Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Dilemma samenvatting H1

Beoordeling 7.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1032 woorden
  • 12 januari 2015
  • 96 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.5
  • 96 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

Paragraaf 1



Maatschappelijk probleem gaat het dus altijd om een probleem:



- dat een groep mensen aangaat



- dat samen hangt met maatschappelijke veranderingen



- waarover verschillen van mening bestaan over de oorzaak en de aanpak



- dat vraagt om een gemeenschappelijke oplossing



Waarden: opvattingen binnen een samenleving/groep over wat goed en juist is en daarom moet worden nagestreefd.  



Normen: opvattingen over hoe je je op grond van bepaalde waarden behoort te gedragen.



Belangen: opvattingen over wat in het voordeel is van een individu of groep en daarom moeten worden nagestreefd.



Een staat heeft 3 kenmerken:




  • Beschikt over een omgrensd grondgebied.

  • Het grondgebied wordt bewoond door een groep mensen, een volk

  • De staat heeft de hoogste macht, de soevereiniteit over dat gebied en de bevolking.



Soevereiniteit: hoogste gezag dat in de democratische staten door de overheid namens het volk wordt uitgeoefend.



Geweldsmonopolie: alleenrecht van de overheid op het legitiem gebruik van geweld



Overheid: Hoogste macht in Nederland



Politiek: Het beleid van de overheid, inclusief de totstandkoming en de effecten van het beleid



Actoren: individuen of groepen die invloed proberen uit te oefenen op het politieke besluitsvormingsproces



De politiek weeg de belangen en opvattingen van de verschillende actoren tegen elkaar af, voordat deze tot een besluit komen.



Een maatschappelijk probleem wordt ook een politiek probleem als een partij het gaat bespreken/voorstel doet.



Macht geeft een persoon of organisatie het vermogen om iets gedaan te krijgen, om invloed uit te oefenen.



Machtbases  zijn de factoren waarop macht is gebasseerd.



Gezag legitieme macht; macht(suitoefening) die door anderen erkend en aanvaard wordt.



Paragraaf 2



Volksvergaderingen bestaan nog steeds.



Referendum: volkstemming



Dictaturen: staten waarbinnen geen scheiding is tussen de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht en waar de overheid met geweld de oppositie onderdrukt en de vrijheid beperkt.



Democratie: de bevolking heeft invloed op het beleid van de overheid en is de macht van de overheid aan banden gelegd.



3 kenmerken:




  • Er zijn regelmatige vrije en geheime verkiezingen. Vrij betekent vrij stemmen, vrije toegang tot media en iedereen mag kandidaat gesteld worden. Geheim betekent niemand weet op welke partij iemand stemt.

  • De grondwet moet worden gerespecteerd.

  • Er is een onafhankelijke rechterlijke macht, die geen verantwoording hoeft af te leggen aan de overheid. (de instantie die is belast met de rechtspraak)



Indirecte democratie: bestuursvorm waarbij het volk niet zelf over allerlei zaken beslist maar het aan vertegenwoordigers overlaat



Staten-Generaal = parlement = volksvertegenwoordiging



De vertrouwensregel is als de meerderheid van de kamer het vertrouwen ontbreek moeten de bestuurders aftreden.



Gedecentraliseerde eenheidsstaat: staat waarbinnen de landelijke overheid bepaalde bevoegdheden aan lagere organen overlaat.



Paragraaf 3



Politieke stroming: groep mensen met dezelfde waarden en opvattingen over hoe de samenleving eruit moet zien en wat de rol van de overheid daarin is.



Liberalisme: politieke stroming die de vrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van het individu centraal stelt en tegen een al te grote bemoeienis van de overheid is, met name op sociaaleconmisch  gebied.



Rechts: Individuele vrijheid staat hoog in het vaandel



Populisme: politieke stijl die inspeelt op gevoelens van onvrede bij het volk. Het keert zich sterk tegen de elite.



Progressief: partijen die oude tradities en gewoonten op dit gebied willen doorbreken.



Conservatief: houden vast aan traditionele normen en waarden.



Socialisme: politieke stroming die gelijkheid en gelijkwaardigheid centraal stelt.



