Tijdvak 3

Beoordeling 7.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1044 woorden
  • 29 januari 2015
  • 11 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.9
  • 11 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Kenmerkende aspecten




  1. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.

  2. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.

  3. De verspreiding van het christendom in geheel Europa.

  4. Het ontstaan en de verspreiding van de islam.






  • 476: eind romeinse rijk

  • Doordat het romeinse rijk viel, was er geen centraal bestuur meer, waardoor er geen bescherming meer was. Er waren veel aanvallen waardoor er volksverhuizingen ontstonden.





Clovis



Clovis sloot zich aan bij de Gallo-Romeinse elite om zo zijn gezag te versterken. Met geweld en sluwe politiek wist hij alle lokale stamhoofden uit te schakelen. In de gebieden die hij veroverde liet hij alle mannelijke familieleden van de verslagen heersers vermoorden. Hij bekeerde zich ook tot het christendom van de Gallo-Romeinen.





Vazallen



Krijgslieden die voor hun krijgsheer vochten in ruil voor de buit van hun overwinning namelijk goud, juwelen, vrouwen en slaven.



Ridders hadden een paard en een wapenuitrusting en waren daarom ook heel belangrijk voor hun koning.





Het feodale stelsel



Na de dood van Clovis werd zijn rijk verdeeld onder zijn zoons. Zijn opvolgers hadden moeite om hun positie te handhaven. Uiteindelijk kwam de macht in de handen van Karel Martel. Hij moest vaak strijd leveren, hij had hiervoor een heel leger van ruiters nodig. Deze beloonde hij met land. Het bezit van land was heel waardevol in de middeleeuwen omdat het inkomen en macht gaf. In het leenstelsel was de koning de leenheer en de ridder de leenman. Het feodalisme had voordelen voor beide partijen. De leenheer bond zijn ridders om voor hem te strijden en de ridders moesten toezien dat de wetten goed uitgevoerd worden en hadden altijd een inkomen.





Karel de Grote



Het leenstelsel werd verder uitgebouwd door Karel de Grote, de kleinzoon van Karel Martel. Karel verdeelde zijn land in zo’n 400 stukken waar graven en leenmannen de baas waren en het koninklijk gezag uit moesten voeren. Voor de controle van deze graven zette de koning zendgraven in die de wetten van de koning bekend maakte en de naleving hiervan controleerden. De Markgraven kregen land te leen aan de grens van Karels gebied. Zij moesten het gebied beschermen tegen aanvallen. Karel de Grote had de paus verteld dat hij altijd voor hem klaar zou staan en is daarom ook tot keizer gekroond in 800.





Nadelen van het leenstelsel



Omdat de koning zijn leenmannen nodig had, kregen zij steeds meer macht en de koning minder. De koning moest namelijk niet in conflict komen met zijn leenmannen omdat hij ze nodig had.







Autarkie



Samen met Romeinse bestuursambtenaren en de rijke handelaren vormden de grootgrondbezitters de elite, de welgestelde bovenlaag van de bevolking. Door de Germaanse invallen daalde de landbouwproductie flink waardoor veel mensen weer op het platteland gingen wonen. Zij konden alleen nog overleven door zich onder bescherming van een grootgrondbezitter te stellen.





Vrijen en Horigen



Vrijen waren mensen die op eigen grond werkte of op de grond van de landheer gepachte boerderijen. De pacht betaalde zij in natura, zij gaven een deel van hun landbouwopbrengst aan de landheer. Zij mochten deelnemen aan rechtsprekende vergaderingen. Een vrije had ook plichten, zij moesten de heer bijstaan op het slagveld.



Horigen waren mensen die onder de bescherming van een lokale heer leefden. Zij moesten een deel van hun oogst afstaan aan de landheer en zijn akkers bewerken.





Dorestad



Dorestad was in de middeleeuwen een belangrijke stad. Deze havenstad lag aan de splitsing van twee rivieren, de Rijn en de Lek. Omdat de groeiende bevolking gevoed moest worden, werden er ook boeren aangetrokken zodat ook de landbouw groeide rondom de stad. Dorestad mocht haar eigen munt slaan.





Christendom



De vorsten en de kerk gingen samenwerken waardoor het christendom zich uitbreidde. De kerk was beschermd door een machtige vorst en de vorst kreeg een grotere eenheid onder  zijn volk. In de middeleeuwen werden veel kloosters gebouwd die een toevlucht waren voor mensen in moeilijke tijden. Paus Gregorius I de Grote (590-604) heeft veel gedaan om de verspreiding van het christelijke geloof via kloosters te bevorderen. Veel monniken trokken er op uit om mensen te bekeren. Bonifatius en Willibrord waren belangrijke missionarissen. Kloosters vingen de armen en zieken op, zij gaven ook onderwijs aan de kinderen van edelen. De kerken wilden de slavernij afschaffen.





Islam



Rond 570 werd Mohammed geboren in Mekka. In 610 kreeg Mohammed een openbaring  van Allah, deze droeg Mohammed op om zijn woorden op te schrijven, dit werd de Koran. In korte tijd ontwikkelde Mohammed zich tot de profeet van Allah. Mohammed slaagde er in veel mensen te bekeren tot de islam. Na de dood van Mohammed breidde de islam zich verder uit. De moslims zagen het als hun plicht om het geloof verder uit te breiden. Doordat de islam zo snel groter werd, werden de moslims de nieuwe elite. Christenen en joden mochten in hun gebied wonen maar moesten dan wel meer belasting betalen. De Omayyaden leidden de islamitische wereld van 661 tot 750, hun hoofdstad was Damaskus. In 750 werden zij verslagen door de familie der Abassieden. De islamitische geleerden ontwikkelde wetenschap en de wiskunde, zij waren hierin veel verder dan Europa.



Begrippen





Agrarisch-autarkische samenleving: samenleving met weinig steden en handel en weinig specialisatie en nijverheid. De samenleving is zelfvoorzienend.



Agrarisch-urbaan: samenleving waarin de meeste mensen van de landbouw leven, maar waar ook kleine steden met voornamelijk handel en nijverheid zijn.



Autarkie: zelfvoorzienend, weinig afhankelijkheid van anderen.



Feodalisme: ook wel leenstelsel genoemd. Bestuurssysteem dat berust op de verhouding tussen de leenheer en leenmannen.



Domein: landgoed



Hofstelsel: economisch systeem van een door vrijen en horigen bewerkt landgoed.



Horigheid: boer die aan het domein van een heer gebonden is.



Islam: letterlijk onderwerping. De religie die in de zevende eeuw is gesticht door de profeet Mohammed met Allah als enige god.



Kerstening: tot het christendom bekeren.



Reconquista: de strijd die christenen voerden om Spanje te ontworstelen aan de islamitische overheersing.



Vazal: iemand die de eed van trouw aan een vorst heeft afgelegd in ruil voor zijn levensonderhoud. Een vazal is krijgsman of vervult administratieve taken aan het hof.



Vrijen: boeren die geen horigen waren. Ze hadden eigen grond of pachtten grond. Een vrije had rechten maar ook plichten zoals de heervaart, een soort dienstplicht.






REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.