ADVERTENTIE
Eerste hulp bij leerachterstanden!

Het zijn gekke tijden. Loop jij, om wat voor een reden dan ook, achter met de lesstof? Met deze tips van Examenbundel gaat het jou sowieso lukken om je leerachterstand weg te werken. Het allerbelangrijkste is dat je in jezelf blijft geloven. Jij kan dit! #geenexamenstress

De tips van Examenbundel

Module 5 | DE WEG NAAR WELVAART

I 1870 – 1914: De opkomst van de industriële samenleving



Deelvraag:

Wanneer brak de industrialisatie in Nederland en de VS door en wat veranderde er daardoor in de samenleving?



1.1 Economische ontwikkelingen in Nederland en de VS

Nederland

1870 - onbetekenend, achterlijk land

- ruim 3 miljoen inwoners

- 1/3 in landbouw

- 20% in nijverheid

- paar echte kleine (!) fabrieken; suiker- en aardappelmeelfabrieken + textielfabrieken met

stoommachines (Twente&Leiden)



 1890 Doorbraak industrialisatie

als eerste textielindustrie die moderniseerde, later chemische industrie (ontwikkeld

in Twente&Brabant, omdat mensen hier bereid waren te werken voor lagere lonen). Scheepvaart- en machine-industrieën wel in westen.

1860/70 Geld verdient aan Nederlands-Indië werd gebruikt om kanalen, wegen en

spoorwegen aan te leggen.

Daarna N-I werd afzetgebied. Bijv. textiel verkocht, grondstoffen (kopra (zeep) &

olie) gehaald.

1890 Stormachtige ontwikkeling Duitsland: voordeel Nederland met ligging aan zee.

-> Rotterdam grote transitohaven

1880 door enorme landbouwcrisis -> trek naar stad -> steeds meer werk in stad -> grotere

steden = urbanisatie

Grootindustrieën: Philips&Jurgens&Margarine-Unie (Unilever). Later Koninklijke Olie (Shell)

-> multinationals.



Landbouw steeds minder vraag, Industrie steeds meer vraag.



De Verenigde Staten

1865 Einde burgeroorlog

-> VS duidelijk 1 land, land van onbeperkte mogelijkheden: het Land van Belofte

1865-1917 bevolkingsgroei 35miljoen-101miljoen

Infrastructuur en communicatietechnieken verbeterden snel

1869 verbinding per spoor van oostkust-westkust, in één maand reizen.

Spoorwegen belangrijk in ontwikkeling grootschalige bedrijven, ook stimulans modernisatie bank- en kredietwezen.

 1870 - overwegend agrarische natie; 75% in landbouw (tarwe, maïs&katoen)

- begin gemaakt met grootschalige veeteelt m.b.v. cowboys

chicago slachthuizen waaruit vlees per trein vervoerd werd.

- land onder bepaalde voorwaarden gratis+goudvondsten.

Voorwaarden Big Business in VS aanwezig: - veel toestromende arbeidskrachten

- voldoende afzetgebied

- voldoende grondstoffen

jaren 90 Amerikanen beste uitvinders. (Thomas Edison -> telefoon, gloeilamp)

In noordoosten grote industrieën, vooral textielindustrie, ook staal- en machinefabrieken, omdat hier immigranten toestroomden+grote havens aan-/afvoer van grondstoffen/eindproducten.

Ontwikkeling van trusts: overkopen/uitschakelen van concurrenten (bijv. United States Steel Companies v. John D. Rockefeller of Standard Oil Company v. Andrew Carnegie)

vanaf 1910 groter aandeel van beroepsbevolking werkzaam in industrie dan in landbouw.



1.2 Sociale ontwikkelingen: veranderingen in de gelaagdheid van de bevolking

Nederland

Eind 19e eeuw verschillen bevolkingsgroepen groot

Rijken: villa’s/boerderijen, overal bedienden, comfortabel leventje.

