantrouwen kan leiden tot het aftreden van een minister.
Het recht van enquête geeft de Tweede Kamer de mogelijkheid zelfstandig een onderzoek in te stellen als zij naar haar mening niet voldoende informatie krijgt. In zo’n parlementaire enquête kunnen getuigen worden gedwongen om voor de enquêtecommissie te verschijnen. De getuigen worden onder ede verhoord.
De Eerste Kamer, oftewel het senaat, telt 75 leden. De Eerste Kamer vergaderd een dag per week. De Senaat moet wetsvoorstellen toetsen aan staatsrechtelijke normen en normen van behoorlijke wetgeving, de ‘laatste controle’. De voorstellen mogen alleen verworpen of aangenomen worden. Het senaat heeft geen recht van amendement en initiatief. Wel heeft het senaat recht om schriftelijke vragen te stellen en ze kan ook een parlementaire enquête instellen. De Eerste Kamer maakt terughoudend gebruik van de rechten, omdat het lidmaatschap een deeltijdfunctie is en omdat het primaat bij de Tweede Kamer ligt. Dit houdt in dat de politieke afweging die de Tweede Kamer maakt, zwaarder weegt dan die van de Eerste Kamer, omdat de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks gekozen worden en dus ook door de kiezers ter verantwoording kunnen worden geroepen. De leden van de Eerste Kamer worden indirect gekozen, door de leden van de Provinciale Staten.
Het dagelijks bestuur is in handen van de regering. Een regering bestaat uit een staatshoofd en de ministers. Iedere minister is verantwoordelijk voor een bepaald beleidsterrein. Beleidsvoornemens worden besproken in de gezamenlijke vergadering van de ministers, de ministerraad. De voorzitter hiervan is de minister-president/premier/Eerste Minister.
Voor onderdelen van het takenpakket van ministers kunnen staatssecretarissen worden aangesteld, ze zitten niet in de ministerraad.
Het kabinet is alle ministers en staatssecretarissen. Ze zijn verantwoording schuldig aan de volksvertegenwoordiging en kunnen dus in de Eerste en Tweede Kamer opgeroepen worden. Het staatshoofd is onschendbaar.
Een minister en staatssecretarissen hebben een eigen ministerie waar veel ambtenaren voor hen werken. Ze bereiden wetsvoorstellen voor en geven adviezen. Een minister zonder ministerie heet een minister zonder portefeuille.
Nederland heeft een monarchie, het staatshoofd word aangewezen door erfopvolging. De positie van ons koningshuis staat vastgelegd in de Grondwet, ook wel constitutie genoemd. Nederland is een constitutionele monarchie met een democratisch parlementair stelsel.
Alles wat de koningin zegt qua adviezen, mogen niet doorverteld worden, dit heet ‘het geheim van Huis ten Bosch’.
De belangrijkste taken van de koningin zijn:
- Het plaatsen van haar handtekening onder alle wetten
- Het voorlezen van de Troonrede op Prinsjesdag, 3e dinsdag van september.
- Het benoemen van ministers en (in)formateurs
- Het voeren van regelmatig overleg met de minister-president over het kabinetsbeleid
Een regering moet kunnen rekenen op steun van de meerderheid in de Tweede Kamer. Er wordt immers gestemd over de wetsvoorstellen die de ministers hebben gemaakt.
In landen met een districtenstelsel is er vaak een partij die de meerderheid in het parlement heeft. Bij het totstandkomen van een regering in ons land moeten er altijd coalities tussen verschillende partijen worden gesloten.
Direct na de verkiezingen kan de nieuwe Tweede Kamer bijeenkomen om te vergaderen over mogelijke combinaties van partijen die een nieuw kabinet kunnen vormen.
Daarna volgt een adviesronde, waarin de vice-president van de Raad van State (een belangrijk adviescollege van de regering), de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer en de leiders van de (grootste) politieke partijen, die in de Tweede Kamer zijn gekozen, op bezoek gaan bij de koningin. Ze adviseren haar wie het beste kan onderzoeken welke politieke partijen samen het kabinet kunnen vormen. Deze persoon heet de informateur, hij zoekt uit welke partijen gezamenlijk een beleid zouden kunnen voeren dat op voldoende steun kan rekenen in de Tweede Kamer.
