Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
1500 euro winnen met je pws of sectorwerkstuk?

Check de online masterclasses van het Rijksmuseum waarin experts hun kennis en tips delen, zodat jij tot een goed onderwerp komt. En wist je dat je mee kunt doen aan de Rijksmuseum Junior Fellowship wedstrijd? Je maakt dan met jouw pws of sectorwerkstuk kans op 1500 euro en een traineeship!

1. Samenleving:



In de middeleeuwen was het bestaan hard: oorlogen, honger en besmettelijke ziektes zorgden er voor dat de gemiddelde leeftijd rond de 35 was. De ineenstorting van het Romeinse Rijk( in 476 ) wordt beschouwd als het startpunt van de middeleeuwen.

De middeleeuwen worden verdeeld in 3 periodes:

• De vroege Middeleeuwen, van 500 tot ongeveer 1100.

• De hoge Middeleeuwen, van 1100 tot ongeveer 1300.

• De late Middeleeuwen, van 1300 tot ongeveer 1500.





Christendom:

Na een periode van barbaarsheid, volksverhuizingen, oorlog en verwoesting kwam er in de vroege Middeleeuwen een bekeringsgolf op gang

Wanneer een Germaans stamhoofd zich tot het Christendom bekeerde, moesten zijn onderdanen uit lijfsbehoud ook christenen worden. Het aardse bestaan was maar kort en daarom moesten de mensen zich voorbereiden op het leven na de dood. De macht van de kerk was in de Middeleeuwen enorm groot. Als je iets deed wat in de ogen van de kerk niet goed was, kwam je meteen op de brandstapel terecht. Veel geestelijken konden tijdens de middeleeuwen lezen en schrijven, zei schreven boeken(over) in kloosters en deze boeken werden dan bewaard in kloosterbibliotheken. Zo is veel van de Griekse en de Romeinse cultuur bewaard gebleven.



Standenmaatschappij:

Vanaf je geboorte hoorde je automatisch bij een vaste groep mensen, een stand.

• Stand 1: de geestelijken, omdat zij dicht bij god stonden.

• Stand 2: de adel, zij hadden veel macht in handen.

• Stand 3: de onaanzienlijken, eigenlijk de slaven.



Feodale stelsel: De koning of keizer deelde als ‘leenheer’ zijn rijk in stukken op en gaf die in leen aan de adel, de leenmannen. In ruil voor trouw en militaire steun aan de leenheer, mochten de leenmannen dan profiteren van de opbrengsten van dat gebied.



Langzaam nam de welvaart in West-Europa toe. Er ontstonden steden, en mensen gingen handel drijven en verdienden zo hun geld. Ook werden er straffen uitgedeeld aan mensen die zich misdroegen. Straffen zoals onthoofding, verbranding, verminking of verminking. Gevangenisstraffen werden zelden uitgedeeld.





2. Kunst:



De middeleeuwse bouwvakker had heel veel werk aan het bouwen van kerken. Later, door technische ontwikkeling, ontstond de gotische bouwstijl.

Schilders toonden hun kunsten op muren in Romaanse kerken en in illustraties in boeken. Later werkten zij ook op houten panelen. In de 15e eeuwe beleefde de schilderkunst een grote bloei met schilders als Jeroen Bosch en de gebroeders Van Eyck.



Muziek:

De kerkmuziek van de Middeleeuwen was de gregoriaanse zangkunst, genoemd naar een paus. Dit soort muziek wordt nog steeds gespeeld in kerken.



3. Literatuur:



De eerste schrijvers waren monniken, die op de perkament religieuze teksten overschreven. Soms stonden er ook illustraties bij die door andere monniken werden geschilderd. Als er genoeg geld was werd er ook bladgoud gebruikt. Later gingen ook niet-geestelijken schrijven op de muren, ook zij voelden zich deel van een gemeenschap die god wilde eren.



Omdat de mensen in de middeleeuwen niet konden lezen en schrijven, werden de verhalen van generatie op generatie doorverteld. Doordat de verhalen niet werden opgeschreven, werden deze in de loop der jaren steeds verandert. Daardoor zijn er weinig verhalen bewaard gebleven.



Vanaf de 11e eeuw werd er begonnen met het vertellen van Karelromans. Gaandeweg deden er over de beroemde koning Karel de Grote steeds meer verhalen de ronde. Deels fantasie, deels waarheid. Later werden de verhalen niet meer in het Latijns geschreven maar in het Romaans.