Armen: in 1870 al slecht, maar meer opvallend door toename van fabrieken en groei van steden

Rond 1900: - wonen in kelderwoningen/plaggenhutje

- smerig en gevaarlijk werk

- lange werkdagen (11 uur per dag heel gewoon)

- lage inkomsten

- geen beschermende maatregelen van de overheid

- geen inspraak in de politiek



1860-1900 Het ging beter, want :

- Nationaal inkomen steeg 25%

-> toenemende koopkracht -> meer vraag naar ‘luxe’ producten (suiker/tabak)

- mensen werden ouder (van gemiddeld 35 naar 50) en langer

- ondanks helft van bevolking nog ongeschoold arbeider, groeide de middengroep

hoger opgeleide arbeiders en administratief personeel snel (voegde zich bij oude

middenstand van ambachtslieden en winkeliers)



De Verenigde Staten

‘selfmade man’ sprak in Amerika tot de verbeelding. Andrew Carnegie (wel ‘selfmade man’): van 13jarig hulpje in textielfabriek tot eigenaar van grootste staalbedrijf van de wereld. Wou anderen ook kans geven, dus gaf deel van rijkdom aan goed doel. Wel zó dat anderen ook zichzelf op konden werken.

1860-1914 Gemiddeld gingen mensen wel meer verdienen en konden gemakkelijk een treetje hoger in maatschappij, maar verschil tussen arm en rijk werd ook groter.

Toestroom van immigranten begon onderaan de ladder. VS oorspronkelijk land van zelfstandige

boeren. Immigranten wilden eigen stukje grond, zelf bewerken, geen gezeur van landheren/

andere bemoeials. Industrialisatie vorderde: meer Amerikanen ‘goede ouwe tijd’ idealiseren.

Weinig mensen geroepen tot prediken van wereldrevolutie en socialistische partij nauwelijks

aanhang. Armoede en uitbuiting als iets tijdelijks, dat bij immigrantenstroom hoorde.

- Werkdagen lang, ongelukken in fabrieken hoog, 20% van kinderen 10-15jaar.



1.3 Reacties op industrialisatie en schaalvergroting

1887 Nederlandse overheid hield enquête om beeld te krijgen van arbeidsomstandigheden

-> fabrieken werden afgekeurd, vooral voor vrouwen en kinderen

-> bovendien ook ongezond



Politieke organisaties in Nederland

1. Vakbeweging

opvallend in vergelijking met andere landen: geen groet stakingen en rellen en het ontstaan

van verzuilde vakbeweging.

Als eerste geschoolde arbeiders (=werklieden) zich organiseren in vakbond, zoals ANWV (1871):

hadden geen ideële grondslag alleen betere afspraken met werkgevers.

Later sociaal-democratische bonden, verenigt in NVV (1905).

1903 Succesvolle spoorwegstaking -> verbod op stakingen door overheidspersoneel, gevolgd door mislukte algemene staking

-> 1. leden confessionele vakbonden nam toe

protestante bonden verenigden zich in Christelijk Nationaal Vakverbond

(1909)

2. sociaal-democratische bonden andere strategie: kleine, gerichte acties. Door

onderhandelingen komen tot collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s)

2. Politieke partijen die streden voor rechten arbeiders



Overheid

1874 Kinderwetje van Van Houten

1889 wet om arbeidstijd voor vrouwen en jongeren te verkorten tot max. 11 uur per dag en

nachtarbeid voor hen te verbieden (liberale Ruys de Beerenbrouck)

Wetten golden niet voor thuiswerk en landarbeid (!).

1901 Woningwet, de Leerplichtwet en de Ongevallenwet (invalide: 70% van laatstverdiende

loon)



Acties in de Verenigde Staten

Schrikbarende arbeidsomstandigheden -> na zeer gewelddadige, succesvolle acties: vakbeweging

1877 mislukte actie: grote spoorwegstaking. Eindigde in rellen en plunderingen. Kwam tot aan

door niet onderhandelende arbeiders.

1886 American Federation of Labor (AFL, Samuel Gompers). Doel: hogere lonen, betere

arbeidsomstandigheden; bereikbare doelen. In 1917: 2,5 miljoen leden.

Socialistische partijen kwamen niet van de grond.

Progressive movement wel grote invloed op bestaande politieke partijen, republikeinen en democraten. Onderwijs en bescherming van de belangen van consument belangrijk.



De overheid

Ondernemers grootste invloed op Amerikaanse overheid. Verandering door Roosevelt en Wilson (invloed van Progressive Movement): - wetten die monopolies en trusts aanpakken

- Federal Trade Commision

- importtarieven werdern verlaagd

- traag opgangkomende wetgeving vrouw&kind: per staat

geregeld worden. Als al dan tegengehouden door machtige hooggerechtshof.



Epiloog

1870-1914 Veel verandering in zowel Nederland als VS: industrialisatie, modernisatie, urbanisatie.

