Pta Nederlands H2 t/m 7
H2 open plekken en spanning

Open plek: plekken in het verhaal die vragen oproepen en niet ingevuld zijn.
- Open plekken moet je zelf invullen, dit maakt je een actieve lezer.
- Open plekken maken de lezer nieuwsgierig, daarom zitten er in ieder boek open plekken.
- Door open plekken krijg je de noodzakelijke achtergrondinformatie over personen en gebeurtenissen pas na een paar bladzijden, dit maakt de lezer actief, je gaat nauwkeuriger en speurend lezen.
-open plekken kunnen op 3 manieren worden ingevuld:
1. ze worden vrij snel ingevuld.
2. ze worden na lange tijd (halverwege of aan het slot) ingevuld.
3. soms worden ze helemaal niet ingevuld.
Spanning: elke onbeantwoorde vraag veroorzaakt spanning, hoe langer het antwoord uitblijft, hoe groter de spanning wordt. Er zijn 4 manieren om spanning op te wekken:
1. achterhouden van informatie, hierbij wordt de tijd tussen de vraag en het antwoord verlengt.
2. wekken van (onjuiste) vermoedens
3. dwaalsporen, je wordt op het verkeerde been gezet, jouw vermoedens blijken onjuist te zijn en dat kan verrassend zijn.
4. manipulatietechnieken (de vorige genoemde punten zijn dit ook), ze beïnvloeden de lezer in een bepaalde richting. Er zijn 3 manipulatietechnieken:
-een vooruitwijzing inlassen: er staat iets te gebeuren, maar het verhaal gaat niet verder of er wordt iets verteld dat verderop in het verhaal gebeurd.
- vertraging: het verhaal is op het punt gekomen dat je antwoord krijgt op een vraag, maar er worden nu allerlei dingen verteld die het geven van het antwoord vertragen.
- op een andere verhaallijn overschakelen: net als je achter het antwoord dreigt te komen, schakelt het verhaal over naar heel andere gebeurtenissen.
Spanningsboog: de tijd die verloopt tussen de vraag en het antwoord.
Je hebt korte spanningsbogen en lange spanningsbogen (bijv. een detective).
H3 fictie, non-fictie, literatuur en lectuur
Non-fictie: ze gaan over de werkelijkheid, ze zijn waarheidsgetrouw en bevatten feiten.
Fictie: zijn verzonnen verhalen.
In fictionele teksten kan een kern van waarheid zitten, je gebruikt je verbeelding en fantasie om je een beeld te vormen van het boek.
Autobiografische verhalen: schrijvers stoppen hun eigen belevenissen of ervaringen in een boek, ze verzinnen er vaak nog wat omheen dus dit valt ook onder fictie. Ze hebben de werkelijkheid gebruikt als uitgangspunt voor hun verhaal.
Proza: teksten waarin een verhaal wordt verteld, er worden gebeurtenissen verteld die na elkaar gebeuren en met elkaar samenhangen, uit elkaar voortvloeien (de hele bladzijde wordt benut). Je kunt proza onderverdelen in drie dingen:
1. roman: meestal grote omvang, er wordt veel aandacht besteed aan gedachten en gevoelens, er komen veel bijfiguren voor, de relaties tussen personages worden uitgebreid beschreven.
2. novelle: is korter dan een roman, de hoofdpersonage wordt beperkt uitgewerkt, minder gebeurtenissen en minder bijfiguren.
3. (korte) verhalen: beperkt zicht tot 1 gebeurtenis, de hoofdpersonage wordt beperkt uitgewerkt, weinig bijfiguren (vaak maar een) en de relatie tussen de personages wordt maar beperkt beschreven.
Poëzie: gedichtjes, liedjes (songteksten). Er is veel wit op de bladzijde. In een gedicht gaat het meestal over het beschrijven van een situatie, idee of gevoel.
Toneel: is het opvoeren van spel, je ziet een wereld die zich in een beperkte, overzichtelijke ruimte afspeelt. Relaties tussen de personages spelen een grote rol, de relaties blijken uit wat de spelers doen en zeggen.
Je kunt lectuur en literatuur onderscheiden door de volgende dingen:
-Instelling van de schrijver
-Literaire recesenten en erkenning
-Literaire uitgeverijen
-tekstkwaliteit
lectuur:
-Ze willen geen kunst maken, ze willen grote groepen lezers ontspannen.
-Deze boeken krijgen geen erkenning van professionele lezers.