De belangrijkste kenmerken van Karelromas:

• Karelromas zijn (deels) verzonnen verhalen over Karel de Grote.

• De verhouding tussen de leenheer(karel) en zijn ridders(leenmannen) staat centraal.

• Belangrijke deugden zijn moed, kracht en trouw.

• Vrouwen spelen nauwelijks een rol.



Zo’n honderd jaar later kwamen de Arthurromas, over koning Arthur. Het is niet zeker of deze koning ooit heeft bestaan. Voor de ridders van arthur was naast moed, kracht, en trouw aan de leenheer ook ‘hoofsheid’ een vereiste. Hoofdheid is zoiets als beschaafd gedrag, hoffelijk zijn.



De belangrijkste kenmerken van Arthurromans:

• Arthurromans zijn (verzonnen) verhalen op rijm over koning Arthur en zijn ridders van de ronde tafel.

• Meestal maken de ridders een zoektocht(queeste).

• Ridders moeten behalve moedig en sterk ook hoofs zijn.

• De hoofse liefde voor een (onbereikbare) vrouw speelt een belangrijke rol.



Nederlandse literatuur:

Tot 1100 is er geen literatuur bewaard gebleven. Uit ongeveer 1170 komt het eerst bekend bewaard gebleven werk. Dat heet: de Sint Servaes-legende. Rond 1200 ontstond de Arthurroman Walewein. Uit 1225 komt de Marialegende Beatrijs en uit 1250 werd Karel en de Elegast geschreven. Uit de 14e eeuw stammen 10 Arthurromans en de 4 abele spelen. Het bekendste uit de 15e eeuw zijn het mirakelspel Mariken van Nieumeghen en de Moraliteit Elckerlijc.



Engelstalige literatuur:

Het verschil tussen Engelstalige literatuur en de literatuur die in andere talen zijn geschreven, is dat uit de Engelstalige literatuur veel materiaal uit de vroege middeleeuwen bewaard is gebleven. Van het werk: Caedmon’s hymn(loflied op God, zevende eeuw) zijn er maarliefst 17 versies, die bijna niets van elkaar verschillen. Het Germaanse heldendicht Beowulf werd al besproken bij ‘mondelinge overlevering’. De meest bekende schrijver uit de late middeleeuwen is Geoffrey Chaucer, zijn bekendste boek is The Canterbury Tales(1387-1400). Dit boek bevat een verzameling verhalen die bij elkaar alle verhaalvormen vertegenwoordigen die in de middeleeuwen gangbaar waren en die ook nu nog steeds van levenswaard zijn.



Duitstalige Literatuur:

De Duitse literatuur tussen 750 en 1050 bestaat uit 2 belangrijke teksten van de Germaanse oorsprong. Het gaat om de teksten: het Hildebrandslied(omstreeks 850) en de Merseburger Zoubersprüche(omstreeks 950). Het bekendste werk uit de periode 1050-1250 is het heldenepos Nibelungenlied. Ook in Duitsland kwamen de Arthurromans voor. Parzifal(1200-1210), en Tristan und Isolde(rond 1210) zijn de bekendste. Na 1350 werd de burgelijke literatuur met Volkslieder en Volksbücher belangrijk. De grappenmaker Till Eulenspiegel en de figuur Faust deden hun intrede. Till Eulenspiegel is in de Nederlandse literatuur ook wel bekend als Tijl Uilenspiegel. Een bijzondere vorm van burgelijke literatuur is het Meistergesang. Deze belerende gedichten werden door handwerkslieden geschreven van wie de Neurenbergse schoenmaker Hans Sachs de bekendste is.



Franstalige literatuur:

De bekendste van de Franse Karelromans is La chanson de Roland uit de 12e eeuw. Ook bij de hoofse ridderromans speelde Frankrijk een belangrijke rol. Het toppunt van de Roman de la Rose(13e eeuw), geschreven door 2 auteurs. De belangrijkste dichter van het eind van de middeleeuwen was François Villon. Hij was een student die in aanraking kwam met de politie. In de gevangenis schreef hij prachtige gedichten waarin hij het opnam voor de armen en de daklozen.