Jaren zestig Amerikaanse historicus Rostow ‘take-off’. Ontwikkelinslanden helpen alleen als voldoende geld gespaard was -> veel geld verdienen -> veel geld pompen in ontwikkelingslanden zonder weten waar het blijft.

Snelle industrialisatie kan plaatsvinden als:

1. Voldoende goedkope arbeidskrachten

2. Infrastructuur moet in orde zijn

3. Afzetgebied moet voldoende groot zijn (er moeten mensen zijn die alles willen kopen)

4. aanwezigheid van grondstoffen

5. het bank- en kredietwezen moet voldoende ontwikkeld zijn. Ondernemers moeten kunnen

moderniseren.

6. bereidheid om nieuwe uitvindingen toe te passen en aanwezigheid van kennis om dat te doen.

7. Overheid moet meewerken bij dit alles.



Sommigen: Nederlandse goede ligging is al garantie voor een goede economische ontwikkeling.



Begrippen

Nijverheid Sector van de economie die zich bezighoudt met de productie van goederen en slechts beperkt gebruik maakt van mechanisatie.

Industrialisatie Proces waarbij de productie in toenemende mate met behulp van machines tot stand komt.

Transitohaven een haven waar allerlei goederen van overzee worden overgeladen op

andere vervoermiddelen en doorgevoerd naar andere landen.

Urbanisatie Proces waarbij de mensen vanuit landelijke gebieden in toenemende mate in steden gaan wonen.

Grootindustrieën Zie Big Business.

Big Business Zeer groet combinaties van financiële en industriële bedrijven die streven naar het beheersen van hele bedrijfstakken.

Trusts Samenwerkingsverband tussen grote bedrijven warbij de concurrentie zoveel mogelijk wordt beperkt.

Nationaal inkomen Het totaal van de inkomens die alle mensen in een land bij elkaar

verdienen.

Verzuilde vakbeweging Verenigingen die opkomen voor de belangen van werknemers; op grond van geloof of politieke overtuiging georganiseerd.

ANWV Algemeen Nederlands Werklieden Verbond, een van de eerste vakverenigingen, opgericht in 1871. Liberaal gezind en voor alle werknemers, maar door de verzuiling geleidelijk minder belangrijk geworden.

NVV Nationaal Verbond van Vakverenigingen, Vakcentrale, opgericht in 1906, die zich richtte op praktische doelen zoals de achturige werkdag. Verwant aan de SDAP.

Christelijk Nationaal Vakverbond Vakcentrale op protestants-christelijke grondslag, opgericht in 1909.

Kinderwetje van Van Houten Eerste sociale wet in Nederland. Op initiatief van de liberaal Samuel van Houten werd arbeid door kinderen onder de twaalf jaar in fabrieken of werkplaatsen verboden.

American Federation of Labor Vakcentrale die in 1886 werd opgricht. Deze vakcentrale zou uitgroeien tot de grootste vakcentrale van de VS en richtte zich op praktische doeleinden. De bond was niet gelieerd aan een politieke partij.

Progressive Movement Beweging in de Verenigde Staten die opkwam voor de

belangen van werknemers en consumenten. Men stelde sociale misstanden en prijsafspraken die de grote bedrijven maakten aan de kaak.

Republikeinen Van de twee grote politieke partijen in de VS zijn de republikeinen

het meest conservatief. Zij zijn tegen een te sterke invloed van de federale overheid.

Democraten Van de twee grote politieke partijen in de VS is deze partij het meest

liberaal en accepteert meer invloed van de federale overheid.

Federal Trade Commision Commissie die werd ingesteld door president Th.

Roosevelt en die de consument moest beschermen tegen

oneerlijke praktijken van producenten.

Hooggerechtshof Hoogste rechtsprekend orgaan in de VS dat wetten aan de grondwet kan

toetsen. In het systeem van ‘checks and balances’ is dit orgaan in het leven geroepen om te voorkomen dat de president te veel macht krijgt.



2 1914-1945: Van roaring twenties naar crisis



Deelvraag:

Wat waren de oorzaken van de crisis en hoe gingen de overheden van de VS en Nederland die te lijf?



2.1 De jaren twintig: aanloop naar de crisis

‘Roaring twenties’ in de Verenigde Staten

‘nieuw kapitalisme’ -> voor iedereen: leuke producten, betere werkomstandigheden, meer inkomen. Progressive Movement niet veel invloed meer.