De eerste stap in de informatie is dat de partijen die samen een regering willen vormen overeenstemming bereiken over de hoofdlijnen van het te voeren beleid. De afspraken die worden gemaakt worden opgenomen in het regeerakkoord (de hoofdlijnen van het beleid dat de partijen de komende vier jaar willen voeren). De politieke partijen die de regering in het parlement steunen moeten het regeerakkoord onderschrijven. Het regeerakkoord vormt het raamwerk voor het beleid dat het kabinet wil gaan voeren. De precieze plannen worden ieder jaar aangekondigd in de Troonrede en de Miljoenennota. In de troonrede woorden door de koningin de hoofdlijn van het te voeren beleid uitgezet. In de Miljoenennota, door de minister van Financiën gepresenteerd, wordt exact aangegeven welke concrete voornemens er zijn op elk beleidsterrein en hoeveel geld daarvoor beschikbaar is. De Miljoenennota is een begroting. De eerste bijstelling van de Miljoenennota vindt meestal plaats in de Voorjaarsnota. Meestal is het regeerakkoord een compromis, elk van de betrokken partijen krijgt op een aantal punten zijn zin en moet op andere onderdelen toegeven. Als duidelijk is welk programma zij willen uitvoeren worden er bewindslieden gezocht.
Als de informateur erin is geslaagd om partijen bij elkaar te brengen, brengt hij verslag uit aan de koningin die daarna een formateur benoemt: iemand die daadwerkelijk een kabinet gaat vormen.
De grootste partij levert meestal de minister-president. De overige bewindspersonen worden zo evenwichtig mogelijk over de partijen verdeeld. Bij die verdeling wordt gekeken naar het aantal zetels van de verschillende partijen, de voorkeuren van de partijen en de zwaarte van de verschillende functies.
Als een minister of staatssecretaris zich aan een wetsvoorstel vast houdt, en de Tweede Kamer die heeft afgekeurd, dan zal de Tweede Kamer een motie van afkeuring of wantrouwen aannemen. Formeel hoeft de minister niet af te treden, maar in de praktijk gebeurt dit wel. Soms wordt een wetsvoorstel, waar een meerderheid van de Tweede Kamer tegen is, door de regering zo belangrijk gevonden, dat het kabinet zijn voorbestaan aan het voorstel verbindt: als de Tweede Kamer het voorstel verwerpt, biedt hete hele kabinet zijn ontslag aan.
Als het kabinet aftreedt, zijn er twee mogelijkheden:
- Er wordt een (in)formateur benoemd, die de mogelijkheden voor de vorming van een nieuw
kabinet onderzoekt
- Er worden verkiezingen uitgeschreven om een nieuwe Tweede Kamer te kiezen.
Nederland kent een landelijke, provinciale en gemeentelijke overheid. De rijksoverheid stelt de grote lijnen van het beleid vast, de gedetailleerde invulling wordt aan lagere overheden overgelaten. De gedachte achter het delegeren van bevoegdheden naar lagere overheden is dat zowel de provincie en gemeente:
- Beter op de hoogte zijn van de situatie en dus ook beter kunnen beoordelen wat er nodig is.
- Dichter bij de burgers staan en de burgers het bestuur dus ook makkelijker kunnen
aanspreken.
De belangrijkste taken van de provincie liggen op de terreinen ruimtelijke ordening en milieu. De provincie maakt streekplannen, waarin precies staat aangegeven welke activiteiten in een gebied passen. Met het opstellen van die plannen moet rekening worden gehouden met het rijksbeleid. Ook kan het Rijk de provincie dwingen een streekplan te herzien. Het Rijk geeft dan een aanwijzing. Net als voor het landsbestuur vinden voor het bestuur van de provincie eenmaal per vier jaar verkiezingen plaats. De gekozen vertegenwoordigers vormen de Provinciale Staten. De leden van de Provinciale Staten kiezen uit hun midden het dagelijks bestuur: de Gedeputeerde Staten ofwel de gedeputeerden.
De voorzitter van de Gedeputeerde Staten en de Provinciale Staten is de Commissaris van de koningin. Hij/zij wordt benoemd. Officieel door de koningin, maar in de praktijk door de ministers van Binnenlandse Zaken. De Provinciale Staten kunnen mensen aangeven van wie ze graag willen dat die de commissaris wordt, ze richten dan een vertrouwenscommissie in, die een profielschets maakt: een beschrijving van de eisen waaraan de commissaris moet voldoen. Vervolgens selecteert de minister van Binnenlandse Zaken een aantal kandidaten, waarmee de vertrouwenscommissie gesprekken voert. Nadat zij gesprekken heeft gevoerd stelt de vertrouwenscommissie een voordracht samen: een lijstje van twee of drie mensen die zij bij voorkeur benoemd zouden zien. De minister kan dit volgen, maar hoeft niet.
Bij bouwvergunningen vult de gemeente de streekplannen die door de provincie zijn opgesteld gedetailleerd in door middel van bestemmingsplannen.
De gemeente heeft meer beleidstaken vanuit Den Haag gekregen bijvoorbeeld: voorzieningen voor gehandicapten en de opvang van asielzoekers.