Renaissance (1500-1700)

Er gebeurde veel tijdens de Renaissance. Heksen werden verbrand, politici en geleerden werden zonder pardon een kopje kleiner gemaakt. En dan was er ook nog de pest. In ‘The Plague Year’ vonden bijv. 1/3 van de Londense bevolking de zwarte dood. Ook was er altijd wel ergens oorlog. Er gebeurde ook positieve dingen. De welvaart nam toe, handelssteden groeiden, en er werden belangrijke ontdekkingen gedaan. Zo ontdekte Columbus in 1492 per ongeluk Amerika. Ook een belangrijke ontdekking/uitvinding is de boekdrukkunst.



Boekdrukkunst:

De uitvinding van de boekdrukkunst(door de Duitser Johannes Gutenberg in 1445) had hij een enorme invloed op mens en maatschappij. Met de uitvinding van de boekdrukkunst konden in ineens veel meer mensen kennisnemen van nieuw ideeën over de wereld, godsdienst, kerk en wetenschap. De katholieke kerk zag met lede ogen aan hoe veel ‘ketterse’ geschriften verspreid werden. Zij legde daarom een lijst van verboden boeken aan. Daarop stonden bijv. de studies van Copernicus en Galilei. Maar niet elke drukker trok zich iets van deze lijst aan. Vooral in Nederland trokken de mensen zich daar niet veel van aan. Dat was ook commercieel denken: Verboden boeken verkochten erg goed.



Gouden tijden:

In de loop van de 16e en 17e eeuw veroverde West-Europeanen grote delen van de wereld. Er ontstond handel in kruiden, suiker, koffie, tabak, en slaven, die op plantages in de koloniën het vuile werk moesten doen. De kooplieden en bankiers werden door de handel steenrijk in de gouden 17e eeuw. Ze kregen steeds meer macht in de steden. De scheiding tussen arm en rijk was enorm groot.



Renaissance-ideeën:

• De mens is een uniek individu en zijn leven op aarde staat centraal.

• De wetenschapper is iemand die niet meer alles gelooft, maar zelf, zonder bemoeienis van de kerk, de natuur wil bestuderen en onderzoeken.

• De kunst van de klassieken is de mooiste kunst en dient als voorbeeld. Mooi betekende hier: evenwichtig, ordelijk en harmonisch. Een voorbeeld nadoen wordt niet gezien als onorigineel, maar juist als bewijs van kunstenaarsschap.

• De kunstenaar is een hoogstaande figuur die bewust iets moois wil maken. Hij mag trots zijn op zijn werk, er zijn naam bij zetten. Het is zijn kunstwerk en hij hoeft niet meer anoniem mee te werken aan een gemeenschappelijke kunstwerk, zoals in de Middeleeuwen.



Homo universalis:

Het grootste ideaal van de Renaissance was de ‘homo universalis’( de universele mens). Een soort alleskunner en allesweter, die als wetenschapper en kunstenaar uitblonk. Bekendste voorbeeld daarvan was Leonardo da Vinci. Een Nederlandse alleskunner was Constantijn Huygens. Hij was componist, musicus, schilder, graficus, schrijver, beeldhouder en arcitect. Ook kon hij veel talen: Grieks, Latijns, Frans, Duits, Engels, Spaans en Italiaans.



Kritiek op de kerk:

De visie op het geloof en de positie van de kerk veranderde langzaam maar zeker. De kerkvorsten dachten nog nauwelijks aan het volk en probeerde ze zelf zo’n luxe mogelijk leven te leiden. Er ontstond een handel in kwijtschelden van zondestraffen tegen betaling. De kerk verdiende hier veel geld aan. Het eerste verzet hier tegen kwam van de humanisten Desiderius Erasmus en Thomas More. Zij waren overtuigde katholieken die de kerk van binnenuit probeerde te hervormen. Dat deden ze door kritisch te schrijven over kerk en maatschappij.



Reformatie en Contrareformatie:

Veel radicaler in hun kritiek waren Martin Luther en Jean Calvin. Zijn pleitten voor een zuiver geloof en braken uiteindelijk met de katholieke kerk. Toen zij veel aanhang kregen was de reformatie een feit. De kerk reageerde hierop met een Contrareformatie: maatregelen om de ergste misstanden binnen de kerk te beëindigen. Zo hoopte zo de reformatie binnen de kerk te beëindigen. In 1568 ontstond er een opstand. In deze oorlog ontstonden verzetsliederen van de protestantse Nederlanders tegen de katholieke Spanjaarden. In Duitsland brak de 30jarige oorlog uit, waarbij bijna heel West-Europa betrokken bij was. Na 1648 was de kloof tussen het Protestantse Noorden en het Katholieke zuiden een feit.