Grote ondernemingen, vakbonden weinig invloed, overheid deed niets tegen bedrijfsleven, Harding en Coolidge (Republikeinen) die het voor (grote) bedrijven optimaal wilden maken (bijv. importtarieven flink verhogen).

Geen overheidsbemoeienis in verdere economie, in moraal wel:

1 januari 1920 Alcoholverbod heel Amerika

er werd doorgedronken; georganiseerde misdaad slapend rijk

Auto-industrie uit de grond gestampt in korte tijd-> aanleg autowegen, benzinestations, nieuwe buitenwijken. Rationalisatie en efficiency: van alles bedacht om productie zo snel en goedkoop mogelijk te maken (bijv. lopende band van Ford)

Jaren 20 arbeidsproductiviteit van gehele industriesector steeg met 100%



In verouderde industrietakken (textielindustrie&spoorwegen) veel werkeloosheid, konden niet meer meekomen/overbodig geworden.

Landbouw zat met dalende prijzen, structureel probleem want in hele wereld zo. In VS ergst, boeren geld geleend voor uitbreiding om productie Europa na WO1 over te nemen, Europa zelf weer produceren, VS overproductie+schulden, velen schuld niet kunnen betalen->failliet.

Bankwezen onvoldoende reserves, amper overheidstoezicht, landbouwcrisis leidde tot problemen bij plattelandsbanken: reserves kwijt, gekoppeld aan grote banken dus daar ook reserves op, klap crisis (1929) konden banken toen niet opvangen.

Speculatie met geleend geld; geld lenen om te speculeren was door beleid van centrale bank (Federal Reserve Board) gemakkelijk en goedkoop.

5% kreeg 30% van nationaal inkomen, arbeiders profiteerden onvoldoende van eigen gerealiseerde stijging van arbeidsproductiviteit, extra productie kon dus niet verkocht worden-> overproductie.



Nederland in de jaren 20

Concentratietendens in Nederland pas na WO1. multinationals (Philips, Shell, AKZO-Nobel). Groeiende kapitaalgoederenindustrie (staal, scheepsbouw, machinebouw, elektrische motoren). Margarine Unie samen met Engelse Lever Brothers: Unilever (1929).

In industrie steeg arbeidsproductiviteit, Philips stuurden vertegenwoordigers naar Amerika om efficiency te vergroten. Reële lonen per hoofd steeg ook: 20% vooral geschoolde arbeiders+middenklasse profiteerden hiervan. Vrouwen aan het werk in fabriek.

Landbouw niet zo goed als industrie, prijzen daalden vanaf 1925 constant. Protectiemaatregelen belemmerden export, maar landbouw daar juist van afhankelijk.



2.2 Crisis

De crisis in de VS

Hoover (Republikein) 1929 met deskundigen hadden het mis. Zwarte toekomst voor miljoenen mensen toen aandelenkoersen kelderen op 29 oktober 1929. mensen konden leningen niet meer terugbetalen, banken op grote schaal failliet (door geen reserves).

Veel fabrieken en bedrijven sluiten. 1 op vier verloor in volgende twee jaar baan + halvering lonen.

1932 Industriële productie was de helft van productie 1929

1 op vier boeren moest bedrijf opgeven. Zwarten, Mexicaanse Amerikanen, getrouwde vrouwen en ongeschoolde arbeiders kregen eerste ontslag.

Amerikanen dachten: tijdelijke kwestie. Hield echter langer aan, effecten meer voelbaar -> acties.

Boeren lieten melk weglopen+graan verbranden. Veteranen uit WO1 Bonus Mars op Washington met eis dat regering alvast deel van later in vooruitzicht gestelde geld betaalde; sloegen kampen op bij Witte Huis. Politie en leger moesten hard optreden. Weinig hoop of strijdlust meer in 1932, veel gaven zichzelf schuld: ‘selfmade man’.



De crisis in Nederland

Jaren 30 Economische crisis NL = geïmporteerde crisis. Afgezien van landbouw ging het met NL beter dan ooit, NL meegesleept door afhankelijkheid van andere landen (bijv. ineenstorting Duitse economie veel invloed)

-> bescherming eigen land -> wereldhandel schrompelde verder ineen (in NL alleen

nog maar geld verdienen met reclameborden schilderen)

import&export in korte tijd gehalveerd. Philips verplaatste deel naar buitenland voor

ontlopen importtarieven. 1930-1933: helft van personeel ontslagen.