Sociaaldemocratie: gematigde stroming binnen het socialisme die langs parlementaire weg een samenleving wil bereiken waarin er voor iedereen gelijke kansen zijn en er niet al te grote verschillen in inkomens zijn.



Links: ziet meestal een belangrijke voor de overheid om een samenleving te realiseren die meer gelijkheid en gelijkwaardigheid kent. Soms synoniem met progressief.



Ecologisme: politieke stroming die benadrukt dat de grondstoffen eindig zijn. Welvaartsgroei mag niet ten koste van de duurzaamheid gaan.



Christendemocratie: politieke stroming die christendom en politiek probeert te verbinden en de Bijbel en de kerkelijke leer als leidraad voor het politieke handelen beschouwt.



Paragraaf 4



Recht van initiatief: tweede kamer mag zelf met wetsvoorstel komen



Wetgevende macht: het orgaan dat over wetten beslist. In NL zijn dat de regering en de Staten-Generaal.



Recht van amendement: de tweede kamer kan een wetsvoorstel van de regering veranderen.



Parlementaire enquête: getuigen dwingen om verklaring af te leggen.



Parlement nog de volgende minder zware middelen:




  • Recht om Kamervragen aan de regering te stellen

  • Recht van Interpellatie Over spoedeisend onderwerp uitleg te krijgen

  • Spoeddebat/dertigledendebat doel: bespreken van dringende, actuele gebeurtenissen.

  • Motie : uitspraak doen over een bepaalde maatregel of het hele beleid van een minister of kabinet.



Regering: Koning+ministers



Constitutionele monarchie: Koninkrijk waarin de macht van de Koning beperkt is door de grondwet.



Kabinet: ministers+staatsecretarissen



kabinetsformatie: het proces waarbij na de tweede Kamerverkiezingen een nieuw kabinet wordt gevormd.



De zoektocht naar welke politieke partijen samen gaan regeren en wie de ministers en staatsecretarissen worden, bestaat uit 4 fasen:




  • De benoeming van de informateur

  • Het regeerakkoord maken

  • Tweede kamer benoemt de formateur meestal latere premier

  • De beëdiging van de nieuwe bewindslieden door de Koning



Coalitie: Samenwerkingverband waarbij 1 partij moet samen werken 1 of meer andere partijen.



Oppositie: partijen die niet deel uitmaken van de coalitie



Meerderheidskabinet: kabinet dat het vertrouwen en de steun van een meerderheid van de tweede kamer heeft.



Ministeriële verantwoordelijkheid: minister is tegenover het parlement verantwoordelijk voor de Koning, voor zijn eigen beleid en voor wat zijn ambtenaren doen of nalaten.



Staatssecretaris: Personen die de verantwoordelijkheid hebben over een deel van de portefeuille van een minister.



Uitvoerende (bestuurlijke) macht: het orgaan dat wetten uitvoert. Landelijk is dat de regering.



Dualisme: het principe dat regering en parlement beide eigen verantwoordelijkheden hebben: de regering regeert, het parlement controleert.



Monisme: situatie waarin er een overwicht is van de regering, omdat het parlement onvoldoende gebruikmaakt van zijn controlerende bevoegdheden.



Aantekeningen



Politieke partijen door mensen met ideologie



Ideologie: alle standpunten van verschillende onderwerpen samen.











































CDA



Christen-democratie



Christenunie



Behoudend christelijk



D66



Sociaal-Liberaal/pragmatisch



Groenlinks



Socialistisch/ecologisch



PvdA



Sociaal democratisch



SGP



Orthodox christelijk



SP



Socialistisch



VVD



Liberaal



PVV



Conservatief




Democratie: Het volk beslist



3 gescheiden machten



3 niveaus wetgevende macht kiest uitvoerende macht



NL: evenredige vertegenwoordiging




  • Stemmen worden opgeteld

  • Kiesdeler: aantal stemmen dat nodig is voor 1 zetel

  • Partij: aantal x kiesdeler = zetel

  • Onze 2e kamer 150 zetels



Groot-Brittannië: districtenstelsel




  • Elk district 1 zetel in parlement

  • Elke partij 1 (max.) kandidaat per district

  • Kandidaat met meeste stemmen krijgt zetel


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.