-Deze boeken worden uitgegeven door minder bekende uitgeverijen, die niet streven naar hoge kwaliteit.
-Wordt geschreven volgens dezelfde opzet, je weet in grote lijnen hoe het verhaal gaat lopen (bijv. series).
-Geeft meer van hetzelfde, het bekende, is behoudend en past zich aan, aan de bestaande smaak.
literatuur:
-Willen kunst maken, ze willen meer bieden dan spanning, bijv. je aan het denken zetten.
-Passen zich nauwelijks aan, aan de smaak van de lezer of de mode.
-Deze boeken krijgen erkenning van professionele lezers (kan beroep zijn), ze beoordelen nieuw verschenen literaire boeken in kranten en tijdschriften.
-Deze boeken worden uitgegeven door uitgeverijen die ervoor zorgen dat de teksten die zij uitgeven van zo’n kwaliteit zijn dat we ze tot literatuur rekenen.
-Er wordt geschreven met meer diepgang en in betere stijl, het verhaal heeft een goede bouw en geen vaste personages met vaste rolpatronen. Wil de lezer verrassen en verbazen.
H4 Personages
Een verhaal draait om personages, zij zijn de kern van de gebeurtenissen.
Personages vervullen een bepaalde rol:
De hoofdpersoon: is de belangrijkste figuur in de tekst, wil iets bereiken (streeft een bepaald doel na). Dit doel wordt nooit makkelijk bereikt, er zijn altijd hindernissen, gevaren of moeilijkheden. De hoofdpersoon hoeft niet altijd een heldhaftig, zelfverzekerd figuur te zijn, ze kunnen evengoed slachtoffer van iets worden.
De helper: is een bijfiguur die de hoofdpersoon helpt bij het bereiken van het doel, er kunnen meerdere helpers zijn.
Tegenstanders: is een bijfiguur die de hoofdpersoon tegenzit bij het bereiken van het doel, er kunnen meerdere tegenstanders zijn.
Personages worden verbonden door relaties, bij deze relaties spelen gevoelens een grote rol.
Om de personages in een verhaal te bestuderen, ga je na wat de verschillende rollen van de personages zijn en wat de relaties tussen de personages zijn (relaties en rollen hebben dus verband met elkaar). Dan merk je wat de drijfveren van de personage zijn (waarom hij dat doet).
De beslissingen van de personages zijn gebaseerd op normen een waarden, hun leefregels bepalen hun gedrag. Je kunt er zo achter komen waarom ze zich zo gedragen.
H5 Tijd en structuur
Fabel: een chronologisch geordende geschiedenis. Met geschiedenis wordt bedoeld een serie chronologisch, dus in tijd op elkaar volgende en met elkaar verbonden gebeurtenissen, die worden veroorzaakt of ondergaan door personages.
In een fabel kun je gebruik maken van kunstgrepen: de schrijver heeft ingegrepen op de geschiedenis (tijdsvolgorde) van het verhaal, hij heeft de gebeurtenissen naar eigen hand gezet, dit kan bijvoorbeeld met flashbacks. Er kunnen verschillende redenen zijn voor kunstgrepen:
1. het verhaal spannender maken
2. de lezer actiever bij het verhaal betrekken
3. je nieuwsgierig maken
4. thematiek verduidelijken
Sujet: de volgorde van de gebeurtenissen, fabel en sujet zijn het zelfde als de schrijver geen kunstgrepen toepast. Ze wijken af bij een andere vertelvolgorde, zoals bij flashbacks.
Bouw en structuur: is de manier waarop een verhaal is opgebouwd. Verhalen kunnen verschillende structuren hebben, omdat de geschiedenis, de fabel op verschillende manieren gepresenteerd kan worden:
1. Chronologische volgorde: de gebeurtenissen worden verteld op volgorde in tijd waarin ze plaatsvinden.
2. niet-chronologische volgorde (flashback): het verhaal begint op het moment dat er al veel gebeurd is, door middel van flashbacks kom je achter de vroegere gebeurtenissen.
Flashback: een verhaal springt voor een langere periode terug in de tijd, er worden vroegere gebeurtenissen verteld.
Verhaallijn en samenhang: alle belangrijke gebeurtenissen zonder de details zijn de verhaallijn, tussen de gebeurtenissen bestaat samenhang.
Losse structuur: soms vertonen de gebeurtenissen weinig verband of is het niet duidelijk waarin de ene gebeurtenis uit de andere voortkomt.