Fabrieken kosten verlagen tegen concurrentie-> lonen verlagen -> situatie werd erger

1934-1935 kwart van bevolking werkloos

begin jaren 30 Stakingen & (honger)rellen werden met groot geweld aangepakt.

Vaak enkele doden. In Jordaan, 6 doden, staking tegen verlaging van ‘steun’. Steuntrekkers iedere dag een stempelen.

Moeilijk om van uitkering rond te komen -> zwart ander geld verdienen.

Laatste beetje trots ingeleverd door kleding moeten dragen van steun (zo lang mogelijk uitgesteld).



2.3 De houding van de overheid

The red man in the White House

Vrijheid&Gelijkheid: idealen moeilijk samen te combineren. Te veel vrijheid leidt tot uitbuiting en toenemende ongelijkheid.

President Hoover: principieel; overheid mocht alleen beetje adviseren, deed dus niets -> crisis werd erger.

1932 President Roosevelt: gelijkheid belangrijker dan vrijheid. In eerste honderd dagen vergaande maatregelen door het Congres gekregen.



De ‘New Deal’

New Deal niet om revolutionair afscheid nemen van verleden, in praktijk wel zo

Bankwezen (80% failliet -> ondermijnde vertrouwen in economie) werd gered met grote hoeveelheden overheidssteun. Acts om economie vooruit te helpen, Administrations om die uit te voeren.

Agricultural Adjustment Act voor boeren, moesten productie beperken voor afname

overproductie en stijging prijzen. Federal Emergency Relief Act hierdoor

werklozenuitkering, vervolgens werkverschaffingsprojecten om hen aan werk te

helpen, opgezet en uitgevoerd door Works Progress Administration (1935). Grote

bedragen, groot project voor werkgelegenheid was stuwdammen van Tennessee:

zorgde voor elektriciteit op platteland en modernisering van landbouw in

achtergebleven gebied. National Industrial Recovery Act (door NRA, National

Recovery Administration), veel weerstand, werkgevers&werknemers afspraken over

lonen, prijzen, arbeidsvoorwaarden. Door deze wet: minimumlonen,

maximumwerktijden, verbod op kinderarbeid, minimumeisen aan producten. NRA

door supreme court (vrijheid belangrijker dan gelijkheid) ongrondwettig verklaard.

Roosevelt meer kritiek op beleid, ‘Red Man in the White House’ en communist

genoemd, toch nieuwe wetsvoorstellen: Social Security Act (1935) een systeem van

sociale verzekeringen. Roosevelt met meerderheid herkozen: 1936 tweede termijn,

doorgezette beleid werd overschaduwt door oorlogsdreiging en andere problemen.



Het optreden van de Nederlandse overheid

Nederland in deze tijd bestuurd door confessionelen (katholieken en protestants-

christelijke partijen) en liberalen. Ruys de Beerenbrouck katholieke minister

president in crisistijd. Bezuinigde op ambtenarensalarissen en

werkloosheidsuitkeringen.

Opvolger: ‘sterke man’ Colijn (Antirevolutionaire Partij) -> NL instellen op lager welvaartspeil. Hield vast aan Gouden Standaard -> NL voor buitenland erg duur omdat waarde niet verminderd mocht worden ten opzichte van andere landen.

Effecten dan dit beleid gerepareerd door crisiswetten (vooral gericht op hulp aan landbouw), leidde tot hogere prijzen van bijv. brood. Minder kunnen bestedende consumenten werden dupe.

1936 loslating van gouden standaard. Gulden daalde 20% in waarde en export steeg

helft van werklozen geen recht op steun, veelal vrouwen, jongeren, ouderen: ‘geen waarde voor het productieapparaat’. Toch wel werkverschaffingsprojecten voor langdurig werklozen en werklozen zonder recht op uitkering, moesten zwaar werk verrichten voor weinig geld.

Economen van SDAP andere visie op economie, zaten echter niet in regering, dus weinig invloed. ‘Sprake van afzetcrisis veroorzaakt door gebrek aan koopkracht.’

Plan van de Arbeid (gedeeltelijk geïnspireerd op New Deal). Voorzag in grote openbare werken (wegen, waterleiding op platteland), overheid moest veel geld voor lenen. Ordening en meer planning waren ook onderdeel van Het Plan. Kwam na WO2 misschien goed van pas, mar leek nu te veel op staatssocialisme. SDAP tot 1939 buiten regering, o.a. door mislukte revolutiepoging direct na WO1.