De achtergrond van deze decentralisatie is dat het gemeentebestuur beter dan het Rijk in staat is om de maatregelen te treffen die binnen die specifieke gemeente het meest effectief zijn.
Het bestuur van de gemeente wordt gevormd door de gemeenteraad. De raadsleden worden ook eens in de vier jaar gekozen. Aan gemeenteraadsverkiezingen mogen ook mensen meedoen, die niet de Nederlandse nationaliteit hebben, mits ze minimaal vijf jaar in Nederland wonen.
Het dagelijks bestuur van de gemeente is in handen van het College van Burgemeester en Wethouders, afgekort B&W. De wethouders worden door de coalitiepartners geselecteerd.
Wethouders hebben altijd deel uitgemaakt van de gemeenteraad: de monistische structuur. In maart 2002 stapte Nederland over op een dualistisch systeem. De bevoegdheden van de wethouders en de raad werden zo gescheiden.
De gemeenteraad werd verantwoordelijk voor de beleidskaders, de regelgeving, de verordeningen, het vaststellen van de budgetten en de controle op het gemeentelijk bestuur. Het B&W werd verantwoordelijk voor het bestuur van de gemeente, uitvoerende taak.
Landelijk staan leden van de regering buiten het parlement. Zij worden niet gekozen uit de Tweede Kamer, maar benoemd door de koningin.
De burgemeester wordt voor zes jaar benoemd. De gemeenteraad stelt een vertrouwenscommissie in en maakt een profielschets. De commissaris van de koningin selecteert een aantal kandidaten en de vertrouwenscommissie doet een voordracht. De commissaris draagt een kandidaat voor bij de minister van Binnenlandse Zaken. Hij/zij kan daarbij afwijken van de voorkeur van de vertrouwenscommissie. Uiteindelijk beslist de minister van Buitenlandse Zaken.
3. Politieke besluitvorming
De leden van de Tweede Kamer kunnen wetsvoorstellen indienen. Dit doen ze meestal niet, omdat het is een ingewikkelde en tijdrovende klus. Ministers hebben hulp van de ambtenaren, kamerleden hebben alleen een persoonlijk medewerker.
Bij een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB, hebben vaak betrekking op onderdelen van wetten die snel gewijzigd moeten worden) en bij Koninklijke Besluiten spreken de Eerste en Tweede Kamer zich niet uit. AMvB’s regelt het aantal uren wiskunde, structuur van het Studiehuis enz. Koninklijke Besluiten betreffen één specifiek geval, zoals bijvoorbeeld de benoeming van burgemeesters
Een ambtenaar is iemand die in dienst is bij de overheid. Ambtenaren die wethouders, gedeputeerden of ministers bijstaan, houden zich vooral bezig met beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering. Beleid: de bewuste inzet van middelen om een beoogd doel te realiseren. Grote lijnen van het beleid liggen vast in het regeerakkoord. Ambtenaren stellen wetsontwerpen op die de minister aan de Tweede Kamer voorlegt.
Ambtenaren beschikken over veel kennis en specifieke ervaring op een bepaald vakgebied, daarom heten ze ook wel de vierde macht.
Het ambtenarenapparaat heet ook wel een bureaucratie: een organisatie waarvan de werkzaamheden worden gekenmerkt door officiële voorschriften, gescheiden deskundigheid en een duidelijke gezagsstructuur.
Ministers en het kabinet kunnen ook beroep doen op adviesorganen, de belangrijkste zijn: de Raad van State, de Sociaal-Economische Raad (SER) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).
De Raad van State is het hoogste raadgevende regeringscollege in Nederland en wordt officieel voorgezeten door het staatshoofd. In de praktijk is dat de vice- voorzitter. De leden van dit adviesorgaan worden benoemd door de regering. De Raad moet advies geven over alle wetsvoorstellen, voorstellen tot Algemene Maatregelen van Bestuur en voorstellen tot goedkeuring van verdragen. Ook heeft de Raad een belangrijke functie in de administratieve rechtspraak.
De Sociaal-Economische Raad adviseert de regering op sociaal en economisch gebied. De SER telt 33 leden, eenderde deel is vertegenwoordiger van werknemersorganisaties en eenderde deel van werkgeversorganisaties. De rest zijn door de regering benoemde onafhankelijke deskundigen, de Kroonleden.
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft tot taak om ‘ten behoeve van het regeringsbeleid wetenschappelijke gefundeerde informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op langere termijn de samenleving kunnen beïnvloeden en daarbij tijdig te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten, probleemstellingen te formuleren ten aanzien van de grote beleidsvraagstukken en beleidsalternatieven te geven’. De leden worden benoemd door de regering. Ze adviseren over bijvoorbeeld: werkgelegenheid.