Kunst:

Veel kunstenaars maakten een studiereis naar Italië om zich te laten inspireren door de renaissancekunst en de kunst van de later barok. Steeds vaker werden naakten geschilderd. Ook begin de portretkunst te bloeien. Rijke burgers lieten zich alleen of met hun familie graag portretteren. Bij de bouwkunsten lieten bouwers zich steeds meer inspireren door de Romeinen. De Renaissance kunst bloeide vooral in Italië waar in de 16e eeuw een nieuwe kunststroming ontstond: de barok.



Barok:

De Barok was nou verbonden met de Contrareformatie. De kerk wou de kunst gebruiken om de mensen te overtuigen van het katholieke geloof. Er werden dan ook vaak Bijbelse taferelen geschilderd. De Amsterdamse schilder Rembrandt van Rijn en de Antwerpse Pieter Paul Rubens schilderden zowel renaissance als barokstukken.



Muziek:

Belangrijke componisten waren Johann Sebastian Bach en Georg Friedrich Händel. De barok in de muziek heeft enkele raakvlakken met de barok in de kunst. Met schilderen had je licht en donker, in de muziek had je hard en zacht.



3. Literatuur:



De schrijver met lauwerkrans:

De positie van de schrijver was in de Renaissance heel anders dan in de middeleeuwen. Niet anoniem, maar met zijn naam voluit geschreven en het liefst nog een portretje erbij. Hij schreef niet in de eerste plaats voor God, maar vaak droeg hij zijn werk op aan een belangrijke figuur(soms zijn opdrachtgever), dat gaf zijn werk meer aanzien.



De invloed van de klassieken:

Op 3 manieren konden Renaissanceschrijvers de klassieke voorbeelden navolgen:

• Door een zo mooi mogelijke vertaling (translatio) in de eigen taal te maken.

• Door nabootsing(imitatio), en zo proberen de oude meesters te evenaren.

• Door een poging hen zelfs te overtreffen(aemulatio). Aemulatio hield in de praktijk in, dat de ‘heidense’ inhoud christelijk gemaakt werd de klassieke goden werden bijvoorbeeld vervangen door God en van de klassieke helden maakten de Renaissanceschrijvers christelijke helden.





Tragedies(treurspel):

De regels waar tragedie aan moest voldoen:

• Het moest geschreven worden in dichtvorm.

• Het moest uit 5 bedrijven bestaan. Namelijk: uitstalling, toewerken naar een climax, climax, omslag richting fatale afloop, fatale afloop.

• Tussen de bedrijven moest een rei of koor zingen of spreken.

• De 3 eenheden moeten in acht worden genomen: de eenheid van plaats, de eenheid van tijd, en de eenheid van handeling.

• De hoofdpersoon moet een belangrijk figuur zijn.

Sommige tragedieschrijvers hielden zich hieraan, anderen totaal niet. Zij gaven er hun eigen wending aan.



Komedie(blijspel) en klucht:

Soms was een komedie ingedeeld in 3 of 5 bedrijven. Het doel van de komedie was de toeschouwers te wijzen op hun eigen tekortkomingen, juist door ze te laten lachen om de fouten van anderen. Komedies in de Renaissance waren meestal een mengvorm van de klassieke komedie en de volksere klucht.



Epos:

In een Epos wordt in dichtvorm het leven beschreven van een nationale held. De Epische held staat symbool voor wat de hele natie groot maakt. Bekende verhalen zijn bijv. de strijd om Troje, daar is de held Achilles.



Petrarkisme:

Nieuw, dus niet klassiek, was het sonnet. Dat is een gedicht van 14 regels. De italiaanse schrijver Francesco Petrarca was hiermee begonnen. Hij kreeg al snel veel navolgers in de rest van Europa, zoveel dat je van een stroming kunt spreken: het petrarkisme. Het belangrijkste thema hierin is het verlangen naar de onbereikbare vrouw. Een reactie op het petrarkisme was het antipetrarkisme, waarin vrouwen juist als oerlelijke monsters werden bespot.



Emblematiek:

Een emblema is een plaatje met een praatje, de voorloper van het stripverhaal. Vooral in NL verschenen veel emblematabundels van onder meer Hooft en Cats.



Proza:

Proza was de taal van de filosofie, van de geschiedschrijving en van wetten en voorschriften. Ook werd proza gebruikt voor het schrijven van reisverslagen van ontdekkingsreizigers, die in de 16e en 17e eeuw erg populair waren.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.