Epiloog

Groot verschil tussen Nederlandse (Colijn) en Amerikaanse (Roosevelt) aanpak van crisis. Colijn: zuinig en somber. Roosevelt: moed inspreken en optimistisch.

Wie zuinigst? Roosevelt bezuinigde in 1937 op aantal grote projecten, dacht economie is genoeg op gang geholpen; Fout! (30% dalende productie en explosieve stijging werkloosheid). Colijn staatsschuld oplaten lopen voor landbouwcrisiswetten (2,4 naar 4 miljoen, geen ‘sluitende begroting’ dus) New Deal vooral verandering van regering: belangen van alle burgers behartigen, bracht nieuw evenwicht in maatschappij, maakte daardoor economie evenwichtiger.



Begrippen

Crisis In de geschiedeniswetenschap een periode van krimp in de

economie die gepaard gaat met een grote werkloosheid en verslechtering van de levensstandaard. In de economische wetenschap het moment waarop de economie conjunctuur omslaat van een stijgende naar een dalende tendens.

Federal Reserve Board Amerikaanse centrale bank, te vergelijken met de huidige Europese centrale bank.

Importtarieven Belasting die op ingevoerde goederen betaald moet worden en die vaak dient om de eigen industrie of landbouw te beschermen

Steun Uitkering in de jaren dertig voor mensen die geen recht hadden op een andere uitkering en die geen inkomen meer hadden. De organisatie en uitbetaling was in handen van de gemeentelijke overheden.

Stempelen Mensen die in Nederland een uitkering in het kader van de ‘steun’ kregen, moesten iedere dag een stempel halen bij het gemeentelijk arbeidsbureau ( de arbeidsbeurs) om te voorkomen dat zij zwart zouden gaan werken.

New Deal Het politieke programma van president Roosevelt, gericht op een bepaalde aanpak van de crisis van de jaren dertig. Deze aanpak bestond uit een combinatie van grote werkgelegenheidsprojecten, sociale wetgeving en een bijbehorende uitbreiding van het overheidsapparaat.

Agricultural Adjustment Act Geheel van wetten in het kader van de New Deal om de boeren te beschermen. Vooral gericht op het verlichten van de schuldenlast van de boeren en het beperken van de productie.

Federal Emergency Relief Act Wet in het kader van de New Deal die onder andere zorgde voor een uitkering voor werklozen.

Works Progress Administration Overheidsorganisatie die verantwoordelijk was voor de organisatie van grote werkgelegenheidsprojecten.

Supreme Court Hoogste rechtsprekend orgaan in de VS dat wetten aan de grondwet kan toetsen. In het systeem van ‘checks and balances’ is dit orgaan in het leven geroepen om te voorkomen dat de president te veel macht krijgt.

Social Security Act Sociale voorziening, ingesteld in het kader van de New Deal. Door deze wet heeft iedere Amerikaan die geen inkomen heeft recht op een uitkering van de overheid. In Nederland te vergelijken met ‘de steun’ (jaren dertig) of ‘de bijstand’ (vanaf 1963)

Gouden standaard Systeem van vaste wisselkoersen, waarbij landen de waarde van hun munteenheden met elkaar koppelen door voor iedere munt een vaste goudwaarde af te spreken.

Plan van de Arbeid Plan van de SDAP om te komen tot een oplossing van de economische crisis. Dit plan voorzag in een groot aantal werkgelegenheidsprojecten en overheidsinvesteringen die eventueel betaald zouden moeten worden door de staatsschuld te laten oplopen.



3 1945-1975: Van oorlogseconomie naar welvaartsstaat



Deelvraag:

Welke factoren bepaalden na de Tweede Wereldoorlog het ontstaan van een welvaartsstaat in beide landen en welke effecten had dit op de samenleving?



3.1 Economische ontwikkelingen

Verenigde Staten

Na WO2 Amerikaanse economie sloeg om. Van oorlogseconomie -> productie

consumptiegoederen: succes->groot arbeiderstekort en landbouwproblemen verdwenen (-> mechanisatie). Mensen sparen, door gebrek aan duurzame consumptiegoederen voor geld uitgeven.

1940 Begin van economische groei. Van '45 tot '70 kwam er elk jaar gem. 3,5% bij.

Na WO2 Babyboom -> grote vraag naar allerlei consumptiegoederen

Rol overheid (door oorlog) groter geworden als vrager goederen&diensten. Overheid besteedde meer geld, vooral voor defensie (Koude Oorlog) -> technologische vernieuwing. VS enige land uit de oorlog met versterkte economie -> Monopoliepositie.