De regering kan ook planbureaus inschakelen: wetenschappelijke instellingen die op basis van feitenmateriaal en studies proberen aan te geven wat de gevolgen zullen zijn van beleidsvoornemens. Ook planbureaus kunnen hiervan gebruik maken. Voorbeelden: het Centraal Planbureau, die houdt zich vooral bezig met studies naar en voorspellingen van sociaal-economische ontwikkelingen en het Sociaal en Cultureel Planbureau, dat met name onderzoek verricht op sociaal-cultureel gebeid: media, onderwijs enz.
Pressiegroepen proberen de politiek onder druk te zetten door te lobbyen, het via persoonlijk contact proberen steun te krijgen bij politici voor je standpunten en belangen. Het kunnen kleine, plaatselijke actiegroepen zijn tot grotere organisaties als de FNV en belangengroepen als de ANWB. Ze heten tezamen de vijfde macht. Ze kunnen ook actie voeren.
Er zijn drie soorten pressiegroepen:
- Belangengroepen, die voor de belangen van een bepaalde groep uit de samenleving
opkomen, zoals de Consumentenbond, de vakbonden en de werkgeversorganisaties.
- Actiegroepen, die zich voor korte tijd inzetten voor één duidelijke kwestie.
- Actieorganisaties, die zich voor langere tijd inzetten voor één duidelijke kwestie. Zoals
Greenpeace opkomt voor het milieu.
Actieorganisaties verschillen van actiegroepen, doordat ze vaak vestigingen hebben in vele landen, ze zijn vaak uitgegroeid tot multinationals. Ze hebben naast vrijwilligers ook betaalde beroepskrachten in dienst, zoals juristen en administratief personeel.
De massamedia oefent veel invloed uit op de politieke besluitvorming. De vijf politieke functies van de media (voorbeeld: een ontdekking dat een ambtenaar van een ministerie een kritisch onderzoeksrapport over de geluidsnormen op Schiphol heeft laten verdwijnen):
- De informatieve functie: de krant bericht hierover, Schiphol belangrijke kwestie.
- De spreekbuisfunctie: de krant laat mensen aan het woord, de directie van Schiphol en
omwonenden.
- De onderzoekende of agendafunctie: een journalist heeft ontdekt dat het rapport weg is.
- De commentaarfunctie: de krant geeft commentaar/mening over de zaak.
- De controlerende functie: het beleid van de verantwoordelijke minister wordt kritisch
bekeken.
De systeemtheorie geeft een beeld van hoe politieke besluiten tot stand komen. De rol van politieke actoren komen aan de orde. Volgens de systeemtheorie vinden processen in 4 fasen plaats (net als bij de politieke besluitvorming):
- De invoer of input
- De omzetting of conversie
- De uitvoer of output
- De terugkoppeling of feedback
De invoer zijn wensen of eisen van de samenleving. Als deze kwestie interessant is dan kan dit een media-explosie geven, veel kranten en tv-programma’s geven dan een uitgebreide berichtgeving over de kwestie.
De omzetting bestaat uit drie fasen:
1. Als de pers voldoende aandacht schenkt aan het onderwerp, dan komt het op de politieke
agenda.
2. De beleidsvoorbereiding, de wethouder of een minister vragen hun ambtenaren de zaak te
onderzoeken en advies uit te brengen.
3. De beleidsbepaling, de minister komt met bijv. een wetsvoorstel, dat in het parlement
wordt besproken.
De uitvoer is dat de ambtenaren ervoor zorgen dat de wet wordt uitgevoerd.
Terugkoppeling/feedback houdt in dat er altijd reacties zijn op de uitgevoerde plannen, wetten en maatregelen zijn nooit het eindpunt van de politiek.
De tweede kamer reageert voortdurend op het beleid van de regering, en besluit dikwijls tot het aannemen van een motie waarnaar zij niet tevreden is met een wet of maatregel. Op dezelfde manier kan de gemeenteraad reageren op het beleid van het College van B&W, en de Provinciale Staten op het beleid van Gedeputeerde Staten.
Het barrièremodel is gebaseerd op de gedachte dat er verschillende weerstanden, barrières, overwonnen moeten worden, voor een wens resulteert in overheidsbeleid.
Het werkt in het begin hetzelfde als het systeemmodel: er zijn wensen/behoeften, vervolgens moeten die onder de aandacht komen. Anderen, met name belangengroepen en de massa-media moeten de wensen herkennen en erkennen als politieke wensen. De volgende stap is het interesseren van de politieke partijen voor de eisen. Als één (meederde) politieke partijen achter de eisen staan, dan komt het onderwerp op de politieke agenda. Het onderwerp kan in de gemeenteraad, Provinciale Staten of de Tweede Kamer worden besproken. Deze barrière is pas overwonnen als de meerderheid in de volksvertegenwoordiging voor de verandering is.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.