Hechte structuur: verhalen waarin alles samenhangt.
Je kunt door verschillende dingen zorgen voor samenhang in een verhaal:
1. Herhalingen
2. Vooruitwijzingen en terugwijzingen, er wordt verwezen naar iets wat er gaat gebeuren of wat er al gebeurd is.
Soms komt het voor dat een verhaal meerdere verhaallijnen heeft. Die verhaallijnen kunne op verschillende manieren met elkaar samenhangen (bijv. dezelfde hoofdpersoon, verschillende bijfiguren of dezelfde thematiek).
Flashbacks kunnen een aantal functies hebben:
-Duidelijk maken dat een persoon moeilijk los kan komen van het verleden
-Informatie verschaffen, zodat jij alles beter begrijpt
-Thematiek (onderwerp) van het boek duidelijk maken
H6 Perspectief
Bij literaire teksten kun je vier vertelsituaties hebben (dit hoeft dus niet de schrijver zelf te zijn):
1. ikvertelsituatie: je ziet het verhaal door de ogen van de ikpersoon, je komt de gedachtes en gevoelens van deze persoon te weten, je komt geen gevoelens en gedachtes van andere personen te weten omdat de ikpersoon dit niet kan weten. Deze vertelsituatie is een onbetrouwbaar perspectief, je weet niet zeker of het waar is wat de ikpersoon verteld, hij kan je expres een verkeerd beeld geven.
2. alwetende vertelsituatie: de verteller weet alles van alle personen, hij weet wat ze zien, horen, denken en voelen. Er wordt over de personages gepraat in de hij- of zijvorm. De alwetende verteller kan met zekerheid voorspellingen doen, maar is zelf geen verhaalpersonage. Een alwetende verteller lijkt eerder de waarheid te spreken.
3. personale vertelsituatie: je ziet de gebeurtenissen door de ogen van een personage, het verhaal ik geschreven in de hij- of zijvorm. De personale vertelsituatie lijkt objectief (feiten), mar dit is het niet, het is subjectief (mening). Daardoor is dit een onbetrouwbaar perspectief.
4. meervoudig perspectief: de gebeurtenissen worden afwisselend door de ogen van verschillende personages gezien. Het perspectief wisselt dus steeds, de personages hebben allemaal een eigen kijk op een bepaalde gebeurtenis, die sterk kunnen verschillen.
H7 Thematiek
Je kunt achter de betekenis van een verhaal of een gedicht komen, door alle elementen samen te vatten tot een onderwerp. Je moet dit kunnen interpreteren (uitleggen of verklaren), er zijn bij literaire teksten meerdere interpretaties mogelijk.
Je kunt tot verschillende interpretaties komen door individuele verschillen of hoe diep je in een verhaal kijkt.
Verhalen bestaan uit verschillende lagen:
1. verhaallaag: daarin bevinden zich de gebeurtenissen, de structuur en de personages.
2. betekenislaag of thematische laag: daarin wordt er verteld wat er eigenlijk met het verhaal bedoeld wordt, de diepere betekenis.
Thematiek: korte betekenis van de tekst, dit kunnen er meerdere zijn. Je kunt de thematiek afleiden uit de verhaallaag, titel, motto of motieven. Soms houdt de titel verband met de thematiek. Voor in een boek staat soms een motto, die de schrijver veel met het onderwerp (dus thematiek) van het boek te maken vindt hebben. De hoofdpersonage staat in de tekst centraal, dus er is vaak een verband tussen de hoofdpersonage en het onderwerp van het boek.
Motief: elementen die met elkaar verbonden zijn, herhalingen in een tekst zijn ook motieven. Een motief dat steeds weer terug komt heet een leidmotief. Motieven die heel vaak voorkomen in de literatuur noemen we literair-historische motieven.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

S.

S.

soms wat overbodige informatie erbij gedaan, naar voor de rest mooi in elkaar gezet.

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

Super goede samenvatting! Erg duidelijk.

6 jaar geleden

Antwoorden

Martinus derk

Martinus derk

helemaal niet mee eens

1 jaar geleden

gast

gast

H.

H.

dank je

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast