Cursus 1: literatuur en lezer

Beoordeling 7.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 709 woorden
  • 22 januari 2015
  • 27 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.9
  • 27 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

1.1



Het lezen van een tekst kan een effect hebben op je (je eigen mening)





Redenen om te lezen = leesmotivatie




  1. Plezierig en spannend

  2. Ontsnappen aan de alledaagsheid

  3. Eigen droomwereld scheppen waarin je zelf de held bent

  4. Door het inleven in andere personages leer je jezelf beter kennen

  5. Dingen leren over de werkelijkheid

  6. Dingen meemaken die je in de werkelijkheid nooit meemaakt





Bij veel lezer speelt nieuwsgierigheid een rol: je wilt weten naar de ervaringen van anderen. Door inleving en herkenning van situaties/ervaringen, denk je inzicht te krijgen in wie je bent of hoe mensen zijn.





1.2



De verschillen tussen lezers ligt voornamelijk aan smaak. Je smaak veranderd naarmate je ouder wordt of andere interesses krijgt. Je maakt dus een smaakontwikkeling door.



De smaak van lezers kan verschillen door bijvoorbeeld:




  • Verschil in leeftijd

  • Welke opleiding je volgt

  • Maatschappelijke achtergrond

  • Sekse

  • Geaardheid





1.3



Als je een verhaal/gedicht gaat lezen, doet dit bepaalde verwachtingen op.



Sommige verwachtingen heb je voordat je een boek gaat lezen, andere verwachtingen heb je altijd.





Verwachtingen voordat je een boek gaat lezen:




  1. Ten eerste kan je verwachtingen hebben door wat je over het boek heb gelezen of gehoord

  2. Verwachtingen ontstaat ook door genre,  als je bijvoorbeeld een sprookje gaat lezen, verwacht je kenmerken van een sprookje tegen te komen (zoals kabouters of zo).

  3. Andere factoren die verwachtingen op doen zijn de titel en de boekomslag.



Titel: bv. ‘de minzame moordenaar’ minzame = roept iets op over liefde. Moordenaar = roept iets op over een moord(zaak).



Flaptekst: de bedoeling van een flaptekst is om jouw belangstelling te wekken en je te overtuigen dat het een leuk boek is, dit doen ze dus door een bepaalde woordkeuze waardoor je nieuwsgierig wordt naar de inhoud van het boek.



Verwachtingen die je altijd hebt:




  1. Dat er suggesties gegeven worden die zorgen voor vermoedens over het verloop.

  2. Dat je je in kunt leven in de personages. Hiervoor moet het personage voor de lezer wel interessant of bijzonder zijn.





2.1



Eenduidigheid:




  • Bij zakelijke teksten

  • Alles wat erin staat moet kloppen (feiten)

  • Informatie moet duidelijk zijn



Meerduidigheid:




  • Bij literaire teksten

  • Je bekijkt dingen vanuit verschillende standpunten

  • Er zijn meerdere betekenissen mogelijk





Er kan sprake zijn van onduidelijkheden omdat niet alles direct duidelijk is. Dat komt vooral door open plekken.





2.2



Open plek: een tekstgedeelte dat voor jou onduidelijk is en meteen vragen oproept. Je vult deze open plekken al lezend op (hoe meer je leest, hoe meer open plekken je vult).





Het ontstaan van open plekken:




  1. Informatieachterstand, je krijgt als lezer te maken met tegenstrijdige informatie of er wordt informatie voor je achtergehouden.

  2. Vermoedens, als lezer wil je weten of deze kloppen, je gaat af op suggesties/verwachtingen en wilt weten of deze uit gaan komen.

  3. Gedrag van personages, je wilt de motieven van een personage weten (waarom ze iets doen). Hoe meer je leest, hoe meer je te weten komt over de motieven.

  4. Titel, de lezer wil weten wat het verband is tussen de titel en inhoud van het boek.





Als alle open plekken op het einde van het boek gevuld zijn, noem je het een gesloten einde.



Als er vragen en onduidelijkheden overblijven, noem je het een open einde.





2.3



Manieren op literaire teksten te presenteren:




  1. Proza:


    1. De regels vullen de totale breedte van een bladzijde

    2. 100+ pagina’s = roman

    3. 80 – 100 pagina’s = novelle

    4. 80- pagina’s = (kort) verhaal



  2. Gedicht:

    1. Bestaat uit versregels, deze lopen meestal niet over de totale breedte

    2. Herken je aan het wit om de teksten van een bladzijde

    3. Strofen: groepjes bij elkaar horende regels

    4. Witregels: regels zonder tekst die de strofen scheidt



  3. Toneel:

    1. Bedoeld om door acteurs en voor publiek te spelen

    2. Tekst = uitgangspunt van een toneelvoorstelling







3



Je kan als lezer een stap verdergaan = de betekenis of thematiek vaneen verhaal proberen vast te stellen. Dit gebeurt vaak spontaan = spontane betekenisgeving. Je hebt voor aspecten die jou aanspreken meer aandacht dan voor andere. Je probeert de tekst als een (voor jou) betekenisvol en samenhangend verhaal te zien.





Je kan als lezer nog een stap verdergaan in een spontane betekenisgeving = bewuste betekenisgeving. Je gaat bewust nadenken over hoe de tekst is geschreven en of je nog andere samenhangen kan ontdekken. Wat aan bewuste betekenisgeving vooraf gaat = analyseren.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.