'45 - '55 35% stijging arbeidsproductiviteit

Begin ’70 hoge oliekosten, door besef bronnen niet oneindig. VS veel last: te grote afhankelijkheid van auto-industrie en goedkope grondstoffen.

’73 – ’90 Toename armoede; verbetering sociale zekerheid, door grotere vraag vanuit overheid bescherming tegen grote ramp als crisisjaren.



Nederland

- Grote materiele schade

- Wegen, bruggen, fabrieksinstallaties en de havens van Rotterdam waren vrijwel verwoest

- Landbouwgronden lagen voor 'n groot deel onder water

- Geld voor de noodzakelijke importen was er niet

- Duitsland (grootste afzetgebied) lag ook in puin

- Er kwam een koloniale oorlog en Nederland raakte Nederlands-Indië kwijt.

Nederlands niet zo optimistisch als Amerikanen, verbreken van verzuiling mislukte telkens, wel babyboom.

1950 Grotendeels herstelde oorlogsschade, NL leek klaar voor grote economische groei.

3 belangrijke factoren:

- Nederlanders bereid hard te werken en van consumptie af te zien (distributiestelsel) met

tegenover meer zekerheid door sociale voorzieningen+verzekeringen

- Marshallhulp (tot 1957) -> Landen mochten Amerikaanse bedrijven bezoeken en NL wilde

qua economie als Amerika worden

- De overheid trad in begin heel sturend op.

1952 NL voor het eerst overschot op betalingsbalans

NL lid van Europese Gemeenschap

1959 Ontdekking gasbel in Slochteren, meer vervulling van toenemende behoefte naar energie

-> NL profiteerde nog eens extra.

1972 Bedrijven steeds groter. 5 grootste multinationals 15% van werkgelegenheid, deze richtten zich vooral op verhoging van arbeidsproductiviteit.

1963 Eerste computers

Werkgelegenheid in industriesector nam niet veel toe, dienstensector werd belangrijker.

1971 37,3% van bevolking in industriële sector, 46% in dienstensector.



3.2 Overheidsbeleid

VS

Na WO2 elke president ingrijpen als economie dreigde in te zakken en belangrijkste onderdelen New Deal moesten in stand blijven.

Elke president eigen draai geven aan New Deal. Truman: Fair Deal. Eisenhower symboliseerde toenemende welvaart. Kennedy verstrikt in Vietnamoorlog en Johnson zorgde voor maatregelen als subsidies. Johnson heeft in zijn korte regeerperiode de meeste sociale zekerheidswetten erdoor geholpen. Presidenten -> macheteloos bij armoede. Individuele rijkdom belangrijker dan welvaart



Nederland

1946 Bevolkingsgroei

NL te weinig werkgelegenheid voor babyboomers -> richten op export.. Overheid zorgde voor dat bedrijven daar mee bezig gingen houden. Vakbewegingen, zoals Stichting van de Arbeid en de Sociaal- economische raad.

Na WO2 begon Rooms-rode coalitie met Drees de verzorgingsstaat, Nederlandse variant van welvaartsstaat. De overheid creëerde op materiele en immateriële vlak uitgebreide voorzieningen

1973 Oliecrisis

Na oliecrisis kritiek op kosten van verzorgingsstaat -> bezuinigen op de kosten



3.3 Effecten op de samenleving

Verenigde Staten

Jaren 50 ‘Gouden jaren’

Voornamelijke profiteurs: blanke arbeiders en de middenklasse

Veel mensen naar suburbs waar nieuwe, op consumptie gerichte levensstijl ontwikkelde -> echte klassenloze samenleving (zwarten vaak met discriminerende regelgeving uitgesloten).

Bij ideale gezin ook ideale vrouw (=‘Balanced Homemaker’): - getrouwd op haar zestiende

- vier kinderen

- actief als vrijwilligster op school

- ‘bezig met cursus Frans’

- trampoline springen (slankblijven)

J. Galbraith uitvinder ‘kwaliteit van het bestaan’ = veel geld te besteden hebben, niet weten wat er mee te doen. Idee: overheid belasting iets verhogen en kwaliteit van bestaan verbeteren (voorzieningen milieubescherming, zorg en onderwijs) -> nog niet veel mee gedaan.

‘babyboomers’ -> tieners: eigen levensstijl ontwikkelen om zich af te zetten tegen oude gezapige leven: - nieuwe muziek

- nieuwe kleding

- gebruik van verdovende middelen

- nieuwe seksuele moraal

- afkeer tegen Vietnamoorlog; geen zin in dienstplicht in uitzichtloze oorlog

Kwart Amerikanen armoedige omstandigheden (veel zwarten): werden wel keer geholpen als economie zou blijven groeien. Blanken weg uit binnensteden, plaats ingenomen door zwarten uit Diepe Zuiden werkzoekend. Werkgelegenheid verdween naar suburbs -> alleen nog verouderderde, slechte huizen met onregelmatig en slecht betaalde baantjes. Burgerrechtenbeweging politieke rechten terug aan zwarten, maar economische achterstand niet snel op te lossen. Blanken konden dit wel-> rellen in getto’s



Nederland

1953 – 1973 bijna onafgebroken economische groei én sterke bevolkingsgroei

koopkracht verviervoudigd

geleide lonen, op den duur niet vol te houden

profiteren niet zo maar, aan het begin sparen, angst welvaart niet blijvend. Jongeren trendzetters, gevolgd door ouders. Koelkasten, wasmachines, tv’s (1955), auto’s, supermarkt. Laatste maakte beeld van moderne consumptiemaatschappij compleet.

Sociale mobiliteit steeg door betere mogelijkheden op arbeidsmarkt en verbeteringen in onderwijs

Minder afhankelijk van kerk/familie -> onafhankelijkheid -> verlangen naar vrijheid -> protesten tegen burgerlijke Nederland met zuilen, gezagsgehoorzaamheid en strenge fatsoensnormen.

‘babyboomers’ kritiek op consumptiemaatschappij, gooiden strenge seksuele moraal overboord en voerden grappige acties met succes.

Eind jaren vijftig Gastarbeiders, gedacht tijdelijk in Nederland te blijven, om krapte op Nederlandse arbeidsmarkt op te lossen. Deden zware werk. Gastarbeiders – allochtonen – bleven echter in Nederland -> nieuwe kwetsbare groep in samenleving. In jaren zeventig ging het slechter met economie: zij werden zwaarst getroffen.



Epiloog (vrouwenarbeid in de VS en Nederland)

Jaren zestig in beide landen, vrouwen ontevreden over bestaan, kwam door gebrek aan

deelname aan economie. Opstandig.

In Nederland: vrouwen niet hoeven te werken, niet zelfstandig geld verdienen, niet al te veel opleiding nodig. Achterstand van Nederland op VS en Europa wordt langzaam ingehaald.



Begrippen

Economische groei Toename van het nationaal inkomen. Het economisch systeem dat we sinds de Tweede Wereldoorlog kennen, wordt gekenmerkt door een bijna permanente economische groei in de westerse wereld.

Babyboom Plotselinge toename van het geboortecijfer na de Tweede Wereldoorlog. Dit fenomeen trad zowel in de VS als in Nederland op.

Marshallhulp Economisch hulpprogramma van de VS om Europa na de Tweede Wereldoorlog weer op de been te brengen

Fair Deal Politiek programma van president Truman, dat gezien kan worden als een voortzetting van de New Deal.

Stichting van de Arbeid Organisatie van werkgevers en werknemers waarin overlegd wordt over de algemene loonontwikkeling. Vaak zit de regering er ook bij.

Sociaal-economische Raad Adviesorgaan van de overheid waarin vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en deskundigen zitten.

Verzorgingsstaat Een samenleving waarin de overheid verantwoordelijkheid neemt voor het welzijn van mensen door middel van sociale voorzieningen.

Welvaartsstaat Staat waarin de overheid zich medeverantwoordelijk voelt voor de zorg voor de zwakkeren in de samenleving en waarin een redelijk inkomensniveau gegarandeerd is. De overheid probeert door haar economisch beleid ernstige crises te voorkomen.

Suburbs Buitenwijken van grote steden, doorgaans bewoond door de middenklasse en rijkeren. De uitvinding van de auto maakte het ontstaan dan deze wijken mogelijk.

Getto’s Verpauperde delen van de binnensteden van de grotere steden, bewoond door minderheden (zwarte bevolking, Spaanstalige Amerikanen)

Geleide loonpolitiek Economische politiek valk na de Tweede Wereldoorlog waarbij werd gestreefd naar een zeer gematigde loonontwikkeling.

Consumptiemaatschappij Maatschappij waarin consumptie van (luxe) goederen centraal staat.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.